De opkomst van de faustische mens

De psychose als bottomline in het oeuvre van Mulisch bereikte een climax in zijn ideeën over vernietiging en ‘het nietsende niets’ bij Hitler, maar ook in zijn sombere visie over de techniek, zoals die naar voren kwam in zijn roman De ontdekking van de hemel. Mulisch liet zich door zijn gedachten over het faustisch worden van de mens door toedoen van de techniek vooral leiden door de Faust van Goethe en het werk van Thomas Mann. In veel studies over de invloed van de techniek op de kunst komt de gedachte naar voren dat mythe van de faustische kunstenaar zich vooral heeft aangediend in het begin van de vorige eeuw, ruim gesteld in de periode van 1880 tot 1920. Maar die ontwikkeling had een ook een langere voorgeschiedenis.

Geweld en esthetica kruisen elkaar van oudsher in het sublieme. In de vernietigende kracht die elk begrip te boven gaat komt de laatste gedaante van de schoonheid boven. Het genotvolle afgrijzen, de fascinerende huivering voor het onbevattelijke. Onder de passie voor de werkelijkheid, die de moderne kunst aan de dag legde, ging een diep verlangen schuil naar de totale opheffing van de werkelijkheid als zodanig. Een fatale geneigdheid naar extreme formalisering en functionaliteit, een tendens die uiteindelijk neigt naar vernietiging van zowel de vorm als de functie, kwam bij uitstek naar voren in het modernisme. 

De moderne kunstenaar werd faustisch. De kunst versplinterde en raakte zijn basis kwijt in een collectief ervaren eenheid die eigen was aan de tijd. Voor de oorzaak van dit soort processen is vaak gewezen op de invloed van de techniek. Misschien is ook de kunst van de moderne tijd voortgekomen uit een drang naar vernietiging. Dat intrinsieke verband tussen techniek en vernietiging is ook een belangrijk thema in het oeuvre van Mulisch. ‘Het lijk van God,’ zoals Mulisch de techniek aanduidde, had zelfs de dreiging in zich van een totale vernietiging van de materie, wat gelijk stond aan het zich openen van een inferno.

Dat soort doembeelden waren verbonden vooroorlogse cultuurpessimisme. Maar na de oorlog waren ook tegengeluiden te horen. In zijn boek Theory and Design in the first Machine Age (1960) beweerde Banham dat het idee dat de  intuïtie in de verdrukking kwam door de techniek kon leiden tot de gevaarlijke conclusie, dat de intuïtie primair is voor het menselijk bestaan, de bijna mystieke overschatting van de overgave van de mens aan het organische karakter van de natuur en een vooronderstelde onmogelijkheid van een harmonisch evenwicht tussen mens en techniek. 

Toch is het mogelijk dat auteurs als Banham, Mumford en Giedeon bij hun studies over de relatie tussen techniek en het modernisme zelf nog door dit cultuurpessimisme van de jaren dertig waren beïnvloed. Wellicht schetsten zij daardoor een vertekend beeld van het denken over de techniek bij het ontstaan van van het modernisme rond 1900. In die beginperiode van het modernisme werd de techniek juist eerder als een uitdaging ervaren. In 1902 stelde Alfred Jarry in zijn boek Sûrmale, dat de mens sterker moet zijn dan de machine, zoals hij ook de baas was geworden over het dier. 

In het begin van de twintigste eeuw werd de machine in de literatuur vaak als een demon beschreven maar tegelijk ook ironisch gedegradeerd of gebruikt in allerlei erotische metaforen, bijvoorbeeld door Duchamp, Picabia en Man Ray. Juist in die begintijd van het modernisme werd de kunstenaar faustisch, een duivelskunstenaar. Picasso was daar het prototype van, maar dat was ook zijn tegenpool: de cerebrale kunstenaar Marcel Duchamp, die weinig van het dionysische van Picasso in zich had.

Ook in de tijd van de wederopbouw werd de krachtmeting met de machine als een euforische uitdaging ervaren. Zo ontstonden radicale bewegingen waarbij schrijvers zich gingen beroepen op zelfgekozen vormprocédé’s, experimenten met toeval, wiskundige geïnspireerde verhaalstructuren en strenge, haast machinale regels. De computer was nog niet in gebruik, maar het schrijven werd wel onderworpen aan allerlei conceptuele algoritmes. 

Ondanks alle positieve waarderingen zag menigeen ook een diepgaand transformatieproces dat zich voltrok door toedoen van de techniek. In de tijd van het modernisme was het spirituele steeds meer was gaan samenvallen met het materiële. Zo kwam er geen ruimte meer voor wat Augustinus ooit een ‘een tegentijd’ had genoemd, de tegenwerking van de bovennatuur, de stad van God. Het utopisch verlangen naar een volmaakte toekomst werd maar al te vaak een dystopie in het hier en nu. De tijd zou alles worden in het hier en nu, en daardoor tegelijk ook niets. Zo zou de Apocalyps kunnen gaan samenvallen  met de de ultieme doorbraak van een hang naar het niets. Alles gaat dan vanzelf, zelfs het proces van ultieme vernietiging. Dat is een fataal proces dat je de mechanisering van de psychose kunt noemen.

Over het ontstaan van dit soort processen in de kunst bestaat er inmiddels heel wat literatuur van vooraanstaande filosofen en kunsthistorici, die ieder op hun wijze wijze hebben gewezen op bredere ontwikkelingen in de cultuur, en met name op de invloed die de snel opkomende techniek heeft gehad op het veranderingen in het bewustzijn en de menselijke creativiteit. Het is wonderlijk dat Mulisch, die zich als auteur ontwikkelde in het optimistische klimaat van de wederopbouw, zich vooral heeft thuis gevoeld bij de doemdenkers over de invloed van de techniek. De reden daarvoor lag vooral in het trauma van de Tweede Wereldoorlog met zijn psychotische hang naar vernietiging. Dat was een trauma dat Mulisch in zijn persoonlijk leven heeft gevoeld, en bovendien in zijn adolescentie zelf in een psychotische ervaring heeft ondergaan.

‘Het scheppingsproces gaat vanzelf, zoals het zaad de man verlaat en gedachteloos de baarmoeder binnendringt’, zo schrijft Mulisch in zijn roman archibald strohalm. Creëren is volgens Strohalm niet zoiets als verbeelden, maar gewoon doen. De schepping ontstaat één op één, in het hier en nu, als pure presentatie zonder representatie. Ander gezegd, de dingen gaan vanzelf, zoals in de waanzin de woorden vanzelf komen en gaan. 

Dat is ook het proces dat zich in een psychose voltrekt, maar in het denken over dit soort processen is ook een schaalsprong mogelijk. Is het niet zo dat onze westerse cultuur als geheel stilaan psychotisch wordt door technologische processen waarin alles steeds meer vanzelf gaat. De ontwikkeling van de artificiële intelligentie met al zijn utopische, maar vooral ook dystopische vergezichten, is daar het meest recente voorbeeld van. De techniek kan ook op hol slaan, zodat niemand er meer vat op heeft.

Mulisch heeft de ontwikkeling van de automatische schrijfprogramma’s zoals ChatGPT, die geheel out of the blue kunnen gaan hallucineren, niet meer mee mogen maken. Maar wat zijn reactie zou zijn geweest, laat zich raden op grond van alles wat hij geschreven heeft over de rampzalige effecten van de voortrazende techniek, waardoor mensen de bovennatuur als een infantiele fantasie zijn gaan zien. Door de techniek hebben we ons vermogens toegeëigend die onszelf te boven gaan. Zoals in de dialogen van de twee engelen in De ontdekking van de hemel,  een van hen het als volgt verwoordt:

Wil je weten hoe dat komt? Dat komt omdat zij inmiddels vrijwel al onze vermogens zelf bezitten, in de gestalte van hun techniek. En dat is onze eigen stomme schuld. Eeuwenlang hebben wij zelfgenoegzaam zitten slapen hier, en intussen deed Satan-El zijn werk.’

Dat ontwaken van de bovennatuur, die zich als een tegentijd weer gaat voegen in de tijd, is het basisthema van Mulisch. De hemel wordt wakker in een goddeloos geworden wereld door de faustisch geworden mens. Anders gezegd, in de dubbelzinnige titel ‘De ontdekking van de hemel’ is de hemel primair het onderwerp en dan pas het lijdend voorwerp. Die intrinsieke dubbelzinnigheid is ook eigen aan de psychose als een integrerend desintegratieproces. Het is een tegenstrijdigheid die zichzelf opheft. Heimwee is ook hoop. De tijd loopt altijd vooruit, ook als hij terugloopt. De wond heelt in de pijn. Genezen is een werkwoord dat zowel actief als transitief is. God moet sterven om ons te verlossen.

Reageer

Nostalgische dissonantie (2de versie)

In zijn roman Het zwarte licht (1956 parafraseert Mulisch een uitspraak van Nietzsche die ooit heeft beweerd, dat het christendom maar één echte gelovige heeft gehad en die stierf aan het kruis. Mulisch schrijft in Het zwarte licht: ‘En als het Oordeel komt vandaag, dan zal dat bewijzen dat er tenminste één was, die werkelijk geloofde, één, die werkelijk doodsbang was: want God is het geloof in God.’

Bestaan er soms verschillende typen van ‘geloof hechten aan de werkelijkheid’? Of anders geformuleerd: wat is het ‘werkelijke’ van de werkelijkheid en het waankarakter van het geloof?  De beleving van de psychoticus herinnert ons aan het vaak miskende feit, dat niet de waarneming het vermogen is waardoor we de waan van de werkelijkheid kunnen onderscheiden, maar de zogeheten ‘libidineuze bezetting’ van de werkelijkheid. Volgens Freud bestaat het kernproces van de psychose hierin dat die libidineuze bezetting wordt opgeheven en dat de libido als gevolg hiervan neerslaat in het ik. 

Blijkbaar zitten we met een soort van ‘zuignapjes van de lust’ vastgeklonken aan de voorstellingen die wij ‘werkelijkheid’ noemen. Volgens Jacques Lacan (1901-1981) bemiddelt de taal in het vasthechten van die zuignapjes. Ook de symbolische structuur van het onbewuste is volgens Lacan gestructureerd als een taal. Als de zuignapjes plotseling allemaal tegelijk losschieten, dan gaat er iets grondig mis. Dan schiet je in een psychose. De taal gaat dan met zichzelf aan de haal in een waanwereld van schijngestalten. In de psychose stort het symbolische kaartenhuis van de taal in elkaar.   

Woorden zitten vastgekleefd aan dingen in de wereld. Misschien zijn ze die dingen wel. Maar zijn de taalverbindingen van het gezond verstand niet even denkbeeldig als de nieuwe relaties die het bewustzijn creëert in een psychotische toestand? Evenals taal wordt geloof gedragen door de eerste verlangens die zich hechten aan de dingen.Het geloof is deels een herbeleving ook van het vroegste beeld dat het kind zich vormt van de ouderen om zich heen. Zoals een psychose een revolte van de geest kan zijn tegen de religieuze ontkenning van het lichaam, zo is mystiek vaak niet meer dan een oceanisch gevoel van heimwee naar de moederschoot, met alle vormen cognitieve dissonantie die met dit heimwee gepaard kunnen gaan. 

En toch, juist tijdens mijn psychose op de drempel van de volwassenheid heb ik een onaards geluk gekend in de ervaring dat de grenzen tussen lichaam en geest volledig kunnen verdwijnen, dat de ziel door de wil bevolen kan worden en niet slechts door de drift. Maandenlang was er geen enkele gedachte aan seks in mijn hoofd. Ik leefde in het paradijs zoals dat door Augustinus wordt beschreven. Maar mijn vroege extase was een ervaring die geen bestaansrecht had. Mijn waan kwam niet voort uit ‘het zwarte licht’ van de zon als aankondiging van het einde der tijden, maar uit de gekoesterde verlatenheid op de drempel van een afscheid. Ik leek te verdrinken in een oceaan van tijd, terwijl de tijd zelf was opgehouden te bestaan. Alsof  de wereld waar ik in rondliep al vergaan was. 

In Het zwarte licht schrijft Mulisch: 

‘Allen dronken. Over zijn glas heen keek Akelei door het raam in de nacht. De hitte stroomde binnen. En de versiering hing roerloos. De tranen drongen in zijn ogen. Hij hield van de mensen – maar wat moest hij doen? Hij had ineens een overweldigend gevoel van geluk. Of misschien was het medelijden, en besef van de duisternis voorgoed duisternis, waarin zij waren. God betond niet. Een droom hing aan het kruis. Maar onder alle  puin was een gloeiend besef van te leven, in het heelal te zijn geweest.’

In deze roman speelt de voorspelde ondergang van de wereld op 20 augustus 1953 een belangrijke rol. Kan het zijn dat Mulisch voor het schrijven van deze roman geïnspireerd werd door de door Dorothy Martin voorspelde ondergang van de wereld op 21 december 1954? Dat vroeg ik me af bij het lezen. Het was de tijd van Koude Oorlog, nucleaire dreiging en angst voor apocalyptische gebeurtenissen. Dergelijke invloeden hebben mogelijk bijgedragen aan het ontstaan van het apocalyptische element in deze roman. Maar hoe zit het met het historisch feit, dat destijds daadwerkelijk voorspeld werd, dat de wereld zou vergaan?  

In december 1954 was ik zeven jaar en ik zat de eerste klas van de lagere school. Ik kan me deze gebeurtenis van het naderende einde van de wereld nog goed herinneren. Afgaande op wat Mulisch zelf zegt over de ontstaansperiode van Het zwarte licht, zou het verband tussen dit historisch feit en de literaire fictie er haast niet kunnen zijn. Op de laatste pagina schrijft hij dat de roman is ontstaan tussen 1953 en 1955. Maar het zou kunnen zijn dat de wonderlijke gebeurtenissen in december 1954, die destijds veel aandacht in de media trokken, toch een beslissende invloed hebben gehad op het ontstaansproces. In de Mulisch-commentaren lees ik er overigens nergens iets over. 

Dorothy Martin, ook wel bekend als Marion Keech, was een Amerikaanse amateur-astronoom en sekteleider die beweerde dat de wereld zou vergaan op 21 december 1954. Ze voorspelde dat de aarde vernietigd zou worden door een grote overstroming, maar toen deze voorspelling niet uitkwam, paste ze haar verhaal aan en beweerde ze dat de “krachten van de planeet Clarion” de aarde hadden gered. Dat de voorspelling uiteindelijk niet doorging moet bij de aanhangers van Dorothy Martin tot wonderlijke gevolgen hebben geleid. Velen haakten af, maar sommigen bleven als echte wappies volharden in hun waanidee.

Als je zo voortleeft in een waan, krijg je last van de onaangename spanning die iemand ervaart bij tegenstrijdige overtuigingen. Dat wordt ook wel ‘cognitieve dissonantie’ genoemd. Het toeval wil – maar wat is toeval? zou Mulisch zeggen – dat  het niet uitkomen van de voorspelling van Dorothy Martin van invloed is geweest op het het ontstaan van het begrip ‘cognitieve dissonantie’. 

Dorothy Martin was de leider van de sekte The Seekers. Dat was een UFO-cultus, waarvan de aanhangers geloofden dat de wereld op 21 december 1954 zou eindigen door een grote overstroming. Martin beweerde dat buitenaardse wezens haar deze informatie hadden doorgegeven. Toen de voorspelling niet uitkwam, stonden haar volgelingen voor een psychologische uitdaging. Ze werden geconfronteerd met het feit dat hun onwankelbare geloof niet in overeenstemming was met de realiteit.

De gebeurtenissen rond Dorothy Martin en The Seekers werden later intensief bestudeerd door de sociaal-psycholoog Leon Festinger , die het begrip ‘cognitieve dissonantie’ ontwikkelde om deze tegenstrijdigheden en de mechanismen om ermee om te gaan te verklaren. Het onderzoek naar de reacties van de volgelingen leverde waardevolle inzichten op in de wijze waarop mensen hun cognitieve dissonantie weten te verzachten  door hun overtuigingen aan te passen, nieuwe overtuigingen aan te nemen of hun perceptie van de werkelijkheid te veranderen. 

Het begrip ‘cognitieve dissonantie’ verwijst naar de ongemakkelijke spanning die ontstaat wanneer iemand wordt geconfronteerd met tegenstrijdige overtuigingen. Om deze dissonantie te verminderen, waren er voor de volgelingen verschillende mogelijkheden. Sommigen pasten hun overtuigingen aan door te geloven dat hun intense gebeden en toewijding de ramp hadden afgewend. Anderen sloten zich aan bij nieuwe overtuigingen die door Martin werden gepresenteerd. Een derde reactie lag in de totale ontkenning of het weg-rationaliseren, zoals de bewering dat de voorspelling voor de volgelingen een test van hun geloof was. Deze drie mogelijkheden vormen bij dit soort situaties en terugkerend patroon te vormen.

Toen Lou de Palingboer, die verklaard had dat hij onsterfelijk was, uiteindelijk ziek werd en ging overlijden, reageerden zijn volgelingen op vergelijkbare wijze. Ze zagen het als een uitdaging voor hun geloof in Lou, of ze ontkenden het of de rationaliseerden het weg. Lou was toch doodgegaan, door het gebrek aan geloof van zijn volgelingen.

Met dit gegeven voor ogen is het opmerkelijk dat ook de inhoud van de roman Het zwarte licht iets van het patroon van ‘cognitieve dissonantie’ vertoont. De hoofdpersoon Maurits Akelei is 23 jaar lang niet zichzelf geweest. Hij is zelfs het besef van tijd kwijtgeraakt. De roman begint op 20 augustus 1953. Akelei is die dag jarig. Hij is 46  jaar geworden, maar precies de helft van zijn leven heeft de tijd stil gestaan, door het verlies van zijn geliefde. In feite gaat de roman over dit stilstaan van de tijd, die ineens weer gaat stromen zodra het trauma doorbreekt. 

Meteen na de verjaardag van Akelei voltrekt zich de Apocalyps, waarbij niet geheel duidelijk wordt of die Apocalyps zich alleen afspeelt in het hoofd van de hoofdpersoon, of dat de hele wereld daadwerkelijk ten onder gaat en de tijd daarmee voorgoed verdwijnt. In Voer voor psychologen (1961) schrijft Mulisch:

 ‘En nu begreep ik het plotseling: het hele drama van Akelei was terug te brengen tot een drama van de tijd. Het is zijn verjaardag, hij vergeet hoe oud hij is, hij roept het verleden op, onafgebroken wordt gemeld hoe laat het is, Sebastian Brant wordt geciteerd: “Die Zyt die kumt, es kumt die Zyt”, het verhaal besluit met het “Laatste Oordeel”, wanneer er volgens Johannes op Patmos, “geen tijd meer” zal zijn. Ja, hij is als beiaardier, die muziek maakt op deze hele uren, zelf in een klok veranderd.’ 

Dat is de cognitieve dissonantie in optima forma. Je leeft in een tijd die niet jouw tijd meer is. De wereld was al vergaan, maar hij draait toch gewoon door. Dan manifesteren zich allerlei tegenstrijdige overtuigingen… totdat de wereld echt vergaat. Tenminste, dat denk je dan. 

Zo bezien is ook het christendom een vorm van cognitieve dissonantie. Jezus van Nazareth voorspelde immers de spoedige komst van Gods Koninkrijk op aarde. Maar die voorspelling ging niet door. De voorspeller eindigde zelf aan het kruis, maar zijn gelovigen verzonnen een alternatieve realiteit met zijn opstanding uit de dood. Bovendien bleven zij volharden in het waanidee van de spoedige komst van Gods Koninkrijk, ook toen dit uitbleef tot op de dag van vandaag. Mulisch zou zeggen: ‘Want God is het geloof in God.’ 

Ik kan niet zeggen dat ik nog in God geloof, maar een zeker heimwee naar dat geloof koester ik nog steeds, evenals het heimwee naar het oceanisch geluk dat ik ooit, tijdens mijn vroege psychose, heb mogen ervaren. Nog zestien jaar daarna heb ik last gehouden van een manisch-depressieve golfslag in mijn gevoelsleven, maar ook van enkele lichte vormen van psychose met als laatste een inzinking in 1979 die hardhandig met depot-injecties door de huisarts de kop werd ingedrukt. Ik heb altijd een soort ‘achtergrondruis’ van mijn psychotisch verleden behouden.

Ook nu nog, bijna zes decennia na mijn opname in 1966, kan er zich zo nu en dan een soort heimwee aandienen naar de psychotische toestand van toen. Soms denk ik dat de tijd van mijn leven niet wegtikt op weg naar het einde, maar nog altijd bezig is met het aftellen in de aanloop van lancering. Dat wordt dan het begin zijn van een lange ruimtereis terug in de tijd. Je zou dit gevoel ‘de nostalgische dissonantie van de waan’ kunnen noemen. Het is het verlangen naar het extatisch geloof van weleer, een illusionaire toestand van het bestaan die voor mij niet duurzaam mocht zijn.

Reageer

Just a perfect day

‘Schrijven is zoiets als de tijd overwinnen door de klok stil te zetten.’ Dat laat Mulisch het personage Alex Zwart in zijn notitieboek schrijven, in het verhaal De gezochte spiegel (1983). Het zou mij niet verbazen als Mulisch daar zelf ook zo over heeft gedacht. De schrijver vereeuwigt zichzelf in het schrijven en overwint daardoor het voorbijgaan van de tijd. Op deze wijze overwint hij zelfs de dood. Maar dat is in wezen een vorm van ‘verdinglijking’ van de tijd. Sterker nog, het is een Egyptische vorm van mummificatie. Dat is dan tevens de ultieme tegenpool van de psychose die de geest overspoelt,  waardoor de Nijl –  de archetypische rivier van de tijd – volledige buiten zijn oevers treedt.

Ook in een psychose treedt de tijd buiten zijn oevers. Maar dat niet alleen, de taal in stort in elkaar, zo wordt wel beweerd. Maar wat betekent dat? De taal is gelaagd in zijn betekenisstructuur. Er zijn letterlijke en symbolische betekenissen  en in de psychose kunnen die gaan samenvallen zodat het symbolische letterlijk wordt of omgekeerd. Tegelijk is het of in de psychose niet alleen de taal , maar ook de tijd in elkaar stort, waardoor er zoiets als een dijkdoorbraak plaatsvindt. Heden, verleden en toekomst verliezen dan hun geëigende plaats in de oerstroom van de tijd. Hierdoor rijst de vraag of taal en tijd ook in het niet-psychotische brein intrinsiek met elkaar verweven zijn. Dat is een vraag in de tijd van het postmodernisme actueel werd in de filosofie . 

Tegenwoordigheid ontstaat bij de gratie van het voortdurend wegglijden in het verleden. De taal drukt uit en wijst aan, maar volgens Derrrida is er geen verschil tussen expressie en indicatie. Er is geen authentieke oorsprong in de taal. Het spoor, dat de tekens nalaten, is een effect zonder oorzaak. Er is geen ‘ik’ als zuivere bron, waar de zinnen uit opborrelen. Het ‘ik’ is een schijnconstructie. Het wordt voortdurend gegenereerd door de relatie tussen het uitstel – dat in het teken werkzaam is – en de betekenis die met het teken wordt opgeroepen. Vanuit het perspectief van een intrinsieke relatie tussen taal en tijd is er uiteindelijk geen heden, alleen een voortdurend uitstel van betekenis. 

De aanwezigheid – de ‘ousia’ – is tegelijk de grondtrek van het Zijn. Sinds Aristoteles is zou deze grondtrek van het Zijn gecorrumpeerd zijn. In zijn denken over Zijn en tijd probeerde Heidegger de authenticiteit van het Zijn te redden door middel van de existentie. Maar is het wel mogelijk om in het denken over de existentie de representatie, die voortdurend in de taal werkzaam is, uit te sluiten. De late Heidegger vatte het Zijn op in termen van een gebeuren: ‘Es gibt Ereignis.’ 

Maar de taal is doorboord met afwezigheid, zo beweert Derrida. De tegenwoordigheid van het tegenwoordige komt voort uit een voortdurende herhaling – het verglijden van de tijd – en niet omgekeerd. Derrida was op zijn hoede om niet terug te vallen in de metafysica. De taal is in zijn optiek als een vloeistof zonder fles, maar je hebt wel een fles nodig om over de vloeistof te kunnen vatten. De metafysica is als een oplosmiddel dat ook de fles oplost waar de vloeistof in zit. 

Hoe dan ook, de grootse angst, die met een psychose gepaard gaat, wordt door de filosofie van Derrida tot op zekere hoogte bevestigd. Er is geen ‘ik’. Er is alleen ‘leegte’. Elke vorm van kennis is zoiets als het zien van je eigen voetsporen die je telkens weer tegenkomt als je in cirkels rondloopt. Wie met taal aan die cirkel wil ontsnappen, komt uiteindelijk tot de conclusie dat de taal een glijbaan naar de dood is. 

De taal zelf is misschien wel een aanhoudende vluchtpoging om aan die glijbaan te ontsnappen. De taal creëert een schijnbaar permanente ruimte van aanwezigheid door de werking van het teken, dat het ‘nu’ herhaalbaar maakt. Taal stelt de dood telkens weer uit door het opschorten de aanwezigheid. Zo ontstaat een voortdurende schijnsituatie, waarin de dood wordt ontkend. Want de dood gaat ook schuil in het voortdurend opschorten van het heden, dat niet alleen uitmondt in de dood, maar de dood ook in zich draagt. Zo bezien creëert taal de illusie dat je leeft, terwijl je in wezen al gestorven bent, want het heden bestaat nooit. Het is niet meer zodra is het aanwijst in taal.  

Dit soort in de tijd rondtollende gedachten kwamen ooit in mij op na het lezen van het boek The Deconstuction of Time dat werd geschreven door de Britse filosoof David Wood. Ik kocht het in 1989 bij de Slegte voor 65 gulden. Dat destijds was een flink bedrag voor een tweedehands boek. Maar het was niet tweedehands, het was splinternieuw en nog ongelezen. Vooral die omstandigheid intrigeerde mij. Ik weet ook de dag nog dat ik het kocht. Het was vrijdag 9 november, de dag in de Berlijnse muur omviel, maar dat hoorde ik pas de dag daarna toen ik weer terug was in Leeuwarden. 

Die avond in Amsterdam zag ik een optreden van Freek de Jonge in Carré. Op de achtergrond van zijn conference klonk steeds weer het lied Perfect Day van Lou Reed, terwijl niemand in de zaal wist dat die avond inderdaad bijzonder was omdat tegelijkertijd heel Berlijn op zijn kop stond. In de zaal van Carré ervoeren wij zonder te weten de gelijktijdigheid van het ongelijktijdige. Maar in feite is die ervaring eigen aan elk moment.   

Het boek van David Wood heb ik vervolgens gespeld. Niet alleen dat het ongelezen was, maar het onderwerp intrigeerde mij. Ik vroeg me af of het überhaupt mogelijk is om de tijd te deconstrueren. Het boek bood een overzicht van het postmoderne denken over taal en tijd, voortkomend uit de fenomenologie van Husserl, het existentie denken van Heidegger en uitmondend in het deconstructie-denken van Derrida. 

Maar wat ik werkelijk gehoopt had, bleef uit. De auteur legde geen enkel verband tussen het denken van deze filosofen en de bevindingen over het fenomeen tijd in de hedendaagse natuurkunde. Alle natuurkundige theorieën over tijd deed hij al in de inleiding af als irrelevant. Dat waren ‘verruimtelijkingen’ van de tijd. Tijd is geen ruimte, zo beweerde hij. Tijd is een proces van verschijnen en verdwijnen, dat zich voortdurend in je bewustzijn voltrekt. 

Is dat alles? Mijn gezonde verstand zegt ja. Probleem is wel dat hedendaagse kosmologen de vreemdste dingen beweren over het de tijd en ontstaan en de aard van het heelal, dingen die  haaks staan op alles wat het gezonde verstand ons leert. Soms denk ik wel eens dat psychotici met hun waanideeën dichter bij de kosmische werkelijkheid staan dan het gezonde verstand. Alles heeft met alles te maken, dat is de bottomline die de psychotische ervaring gemeen te lijkt hebben met de hedendaagse kosmologie. 

Eigen aan de psychose is het waanidee dat niet alleen de onstuitbare gedachtegang in je hoofd, maar ook de loop der dingen direct bepaald worden door een kosmisch mechanisme waardoor alles met alles samenhangt. Dat is een waanidee omdat zo’n  samenhang niet bestaat, althans niet voor het gezonde verstand. Er is geen kosmisch verband tussen de grote dingen boven ons en de kleine dingen op microniveau, tussen de geest en de materie, zoals de alchimisten ooit dachten, een idee waar Mulisch misschien heimelijk aan vasthield, al was het als een goudmijn voor zijn romans. Er is geen ‘compositie van de wereld’, geen kosmisch muziekje dat in alles doorklinkt, van groot naar klein en omgekeerd. Maar is  dat ook zo?   

Als ik hedendaagse kosmologen mag geloven evolueert het heelal, maar dat evolutieproces maar dat evolutieproces is verweven met de waarneming daarvan in ons hoofd. Ik las voor het eerst iets over een ‘holografische evolutie’ in het heelal in dat merkwaardige boek van Thomas Hertog, Het ontstaan van de tijd, mijn reis met Stephen Hawking voorbij de oerknal (2023). Volgens Hawking is de geschiedenis van het  heelal afhankelijk van de vraag die je stelt. Het heelal is een fysieke entiteit die de natuurlijke wereld omvat, inclusief alle materie en energie, de wetten van de natuur en de tijd en ruimte waarin alles zich bevindt. 

Maar als de geschiedenis van het heelal afhankelijk is van de vragen die we stellen en hoe we de wereld om ons heen begrijpen, is het heelal zelf waarschijnlijk veel groter en complexer dan elk door de mens gemaakt model of concept. Hoe kon het dan gebeuren, dat toen het heelal – en daarmee tijd en ruimte – een aanvang namen, alles exact in de juiste toestand stond, zodat uiteindelijk het leven op aarde en dus ook de mens kon ontstaan? 

Was er dan toch zoiets als een God die dit alles heeft bedacht en in werking heeft gezet? Voor Augustinus was dit geen probleem. Hij geloofde stellig dat God de ‘Eerste Beweger’ is geweest. Je kunt je afvragen hoe Augustinus’ opvatting van tijd zich verhoudt tot de ideeën die Stephen Hawking over het ontstaan van de tijd. Augustinus vroeg zich af waar God in feite mee bezig was voordat hij hemel en aarde schiep. 

In zijn Confessiones schrijft Augustinus: ’Indien er vóór de hemel en de aarde geen tijd was, waarom dan de vraag waar gij aan bezig waart? Want waar geen tijd was, was geen ‘toen’.’ In zijn boek over Stephen Hawking verwoordt Thomas Hertog dit inzicht op een vergelijkbare wijze. Maar het idee ‘God’ is nu vervangen door het toeval van een evolutionair proces. Er is nu ook geen platonische achterwereld meer van ‘Eeuwige Ideeën’ die aan het heelal vooraf zouden gaan. Die ‘Eeuwige Ideeën’ zijn op zichzelf deel van het evolutieproces dat mede in onze waarneming wordt gevormd. Of in de woorden van Hertog: 

 ‘Het is moeilijk voor te stellen hoe platonische waarheden van welke vorm dan ook ooit de kloof in onze conceptuele kijk op de levende en de niet-levende werelden werkelijk zouden kunnen dichten. Het lijkt er eerder op dat het leven, ook intelligent leven, slechts een toevallige voltreffer is van een volstrekt onpersoonlijk, wiskundig rijk, en dat er verder weinig meer over te zeggen valt.’ 

Hawking verkeerde lange tijd in de veronderstelling dat we God niet nodig hebben om de oerknal te kunnen verklaren. Hij verkondigde dit standpunt bij tal van gelegenheden en in meerdere publicaties. Tegelijk wilde hij dat wetenschappelijke modellen niet gebruikt worden om religieuze overtuigingen te ondersteunen of te weerleggen. Ook Einstein – zelf een diep gelovig mens – was daar huiverig voor. In tegenstelling tot Einstein was Hawking een atheïst. Zijn theorieën suggereerden dat het universum zichzelf heeft geschapen door middel van natuurlijke processen. 

Dit idee stond haaks op veel religieuze overtuigingen die uitgaan van een ‘Eerste Beweger’ die alles in werking heeft gezet. Toch zijn de latere theorieën van Hawking niet meer zo stellig op dit heikele punt. We kunnen over God – als er al zoiets als ‘God’ bestaat als zijnde iets waar wat over te zeggen valt – nu nog niets met zekerheid zeggen. Of beter gezegd, het hologram van het universum moet eerst nog zijn voltooing vinden, als er tenminste zoiets als een ‘voltooid universum’ kan bestaan. Want ook dat weten we niet. 

Over dat soort vragen tasten we in het duister. Het is ook de vraag of we ooit echt iets te weten komen over die ene vraag van Augustinus: ‘Wat is tijd?’ Ook hier geldt dat elke vorm van kennis zoiets is als het zien van je eigen voetsporen die je telkens weer tegenkomt als je in cirkels rondloopt. Anders gezegd, het begrip tijd is zoiets als wat de gek er voor geeft. We hebben geen houvast meer. Geen vast punt. Alles stroomt, zelfs ons denken over de tijd.

Je zult maar psychotisch worden in deze onbestemde tijd, waarin de psychotisering van het wereldbeeld een realiteit lijkt te worden. Zo’n honderd jaar geleden dachten de dadaïsten dat de absurditeit een adequaat middel zou zijn om de waanzin van de wereld tegemoet te treden. In zijn boek Letzte Lockerung (1920) pleitte de dadaïst Walter Serner voor een levenshouding van absolute vrijheid en individualisme, waarbij de bestaande orde voortdurend wordt heroverwogen. We leven nu in een tijd waarin deze dadaïst postuum zijn gelijk haalt met zijn provocerende woorden: ‘Wereldbeelden zijn mengsels van losse woordjes.’  

Reageer

Apocalyps in de Froskepôlle

‘De tijd is vloeibaar en stroomt. Ik ben een lichtkrant in een zwart gat, een laterna magica op een vuurtoren, een glazenwasser in een duistere kamer en hier in Leeuwarden worden alleen piloten geboren. Ik heb een foto in mijn kop. Een luchtfoto van Betondorp. Waar is mijn parachute? Ik druk op ‘eject’, gooi de diskette omhoog als was het een tennisbal, kijk in de linkerbovenhoek, laat hem drie keer stuiteren op mijn rechtervoet en knik met het hoofd (de schijnbeweging van Pele). Cruijff, een sprinkhaan in niemandsland. Een vlinder in Betondorp. Drie keer stuiteren de woorden.’ 

Deze cryptische zinnen schreef ik in de zomer van 1987. Het is de laatste alinea van het verhaal dat als titel had Een vlindertuin in Betondorp. Dit verhaal schreef ik op mijn eerste computer, een Videowriter. Het geeft aardig de opwinding weer die mij vervulde bij de ontdekking van zo’n geautomatiseerde schrijfmachine. 

Ik was zelf een soort schrijvende machine geworden, zo leek het wel. Bovendien raakte ik in die tijd zomaar in een lichtelijk manische toestand. Ik had nog net geen last van waanideeën  maar ik zat er wel dicht tegen aan. Zo verbeeldde ik mij dat er beelden op mijn beeldscherm konden verschijnen van allerlei plaatsen elders op de wereld. Ik verbeeldde ik mij een soort internet avant la lettre. Achteraf denk ik wel eens dat je in een psychische waantoestand ideeën kunt ontwikkelen die op de toekomst vooruit lopen als het gaat om de technische realiseerbaarheid.

In onze seculiere tijd worden in de waanwereld van psychotici God, duivel en engelen vervangen door CIA, straling, sciencefiction, internet en nieuwe media. Transcendentie is opgelost in virtual reality. Paranoia richt zich nu op geheime diensten en niet meer op complotten die in hemel of de hel gesmeed worden. Die conclusie komt ook overeen met mijn eigen ervaringen. 

De laatste keer dat ik zelf in een waanwereld belandde was in de zomer van 1979. Dagenlang tot die in de nacht schreef ik op mijn nieuwe Videowriter. Gaandeweg kreeg ik last van an achtervolgingswaan en dacht dat agenten van zowel de CIA als de KGB achter mij aanzaten.Tien jaar daarvoor, in de zomer van 1969, had ik bij een antiquariaat in Amsterdam voor voor vijftien gulden een antiek exemplaar van een boek van Swedenborg gekocht, Apocalypse Revealed

Dat boek had een fraaie blauwe band van leer, met een gemarmerd schutblad binnenin. Het boek was gedrukt in 1911 of 1912, ik dacht in Washington. Ik heb het boek nooit gelezen. Het heeft tien jaar in mijn boekenkast gestaan. Swedenborg heb ik altijd een fascinerend fenomeen gevonden. Hoe dan ook, in deze zomer van 1979 verkeerde verkeerde ik in de veronderstelling dat ik een technologische ontdekking had gedaan die zeer bedreigend was voor het evenwicht tussen de beide grootmachten in de Koude Oorlog. 

De CIA – zo meende ik – had een satelliet gelanceerd ter grootte van een tennisbal, waardoor alle elektronische communicatiesystemen op aarde in een keer aan elkaar gekoppeld waren. Alle apparaten, die tv-signalen konden ontvangen, waren ineens ook camera’s geworden. Zo kon de CIA in alle huiskamers naar binnen kijken via het scherm van de TV. Ook de radio werkte op een vergelijkbare manier. Ik hoorde stemmen op de radio die daar niet thuis hoorden. En op de tv las ik in de ondertiteling van films verborgen boodschappen die exclusief voor mij bedoeld waren.

Ik woonde toen aan de uiterste rand van Leeuwarden, in de wijk Aldlân, dicht bij het van Harinxmakanaal. Er gebeurden daar de raarste dingen die mijn waanwereld leken te bevestigen. Ik zag opeens overal grote antennes op de daken staan die er eerder niet stonden. Bovendien werd er die zomer huis aan huis kabel aangelegd voor de tv, wat mijn vermoeden bevestigde dat er iets grondig mis was. 

Op een zondagochtend was ik het zat. Ik heb toen het boek Apocalyps Revealed van Swedenborg met een grote boog in het Van Harinxmakanaal gegooid, ter hoogte van het eiland de Froskepôlle. Een par weken later  zag ik niet ver van deze plek, op een stille zondagochtend een kaars branden, zomaar in het gras, midden in de Froskepôlle. Het is daar soms niet pluis. Vreemde geesten komen dan los uit het water en nemen bezit van de omgeving.

Het goddelijke is volgens Swedenborg aanwezig in alles wat leeft. Er zijn twee werelden, dacht hij: de natuur en de geest. Alles in de natuur heeft zijn tegenhanger in de geest, zoals het oppervlak van een meer al onze stemmingen kan weerspiegelen. In zijn boek The Apocalypse revealed had Swedenborg – mede op basis van zijn eigen visioenen – omstandig uit de doeken gedaan hoe het einde der tijden zich zou voltrekken. Het jaar 1757 was niet alleen het tijdstip waarop hij had voorspeld dat het Laatste Oordeel zou plaatsvinden, maar toevalligerwijs ook het geboortejaar van William Blake, die zo met de ideeën van Swedenborg geworsteld heeft. 

Wat Blake miste bij Swedenborg de eenheid der tegendelen, de uitersten die elkaar raken. Er was volgens geen tweedeling tussen geest en materie. Alles is energie, en de seksualiteit was een sacraal gebeuren. In zijn boek Het huwelijk van Hemel en Hel schrijft Blake: ‘Swedenborg houdt alleen een kaars in de zonneschijn.’ Volgens Blake was er ook nog zoiets als de wind…..Like a candle in the wind.

Hoe dan ook, op die wonderlijke zondagochtend, in de zomer van 1979, zag ik een schip, onder vreemde vlag langs de Froskepôlle varen. Het was een grijs schip zonder vensters of patrijspoorten, een marineschip zo te zien. Even later vloog een straaljager over. Later op de dag sprak een man op de radio over een passage die hij gelezen had in het boek Montaillou van Le Roy Ladurie. Het ging over een eenvoudige boerenvrouw die zichzelf vrijpleitte van seksuele omgang met de pastoor op grond van woorden als : ‘Als ik voel dat het goed is, kan het nooit slecht zijn’. Dat zou een soort heidense wijsheid zijn die tot in de Middeleeuwen in tact was gebleven. 

Het verband tussen al deze zaken ontging mij ten ene male. Het was een conjunctie van absurde feiten die zich die dag aaneenregen. Al met al waren het de radio en tv geweest die het proces van conjunctie en desintegratie in hoge mate hadden bevorderd. 

Nu vraag ik me wel eens af, wat internet met je kan doen als je het contact met de werkelijkheid langzaam kwijtraakt, om nog maar te zwijgen over Kunstmatige Intelligentie. Hoe gaat je waanwereld zich dan vermengen met een virtuele wereld waarin zomaar kunt wegdrijven? AI gaat straks het realiteitsgehalte van vrijwel alles ondermijnen. Wie kan bepalen of deze tekst door mijzelf geschreven is en niet door een AI-programma? De bodem onder elke zekerheid wordt weggetrokken door de razendsnelle technologische ontwikkelingen die onze ziel aantasten? En zoals Jung zei: ‘Wie kan de mensheid nog redden als er iets mis gaat met de ziel’?

Hoe dan ook, nog altijd ben ik evenzeer gefascineerd door de apocalyptische waanwerelden van  Swedenborg als door de betekenisvolle coïncidenties van het leven, die Jung geprobeerd heeft te verklaren. We dromen ervan om steeds meer één te worden met het collectieve onbewuste, of zoiets ongrijpbaars als ‘het lichaam van de wereldgeest’. Niet ons verlangen staat voorop, maar een onnavolgbaar moment buiten het verlangen. Er lopen vreemde dwarsverbanden tussen de extase van de ruimtevaarder die zich zwevend buiten de capsule begeeft en de schuchtere debutant op een kinky seksorgie, waar alle remmen van de drift ontgrendeld worden. 

Er bestaat een lichaamloze verrukking in de diepste spelonken van het lichaam zelf, die even etherisch is als de explosies in ver verwijderde sterrennevels. Aan de uiterste grenzen van het heelal liggen wellicht de scenario’s voor een individuele regressie naar paradijselijke, cellulaire werelden. Naar de oceaan van het Ene, vol van onszelf.

Dat soort troebele ideeën doemen soms in mij op in een tijd waarin de technologie ons lot steeds meer gaat bepalen. Kunstmatige Intelligentie opent een nieuw perspectief voorbij het aloude dualisme, voorbij de christelijke mythologie die nog altijd ons denken bepaalt. De verwevenheid van paradijs en embryo, de spiegelverhalen van Narcissus, het eeuwige keurslijf van het Oedipuscomplex dat aan de basis ligt aan elke theorie over de religieuze ervaring. Dat alles gaat weldra tot het verleden behoren. 

Zo ben ik uiteindelijk op zoek gegaan naar de nieuwe vindplaatsen van transcendentie. Naar het sublieme moment van genade dat buiten het verlangen zelf zou bestaan. Naar een paradijselijke oertoestand, een soort pre-oedipaal nirwana, dat voor de geest toegankelijk is, niet alleen in de diepste ervaring van het lichaam zelf, maar ook buiten de grenzen van het lichamelijk bestaan. 

Zo raakte ik ver van huis, in de schemerzone van een nieuwe dageraad der magiërs. Ik heb me verdiept in de cyborg, de ultieme symbiose van mens en machine. Ik heb me laten verleiden door de gedachte dat de waanwereld van zo’n cybernetisch organisme alles vloeibaar kan maken wat in een wereldbeeld is gestold. Dat het verschijnsel mens een mythe is, een constructie van gestolde gedachten. Wat hij nooit wilde weten wat hij al altijd is geweest. Iets zonder ziel. Iets zonder geest. Iets zonder God. 

Door een gigantische walvis werd ik bijna verzwolgen op het holodeck van een ruimteschip. Zo heb ik het nieuwe Utopia aanschouwd dat gloort aan de horizon van de technologie: de meest goddeloze van alle denkbare werelden. De naald van het kompas tolt daar rond in een onheilspellende stilte. Er is geen noord en zuid, geen boven en beneden. In die nieuwe waanwereld zweeft het bewustzijn boven de aarde, diep in zichzelf en ver buiten de tijd van de klok.

Reageer

De stem van mijn vader

Mijn vader en moeder, onderweg in de Franse Alpen, 7 augustus 1963

In het Documentatiecentrum van Rooms-Katholiek Friesland (ADRKF), dat zich in het Titus Brandsma-museum in Bolsward bevindt, is nog van alles over de geschiedenis van het roomse Friesland. Het ADRKF bezit gegevens van zo’n 40.000 overleden katholieken afkomstig uit deze contreien. Zo trof ik hier ooit in een ladenbak het bidprentje van mijn vader aan, dat ik zelf niet eens meer bezit: Durk Manus Mous, overleden op 8 mei 1966 te Amsterdam. In Friesland wordt alles bewaard, zelfs de sporen van mijn vader. Hij was een Friese katholiek en een oud gezegde wil dat Friese katholieken roomser zijn dan de paus.

Beneden in de huiskamer bij ons thuis stond een Heilig Hartbeeld op een console aan de muur, net boven de telefoon. De benedenburen, die al behoorlijk op leeftijd waren en altijd kwamen klagen als we teveel rumoer maakten, kwamen nog wel eens telefoneren. Dat kostte immers niets, omdat mijn vader bij de PTT werkte, totdat het de spuigaten uitliep en hij door zijn chef op het matje werd geroepen. Assertief is mijn vader nooit geweest. Hij had een zacht karakter en deed geen vlieg kwaad. Letterlijk zelfs, want als ik op het punt stond een mug dood te slaan, kreeg ik te horen dat zelf het kleinste dier door God geschapen is. Zo was, maar zo ben ik nooit geweest.

Niet alleen tussen mijn vader en mij, maar ook tussen hem en zijn dochters had er geen grotere kloof kunnen bestaan. Twee van mijn vier zusters waren actief binnen de Pax Christi-beweging. Twee gingen in de verpleging en twee kozen voor het maatschappelijk werk. Ik ben de enige van het gezin die weinig van die sociale bewogenheid heb meegekregen. Progressieve ideeën vanuit de sociale wetenschappen en de geestelijke gezondheidszorg kwamen in de jaren vijftig bij ons thuis binnen in een milieu dat in veel opzichten nog het stempel droeg van het Rijke Roomse Leven van voor de oorlog. Het was een vrome wereld die op het punt stond om voorgoed te verdwijnen. Mijn moeder bestierde het gezin, maar mijn vader was de pater familias.

Op maandag 24 september 1962 ging mijn vader met pensioen. Hij was de dag daarvoor 65 jaar geworden. Ik kan het me nog goed herinneren. Ik was veertien en zat in de tweede klas van het gymnasium. Die middag kreeg ik vrij van school. De receptie was in de kantine van Huize Candida, helemaal op de bovenverdieping van dat mooie pand aan de Nieuwe Zijds Voorbugwal, met prachtig uitzicht over Amsterdam. Het was een volle zaal en er waren veel sprekers. Zo sprak de directeur van de PTT, mijnheer Ten Doeschate, maar ook mijnheer Bal, de directe chef van mijn vader, en allerlei collega’s en leidinggevenden die hij zijn zijn ruim veertigjarige loopbaan had meegemaakt. Onder hen was ook juffrouw Jonges, op wie mijn vader zeer gesteld was. Aan het eind van die bijeenkomst sprak mijn vader een dankwoord, wel twintig minuten lang, helemaal uit het hoofd.

Wonderlijk genoeg herinner ik mij die dag vooral uit beelden uit de tweede hand. Een foto van mijzelf, opkijkend naar mijn vader. Die foto heb ik niet meer. Jarenlang heb ik nog een geluidsband gehad, die ik ooit aan een van mijn zus Cornelie heb gegeven, die in 2014 is overleden. Een paar jaar geleden kreeg ik deze geluidsband weer in handen, of beter gezegd de digitale versie ervan. Mijn zus Trees, die de band had aangetroffen in de de nalatenschap van Cornelie, had hem laten omzetten op CD. Mijn ouders leven al lang niet meer, en mijn vier zussen ook niet inmiddels, maar de stem van mijn vader heb ik nog. Ik heb die CD onlangs nog eens helemaal afgeluisterd, ruim twee uur lang.

Het dankwoord van mijn vader aan het slot heb ik integraal uitgetypt. Vooral uit de verhalen van zijn directeur van de PTT en van zijn collega’s uit het hele land kwam veel informatie naar boven waarvan ik geen weet meer van had. Zo hoorde ik dat mijn vader aanvankelijk onderwijzer had willen worden, maar daar hadden zijn ouders in Bakhuizen niet de financiële middelen voor. Hij was de oudste in een gezin van 12 kinderen, en mijn pake was postkantoorhouder. Post en telefoon zaten bij de Mousen in de genen.

Na de lagere school in Bakhuizen ging mijn vader naar de ambachtsschool, waar hij drie jaar op gezeten heeft, telkens als eerste van de klas. Na afloop kreeg hij een ‘diploma met lof’, zo hoorde ik op de geluidsband. Daarna bleek er in Friesland weinig werk voor hem te zijn. We spreken dan over de jaren tien van de vorige eeuw. Wel heeft mijn vader in die tijd zo af en toe nog in Friesland gewerkt als timmerman of smid. In Stavoren, zo hoorde ik, heeft hij bij Hotel De Vrouwe van Stavoren op de daktuin een ijzeren hek aangebracht dat daar in 1962 nog altijd te zien was. Of dat hek tegenwoordig nog in tact is, weet ik niet.

Op 6 maart 1920 trad mijn vader in dienst van de PTT in Heerlen. In 1932 werd hij overgeplaatst naar Amsterdam en in 1956 werd hij bevorderd tot ‘Hopz.bd’, dat wil zeggen: hoofdopzichter bijzondere diensten. In totaal heeft mijn vader 42 jaar lang voor de PTT gewerkt, aanvankelijk overal in het land en in zijn laatste jaren in het district Noord-Holland. Zo legde hij twee keer een telefooninstallatie aan in Paleis Soestdijk, al voor de oorlog en zo rond 1950, waarvoor hij nog een herinneringsmedaille kreeg die thuis altijd in een la tussen de sokken lag.

Mijn zus Lucie vertelde me ooit dat zij als kind wel eens met hem mee mocht, met de dienstauto naar Soestdijk, waar zij dan in de auto achterbleef. Op een keer kwam mijn vader met een zakje snoepjes terug in de auto. Die had hij gekregen van koningin Juliana. Het was bestemd voor de kinderen. Juliana, zo vertelde Lucie, zou erg op mijn vader gesteld zijn geweest. ’U bent zo’n rustige man,’ had zij hem gezegd. Ik heb het altijd een sterk verhaal gevonden, maar Lucie heeft het me meerdere malen bevestigd.

Zoals gezegd, op 8 mei 1966 – dat was slechts drie-en-een-half jaar na zijn pensioen – overleed mijn vader. Hieronder leest u zijn dankwoord dat hij uitsprak op 24 september 1962, op de bovenverdieping van Huize Candida. Het is het verhaal van zijn loopbaan, maar vooral het verhaal over de tijd waarin hij had geleefd en gewerkt, een tijd waarin de wereld steeds kleiner leek te worden en de tijd zelf steeds sneller leek te gaan. Het versnellende ritme van de tijd, dat was het wat hij had meegemaakt en waaraan hij zijn eigen steentje had bijgedragen. Mensen dichter bij elkaar brengen, dat was wat de moderne telecommunicatie ons bracht. Dat was ook zijn ideaal geweest. Dit was hij.

Mijn vader was een man van het noorden. Ik ben dat niet, al kwam ik hier wel terecht in mijn leven. Als ik in zijn spiegel kijk, dan herken ik mijzelf niet. Als vader was hij voor mij een vreemdeling die nu pas langzaam naderbij komt in het versnellende ritme van de tijd. Ik wilde niet zijn zoals hij, maar zijn liefste wens was een zoon en die wens is verhoord in mijn bestaan. Ik werd een andere zoon dan hij zich wellicht had voorgesteld. Anders maar ergens misschien ook niet. Soms denk ik wel eens, wat zou mijn vader denken van de wereld van vandaag met zijn internet en sociale media. Ik weet het niet en ik zal het ook nooit te weten komen.

Joe dan ook, als ik zijn stem na al die jaren terug hoor, word ik overvallen door een intens gevoel van weemoed. Er schiet van alles door mijn hoofd. Had ik maar meer naar hem geluisterd! Heb ik hem eigenlijk wel goed gekend? Wat in zijn hoofd omging kan ik nog wel begrijpen, maar wat ging er om in zijn hart? En toch, zoals ik al eerder zei, hij sprak zijn afscheidswoord geheel uit het hoofd, of beter gezegd: uit het hart.

<<<>>>>

Geachte directeur, geachte adjunct-directeur, stafleden, medewerkers van het district Amsterdam, medewerkers uit andere districten. Mijn vrienden,

Mijnheer Ten Doeschate, mag ik allerhartelijkst danken voor de gelegenheid die u me gegeven heeft om dit, laten we zeggen feestelijke afscheid mogelijk te maken in een omgeving, ja, waar ik eigenlijk geen woorden voor heb. Wij zijn hier samen in een telecommunicatiegebouw. Een gebouw waar ik dertig jaar omheen gelopen heb. Maar wat ik toch altijd gezien heb als ons technisch centrum. Een gebouw dat volgestopt is van beneden tot boven met ingewikkelde apparatuur. Waar bekwame medewerkers van u de apparatuur in goede staat onderhouden, zodat het dag en nacht beschikbaar is voor de gemeenschap.

Die gemeenschap die maakt daar dus dagelijks gebruik van. En ik heb het tot een eer gevonden dat ik twee-derde van mijn leven heb mogen meewerken aan het welslagen van dat telecommunicatiebedrijf, dat tenslotte in het leven geroepen is om de mensen dichter bij elkaar te brengen. Het heeft mij helemaal geen moeite gekost, want ik heb in mijn jonge tijd – ik heb het aan mijnheer Bal wel eens verteld en die heeft het ook nog aangehaald – bewust gekozen voor de PTT-dienst. Ik heb daar nooit geen spijt van gehad. Dat ik het zo lang heb kunnen volhouden, dat is alleen te danken aan de grote medewerking die ik overal in ons district, van hoog tot laag, in den lande bij mijn collega’s, bij de centrale directie, in al hun afdelingen heb mogen ondervinden. Directeur, ik dank u nog voor de waarderende woorden die u aan mij gericht heeft. Ik geloof wel dat alles een klein beetje overdreven is wat hier vandaag verteld is, want ik ben er me bewust van, wanneer ik moet roemen, dan moet ik zeggen met Paulus, dan moet ik roemen op mijn zwakheden.

Ik dank u ook voor de prachtige legpenning. Ik ben er erg trots op. Ik zou het hier graag bij willen laten en dan overgaan op het dankwoord aan de tweede spreker. Dat is mijnheer Bal. Hij noemde het zelf al. Hij is twaalf-en-een-half jaar mijn directe chef geweest, dat is het langste van allemaal. En ik heb eigenlijk nog nooit een chef gehad als mijnheer Bal, die door de grote vrijheid en het vertrouwen dat hij altijd in mij gesteld heeft, me kans gegeven heeft om – zij het dan op een afgebakend terrein – toch enigszins mijn eigen koers te varen. Mijnheer Bal, ik ben daar zeer dankbaar voor. Ik heb natuurlijk veel superieuren gehad in mijn lange PTT-leven, maar ik zal u nooit vergeten.

Dan kom ik bij mijnheer Kwaak. Als ik aan mijnheer Kwaak denk, dan denk ik aan die grote staf van medewerkers van de centrale directie, waar ik uiteindelijk ook uit voortgekomen ben. Mijn gedachten gaan onwillekeurig terug naar de onvergetelijke mijnheer Meier-Drees aan wie ik zoveel aan te danken heb. En dan kan ik u alleen maar feliciteren, mijnheer Kwaak, omdat het u gelukt is een staf van medewerkers om u heen te verzamelen, zo uniek dat wanneer dat zo door blijft gaan, dan hoeven we voor de Dienst huistelefoon niet ongerust te maken. Ik heb van alle kanten mijn hele leven lang, zo lang ik dus aan de huistelefonie verbonden ben niets dan medewerking van deze mensen ondervonden. Van hoog tot laag. En laat ik u daarvoor als vertegenwoordiger van bureel huistelefonie daarvoor bedanken. Wil ook vooral de groeten overbrengen aan mijnheer Roebers, en zeg hem wat u hier vandaag gehoord en gezien heeft. Het zal hem goed doen wanneer het een van zijn getrouwen zo goed gegaan is. En dat hij zo dankbaar terug kan zien op een verleden waarvan hij zich eigenlijk niet bewust si dat het zo in goede aarde is gevallen.

Ik kom meen ik aan juffrouw Jonges. Ja, daar heb ik eigenlijk geen woorden voor. Daar was ik niet op ingesteld. Wij vertoefden zo kort bij elkaar, in elkaars onmiddellijke nabijheid. We zijn eigenlijk, de dienst calculatie en projecten, dat is een twee-eenheid geworden. Uw problemen waren mijn problemen. En wanneer ik iets had dan kwam ik bij U of bij uw mensen. Ik hoop dat dit ook in de toekomst zo mag blijven gaan, wanneer ik er niet meer mag zijn. En dat die samenwerking, die er in het verleden altijd bestaan heeft tussen de technische en de administratieve afdeling, zal blijven bestaan. Het is mijn hartenwens dat dit zo zal mogen gebeuren. Ik hoop dan ook dat mijn opvolger precies zo tegemoet getreden zal worden door mijn mensen als ze dat mij steeds gedaan hebben.

Na juffrouw Jonges kwam mijnheer Van der Wal aan het woord. Tegenover Van der Wal kan ik ook kort zijn. Hij maakt ook deel uit van ons huistelefoonteam, wat eigenlijk uniek is wat de saamhorigheid betreft, de teamgeest die er heerst. En ik zou graag willen dat ook dat zal blijven bestaan, ten eerste tot welzijn van ieder lid van het personeel persoonlijk, maar ook voor ons mooie staatsbedrijf. Dat kan niet anders dan vruchten afwerpen, waar we later allemaal met genoegen op terug mogen zien.

Mijnheer Zeegers sprak namens de dienstkringleiders. Zijn woorden die kwamen diep uit zijn hart. Dat heb ik kunnen aanvoelen en ik heb eigenlijk dezelfde gedachten zoals ze over mij zijn geuit ten opzichte van de dienstkringleiders. Die dertig jaar, dat ik in deze functie heb doorgebracht, heb ik niet anders dan met plezier contacten gelegd tussen de dienstkringleiders, via de dienstkringleiders met de huistelefoonploegleiders en ook alle ondergeschikten van de ploegleiders. Het waren vrienden van me en het zullen het blijven. Ik heb al die mensen kunnen waarderen. Ik heb altijd veel waardering gehad voor vakkennis. En die vakkennis die was daar.

Ik heb er moeite mee gehad om die veelheid van verwarrende gedachten, die vandaag door mijn hoofd gespeeld hebben, een klein beetje onder woorden te brengen. Om ze op een rijtje te zetten. Ik geloof niet dat het me helemaal gelukt is. Maar neem mij vandaag alsjeblieft zoals ik ben. Mijn woord dat staat in het teken van dankbaarheid. Dankbaar ben ik tegenover u allemaal. En ik hoop dat ik u nog heel lang zal kunnen ontmoeten, waar dan ook.

Dan ben ik ontzettend blij met de cadeaus, die me zijn aangeboden. Ik had nergens op gerekend. Ten eerste heb ik begrepen dat dit feestelijke afscheid in zijn totaliteit bekostigd wordt door al mijn vrienden in het district Amsterdam en daarbuiten. Het is teveel, teveel voor een persoon die eigenlijk niets anders gedaan heeft dan zijn plicht. Hij had de medewerking van iedereen met wie hij in aanraking kwam. Van alle mogelijke diensten van het telefoondistrict, of die nu administratief of technisch waren.

En dan het grote cadeau in de vorm van de fauteuil. Die er nog niet is maar die morgens besteld wordt. En wanneer die binnenkomt als bouwpakket, dan zal ik daar al mijn aandacht aan besteden en ik zal er iets moois van trachten te maken. Dan krijgt eindelijk mijn vrouw haar zin. Zij heeft al jaren gezeurd dat onze vierde slaapkamer die we destijds nodig hadden toen het gezin zich ging uitbreiden dat die weer eens teruggebracht zal worden tot zitkamer. En daarvoor moet er natuurlijk heel wat gebeuren. Ik ben heel blij dat we hiermee nu een begin kunnen maken.

De ideeën om mij te helpen aan onderdelen voor mijn wagentje vind ik toch zo ideaal, want het zijn allemaal van die dingen die ik allemaal graag wilde hebben, maar men komt er niet toe om daarvoor zoveel geld te besteden. Ik vind het magnifiek. Ik zal nu nog meer aandacht daaraan besteden. En er gaat straks nog minder arbeidsloon naar de garages, want ik krijg nu de tijd ervoor. Ik heb het serviceboek van Fiat. dat dit jaar is uitgekomen, bij de ANWB al in bestelling. Dat ga ik nu eens van A tot Z doornemen. Want dan kom ik onwillekeurig die onderdelen tegen die dat servicepakket bevat. Daardoor kan ik dus ook weer veel van mijn vrije tijd daaraan besteden. Ik heb er dus weer een hobby bij.

Voordat ik het zou vergeten dank ik u allemaal heel hartelijk. Nogmaals dank. En zojuist zie ik nog, dat ik onze vriend Nijman zou vergeten. Ja, ik had er niet op gerekend. Maar Nijman, ik heb het geweldig gevonden dat je mijn eerste rechterhand was. Jullie zitten daar zo netjes met zijn drieën op een rijtje. Ik heb er al die versleten, zou ik haast zeggen. Ik ben aan de vierde bezig, maar die kan nog wel een tijdje mee. Ik heb het reusachtig gevonden dat je het jouwe er nog eens van gezegd hebt, Nijman. De tijd ontbreekt me nu om in details te treden, maar ik kan je wel zeggen dat die eerste dagen, dat we van 1932 tot 1935/36 samenwerkten, de mooiste dagen van mijn leven zijn geweest. Toen ik nog iets met mijn handen tot stand kon brengen.

Later is dat wel gebleken dat we daar niet teveel waarde aan moeten hechten. Want van al dat moois, dat we in die tijd gemaakt hebben, is er niets meer over, Nijman. Niets, maar dan ook niets. Dat is me later ook eens opgevallen. U heeft het al gehoord van onze directeur, ik ben mijn loopbaan in Heerlen begonnen, in 1920. En ik kwam vijf jaar geleden, dus dat is 35 jaar later, voor het eerst weer eens in Heerlen terug, en ik zocht  daar nijver naar sporen die ik daar had achtergelaten. In de vorm van luchtleidingen, van afhechtingen, van kabelkasten, want die waren er toen ook al. En ik vind er niets meer. Zelfs de straatnamen waren al veranderd. Ik ging eigenlijk misnoegd die streek weer uit, en ik dacht: ja, wat is alles toch eigenlijk van korte duur. Maar ik dacht toch ook weer aan de prettige herinneringen die ik hier heb liggen. En die prettige herinneringen die ik overal heb, ik mag wel zeggen in elk net van Nederland, want ik ben een reizende ambassadeur geweest.

En voor de dienst HV vijf jaar lang. Ik heb wel eens gezegd, er is geen spoorlijntje en ik heb tussen de wielen gezeten. Je kunt het ook anders zeggen, er is geen bioscoop of ik heb er mijn vrije tijd wel in doorgebracht. Nee, ik vind daar van al dat werk niets meer terug, alleen maar de prettige herinneringen. Mijn ondervindingen van de laatste tijd zijn zodanig dat het werk, dat we op het ogenblik afleveren, maar een levensduur heeft van gemiddeld tien jaar. En dat waren wij, de oudere generatie –  ik ben namelijk no van de vorige eeuw – niet op ingesteld. Wij maakten werk dat een generatie lang mee kon gaan. Maar in deze tijd van kunststoffen ziet dat er een beetje anders uit. En daarom is het misschien ook wel goed dat die mensen met misschien wat verouderde ideeën plaats gaan maken voor de nieuwere. Die zien weer meer licht in de toekomst.

En ik meen dat bij het bereiken van deze 65-jarige leeftijd, die weliswaar de officiële leeftijd van ouderdom aankondigt, dat die loopbaan van mij op het juiste moment wordt afgesloten. Ik zei daarnet, ik voel me gelukkig helemaal niet oud. Want oud is hij die geen idealen meer heeft. En dat is gelukkig niet het geval bij mij. Activiteit is er nog genoeg, en die activiteit zal bij mij niet zo gauw wegglijden naar gemakzucht. Dus zolang die idealen er nog blijven, voel ik me nog jong en ik hoop nog lang samen met mijn vrouw en mijn kinderen daarvan te kunnen genieten.

Ik zou nog haast vergeten hebben – en daar dank ik ook nog altijd de Dienst Huistelefoon voor – dat ik in 1929 juist door Huistelefonie mijn vrouw heb leren kennen als telefoniste bij de AKU in Arnhem. Even voor de automatisering van het net. Mijnheer Kwaak, dat had ik eigenlijk aan u moeten zeggen. Maar brengt u het maar over aan mijnheer Roebers. U doet me er een plezier mee. Hiermee zou ik dan graag mijn verhaal willen besluiten door nogmaals hartelijk dank te zeggen voor alle medewerking die ik van u ondervonden heb. Buiten u had ik het niet kunnen bereiken, niet kunnen volhouden en was ik niet zo vitaal geweest als ik op het ogenblik voor u sta.

Hartelijk dank, en het gaat u goed allemaal. Daarmee wil ik dan graag eindigen.

Geen reactie mogelijk