Een Arnhems meisje

Slide16-e1341588072516

Mijn grootouders van moederszijde: Theo Sanders en Maria Sanders-Gerritsen

Arnhemse meisjes zijn ovale hardgebakken koekjes die bestrooid zijn met suiker. Je ziet ze niet zoveel meer, maar in Arnhem kun je ze nog altijd krijgen. Ook mijn moeder was een Arnhems meisje. Ze groeide op in de wijk Klarendal en werd daar op 4 april 1905 geboren als jongste dochter van Theodorus Sanders en Maria Reiniera Gerritsen. Haar ouderlijk huis stond in de Willemstraat, die loopt tussen de Klarendalseweg en de Roosendaalsestraat. Haar vader had een bakkerij. Mijn moeder vertelde daar vaak over. Zo ging ze als kind met haar vader met paard en wagen de broden bezorgen bij de dure klanten aan de Velperweg.

Achter het huis was een stal waar het paard werd verzorgd. Mijn grootvader was nogal bijgelovig en het wilde nogal eens spoken in de stal. Eens dacht hij dat het paard door de duivel bezeten was, want elke ochtend trof hij het volkomen bezweet aan. Het paard stond dan achterste voren, terwijl niemand eraan had gezeten. Mijn grootvader heeft toen een kruisbeeld in de stal opgehangen. Daarna was het afgelopen met deze duivelse streken.

Mijn moeder had drie oudere zusters die alle drie ongetrouwd zouden blijven. Later gingen ze bij elkaar wonen in Huissen, een stadje onder Arnhem, waar ik als kind vaak ben geweest. Ook had mijn moeder nog een oudere broer, maar die wilde niet deugen. Later ging hij varen en thuis leerden wij hem kennen als Ome Toon die altijd op de meest ongelegen momenten kwam binnenvallen. Ome Toon was het zwarte schaap van de familie. Als kind was hij al  ‘een nagel aan de doodskist van zijn vader’. Hoe dan ook, ze konden het niet met elkaar vinden, terwijl mijn grootvader toch een hele aardige man moet zijn geweest. Zelf heb ik hem niet gekend.

Tot verdriet van mijn moeder is mijn grootmoeder niet oud geworden. Ze overleed op 28 januari 1924 op zestigjarige leeftijd. Zo staat het op een bidprentje dat ik nog van haar heb. Mijn moeder was toen pas 18 jaar oud. Mijn grootmoeder moet een erg zachtaardige vrouw zijn geweest en mijn moeder miste haar erg. Ze werd begraven op het R.K. Kerkhof dat aan de rand van Klarendal lag. De uitvaartdienst was in de Sint Janskerk, waar later ook mijn ouders getrouwd zijn. Eind jaren twintig had mijn moeder mijn vader leren kennen die toen al bij de PTT werkte. Aanvankelijk werkte hij in het hele land. Zo kwam hij bij de AKU in Arnhem terecht, waar hij mijn moeder destijds als telefoniste werkzaam was. ‘Pas op, het is een afgelikte beer!’ zeiden haar collega’s, maar mijn moeder zette door.

Zelf was ze veel te mondain voor de stijve Friese familie. Een echt ‘stêdtsje.’ Toen ze voor het eerst in Bakhuizen bij haar aanstaande schoonmoeder op bezoek kwam, was haar decolleté veel te diep. ‘Kun je, wat je hier hebt, niet daar aannaaien?’ vroeg Beppe, terwijl ze een wijzend gebaar maakte van pols tot hals. Maar het Arnhems meisje ze was natuurlijk smoorverliefd op mijn vader en die dorpse bekrompenheid nam ze op de koop toe. In 1931 trouwden ze.

Daarna gingen ze in Den Haag wonen, waar ook de eerste dochter werd geboren. In 1936 verhuisden ze naar Amsterdam, waar nog drie dochters zouden volgen, telkens met een tussenpoos van exact vier jaar. In 1947 werd dan eindelijk de eerste en enige zoon geboren: de stamhouder van de Mousen. Durk Manus had hij moeten heten. Mijn vader heette immers Manus Durk. Maar mijn moeder vertikte het en hield haar poot stijf. Tussen haar en de Friese familie is het daarna nooit meer helemaal goed gekomen. Als er een boze brief uit Friesland kwam, verdween die ongeopend in de kachel.

In de jaren voor haar huwelijk hield mijn moeder van uitgaan en van dansen. Daarmee had ze het niet makkelijk, want ‘de dansvloer is het plafond van de hel’, werd er thuis vaak gezegd. De jaren twintig waren in het Roomse Nederland een tijd van dreigende verwording van de jeugd. Jongeren gaven zich over aan bioscoopbezoek en de charleston, hoe fel de pastoor in de kerk daartegen ook fulmineerde.

Mijn moeder moet zich daar niet veel van aan hebben getrokken. Ze was een echt fuifnummer en had altijd een fleurig humeur. ‘Een verwaaid nest’, zo werd ze op school genoemd. Eigenlijk is ze dat haar leven lang gebleven. Ik heb de slordigheid van mijn moeder geërfd. Naarmate ik ouder werd is mijn handschrift steeds meer op dat van mijn moeder gaan lijken. Vaak kan ik het zelfs niet eens meer lezen. In alles was mijn moeder de tegenpool van mijn vader: ze was spontaan, impulsief en had het hart op de tong.

In de herfstvakantie van 1966 ben ik nog eens alleen met mijn moeder een dagje naar Arnhem geweest. Mijn vader was een half jaar daarvoor overleden. Ze liet me toen de plekken van haar jeugd zien. De Willemstraat bijvoorbeeld, waar de bakkerij heeft gestaan. We zijn toen ook nog bij een jeugdvriendin langs geweest, die nog altijd in Klarendal woonde. We liepen over de Zijpendaalse weg, waar ze vroeger bij haar vader op de kar de broden aan huis bracht.

Bij Musis Sacrum hebben we koffie gedronken, en ’s middags wandelden we in het park Sonsbeek, waar tussen de geurende herfstbladeren een beeldententoonstelling was te zien. Ik herinner me nog, dat we even bij De Slegte in de Jansstraat zijn langsgegaan, waar ik twee boeken kocht – van Nietzsche en van Jung – die nog altijd in mijn boekenkast staan. Mijn moeder liet me mijn gang gaan. Dat deed ze al toen ik nog kind was. ‘Je hebt ook wat van mij’, placht zij te zeggen, als ik wat wat somber was of zwaar op de hand.

In de jaren zeventig begon mijn moeder de eerste symptomen van Alzheimer te vertonen. Ze was wat vaak de sleutel kwijt van het huis. Toen ze een keer op reis was en wij de parkieten water zouden geven, had ze de kooi naast het zand gezet, zodat de parkieten dood in de bodemloze kooi lagen. Ze kreeg op haar verjaardag een bandrecorder, maar die kon ze niet bedienen. Toen heb ik pleisters met daarop nummers en pijlen op het cassettedeck geplakt, zodat ze altijd een gebruiksaanwijzing bij de hand had.

Gaandeweg vielen er steeds meer gaten in haar geheugen. Het verleden leek te verdwijnen en alleen haar vroegste jeugd hield stand. Op een keer had ze haar eigen stem opgenomen:‘ Hier spreekt jullie moeder,’ sprak ze op gedragen toon. Het was kennelijk een opname voor later, als ze er zelf niet meer zou zijn. Die stem heb ik nooit meer terug gehoord. Ik zou ook niet weten waar dat cassettebandje gebleven is. Ze zong Lorelei in het Duits, waarschijnlijk omdat dit liedje haar herinnerde aan haar eigen jeugd.

Har laatste jaren bracht ze door in Zevenaar, waar mijn zus Cornelie haar eerst een tijdje in huis nam alvorens ze in een verpleeghuis belandde. Ze ging toen nog wel eens naar de kerk, maar mijn zus vond dat uiteindelijk niet meer verantwoord. Vaak was mijn moeder het niet eens met wat de de priester vanaf de preekstoel verkondigde. Op een keer begon zij te roepen: ‘Schande, schande !’ terwijl mijn zus haar snel de kerk uit leidde. Op het laatst zei ze nog maar één zin: ‘We hebben het goed gedaan ! ….We hebben het goed gedaan.!’

Daar had ze volledig gelijk in. Ze had het goed gedaan.

Op 16 februari 1989 is mijn moeder overleden, 83 jaar oud, maar nog altijd ‘een Arnhems meisje’. Ze werd niet begraven, maar gecremeerd in het crematorium Moscowa in Arnhem. Nog altijd bewaar ik haar rouwkaart. Bovenaan staan woorden uit psalm 126:

‘Als Hij ons thuis brengt uit onze ballingschap, dat zal een droom zijn.’

In het begin van de novelle Bouwval van Frans Kellendonk gelooft de tienjarige hoofdpersoon nog in de onsterfelijkheid van de ziel en aan het eind van het verhaal ontdekt hij in de bodem van de auto van zijn vader een gat, en door dat gat ziet hij een oneindige lege kosmos. Later in zijn leven schrijft Kellendonk: ‘Ik heb in het hart van de schepping een leemte ontdekt waar God, als Hij bestaat, mooi in zou passen’.

In zo’n leemte zou ook mijn moeder passen. Het katholicisme is in Nederland uiteindelijk een fossiel geworden uit een voorgoed voorbije tijd. Een fossiel dat wonderlijk genoeg nog steeds het vermogen in zich heeft om een intens gevoel van nostalgie op te roepen. Voor mij geldt dat in hoge mate, vooral als ik terugdenk aan mijn moeder.

Geen reactie mogelijk

De lijn wordt weer een cirkel

Slide1

Onze 
lineaire tijd-as, die zo vanzelfsprekend ons denken bepaalt, is in feite een constructie is van het 
denken zelf. De gedachte dat de tijd zich op een rechte lijn beweegt is ergens in de tijd zelf ontstaan. Er 
wordt wel beweerd dat dit moment samenvalt met de overgang van het polytheïsme naar het 
monotheïsme. Wonderlijk genoeg wordt die gedachte in de Griekse mythologie al 
aangekondigd. De Grieken noemden de tijd Kronos, de jongste van de Titanen, de twaalf 
kinderen die waren voortgekomen uit het huwelijk van de aarde met de hemel: Gaia en 
Ouranos. Toen Ouranos niets meer van zijn kinderen wilde weten, zette Gaia ze op om hun 
vader te wreken. Allen aarzelden behalve Kronos. Zodra de nachtelijke hemel zich uitspreidde 
over de aarde, verminkte Kronos de hemel op afschuwelijke wijze en verdreef zijn 
heerschappij. Uit het bloed dat voortdruppelde uit de schoot van de aarde kwamen gruwelijke wezens voort, de furiën, het noodlot, de slaap met zijn angstaanjagende dromen en 
uiteindelijk zelfs de dood.

Voortaan werd alles beheerst door Kronos die zijn zuster Rea tot vrouw nam. Maar toen Kronos van Gaia vernam dat ook hij door zijn eigen kinderen 
verdreven zou worden, verslond hij ze één voor één zodra ze geboren werden. Alleen Zeus 
kon door een list van Gaia aan dit vreselijke lot ontsnappen. Kronos was de cirkel, Zeus werd 
de lijn. Zo ontstond uit het mythische denken van de Grieken het lineaire denken over de tijd. De Romeinen dachten niet langer in cirkels maar begonnen de tijd als een lijn te denken. De premoderne tijd was de cirkeltijd. De tijd dat de mensen nog zeiden: ‘Daar neem ik de tijd voor.’ De tijd van de lijn was de tijd van de vooruitgang die door Augustinus uiteindelijk verbonden werd met een heilsgeschiedenis. De lineaire tijdsbeleving die in de Griekse oudheid zich aankondigde, zou met de opkomst van het Christendom definitief 
zijn bevestigd. Met de theologie is ook de teleologie 
ontstaan, de gedachte dat alles een einde en een doel 
heeft. De prefiguraties in het Oude Testament vinden 
hun vervulling in het Nieuwe, maar daarna ontstaat de vooruitgang ten opzichte van de tijd die achter 
ons ligt, de wetenschap, de evolutie, de dialectiek, 
de klassenstrijd, de technologie.

Eigen aan het lineaire tijdsbesef is het begrip van de 
vrije wilsbeschikking van de mens, die zijn lot in eigen handen neemt en deels onafhankelijk wordt van het noodlot. Als de tijden niet terugkeren in een 
eeuwige wederkeer, ben IK het, die de tijden kan veranderen. Maar met deze vrije keuze komt ook een eigen 
verantwoordelijkheid in beeld, de moraal, de ethiek, het besef van goed en kwaad, die geen vaste gegevenheden zijn, maar die in elke situatie opnieuw moeten worden getaxeerd en gedefinieerd. Dat is, om kort te gaan, de geschiedenis van het christendom. De ene ware God en de lineaire, al maar voortgaande tijd waren sindsdien intrinsiek met elkaar verbonden. Voor Augustinus zou God zich voortaan schuil houden in de ervaring van tijd zelf. God zou verstopt zitten in het geheugen van de mens. Zo schrijft hij in zijn Belijdenissen:

Augustine

‘Waar heb ik u dus gevonden, zodat ik u leerde kennen? Want alvorens ik u leerde kennen waart gij nog niet in mijn geheugen. Waar heb ik u dus gevonden, zodat ik u leerde kennen? Waar anders dan in u, boven mij? En daar is geen sprake van een plaats; en wij verwijderen ons en komen naderbij, en van een plaats is geen sprake. Waarheid, overal zijt gij gezeten voor allen die u raadplegen, en aan allen tegelijk geeft gij antwoord, ook al raadplegen ze u over verschillende dingen. Duidelijk antwoordt gij, maar niet door allen wordt gij duidelijk gehoord. Zij raadplegen u allen over hetgeen ze willen, maar ze horen niet altijd wat ze willen. Uw beste dienaar is diegene die er niet zozeer naar uitziet om van u te horen wat hij zelf heeft gewild, maar die er eerder op bedacht is te willen wat hij van u gehoord heeft.’

Zo keerde de tijd daarna nooit meer op zijn schreden terug. De tijd werd onomkeerbaar een voortgang naar de dood. Het onbehagen in de voortgang van de tijd maakte de mens ongedurig. Hij ging op zoek naar verklaringen, naar wiskundige relaties tussen de dingen, naar de waarheid in de werkelijkheid. Zo ging hij de wereld onderzoeken door proeven te doen en die proeven almaar herhalen in de tijd. Zo ontdekte hij dat de wereld vol zit met onomkeerbare fenomenen, vanaf het simpelste tot de meer complexe verschijnselen die je dagelijks op je pad vindt. Als ik mijn tube tandpasta leeg knijp, dan krijg ik mijn tandpasta er niet meer in. Het zou een heksentoer zijn om dat te proberen. Maar dit soort alledaagse voorbeelden werden in klassieke natuurkunde bekeken als een vorm van fenomenologie, een tussenfase van de ware kennis, die op een zekere dag zou resulteren in een klassieke verklaring voor alles, zelfs voor de tijd. De richting van de tijd, zo werd steeds in de klassieke fysica beweerd, is altijd omkeerbaar. Dat wil zeggen: de tijd heeft geen richting.

Zowel naar links als naar rechts op de tijd-as zijn de processen spiegelbeeldig. Dat heeft alles met entropie te maken, dat wil zeggen: de mate van wanorde, waarin een systeem zich bevindt. Toestanden van wanorde zijn in een gesloten systeem waarschijnlijker dan toestanden van orde. Dus elk gesloten systeem beweegt zich vanzelf naar een toestand van wanorde. Als je het systeem opvat als een afgesloten gasmengel, dan geldt de tweede hoofdwet van de thermodynamica: ‘Bij een omkeerbaar proces is de toename van de entropie gelijk aan de toegevoerde warmte gedeeld door de absolute temperatuur.’ De entropie is dus een functie van de tijd die omkeerbaar is, als het om een richting gaat naar verleden of toekomst.

Maar de wereld als geheel geen gesloten systeem, zoals een afgesloten gasmengsel, maar een zeer complex en dynamisch, open systeem. Met de chaostheorie is de tweede hoofdwet van de thermodynamica in een ander licht komen te staan. De chaostheorie zegt in essentie dat in een situatie van instabiliteit elementen de neiging hebben om zich te organiseren tot structuren van een hogere orde (auto-organisatie, zo noemt Prigogine dat). De klassieke fysica ging altijd uit van ideale situaties. Situaties die herhaalbaar waren. Dat zijn gesloten situaties. Maar de werkelijkheid zelf is veel complexer.

Ilya

Of zoals Prigogine het ooit heel simpel heeft verwoord: ‘De klassieke fysica beschrijft de uitzondering, het bijzondere geval. Neem het voorbeeld van de slinger zonder wrijving. U kent dat wel: zo’n ideale slinger blijft eeuwig slingeren, daar zit geen element van tijd in. In de werkelijkheid is er echter wel wrijving, en de slinger valt stil. Er is duidelijk een richting van tijd, de beweging vertraagt, er is energieverlies (dissipatie). Wel, het is de ideale slinger die de uitzondering is, niet omgekeerd. Het irreversibele is geen benadering van het reversibele. Ik denk dat het omkeerbare een bijzonder geval is in een wereld die onomkeerbaar is.’

Het is niet zo dat alles zich voortbeweegt naar een hoogste mate van wanorde. Er is ook een impliciete tendens naar orde die zich in de wanorde zelf kan manifesteren. Zoals een luchtzak horizontaal strak gaat staan doordat hij door de wind wordt vol geblazen, zo kan een zekere mate van ordening ontstaan in een open complex en dynamisch systeem. De ordening ontstaat dan als het ware automatisch. Het chaotisch systeem creëert zijn eigen fuik waarin orde als vanzelf ontstaat.

Het verschijnen van leven op aarde wijst erop dat er ook een neiging is in de natuur naar toenemende complexiteit, een tendens die haaks staat op de zo vaak veronderstelde uiteindelijke hittedood van het heelal. Maar deze tendens naar orde is secundair, ‘tegen de wind in’ zoals dat heet. De wind waait naar de chaos toe. Wat uiteindelijk rest is de dood, de ultieme afwezigheid van een ordening. En toch vraag ik me wel eens in alle bescheidenheid af: Hoe zit dat met de tijd? Wat zit er eigenlijk achter de tijd? Bestaat er zoiets als een wereld ‘an sich’, waar de tijd misschien niet bestaat?

Of is er in het heelal alleen sprake van ‘gebeurtenissen’? Is de tijd een vorm van uitgestrektheid, om te voorkomen dat alles tegelijk gebeurt? Of heeft de tijd niets met ruimte en uitgestrektheid te maken? Eerlijk gezegd snap ik er helemaal niets van. Ik zou me zelfs kunnen voorstellen dat de richting van de tijd een illusie is. Wij denken dat de tijd vooruitloopt, omdat we ons in een heelal – of een deel van het heelal – bevinden, waar de wetten van de thermodynamica gelden. Entropie is hier inderdaad een functie van de tijd. Er ontstaat meer wanorde, naarmate de tijd verstrijkt. Maar omgekeerd zou het ook zo kunnen zijn, dat we de tijd ervaren als een vooruitlopend proces naar de toekomst toe, omdat we in een soort ‘entropie-dal’ leven, dat wil zeggen: in een ‘kuil’ van het heelal, waar de tijd op de ene helling vooruitloopt met toenemende entropie en op de andere helling terugloopt met afnemende entropie. Dit ‘entopie-dal’ ziet er dan als volgt uit.

fig

Er zouden dus ook andere regio’s in het heelal kunnen bestaan, waar alles dus omgekeerd verloopt. Een heelal waar de tandpasta weer terug in de tube kruipt en slechts af en toe een zekere mate van chaos ontstaat. Dat laatste heelal – zo las ik laatst – heeft Ludwig Boltzmann in het begin van de vorige eeuw bedacht. Het is een duizelingwekkende gedachte. Ergens ver weg buiten ons melkwegstelsel wonen wezens die eerst sterven en dan pas geboren worden. Zij gaan ’s ochtends naar bed en staan ‘s avonds pas op. Zij slikken al hun zinnen in. Het brood komt uit hun mond als ze eten. Kleine kinderen kruipen terug in de moederschoot als ze uiteindelijk sterven. De kinderen, die verslonden waren door Kronos, komen weer uit zijn gapende muil tevoosrchijn. De lijn zou zich weer sluiten in een cirkel. De doden stonden op uit hun graf. De poort van het paradijs zwaaide open. God trok zich terug in de hemel en de aarde – woest en ledig –  verdween uiteindelijk in het niet.

10903175_780710215309396_352346873_n

Ludwig Boltzmann was een briljant natuurkundige en filosoof, die in veel opzichten de tegenpool was van Ernst Mach. Beiden waren in een hevig debat verwikkeld. Het ging daarbij over ‘atomisme in een kinetische gastheorie’ tegenover de ‘fenomenologische thermodynamica’. De idealistische visie van Boltzmann (hij was een atomist) botste met de puur beschrijvende visie van Mach. In zijn in 1974 verschenen autobiografie heeft Karl Popper een prachtig hoofdstuk gewijd aan deze wetenschappelijke strijd op leven en dood, die honderd jaar geleden in Wenen is gestreden. Boltzmann’s theorie heeft het niet gered. De tijd heeft in de klassieke natuurkunde geen richting, zo concludeerde men op basis van tal van overtuigende argumenten. De relativiteitstheorie van Einstein bracht uiteindelijk de beslissende doorbraak teweeg. Boltzmann heeft de strijd verloren. Hij raakte zwaar depressief en pleegde zelfmoord in 1906.

Maar had hij echt ongelijk? Hoe zit het nu precies met de richting van de tijd? We leven nu honderd jaar later. De hedendaagse chaostheorie werpt een nieuwe licht op de klassieke theorie van de tijd. De spiegelbeeldige tijd zonder richting lijkt zijn langste tijd te hebben gehad. De gedachten van Bergson met zijn onderscheid tussen ‘temps’ en ‘durée’ – ‘geobjectiveerde tijd’ en ‘beleefde tijd’ – lijken door aanhangers van de chaostheorie opnieuw uit de kast te worden gehaald. De structuur van ons bewustzijn is intrinsiek verweven met onze perceptie van tijd. Elke objectivering is een abstractie, de tijd zelf blijft telkens weer ongrijpbaar voor het verstand dat met tijd lijkt behekst. ‘De tijd is een uitbreiding van de ziel’, zei Augustinus al. We weten het niet, als we ernaar gevraagd worden. En we weten het, zolang we er maar niet over gaan denken.

Stel dat deze tekst, die ik nu schrijf, zich op een rechte lijn bevindt. Precies op het punt waar uw oog nu voortgaat van links naar rechts bevindt zich punt (t). Op dit punt (t) bevindt zich nu de tijd. Terwijl u verder leest zal dit denkbeeldig punt gaan voortbewegen, totdat de laatste zin van mijn verhaal door een laatste punt wordt afgesloten. 
Stel dat dit verglijdende punt van aandacht zich niet alleen op een lijn, maar tegelijk op een 
cirkel voortbeweegt. Dat kan alleen als mijn verhaal oneindig lang zou zijn. Het denkbeeldig 
punt beschrijft dan een cirkel die zo gigantisch groot is dat wij de kromming ervan niet 
kunnen zien. In dat geval zal het verschuivende middelpunt van mijn betoog ooit terug 
kunnen keren in de tijd. Het begin dan zal na het einde liggen en het einde voor het begin.

In onze tijd is er iets aan het veranderen in het 
lineaire tijdsbesef. Het vooruitgangsdenken is steeds minder vanzelfsprekend aan het worden, niet alleen op het terrein van de economie, maar ook op dat van de 
geschiedenis en zelfs van de exacte wetenschappen. Er dienen zich talloze richtingen aan, waarin het 
denken zich kan ontwikkelen. De geschiedenis kan ook op talloze manieren worden gereconstrueerd, al naar gelang het standpunt dat we kiezen, en in de fysica is in laatste instantie geen onderscheid meer te maken tussen een werkelijkheid, die door mij in een
waarneming wordt ervaren, of een werkelijkheid die door mij in een waarneming wordt gecreëerd. Het denkbeeldige punt, buiten het heelal van waaruit alles verklaarbaar zou worden, is aan het vervagen. Sterker, dat Archimedisch punt is er niet meer. De tijd 
gaat weer ronddraaien. Het einde is zoek.

Met deze constatering komt het archaïsch beeld in 
zicht. Het cyclische zou opnieuw het dualisme impliceren, de gelijkwaardigheid van goed en kwaad, de hernieuwde overgave aan het noodlot of het complot van 
de wereld, het fatalisme en het verdwijnen van de vrije wilsbeschikking, het vervagen van de verantwoordelijkheid en de ethiek. In de geschiedenis van
 het christendom is deze traditie van het dualisme en het cyclische altijd in de schaduw gedrongen, verdreven naar de ketterse traditie van de Manichaërs, de Katharen en in laatste instantie naar de Antichrist 
van Nietzsche met zijn Jenseits von Gut und Böse en 
zijn leer van de eeuwige wederkeer. Er is iets nieuws  op komst. Maar is het wel iets nieuws en onbekends, of is het juist iets heel ouds? Hoe dan ook, de tijd keert zich om zonder dat we daar erg in hebben. De wereld wordt weer heidens en de lijn wordt weer een cirkel. Het wordt weer tijd om de tijd serieus te nemen.

Reageer

Goud smelt in Venetië

Ik bevond mij vannacht in een ruimteschip in Venetië. Hemelse muziek bracht me in hoger sferen. Een nieuwe hemel voor een oude aarde. Ik werd weggevoerd in een soort pre-oedipaal nirwana, waar de nieuwe technologie ons ooit met zijn allen naar toe zal leiden. Een wereld voorbij leven en dood.

Er komt een dag dat we geen onderscheid meer kunnen maken tussen de virtuele werkelijkheid en de alledaagse realiteit. Dan passeert de mensheid een grens die onomkeerbaar is. We zijn dan eindelijk goden geworden, de astronauten van een nieuw heelal in een werkelijkheid die niet bestaat. Ik denk niet dat ik dat ooit nog mee zal maken. De technologie vordert gestaag, maar zo’n brilletje waardoor je de virtuele werkelijkheid kunt zien, doet me nog altijd meer aan een toverlantaarn denken, dan aan de poort naar een nieuw heelal.

En toch, we zijn op weg naar de ultieme verruimtelijking van de tijd. Heden, verleden en toekomst worden in de nabije toekomst ontsloten voor een nieuw soort pioniers in de tijdruimte van Einstein. Het is de verborgen uitdaging van de techniek om een verbinding 
tot stand te brengen tussen de gelijktijdigheid van de historische 
ruimte  en de 
gelijktijdigheid van de geografische ruimte. Alles, maar dan ook alles, komt open te liggen. Het is slechts een kwestie van tijd.

Er zijn mensen die menen dat deze nieuwe werkelijkheid een nieuw soort religie zal voortbrengen. Gaia, die oude moedergoedin van de aarde, zal dan vervangen worden door een soort kosmische Big Mama. Die Grote Moeder zal ons allemaal opvreten. Het wordt één groot verdovend nirwana, waar het bewustzijn zich eindeloos in zal overgeven aan een permanente staat van perplexiteit, de epifanie van het sublieme die mogelijk wordt door de nieuwe technologie. Zo zouden we op de drempel staan van een ‘Nieuwe Openbaring’. Een nieuwe Godin zal de wereld komen redden. In ruimteschepen keren we terug als in de buik van de oudste moederschoot. Jonas in de Walvis wordt Hamlet op het Holodeck. Stel je voor….het zou zomaar kunnen gebeuren.

De wereld slaapt bij gebrek aan herinneringen. Ik was een verzonken stad en ik kom boven. Vijf poorten bieden toegang tot de wereld. Vijf zintuigen leiden naar het plein. Het is maar een stip in het heelal, een detail en geen dochter van Elysium, maar een detail kan spreken en als ze dat allemaal zouden doen, dan gaat de wereld zingen. Kunst is leuk voor kunsthistorici en voetbal voor gesjeesde intellectuelen, maar dit is wat anders. Dit is aandacht, liefde en respect. Dit is meer dan verbeelding. Het is gewapende fantasie. Dingen die niets met elkaar van doen hebben krijgen onvermoede verbanden. De waarheid ligt voor de hand en is dom als een koe. De maat is anders dan het ritme. Het zijn syncopen met een crescendo. Kijk maar naar de poppetjes in mijn ogen. Het is idioot maar het klopt.

Het is het spel van de cirkel en de lijn, een elektronische cycloïde tussen I Tjing en de universele veldtheorie, een gordiaanse knoop in de draad van Ariadne en Alexander scheurt de bladzijde doormidden. Het is het nieuwe ritme, de nieuwe dans met woorden, alsof je in een open sportwagen door Bagdad rijdt of op een kruisraket over Syrië vliegt. De kroon van Maximiliaan staat op de Westertoren in Amsterdam. Goud smelt, beton gaat rotten, maar dit kan niet kapot. Het geluk kleeft aan architectuur als woorden aan beelden. De taal is niet gebakken uit klei maar gesmeed in elektriciteit. In een vaporetto vlieg ik over het water. De zwaartekracht biedt weerstand tot zolang het duurt. Ik zie een stip aan de horizon en op het strand van het Lido ligt een zeemeermin. Er valt een gat in de dag.

Een ober rekent af op het Campo Santo in Siena. Op het Piazza Navona wordt een foto genomen. Er staat een bankje op het Place des Vosges. Op het Vrijthof klinkt muziek van Tina Turner. Het huis van Josephine Baker, ontworpen door Adolf Loos, is te koop op een bouwplaat. In Venetië valt een toren om op een schilderij. Het gaat regenen boven Angoulême en er valt een porseleinen stilte. Tussen Gent en Brugge hoor ik de noordenwind in een chanson van Brel. Het is Indian Summer in Manhattan. In de Dokkumer Ee drijft bij wijlen een kurk voorbij.

Ik hoor de klik van een camera en de woorden gaan vanzelf. Er klopt iets niet. Wat betekenen deze zinnen? Ze zijn niet ongrammaticaal en ook niet zinloos. Wat is er toch aan de hand met de klanken van een plaatsnaam? De in het duister hangende betekenis verwijst ergens naar, nergens naar of beide? Is het soms aangeslibd land dat nog niet is ingepolderd? Of zijn het wat schelpen en restanten van een wrak? Telkens weer verschijnen er beelden op het scherm van mijn computer. Droom ik? Ik kijk in de spiegel. Twee starende ogen zie ik. Ik kijk om me heen en sla de handen voor mijn ogen. Overal en nergens ben ik. Ik val in een stroom.

De tijd is vloeibaar en stroomt. Ik ben een lichtkrant in een zwart gat, een lantaarn in het gewelf van een arcade, een glazenwasser in een duistere kamer en hier worden alleen Pierrots geboren. Modellen die eeuwig poseren en nooit meer uit hun rol vallen. Ik heb een foto in mijn kop. Alles staat stil in Venetië. Drie keer stuiteren de woorden. Poëzie, die geboren kan worden te midden van eeuwenoude architectuur, is het doen geboren worden van stilte. Weer hoor ik een klik. De lens draait en zoekt naar het juiste diafragma, de juiste draai aan de woorden. Ik val in slaap en droom van een ruimteschip in Venetië.

Het sublieme is onbereikbaar geworden. Het verleden zit voor eeuwig op slot en het eeuwige zit opgesloten in het verleden. We beleven alleen nog de fossiele restanten van de historische ruimte. Het is zoals Hegel schreef: ‘De gestalte van het leven is oud geworden en met grauw in grauw valt zij niet meer te verjongen, maar enkel te herkennen.’ De tijd staat niet stil. Wij staan stil. Alles staat stil in Venetië. Uiteindelijk is het leven een generale repetitie voor een première die nooit plaats zal vinden. Wij zijn bevroren beelden, poserend voor een foto die nooit zal worden genomen.

Geen reactie mogelijk

Bij het verlaten van Venetië

Gisterochtend, 11.40 uur

Om het verleden te ontdekken moet je op reis gaan. Niet alleen in de tijd, maar ook in de ruimte. Zo ben ik in de afgelopen weken twee keer achter elkaar in Venetië geweest. Dwalend door die oude stad stonden we opeens voor een arcade. Ik kreeg een vreemd gevoel van déja vu. Was ik hier ooit eerder geweest? Ik kon het me niet herinneren. Toch oogde deze omgeving heel vertrouwd. Alsof ik me er helemaal thuis voelde en één werd met het plaveisel, de stenen en het uitzicht op het water in de verte. Het leek een hervonden herinnering die in een flits tevoorschijn kwam in mijn brein. Maar was het echt waar die herinnering naar verwees, of leidde mijn geheugen mij om de tuin en verbeeldde ik mij dat ik hier eerder had gelopen, in een vorig leven misschien?

Jaren geleden las ik het boek van Frank Ankersmit De sublieme historische ervaring (2007). In een rijk betoog verdedigt hij daarin de stelling dat subjectiviteit voor de historicus onmisbaar is om het verleden adequaat weer te kunnen geven. Er moet iets resoneren tussen de schrijver en de tijd die hij beschrijft. Die beslissende ervaring lijkt iets gemeen te hebben met het verleden en kan soms heel vluchtig en kortstondig zijn, een soort flits waarin alles ineens duidelijk wordt.

Het zijn vaak onbeduidende gebeurtenissen of aanleidingen waardoor de flits met het verleden plotseling tot stand komt. Zo kan het zien van een foto, een film of een kunstwerk opeens een cruciale factor worden. Ankersmit verbindt dit gevoel van herkenning met zijn vroegste jeugd, toen hij als kind vaak ziek was en gedwongen thuis moest blijven. De rijke bloemfiguren op het behang prikkelden zijn verbeelding en maakten hem gevoelig voor een ander universum, de wereld van het eindeloos krullende rococo-ornament en de gewichtloze tijd van de nutteloze verveling.

Zo’n stemming uit de vroegste jeugd kan iemands persoonlijkheid voor de rest van zijn leven bepalen, maar ook een specifieke antenne creëren. De historicus moet het juist daar van hebben. Zijn eigen eigenaardigheid maakt dat een gesloten wereld uit het verleden voor hem open kan breken. Het meest eigene uit je vroegste jeugd fungeert dan als toegangspoort voor het sublieme.

Francesco Guardi,  Arcade met lantaarn

Ook een tweederangs kunstwerk kan opeens een cruciale factor worden, waardoor de flits van het verleden tot stand komt. In zijn boek geeft Ankersmit als voorbeeld een schilderij van Francesco Guardi (1717-1793) Arcade met lantaarn, dat ooit bij hem zo’n openbaring teweeg heeft gebracht. Het schilderij laat een typisch Venetiaanse voorstelling zien uit de achttiende eeuw. Een paar clowneske figuren houden zich op onder een arcade met uitzicht op de lagune. Het blijken Pulcinella’s te zijn, figuren uit de commedia dell’ arte. Een soort kruising tussen dandy’s en zombies, schimmen van dode zielen die spelen dat ze leven.

Het bijzondere is dat deze Pulcinella’s niet op het toneel staan, maar zomaar op straat zijn te zien. Daardoor krijgt de hele voorstelling iets dubbelzinnigs. Niet duidelijk is of het echt is of onecht. De werkelijkheid lijkt een theaterdecor te worden en met allerlei formele middelen heeft de schilder dit toneeleffect weten te versterken. De geschiedenis is een schouwtoneel, evenals het geheugen. We herinneren ons van alles, maar of dat ook werkelijk zo geweest is moeten we maar geloven.

We leven in een tijd, waarin niet alleen de geschiedenis, maar ook het persoonlijke verleden steeds belangrijker wordt. Sinds er voor velen geen God meer is, die voor de zin van het leven garant kon staan, moet de mens het zoeken in begrippen als karakter, eigenheid en identiteit. En waar kun je ‘het eigene’ beter vinden dan in het verleden. Zo wordt de geschiedenis geruisloos gepromoveerd tot een nieuw soort transcendentie. In het verleden kun je niet alleen jezelf herkennen, maar ook troost vinden.

Reageer

Pauze

Reageer