Herinneringen aan 1960

Mijn plakboek van de Olympische Spelen in Rome in 1960. Op de foto: Wilma Rudolph met de Italiaanse atleet Berutti.

Het was een raar jaar 1960. Rudy Carrell zong ‘Wat een geluk dat ik een stukje van de wereld ben’ op het Eurovisiesongfestival. Chubby Checker maakte de wereld gek met een nieuwe dans, de twist, en ging er daarna met de Hollandse Miss World Rina Lodders vandoor. De Olympische Spelen werden die zomer in Rome gehouden, waar Abebe Bikila uit Ethiopië op blote voeten de marathon won en Wilma Rudolph als een adembenemende, zwarte gazelle naar drie gouden medailles draafde. Een paar maanden later zou John F. Kennedy tot president van Amerika worden gekozen. De Koude Oorlog was kouder dan ooit. De Russen schoten een Amerikaans spionagevliegtuig uit de lucht, maar de wereld draaide gewoon door. Wat heet, What a wonderful world van Sam Cook werd een wereldhit in de zomer van 1960.

Deze foto van mijzelf is uit 1960. Hij is gemaakt in de Beijenkorf in Amsterdam. Oorspronkelijk maakte hij deel uit van een reeks van 24 pasfoto’s die samen op één vel papier waren afgedrukt. Elke foto had een andere gelaatsuitdrukking en op elke foto keek ik een andere kant uit. Ik kan me nog herinneren dat ik vlak voor de fotosessie naar de kapper was geweest. Zelf was ik helemaal niet tevreden over het resultaat.

Ik vond mijn haar veel te netjes zitten. Het was nog nat van de spuit. Dat was zo’n zilveren bol met een sproeier erop en een slang met rode rubberen bal waar je in kon knijpen. In dat jaar 1960 kwam ik van de lagere school. Ik kan me nog herinneren dat ik geen toets hoefde te doen, want ik had vier achten voor taal, rekenen, geschiedenis en aardrijkskunde. Dus kon ik meteen naar het IG. De grote wereld van Grieks en Latijn, wiskunde en wetenschap.

Op 2 juli 1960 overleed Beppe. Ze was toen 87. Ook die dag kan ik me nog goed herinneren. Er kwam ’s ochtends vroeg telefoon uit Friesland. Mijn vader stond nog in zijn borstrok. Hij was enigszins ontdaan toen hij de telefoon weer op de haak legde. Mijn moeder troostte hem. We zijn nog samen naar de begrafenis geweest, met de boot van Enkhuizen naar Stavoren, zoals mijn vader en ik wel meer hadden gedaan. Mijn moeder bleef thuis voor de kinderen. Daar hoorde ik nu even niet bij. Als stamhouder diende ik immers aanwezig te zijn bij deze voorname gebeurtenis, ook al was ik pas twaalf jaar oud. Toen we aankwamen in Bakhuizen, lag Beppe nog in de voorkamer opgebaard in de kist, met de oorijzers nog op. De gouden helm, noemden wij dat. Ik neem aan dat ze daarmee niet het graf in is gegaan, maar je weet het maar nooit.

Het werd een lange, mooie zomer. Ik ging in die tijd ook veel naar het honkballen kijken. Die sport was toen heel populair in de Watergraafsmeer sinds de Europese kampioenschappen twee jaar daarvoor op het terrein van OVVO op de sportvelden bij de Kruislaan. Ook ging ik wel eens naar een honkbalwedstrijd naast het Ajaxstadion. De naam van de club die daar speelde ben ik vergeten. GAHVV of zoiets. Ik weet nog dat ik daar was op een mooie zonnige middag, toen ik op een transistorradio hoorde dat Ajax in een beslissingswedstrijd om het kampioenschap van Nederland met 5-1 van Feijenoord had gewonnen.

In woonde destijds in de Johannes van der Waalsstraat, waar je in de verte de doelpunten in het Ajax-stadion kon horen. Deze straat markeerde de rand van de Amsterdamse bebouwing, maar eind jaren vijftig  werd het weiland tussen de deze straat en Kruislaan volgebouwd met flatwoningen. In die tijd heb ik als jongen in één grote bouwplaats kunnen spelen, tussen achtergelaten betonmolens, kuipen met ongebluste kalk, opgestapelde kozijnen en bakstenen. En niet te vergeten, asbest, want daar werd toen niet zuinig mee omgesprongen. Het geluid van de heimachines dreunt nog altijd na in mijn kop: kaboem…kaboem…kaboem… het geluid van de wederopbouw.

Een stuk opgespoten land bleef nog een tijd lang onbebouwd. Daar voetbalden we altijd met jongens uit de buurt. Soms deed Joop de Kubber mee. Die speelde als prof bij FC. Amsterdam en later bij DWS. In maart 1953 had hij nog meegespeeld in de beroemde benefietwedstrijd in Parijs voor de slachtoffers van de watersnoodramp in Zeeland. Die prestatie gaf hem voor ons het aureool van een echte held. Later kwam ook nog Henk Groot van Ajax tegenover ons wonen, maar die voetbalde nooit mee in de buurt. Het zou me niet verbazen als zijn trainer Rinus Michels hem dat ook uitdrukkelijk verboden had.

Ik heb het voorrecht dat ik de grote Nederlandse voetballers uit de jaren vijftig nog live heb mogen zien spelen: Abe Lenstra, Faas Wilkes, Jan Klaassens, Kees Rijvers, Coen Dillen, Pietje van der Kuil, Cor van der Hart, Frans de Munck, Piet Kraak, Jan Notermans…. En niet te vergeten: Wim Bleijenberg, die in 2016 overleed, 85 jaar oud, nota bene in het verpleeghuis van Huissen, waar in 1989 ook mijn tante Door is overleden. Een paar weken geleden reed ik er nog langs op de fiets. 

Het was een beslissingswedstrijd om de landstitel die gespeeld werd in het Olympisch stadion. Dat was 26 mei 1960. Wim Bleijenberg werd de held van de middag. Hij verkeerde al in zijn nadagen. Het hele seizoen was hij verbannen geweest naar het tweede elftal, maar nog één keer mocht hij meedoen. Hij scoorde een hattrick jn die legendarische beslissingswedstrijd in 1960, zodat Ajax voor de tiende keer landskampioen werd. Gisteren ben ik nog even in mijn oude plakboeken gaan zoeken naar de elftalfoto van Ajax uit 1960 die genomen werd voorafgaande aan die roemruchte beslissingswedstrijd.

Kennedylaan scan20001

Op de foto staand (v.l.n.r) Van Mourik, Andriessen, Hoogerman (die vervangen werd door Pieters Graafland), Schaaphok, Muller en Smit. Zittend (v.l.n.r.) Swart, Henk Groot, Bleijenberg, Prins, en Feldmann. De trainer van het kampioenselftal was Vick Buckingham. Hij zou vier jaar later worden opgevolgd door Rinus Michels, die in 1960 al twee jaar met voetballen was gestopt.

Na 1960 is het voetballen bij mij een beetje in het slob geraakt. Maar in mijn studententijd pakte ik het weer op, niet alleen in de zaal, maar ook op het veld. Daarna was het afgelopen met het voetballen, maar ook met Amsterdam. Van mij schijnt te worden beweerd dat ik op een goeie dag zomaar naar het noorden ben vertrokken. Of – om met Nescio te spreken: ‘Zijn reis naar Friesland is altijd onopgehelderd gebleven.’

Het Oorlogsmonument op het terrein van J.O.S. (Bron:  Vrienden van de Watergraafsmeer)

’Het liedje J.O.S. Days van de The Nits geeft de sfeer van het voetballen in Amsterdam de late jaren vijftig goed weer. De velden van J.O.S. waren achter de Nieuwe Oosterbegraafplaats, vlak bij Betondorp. Ik heb daar wel eens gespeeld, maar dat was met RKAVIC tégen J.O.S.. Het oorlogsmonument bij J.O.S. – dat voorkomt in J.O.S. Days – staat er nog altijd. De club kreeg nog enige bekendheid omdat Rinus Michels het eerste elftal van JOS heeft getraind van 1959 tot 1964. Michels was in die tijd gymleraar op een school voor dove kinderen.(zie: hier) In 1965 werd hij trainer bij Ajax als opvolger van Vick Buckingham.

In 1958 heb ik Michels nog bij Ajax zien spelen als linksbinnen, naast Wim Bleijenberg, die midvoor was, en Donald Feldman die linksbuiten stond. Het Ajaxstadion was toen niet zo ver van het JOS-terrein vandaan. De opnamen voor de videoclip van J.O.S. Days van The Nits zijn ook in de Watergraafsmeer gemaakt. Henk Hofstede van The Nits woonde als kind in de Watergraafsmeer en heeft dus kennelijk bij J.O.S. gevoetbald. De videoclip is opgenomen in Amsteldorp, een wijk vlakbij het Amstelstation. Mijn zus Lucie heeft daar een tijdje gewoond, in de Reaumurstaat. Het huis daar was erg vochtig en ze had last van reuma, dus ze is er ook gauw weer vertrokken.

Rond 1960 gingen de tijden opeens snel veranderen. De ontdekking van de gasbel van Slochteren in 1959 kondigde een tijdperk aan van toenemende welvaart. De lonen stegen explosief binnen een paar jaar tijd. In 1963 werd de pil ingevoerd en bisschop Bekkers spoorde op TV de katholieken aan om in deze ‘tijden van overgang’ toch vooral hun eigen geweten te volgen. Daarmee werd de deur op een kier gezet voor de seksuele revolutie. Vier jaar later was Phil Bloom naakt te zien op het scherm van de TV. De rokken werden steeds korter en de haren almaar langer. Het was een tijd van grote verwachtingen. Maar niemand nog weten toen Ajax kampioen werd op zondag 26 mei 1960. 

Geen reactie mogelijk

De eersten zullen de laatsten zijn

‘Omschrijving van de cursus: een vrije opeenvolging van open situaties. Goede vibraties zijn in hoge mate relevant. Exploratie 
van de Innerlijke Ruimte, deconditionering van de menselijke ro
bot, betekenis van psychochemicaliën, en de transformatie van de 
Westeuropese mens. Bronnen-materiaal: Artaud, Zimmer, Gurdieff, W. Reich, K. Marx, gnostische, Tantrische en Soefi-teksten,  autobiografische beschrijvingen van krankzinnigheid en extatische 
bewustzijnstoestanden – Pop-art en proza uit de twintigste eeuw.’

Deze woorden zijn ontleend aan een oproep voor de cursus ‘Van strips tot de dans van Shiva’ die eind jaren zestig werd gegeven aan een universiteit in Londen. Theodore Roszak citeert ze in De opkomst van een tegencultuur (1971). Roszak beschrijft in dit boek de frontale botsing in het Amerika van de jaren zestig tussen de cultuur van het establishment en de tegencultuur van een jonge generatie. Die jonge generatie liet zich inspireren door mensen als Timothy Leary, Herbert Marcuse, Marshall McLuhan, Allan Watts, Paul Goodman, Allen Ginsberg en Norman Brown. Het was een bont samenraapsel van ideeën van nogal exotische herkomst: ‘de dieptepsychologie, herfstige overblijfselen van de linkse ideologie, oosterse godsdiensten, romantische Weltschmerz, de sociale theorie van het anarchisme, Dada en de folklore van de Amerikaanse Indianen en, vermoed ik, de eeuwige wijsheid.’

Als hij dit alles overziet maakt Roszak een vergelijking tussen de culturele revolte van de jaren zestig en de opstand van de eerste christenen. Roszak spreekt over het ‘christelijk scandalum‘ van tweeduizend jaar geleden dat ogenschijnlijk uit het niets tevoorschijn kwam. Zoals revolutionaire omwentelingen vaak ondenkbaar zijn totdat ze zich voltrekken. Vooraf ziet niemand het aankomen.

Het is een wonderlijke paradox dat de jaren zestig – toch bij uitstek het decennium van snelle secularisatie – op zichzelf een religieuze dimensie had, die een gelijkenis vertoonde met de tijd van de eerste christenen. ‘De eersten zullen de laatsten zijn.’ Het zijn deze woorden van Christus die in de jaren zestig opnieuw klonken, alsof na tweeduizend jaar de betekenis opnieuw begrepen werd. Bob Dylan zong het ook: ‘And the first one now will later be last. For the times they are a-changin’.

Degenen, die de omwenteling wèl zagen aankomen, bevonden zich in het oog van een vulkaan. Alles om het heen was in beweging, alsof er een vliegende schotel geland was, maar niemand wist waar. Op het moment suprème van de secularisering leek de religie heel even uit zijn as te herrijzen in een wereld die met de dag steeds mondiger werd. Spiritualiteit vierde hoogtij Tone God uit de wereld verdween. Maar de vraag diende zich aan of deze nieuwe, ‘a-religieuze religie’ wel een mogelijkheid had om te bestaan. Was het niet een wankel evenwicht, dat eenmaal aangekomen op zijn onbestaanbare rustpunt, meteen doorschiet in zijn extreme tegendeel. Hoe kan een God ooit nog herrijzen uit de dood van God? In 1969 wist Constant Nieuwenhuys uit de homo ludens van Huizinga een manifest te smeden voor een nieuwe generatie. In De opstand van de Homo Ludens schreef hij:

Deze massajeugd, vrijer, welvarender en talrijker dan ooit tevoren, wordt gedreven door een dadendrang die in een leegte slaat die gefrustreerd moet blijven. Deze drang is niet langer in toom te houden, zij zal zich, hoe dan ook, steeds sterker doen gelden. Tot het moment waarop de sublimering van deze drift tot creatieve drift, ’speel-drift’, mogelijk zal zijn geworden, zal zij zich uiten in agressiviteit, en zich keren tegen alles wat haar bevrediging in de weg staat.

Dat was het unieke omslagpunt in de jaren zestig, waarin de utopie in het heden indaalde en zich vervolgens acuut weer omkeerde. Het was het onbestaanbare kruispunt, waarop het heilige en het historische, het sacrale en het banale, één op één met elkaar samenvielen. Juist in deze paradox ligt wellicht ook de verklaring besloten, dat de Nederlandse samenleving, die destijds in een proces van snelle secularisering was verwikkeld, heel even indruk wekte dat Gods Koninkrijk snel naderde, zo niet al was aangebroken.

Als het waar is dat elke generatie de mogelijkheid heeft om Het Beloofde Land binnen te gaan, dan heeft de generatie van de babyboomers heel even in de waan verkeerd dat dit ook daadwerkelijk te gebeuren stond. Het was een waanidee dat wellicht ook tweeduizend jaar tevoren het brein van Jezus van Nazareth in bezit had genomen. Een vergelijkbare waan die in de jaren dertig Duitsland in zijn greep kreeg toen Hitler aan de macht kwam. Jezus had last van het waanidee dat het Koninkrijk Gods aanstaande was. En Hitler zag met zijn Derde Rijk een messianistisch waanidee werkelijkheid worden. All in een toepraak op 21 april 1921 had Hitler zijn partij met Jezus vergeleken. In zijn eerste autobiografie (zie hier), die in 1923  – twee jaar eerder dan Mein Kampf – verscheen, verscholen achter de naam van Adolf Viktor von Koerber, gebruikte Hitler Bijbelse taal als hij zijn genezing van blindheid in het Hospitaal van Pasewalk beschrijft:

‘Deze tot de eeuwige nacht veroordeelde, die zijn Golgotha onderging in dit uur, de geestelijke en lichamelijke kruisiging, de wrede kruisdood bij vol bewustzijn, de armzaligste uit de geweldige schare geknakte helden –  hij wordt ziende! Zijn verkrampte trekken ontspannen. En in een extase die alleen de stervende ziener kent vult nieuw licht zijn dode ogen, nieuwe glans, nieuw leven!’   

Niet alleen godsdienststichters zijn gevoelig voor messiaswanen, ook kunstenaars zijn er vatbaar voor. In zijn boek Jezus van Nazareth (2008) wijst Paul Verhoeven op overeenkomsten met Vincent van Gogh die in de laatste paar jaar van zijn leven bijna vierhonderd (!) schilderijen schilderde, waarin hij uitdrukking gaf aan dezelfde religieuze gevoelens die Jezus bezield zouden hebben en die Vincent beschreven heeft voor zijn broer Theo als ‘God of de natuur of hoe je het wilt noemen’. In diezelfde periode vervaardigde Vincent ook duistere werken die ‘een een gevoel van doem uitstralen’. Van Gogh zou dezelfde gevoelens hebben gekend die Jezus had toen ‘het Koninkrijk van God’ voor hem naderbij kwam. God zou willen dat hij stierf: ’La tristesse durera toujours.’ Een vergelijkbare ontwikkeling zou volgens Verhoeven Mark Rothko hebben doorlopen alvorens hij zelfmoord pleegde.

Het messias-syndroom wordt in de psychiatrie doorgaans gezien als een ontsporing van de geest die nodig weer in het gareel moet worden gebracht. Juist in de jaren zestig kwamen ook binnen de psychiatrie revolutionaire ideeën naar voren, waardoor het messias-syndroom in een ander licht kwam te staan. Deze beweging – de  antipsychiatrie – verzette zich niet alleen tegen het medisch bestel in het algemeen, maar ook tegen de psychiatrische inrichting als instituut en de psychiatrie als sociaal controlemiddel. In zijn boek Antipsychiatrie, een overzicht (1976) vat Kees Trimbos deze visie als volgt samen:  ‘De ervaring en het gedrag dat we schizofrenie noemen is een specifieke, positief te waarderen strategie, die een mens uitvindt om te kunnen blijven bestaan in een onleefbare situatie, in een psychosociaal schaakmat. Hij ervaart een reis te ondernemen, die beleefd wordt als een verder ‘naar binnen’ gaan en een teruggaan tot de oerervaringen van de mensheid. Het kunnen maken van deze bevrijdende reis is een ervaring, die normale, psychisch verstarde mensen nooit zullen hebben.

Voor de geestelijke gezondheidszorg waren de jaren zestig een verwarrende tijd, niet in de laatste plaats door de  opkomst van de antipsychiatrie.  Mensen als David Cooper en Ronald Laing wilden je laten geloven, dat het een uniek voorrecht was om in het huidige maatschappelijk systeem een psychiatrisch patiënt te zijn. De psychose was in hun optiek niet alleen een authentieke oerervaring uit een ver verleden, maar ook het ultieme verzet van het individu tegen de vervreemding van de moderniteit en de beknellende kooi van burgerlijke instituties als huwelijk en gezin. De schizofrenie is a natural healing process.’ Of zoals Ronald Laing het verwoordde: ”We hebben niet zo zeer behoefte aan theorieën, als wel aan de ervaring die de bron van de theorie is.’ Het doel van de ‘werkelijke gezondheid’ definieerde Laing als volgt:

De ontbinding van het normale ego, dat valse ik dat zo competent is aangepast aan onze vreemdeling sociale werkelijkheid: de opkomst van de ‘innerlijke’ archetypische bemiddelaars van de goddelijke kracht, en via deze dood en wedergeboorte, en de uiteindelijke hervatting van een nieuw soort functioneren van het ego, waarbij het ego nu de dienaar van het goddelijke is en niet langer de verrader daarvan.’

Het gezin was in de ogen van Laing niet de hoeksteen van de samenleving, maar een slagveld voor dezelfde ondergrondse machtstrategieën, waaraan ook de grote wereld in de tijd van de Koude Oorlog was overgeleverd. Het ging erom de mens uit dit dodelijk keurslijf te bevrijden. Op het hoogtepunt van de secularisering benadrukte Laing het belang van de intense religieuze ervaring, die juist in een psychose aan het licht kan treden, terwijl de reguliere psychiatrie daar blind voor was. ‘Wat heeft God met het handboek van de Amerikaanse psychiatrie te maken?’ zo vroeg Laing zich af. Hij nam stelling tegen de gestandaardiseerde psychiatrie, zoals die is vastgelegd in het DSM, The Diagnosic and Statistical Manual of the American Psychiatric Association. ‘De DSM’ zo stelde hij ’onderwerpt alles aan censuur, wat niet in het wereldbeeld van de psychiaters past, waaronder veel van wat vroeger in de menselijke culturen bij het dagelijks leven behoorde, bijvoorbeeld: God.’

Door goed te luisteren wat de psychoticus in zijn waanideeën aandraagt, konden de sleutels worden gevonden voor de oplossing van existentiële problemen, niet alleen binnen de specifieke situatie van de patiënt, maar ook in bredere zin. Veel grote religieuze figuren uit de geschiedenis hebben een psychotische periode doorgemaakt, zoals bijvoorbeeld Christus, Paulus, Jeanne d’Arc en Theresia van Avila. Vaak ging zo’n crisis gepaard met kosmische ondergangsvisioenen en een roeping om de wereld of een land of volk te redden. Psychotici zijn van huis uit ‘verlossers’. Hun verstoorde geest draagt dan groteske oplossingen aan voor grote problemen, maar in hun waanzin gaat niet zelden een verborgen methode schuil die allesbehalve waanzinnig is. De psychose staat aan de basis van menige religie of religieuze vernieuwing.

Veel mensen, die een zelf ooit een psychose hebben ervaren, reageren hierop zoals menig overlevende van een concentratiekamp. Ze zijn hun leven lang bezig om de extreme ervaring te integreren en een plaats te geven. In feite komen ze er nooit van los. Dat kan iets benauwends hebben, temeer als het leidt tot nieuwe inzinkingen of een tijdelijke terugval, maar het kan ook verrijkend zijn, als de ex-patiënt erin slaagt uit zijn ervaringen een zin of betekenis te destilleren die ook voor anderen van waarde is.

Het begrip ‘God’ is gerelateerd aan de diepste krachten van de menselijke geest, of zoals Jung zei: ‘God is een archetype dat is ingeplant in de menselijke natuur.’ Die kracht kan – als de geest in een diepe crisis verkeert – desastreuze gevolgen hebben, maar ook tot grootse daden en inzichten leiden. De vraag rijst dan ook: moet een psychose zo nodig worden onderdrukt door de middelen die de moderne medische wetenschap ter beschikking stelt. Is de psychose niet een revolte? Een basaal verzet tegen iets was grondig mis is in de hedendaagse cultuur.

De gevolgen van psychofarmaca op langere termijn zijn nog altijd niet geheel bekend, om de simpele reden dat deze medicijnen nog niet zo lang bestaan. De eerste antipsychotica werden al in de jaren vijftig op de markt gebracht, maar er verschijnen nog steeds nieuwe varianten. De geest kan tegenwoordig chemisch volledig worden beteugeld. Daarmee is de psychose een verdwijnend fenomeen aan het worden. We vergeten daardoor wel eens dat psychotisch gedrag zo oud als de wereld is.

Ook in vroeger tijden en in geheel andere culturen komt een dergelijke mentale uitbarsting of instorting voor. De signalen van een komende psychose dienen zich vaak al lang van te voeren aan. Misschien heeft ieder mens het wel nodig om af en toe even compleet uit zijn dak te gaan. De collectieve ervaringen van de moderne menigten in stadions, bij popconcerten en houseparty’s zijn nieuwe uitvindingen van de collectieve beleving van trance en bezetenheid. Het is de moderne massapsychose die zo nu en dan een hoogst noodzakelijke de-compensatie biedt om de individuele geest in balans te houden.

Misschien is een psychose wel een correctiemechanisme van de psyche, wanneer hij al te zeer op zichzelf wordt teruggeworpen. In elke menselijke psyche zijn collectieve krachtenvelden werkzaam, waar je weinig mee kunt in een moderne samenleving. Tendensen als hyperindividualisering en extreem materialisme beroven de psyche van zijn primitieve wortels die verbonden zijn met archaïsche krachtbronnen. In een psychose wordt het moderne wereldbeeld op zijn kop gezet en binnenste buiten gekeerd. De psychoticus laat ons zien wie we ooit zijn geweest. Hij toont wat misschien een verloren vaderland van de psyche is, een land dat ten onrechte ooit verlaten is en alleen nog als de mythe van een beloofd land in een onttoverde wereld terug kan keren.

De psychoticus laat zien dat er geen wezenlijk onderscheid bestaat tussen de wijze waarop zijn ogenschijnlijk vertroebelde geest aan de werkelijkheid is gehecht en die waarop wij de realiteit om ons heen tot ‘werkelijk’ verklaren. Hoe verder de wetenschap vordert, hoe meer wij menen dat de werkelijkheid samenvalt met de objectieve kennis die wij vergaren. Maar die groeiende toren van kennis berust op een illusie, omdat zelfs ons wetenschappelijk wereldbeeld in laatste instantie op een geloof is gebaseerd. Het is het moderne geloof dat onze geest geen idolen meer kent. Elke geest heeft zijn idolen. Elke kennis van de wereld is gebaseerd op onzichtbare vooroordelen en stilzwijgend gepasseerde veronderstellingen. Alleen de gek weet dat de gezonde geest een illusie is.

Want er staat geschreven, verderven zal ik de wijsheid der wijzen, en ik zal het verstand der verstandigen ver
doen … Immers, de Joden verlangen tekenen en de Grieken zoeken 
wijsheid … wat voor de wereld dwaas is, heeft God uitverkoren om 
de wijzen te beschamen; en wat voor de wereld onaanzienlijk en 
veracht is, heeft God uitverkoren, en dat wat niets is, om aan het
geen wél iets is, zijn kracht te ontnemen .. .’ (1 Cor. 1:19,22,27).

Ook deze woorden van Paulus citeert Theodor Roszak in zijn boek De opkomst van een tegencultuur. Het zijn overmoedige woorden. Tegenwoordig zouden we zo’n uitspraak ‘populistisch’ noemen. Paulus appelleert aan de onderbuikgevoelens. De wijsheid is aan de dommen. De elite heeft zijn tijd gehad. De eersten zullen de laatsten zijn. Roszak wijst erop hoe agressief de bovengenoemde woorden van Paulus eigenlijk waren. Ze waren ‘geladen met een onverhulde minachting voor een gevestigde cultuur 
vol grote prestaties. ‘ En die minachting kwam van mensen die helemaal niets voorstelden. Dit uitschot ontwikkelde een tegencultuur uit een paar ‘suggestieve ideeën, een paar ruwe symbolen en 
een wanhopig verlangen.’ Precies dát gebeurde opnieuw in de jaren zestig. Heel eventjes, maar toch. Het gebeurde. Gek werd opeens heel gewoon. De tijd had de schutkleur van de waan aangenomen.

Reageer

Een profetisch verhaal

Slide1

‘it famke maja hie in tydskrift yn’e hân dêr’t se sels op’e omslach fan stie.’ Zo luidt de eerste zin van het verhaal de stêd, in lêste oardiel van Hessel Miedema dat in mei 1962 verscheen in het tijdschrift quatrebras. Het is een kort verhaal, slechts dertien bladzijden lang, maar de impact was er niet minder om. ‘Earst nei it lêzen fan ‘de stêd, in lêste oardiel’ moast ik tajaan dat Hessel Miedema in grut skriuwer wie,’ bekende Trinus Riemersma later. Riemersma was pas midden jaren zestig abonnee geworden van het tijdschrift quatrebras en was aanvankelijk niet zo onder de indruk van de literaire kwaliteiten van Hessel Miedema. Zijn verhalen kwamen wat gekunsteld op hem over en vooral het opzichtig weglaten van hoofdletters en komma’s vond hij overdreven. Maar in juist dit verhaal leek dit geen belemmering te zijn. Integendeel, zinnen zonder komma’s vloeiden in elkaar over als een stroom van beelden, filmbeelden misschien wel. Het verhaal is bijna cinematografisch geschreven en het ritme van de zinnen heeft iets hypnotiserends. Riemersma had zich er meerdere malen aan ‘bedronken’, want lezen doe je deze tekst niet. Hij sluipt je bewustzijn binnen dat vervolgens onontkoombaar in bezit wordt genomen.

Blijkbaar had Hessel Miedema een vorm gevonden die perfect bij de inhoud past. Want daar ging het verhaal juist over, de manipulatie van het  bewustzijn – of beter gezegd; de manipulatie het onbewuste verlangen dat het bewustzijn stuurt. Het zou een belangrijk thema worden in de jaren zestig, het decennium waarin menigeen zich voor het eerst bewust werd van het bestaan van een ‘bewustzijnsindustrie’. De klassenstrijd werd voortaan niet meer uitgevochten op het terrein van productiekrachten en productiemiddelen, maar in een gevecht dat zich afspeelde het bewustzijn zelf. Iedereen, waar ook ter wereld, was eraan overgeleverd. Iedereen keek immers naar dezelfde films, zag dezelfde beelden in het journaal, bekeek dezelfde reclameboodschappen, dezelfde merken, logo’s, slagzinnen, gezichten van sterren en idolen. Het was de tijd van de populaire cultuur en de popart. De tijd van de massamedia en het opkomende elektronische werelddorp. Het besef dat er zoiets bestond als ‘de manipulatie van het bewustzijn’ had in 1962 ook Friesland bereikt. Hessel Miedema schreef erover in ‘de stêd, in lêste oardiel’.

Niet dat het verhaal zich in Friesland afspeelt, de plaats van handeling is een grote stad die onmogelijk in ’t heitelân kan liggen. Er reden immers trams. Het zou Amsterdam kunnen zijn, met zijn smalle winkelstraten en het natte asfalt waar een eenzame menigte voortschuifelt en de bioscopen soms pal naast elkaar staan. Maar zeker is dat niet. Het is eerder een onbestemde metropool, ergens in de toekomst, in een nog onbekende tijd waarin alles anders is dan in 1962. Maar tegelijk ook weer niet, want het doembeeld, dat in het decor van deze stad wordt geschetst, kondigde zich al aan in het heden. Het verhaal een distopie, in de traditie van van Orwell’s Nineteen Eighty-Four en Huxley’s Brave New World, of – om wat dichter bij huis te blijven: Blokken van Bordewijk,.

De verhaallijn – voorover je daarvan kunt spreken – is simpel. Een jonge vrouw, ‘maja’, komt uit haar werk en besluit een tijdschrift te kopen bij een kiosk. Ze staat zelf op de cover, zo lijkt het, maar dat blijkt niet zo te zijn. Ze identificeert zich met dat gezicht op de foto. Zo wil ze zijn en ze aarzelt welk blad ze zal kopen: HONEY of INTIMACIES. Die titels staan in hoofdletters en dat zijn ook de enige hoofdletters die in de tekst van het verhaal voorkomen. Al in die eerste scene gaat het over het verlangen dat bij haar wordt gewekt en zich langzaam in haar lichaam verspreidt. Ze ontmoet een jongeman, ‘reggie’, die verliefd op haar is, en samen bezoeken zij achtereenvolgens een espressobar, een ijssalon, een bioscoop en een nachtclub. Het decor van het verhaal doet soms denken aan de omgeving van het Amsterdamse Rembrandtplein van begin jaren zestig. Ruteck’s Lunchroom op de hoek van de Reguliersbreestraat, de bioscoop Tuschinski en de nachtclubs en cabarets van het Thorbeckeplein, waar bij de ingang kastjes met stripteasedanseressen van wie de spannende lichaamsdelen met zwarte stickers waren afgeplakt.

Maar niets wijst op een specifieke locatie. De beschrijving van de stad is stereotiep De ‘city’ is van plastic en zuigt de omringende oude wijken leeg. Daaromheen liggen de tuindorpen en de industriewijken, waar de arbeiders wonen die met bussen naar hun werk worden gereden. Ze werken nog maar halve dagen en zijn zaterdag en zondag vrij. Vrije tijd, dat is het grote probleem van deze stad in de toekomst, een probleem dat alleen door deskundigen kan worden opgelost en waar van staatswege inmiddels alles aan gedaan wordt. Er zijn ook nozembendes. Ze rijden op brommers met pluimstaarten achterop en verkrachten en vermoorden vrouwen die spoorloos verdwijnen. Het is een nijpend probleem dat een symptoom zou zijn van de overbevolking. De vrije tijd vraagt om geregisseerde recreatie voor de massa. Er is sprake van een staatslaboratorium met 300 observatiepunten die de behoeften van de massa registreert en aanstuurt in onzichtbare boodschappen die in beelden zijn verwerkt die de commerciële televisie uitzendt

Die manipulatie met subliminale filmbeelden is een terugkerend motief in het verhaal. Blijkbaar heeft Hessel Miedema zich laten inspireren door het boek Hidden persuaders van Vance Packard dat al in 1957 was verschenen en in Amerika tot grote onrust had geleid. Korte flitsbeelden van slechts enkele miniseconden die tijdens filmvoorstelling worden vertoond zouden de verkoop van Coca-Cola en popcorn in bioscopen spectaculair doen stijgen. Die theorie van de subliminale verleiders berustte op wetenschappelijke proeven van James Vicary, die later moest bekennen dat hij bij zijn onderzoek gefraudeerd had. Maar in 1962 was dat nog niet bekend. Miedema beschrijft minutieus hoe de beide hoofdpersonen de filmvoorstelling ondergaan.

Door opeenstapeling van close-ups en het tonen van pupilverwijdingen wordt het onbewuste gemanipuleerd. Zoals ook de zinnen van het verhaal de lezer lijkt mee te slepen en daarmee onbewust een boodschap overbrengt. Telkens weer is er sprake van een Commercieel Laboratorium. waar dit soort manipulaties van de massa wordt uitgedacht. Ook het geluid dat uit 24 stereofonische luidsprekers die bioscoopzaal binnenrolt speelt hierbij een belangrijke rol. De seksuele verlangens van ‘maja’ en ‘reggie’ worden op deze wijze gestimuleerd. Dat proces krijgt zijn vervolg in de nachtclub, waar een danseres met de exotische naam ‘niki protopapas’ (een naam die in werkelijkheid blijkt te bestaan) het spel van de verborgen verleider nu expliciet voortzet in een ‘intellectuele striptease’. Wonderlijke figuren in uniform verkopen religieuze propagandablaadje – kennelijk heilsoldaten met De strijdkreet – die het geweten van de nachtbrakers heel even lijkt wakker te schudden uit een diepe sluimer.

Het verhaal stevent af op zijn apotheose, de bedscène waar beide hoofdrolspelers op uit zijn. Maar die apotheose blijft uit. Het verhaal eindigt in een anticlimax. Op weg naar huis raken ‘maja’ en ‘reggi’ verzeild in een religieuze massabijeenkomst op een groot plein in de stad. Er blijken tal van dit soort bijeenkomsten georganiseerd te worden en de regering maakt zich daar grote zorgen over. Was tot nog toe de sfeer van het verhaal nog redelijk vertrouwd, zij het wat unheimisch, nu breekt er een waar pandemonium los. Het verhaal wordt absurdistisch en surrealistisch. De nachtelijke samenkomst rond een gebedsgenezer, die het einde der tijden aankondigt, heeft een multireligieus karakter. Er lopen ‘fladderende nonnen’ rond, maar ook mannen met kroesbaarden en tulbanden, zelfs Tibetaanse monniken in gele zijden gewaden.

Kreupelen en blinden worden voortgeduwd in rolstoelen. Het geluid van de gebedsgenezer en zijn tolk schelt wederom uit 24 luidsprekers, maar de menigte raakt niet in extase. Integendeel, er ontstaat rumoer. De politie voert charges uit, de straat wordt opgebroken en er wordt met stenen gegooid. Ternauwernood weet ‘reggie’ ‘maja’ te redden uit het gekrioel van de menigte. Hij treft haar aan terwijl ze haar petticoat omhoog werpt, terwijl drie derwischen om haar heen elkaar als tollen staan te geselen. ‘maja’ raakt in extase en droomt van een mogelijk nieuwe minnaar, Carlos, die zij eerder al even zag op de dansvloer van de nachtclub en wel iets weg had van zo’n exotische derwisch.

Om mani padme hum’ schalt het door de luidsprekers op het nachtelijke plein. Het blijkt een van de oudste Tibetaanse mantra’s te zijn. Eeuwenlang is er over de betekenis van deze woorden getwist, zelfs door de hippies en in het New Age-tijdperk. De mantra schijnt zoiets te betekenen als: ‘U, die een juweel in uw rechterhand houdt en gezeten is op de bloem Pemé’. Maar ook: ‘Hoeveel ik ook gezondigd hebt, ik zal toch naar de hemel gaan’.

Achteraf bezien heeft dit verhaal van Hessel Miedema iets profetisch. De culturele transformatie van de jaren zestig lijkt zich hier in een notendop aan te kondigen. In het jaar 1962, waarin dit verhaal verscheen, beleefden de gebedsgenezer Johan Maasbach en sekteleider Lou de Palingboer hun hoogtijdagen. Op 5 februari 1962 zou de wereld vergaan, zo hadden zeven op hindoe-astrologen voorspeld. Ondergangsstemmingen en messianisme leken hand in hand te gaan in die dagen. De stêd, in lêste oardiel leest – ruim een halve eeuw na dato – als een allegorie op een nieuw tijdperk, geschreven in een bezwerende en hypnotiserende stijl.

Vijf jaar later zou Guy Debord beweren dat de narcotische sluimer van het spektakel het bewustzijn geheel in beslag had genomen. Het spektakel was een nieuw soort religie die alle religies overbodig maakte in de eeuwige trance van het hier en nu. Het hiernamaals was naar het heden verplaatst, maar het resultaat was niet een paradijs op aarde, maar een paradijs dat het leven zelf in tweeën had gespleten. ‘Al wat direct werd geleefd, heeft zich in een voorstelling verwijderd.’ (..) ‘In de werkelijk omgekeerde wereld is het ware een moment van het onware,’ schreef Debord. Anders gezegd, een gouden toekomst was werkelijkheid geworden, maar de utopie keerde zich om in een distopie. Het moderne bewustzijn was ondergedompeld in het brein van de stad. Die trance kreeg opeens iets apocalyptisch. Een zich uitwaaierende droomtoestand had inmiddels ook het platteland bereikt, zelfs Friesland in de verste uithoek van het land.

Reageer

Vriendschap is een illusie

Er gaat bijna geen dag voorbij of ik krijg wel een verzoek via Facebook van iemand die mijn vriend wil worden.  Soms is het een vage bekende, maar vaak ken ik die mensen niet eens. Ik ben daar altijd heel makkelijk in. Ik zag altijd ja. Dat heeft het voordeel, dat je niet hoeft na te denken. Bovendien weet ik niet eens hoe Facebook precies werkt, laat staat waarvoor het ooit in het leven is geroepen. Zo heb ik inmiddels een heel netwerk van vrienden opgebouwd, die ik meer één druk op de muis verworven heb. Het zal een wonderlijk gezelschap zijn: bien étonné de se retrouver ensemble. Ik krijg nu te weten wanneer ze jarig zijn en een paar dagen tevoren word ik gewaarschuwd dat ik dan wat moet doen. Zo onderhoud je je vrienden dus. Maar het zijn natuurlijk wel échte vrienden, want ik heb ze zelf niet uitgekozen. Ik stel me voor dat veel gebruikers van Facebook de hele dag op nieuwe vrienden zitten te jagen. Ik zou niet eens weten hoe dat moet.

Vorige week gebeurde er wat nieuws. Opeens kreeg ik een verzoek van een oud-klasgenoot van mij op de lagere school. Die jongen heb ik in jaren niet gezien. Hij had een boodschap voor mij achtergelaten op Badoo. Nou weet ik niet wat Badoo is, maar ik ben altijd nieuwsgierig als iemand een boodschap voor me achterlaat, zeker als ik hem in zestig jaar niet gezien heb. Bij het inchecken in Badoo viel me op, dat er een wonderlijke vraag werd gesteld. Ik moest aangeven of mijn voorkeur uitging naar boys of girls. Daar heeft Badoo natuurlijk geen donder mee te maken, dus dat blokje heb ik dan ook niet aangevinkt. Niettemin werd ik toegelaten, waarna ik een portret van mijn klasgenoot kreeg te zien op 73 jarige leeftijd. Ik kan u zeggen: dat was schrikken. Temeer als je bedenkt dat mijn eigen portret op hem wellicht een vergelijkbare schrik teweeg zou brengen. Wat de boodschap was, die voor me klaar zou liggen, is me verder niet duidelijk geworden.

Sindsdien krijg ik elke dag wel een paar mailtjes van Badoo. Meestal zijn het vrouwen van rond de zeventig, mijn leeftijd dus. Zo liet Mieke van der Wal (69) uit Den Helder weten, dat ze graag een portretfoto van mij zou willen zien. Clara van der Kamp (71) uit Waddinxveen gaf aan, dat ze graag wat meer van me zou willen weten. En Toos van der Bij (68) uit Dedemsvaart wilde weten wat ik zo allemaal wel deed in het dagelijks leven. Het begon tot me door te dringen, dat ik in een soort chatbox voor bejaarden was beland. Misschien is het wel een datingsite voor necrofielen. Het beroerde is alleen, dat ik niet meer weet hoe ik er af kom. Ik moet er niet aan denken dat een dezer dagen Mieke, Clara of Toos opeens voor de deur staat. Voortaan zal ik toch wat voorzichtiger zijn, als iemand mij op internet vraagt of ik zijn of haar vriendje wil worden. Eén keer trek je de conclusie…

Reageer

De Mous die brulde

Dit wat knorrige briefje van Hessel Miedema vond ik gisteren terug tussen oude paperassen. Miedema en ik lagen elkaar niet zo. In april 1972 ging ik met excursie naar Venetië waarbij hij als docent de leiding had. Miedema was nogal streng in zijn aanpak en iedereen kreeg daar behoorlijk de pest over in. Op een avond, na wat teveel glazen wijn, heb ik een parodie opgevoerd van Miedema en met name van zijn wijze van doceren, waarbij de gelijkenis zo treffend was dat niemand daarna nog angst had voor de grillen van deze zeer eigenzinnige man. Miedema zelf lag al op bed, maar de muren van de jeugdherberg, waar wij logeerden, waren zo dun, dat hij mijn optreden woordelijk heeft verstaan.

Daarna is het niet meer goed gekomen tussen Miedema en mij. Hij vond dat ik een iets te grote mond had. Maar ook de magie van de meester was weg. Hij had geen aureool meer en was teruggekeerd op aarde onder ons gewone stervelingen. Wel herinner ik mij nog, dat ik een paar dagen later bij een speelgoedwinkel een klapperpistool kocht en vervolgens op één van de bruggen over het Canal Grande een poging heb gedaan om Miedema overhoop te schieten. Als ongeleid projectiel met af en toe puberale oprispingen heb ik kennelijk iets met klapper- en waterpistolen.

Anyway, het klapperpistool ging af en de arme man stond minutenlang te trillen op zijn benen. Het was een practical joke die lichtelijk uit de hand was gelopen. Maar het moet gezegd, Hessel Miedema was een uitstekend docent. Ik stak heel wat van hem op, al wist ik destijds nog niet wie Hessel Miedema eigenlijk was en wat hij voor de Friese literatuur betekend heeft. Op de Friese literatuursite Sirkwy staat onder meer het volgende over hem te lezen: 

Vooral door zijn werk voor Quatrebras werd Miedema een van de belangrijkste, maar tegelijk ook een van de meest controversiële figuren in de Friese literatuur. Dat kwam met name door de publicaties van zijn gedichten ‘stadich brekke de foarmen út ‘e skyl’ en ‘De greate wrakseling’. ‘De greate wakselingwas experimenteel, de associatieve wijze van werken, het verbinden van elementen uit verschillende culturen en andere kunstvormen zoals beeldende kunst en muziek en de perspectiefwisselingen zijn ook vandaag de dag nog modern.

Wist ik veel, in mijn studententijd in Amsterdam zag ik Hessel Miedema vooral als een eigengereid stuk eigenwijs. De chemie tussen ons spoorde niet helemaal, om het maar zacht te zeggen. Misschien kwam dat wel omdat een zekere eigenwijsheid mij ook niet geheel vreemd is. Soms denk ik wel eens: Miedema moest eens geweten hebben dat op die literatuursite Sirkwy sinds kort ook een lemma aan mij gewijd is. (zie hier)  ‘Na de Olifant…. komt uiteindelijk Mous’. Ja, ja…. de muis die brulde! Dat zeggen ze wel meer van mij. Ook Hessel Miedema zou zoiets zeker gezegd hebben. En terecht, vrees ik. Als ‘skriuwer‘ was hij een paar koppen groter dan ik. Hij was zelfs te groot voor Friesland. Maar al ben ik dan een brullende muis die nog altijd in zijn schaduw staat, dat is beter dan een muis die piept. Beter een brullende dan een grijze Mous. 

Schermafbeelding 2014-12-04 om 17.21.11

Leeuwarder Courant, 19.2.2004

Het briefje bovenaan dit blog is geschreven op 17 januari 1974. Drie jaar eerder, op 24 december 1971, had ik samen met Hessel Miedema en vier jaargenoten een bezoek gebracht aan het kerkje van Oosterend. We reden er met een Volkswagen-busje naartoe. De middeleeuwse kraak, die zich in dit kerkje bevindt, hebben we toen de hele dag opgemeten en beschreven. De resultaten daarvan heeft Miedema drie jaar later gepubliceerd in het instituutsblad Proef. Ik herinner me nog dat we in de sacristie het doopregister hebben bekeken. We kregen warme chocola te drinken. Ook de reliëfs in de kraak met voorstellingen uit de Bijbel staan me nog helder voor de geest. Het ging er Miedema vooral om welke Bijbel als voorbeeld was gebruikt.  

Die dag in december vroor het dat het kraakte. Op de Afsluitdijk was het glad en moest we bijna stapvoets rijden. Het was de dag voor kerst. Er lag geen sneeuw voor zover ik me kan herinneren. Mijn jongste zus Trees was jarig, zoals altijd de dag voor kerst. Toen ik thuiskwam was de kerstboom al opgetuigd. Ik heb toen meteen mijn nieuwe plaat van Joni Mitchell opgezet die ik de dag daarvoor had gekocht: Blue, met daarop River, waarvan de woorden opeens precies op hun plaats vielen. Vorige maand was het precies vijftig jaar geleden dat Blue verscheen, het vierde album van Joni Mitchell. Ze was toen 26 en nog volop aan het bekomen van een verbroken relatie met Graham Nash. 

In het kerkje van Oosterend ben ik nadien nooit meer geweest. Vorig jaar kwam ik er nog eens langs met de fiets, maar de deur zat op slot en ik was te lui om de sleutel bij de koster op te halen.
.

Reageer