Sterven zonder pijn

Mijn vader op een Camping Municipal in Frankrijk, zomer 1962

‘Elke wijze van doen wordt gecodificeerd, niemand durft zich te onttrekken aan het gedrag, 
dat de code behelst. Wie ziek wordt, lijdt aan de ziekte van het 
leerboek; wat daarbuiten gaat, is persoonlijk en bijgevolg onecht. Wie van zijn sterven een daad maakt, beweegt zich buiten het pad, dat naar het einde van alle medische hulp leidt, een 
overtreding, die met morfine gestraft zal worden.’

Aldus Jan Hendrik van den Berg in Metabletica, of leer der veranderingen (1956). Deze passage laat zien dat ook in de jaren vijftig het toedienen van morfine op het sterfbed gangbaar was. Er bestond nog geen Euthanasiewet, maar palliatieve zorg was heel normaal. Het is een misvatting dat over euthanasie en alles wat daarmee mee samenhangt slechts twee visies mogelijk zijn: een liberale die alles vrijlaat, en een confessionele die alles verbiedt. Vanuit de katholieke geloofsleer is actieve euthanasie niet toegestaan, maar over de toenemende mogelijkheden tot pijnbestrijding werd zelfs binnen het Vaticaan in de jaren vijftig genuanceerd gedacht. Zo nam paus Pius XII in 1957 in een toespraak voor chirurgen geen afstand van de traditionele roomse lijdensmystiek. Christus liet de kelk met gal en wijn aan zich voorbijgaan. Maar dit zelfverkozen lijden was daarmee niet de enige manier van verantwoord doodgaan. De verlossing was ook mèt pijnstillers mogelijk, tenminste als de patiënt daar zelf om vroeg.

Een arts, zo stelde deze paus, mag een stervende patiënt zelfs buiten bewustzijn brengen. Mits deze ingreep primair gericht is op het verzachten van lijden. Deze praktijk werd zelfs toegestaan, als de narcose – in tweede instantie – zou kunnen leiden tot een verkorting van het leven. De voorwaarden hiertoe werden echter precies omschreven. Er mocht bijvoorbeeld geen enkel verband bestaan tussen pijnbestrijding bij een stervende en de wens van belanghebbenden. De benodigde dosis mocht nooit worden overschreden. Ook mocht er geen andere medische uitweg meer mogelijk zijn.

De stervende diende vooral alle ruimte te krijgen voor een waardig afscheid, niet alleen van het leven, maar ook van zijn naasten. Hij diende vrij te kunnen kiezen voor het bewust ondergaan van de laatste sacramenten en voor en eventuele verzoening met God. Deze praktische richtlijn gaan uit van een visie waarin een mens niet meer heer en meester is van zijn eigen lichaam, maar alleen een vruchtgebruiker daarvan. De verantwoordelijkheid voor het leven wordt niet alleen bij het individu gelegd, maar ook bij de ander. En tegelijk ook bij de gemeenschap als geheel.

Mijn vader stierf op 8 mei 1966. Hij was niet bang om dood te gaan. Hij geloofde stellig in een hiernamaals. De laatste dagen van zijn leven was hij vrijwel geheel buiten bewustzijn, waardoor van een daadwerkelijk afscheid op zijn sterfbed nauwelijks sprake was. Dat hij toen behoorlijk wat morfine heeft gehad, hoorde ik pas later. In die tijd werd daar niet mee te koop gelopen, zeker niet in katholieke kringen. Pas in 1957 werd het toedienen van morfine aan stervenden door paus Pius XII officieel toegestaan, zij het onder strikte voorwaarden. In Nederland moet die praktijk al langer hebben bestaan. Maar toch, ware christenen dienden geen probleem te hebben met een pijnlijk levenseinde. Alleen hedonisten maakten zich druk over de zinloosheid ervan. Katholieke romanciers van voor de oorlog hebben een steevast een mensbeeld geschetst dat gekenmerkt wordt door de deemoedige aanvaarding van het lijden. Lijden werd gezien als het meest eigene aan het bestaan. Het gaf het leven zin en betekenis.

Laatst vond ik dit stukje traditionele katholieke geloofsleer terug in een boek dat ik aantrof bij de kringloopwinkel: De Catechismus, dat is de onderrichting van het geloof, op eigen wijze verwoord door Dr. F. van der Meer, uitgegeven in 1941. De priester Van der Meer werd na de oorlog hoogleraar kunstgeschiedenis in Nijmegen. Evenals Anton van Duinkerken won hij ooit de P.C. Hooftprijs en behoort hij inmiddels tot een generatie katholieke schrijvers die door niemand meer gelezen wordt. Het lijden, zo staat te lezen in deze catechismus, heeft een zin. Het lijden is voorzien en bedoeld en zal uiteindelijk leiden tot een algehele verlossing. Wie lijdt is immers los van de zonde. Lijden breekt de wil niet, maar sterkt haar juist. Lijden brengt wijsheid, waardigheid en mildheid voort. Maar het menselijk vermogen tot lijden is niet onbegrensd.

Alleen Christus kent het onmetelijke lijden. Door daaraan deel te hebben krijgt de mens tevens toegang tot het onbegrensd geluk. Wie God het meeste liefheeft, wordt het meest met pijn bedeeld en er gaat niets boven de vrijwillige zelfbeheersing van ‘het martúrion, de martelie’ die begint zonder weerstand en eindigt met de dood. Ergens in de loop van de jaren zestig is deze roomse ideologie van pijn en lijden achter de horizon verdwenen. Ik heb de meest recente Katechismus van de Katholieke kerk (1995) er nog eens op nageslagen, maar een passage over de zin van lijden heb ik niet kunnen vinden. Alleen de betekenis van lijden van Jezus Christus wordt bijna terloops aangestipt.

De secularisering van de jaren zestig heeft ook in Vaticaanse kringen zijn uitwerking niet gemist. Het traditionele katholicisme bestaat niet meer. Het is een verzonken cultuurgoed geworden. De huidige weerstand van Rome tegen euthanasie is slechts een achterhoedegevecht. De medicalisering van het mensbeeld heeft ook het katholicisme in zijn greep gekregen sinds het meest exclusieve roomse geloofsartikel – de zin van pijn en lijden – niet echt serieus meer wordt genomen. Juist in dit opzicht verschilde het traditionele katholicisme van het protestantisme, dat sinds de reformatie zich heeft afgezet tegen de roomse ideologie van het louterende en verlossing schenkende lijden.

Recent onderzoek toont aan, dat er nogal wat schort aan de huidige Euthanasiewet. Het aantal meldingen blijft verrassend constant. Ingewikkelde procedures lijken sluipwegen te bevorderen. Er wordt geroepen om nadere regelgeving maar die zal mogelijk nog meer misbruik oproepen. Juridische haarkloverijen lijken de kern van de zaak te verdringen. De morele problematiek die een rol speelt rond het sterfbed dreigt aanleiding te worden tot ongeremde de praktijken.

De snelle ontkerstening van Nederland in de jaren zestig en zeventig schiep een klimaat maat waarin de strafbaarheid van euthanasie ter discussie kwam te staan. Alles wat samenhing met het sterven werd steeds meer een zaak tussen patiënt familie en arts. De overheid kreeg de taak toebedeeld om hiervoor een zorgvuldig kader te scheppen. In de jaren negentig werden meldings- en toetsingsprocedures voor euthanasie ingesteld. Zo ontwikkelde zich een praktijk die langzaamaan rijp werd voor legalisering. Een niet-confessionele meerderheid in het parlement nam de laatste blokkades weg.

Met dit beleid liep Nederland voorop. Alle aandacht was gericht geweest op doorbreken ken van een politiek taboe. Het debat in de Kamer over het wetsvoorstel spitste zich destijds toe op de legitimiteit van levensbeschouwelijke argumenten en niet zo zeer op de ongrijpbare medische praktijk. Zo heeft er altijd een vage grens bestaan tussen het verzachten van onnodig lijden en een daadwerkelijke van het leven. Kortom, het grijze gebied tussen actieve en passieve euthanasie.

Verbeterde pijnbestrijding en narcosetechnieken hebben die schemerzone de laatste jaren alleen maar vergroot groot. De kern van het probleem is dan ook niet meer de vraag of een actieve levensbeëindiging in principe gerechtvaardigd kan zijn. De vraag is nu hoe je het juridische gat kunt dichten tussen enerzijds een veroordeling tot moord en anderzijds de medische manipulaties die successievelijk tot een zachte te dood kunnen leiden.

De Euthanasiewet die een taboe moest doorbreken, werkt uiteindelijk averechts. Subtiele dilemma’s van leven en dood laten zich ook moeilijk bij wet reguleren. Niet dat ze zich principieel onttrekken aan een openbare discussie. Integendeel, dat publieke debat is juist hoog nodig. Maar een verfijning van regels zal de praktijk alleen nog maar meer aan de openbaarheid onttrekken. Elementaire levensvragen zijn nu een zaak van medische specialisten. Zo is een morele vrijplaats is de samenleving ontstaan, waarop geen burger en geen overheid, geen rechter en geen geestelijk leider, laat staan een collectieve moraal nog vat heeft.

Soms denk ik dat de verdoofde dood van mijn vader niet alleen een cesuur in mijn leven markeert, maar ook een breuklijn in de westerse cultuur. Het is de caissonziekte van de jaren zestig, waar ik nog altijd last van heb. Door het te snel ontstijgen aan een middeleeuws godsbeeld, dat binnen enkele jaren onder mijn ogen leek te vergruizen, raakte het bewustzijn van slag. Als door een overdosis zuurstof die dan direct in de bloedbaan belandt. Kortom, de progressie van de medische wetenschap – zowel op lichamelijk als geestelijk terrein – is voor velen een zegen geweest. En toch houd ik mijn twijfels. Wat is immers de oorzaak en wat het gevolg? Anders gezegd, wat is gezondheid nog in een van pijn ontdane, schizoïde cultuur? Is een sterfbed dat je beleeft niet te verkiezen boven een afscheid dat je niet voelt?

Reageer

Op weg naar het einde

Mijn ouders op een camping in Frankrijk, zomer 1962

‘Het is een boeiend boek, mede door het ‘sleuteleffect’ over de toenmalige cultuur, en de snelle ontwikkelingen daarin en overal. Toen kwam ook de anti-conceptiepil. Dat leidt mij tot wat opmerkingen. Ik mis in het betoog van Huub verwijzingen naar de seksuele revolutie, die na de na-oorlogse ontreddering nieuwe perspectieven bood. Ik mis ook verwijzingen naar de evolutie gedachtengang in verband met de levensdrift van menselijke wezens. (Zeker bij Vestdijk, maar natuurlijk ook bij Freud is dat in- of expliciet uitdrukkelijk aan de orde.) Ik mis ook verwijzingen naar de ontwikkelingen binnen de RK kerk. Ik had zelf nogal contact met pater van Kilsdonk, die toen in Amsterdam als zeer progressief gold (en was), over de RK leer en het gewone leven van mensen, niet te vergeten de seks.’ 

Aldus een passage uit een uitvoerige reactie op mijn boek Het virus van de melancholie die ik gisteren via via mocht ontvangen. Wonderlijk zo’n gevoel van herkenning. Hoewel ik ook heel wat verschillen proef in de wijze waarop het rouwproces kan worden ervaren als het geloof in God of een hiernamaals is verdwenen, stimuleert zo’n reactie mij om door te gaan met schrijven over de zieltogende duisternis van het ongeloof die zich voor mij vrij plotseling aandiende in mijn puberteit. Wat ik graag zou willen vermijden is de perverse zelfgenoegzaamheid die eigen lijkt aan elke autobiografie. Ik wil mij in dienst stellen van de onpersoonlijke bewustwording die aan de tijdelijkheid van de autobiografische anekdotes weet te ontsnappen en de universele structuren gewaar wordt die zich schuilhouden onder het oppervlak.

Dat is mooi gezegd, maar hoe doe je dat? 

We schrijven 1962. Er gebeurde van alles in de zomer van dat jaar. Op 9 juli brachten de Verenigde Staten op het Johnston-atol in de Stille Oceaan een waterstofbom tot ontploffing op een hoogte van 320 kilometer, waarbij een gat werd geslagen in de ionosfeer. Drie dagen later kwamen tijdens de tv-nieuwsuitzending van 8 uur ’s avonds de eerste beelden binnen die door de Amerikaanse Telstar-satelliet werden doorgeseind. En vier weken later, op 5 augustus, pleegde Marylin Monroe zelfmoord en werd in Zuid-Afrika Nelson Mandela gearresteerd. Weinig van dat alles drong tot mij door in die zorgeloze zomerdagen in het bos bij Doorn, waar ik bij mijn oudste zus op vakantie was.

Toen belde opeens mijn moeder met de mededeling dat ik thuis moest komen. Mijn vader vertrok naar Frankrijk met zijn kleine Fiat 600D. En ik moest mee als kaartlezer en tolk voor onderweg. Ik weet het, er zijn beroerdere zaken in het leven om op terug te zien. Maar in die lange reis door Frankrijk had ik echt geen zin. Ik bleef liever daar in het bos. Als veertienjarige had ik alles wat mijn hartje begeerde. Alles was goed zoals het was, en zo zou het altijd blijven. Maar niets was minder waar. Op 11 oktober van det jaar zou in Rome het Tweede Vaticaans Concilie beginnen, waardoor het roomse geloof, waarin ik was opgegroeid, uiteindelijk op zijn grondvesten zou gaan wankelen.

Maar nu heerste er alom nog een sfeer van hoop en verwachting. Het waren de zoete dagen voor de revolutie. Prima della rivoluzione. De stilte voor de storm. Het katholicisme stond aan de vooravond een radicale verandering, een doorbraak naar de moderne tijd, een reformatie of hoe je het ook noemen wilde. Alleen profetische geesten konden vermoeden dat er iets anders gaande was. Er liep een tijdperk op zijn eind. De harmonie, die er van oudsher leek te bestaan, was opeens te mooi om waar te zijn. In mijn eigen leven brak eindelijk de puberteit door. Ik was wat je noemt late maturing. Laat rijp, laat wijs. Hoe dan ook, ik begon het vermogen te verliezen om de dingen te zien zoals ze niet zijn. Weldra ging het stormen op de levenszee.

Maar we gingen op weg voor een lange reis door Frankrijk, van camping naar camping. Voor een verblijf op een camping municipal werd doorgaans maar één nacht uitgetrokken. Het aangename diende ook in de zomer met het nuttige te worden verenigd. Er was immers altijd nog meer te zien: Romaanse kloosters, Romeinse aquaducten, prehistorische grotschilderingen. Uiteindelijk belandden we in Lourdes. Het leek of de tijd hier was stil blijven staan. Normaal geeft dat een aangenaam gevoel, alsof er nog dingen zijn in de wereld die overleven in de maalstroom van de moderne tijd. Maar in Lourdes was dat niet het geval. Hier had die stilstand voor mij iets beklemmends.

Deze grot, waarin ooit de Heilige Maagd verschenen was, leek wel een luchtzak in de tijd. Alsof de menigte, die ‘s avonds de Mariaprocessie liep, niet uit mensen bestond maar uit zombies. Ze doolden hier rond als levende doden. Ze zongen het Ave Maria in alle talen van de wereld en bij elk refrein staken zij een brandende kaars, die tegen de wind was afgedekt met een soort papieren lantaarn, allemaal tegelijk in de lucht. Dat alles ter ere van de Moeder van God, wier verlichte beeltenis als een oergodin uit prehistorische tijden werd rondgedragen over de Esplanade. In die zomer van 1962 raakte ik als jongen diep onder de indruk van dit sacrale gebeuren.

Route van de Lourdes-reis in 1962

Het katholicisme was tot midden jaren zestig dominant in Nederland aanwezig. Het bestond niet zozeer uit een algemeen gedeeld vertoog, maar zoals door Peter van Rooden in een studie over het verdwijnen van het katholicisme in de jaren zestig is beweerd: ‘in de vorm van verschillende complexen van bijzondere rituelen, gebruiken en regels’. Anders gezegd;  de radicale secularisering van de jaren zestig werd vooral gekenmerkt door een plotseling verdwijnen van het ritueel. Van Rooden herkent in de jaren zestig een proces dat zich in de tijd van de Romantiek al op het terrein van de kunst en wijsbegeerte had aangediend. ‘Het moderne zelf’ (een term van de filosoof Charles Taylor) werd nu opeens gemeen goed. Het moderne humanisme internaliseerde een stelsel van waarden dat voorheen alleen extern gefundeerd was. De nieuwe seculiere cultuur, die zo – ogenschijnlijk plotseling – ontstond, werd bepaald door een complex van romantische waarden als authenticiteit, expressiviteit en reflexiviteit.

Plakboek Lourdes-reis, zomer 1962

Deze interpretatie van de jaren zestig als de popularisering van ‘het expressieve en authentieke zelf’ verklaart ook wat er sindsdien met het christendom in Nederland is gebeurd. Vooral het katholicisme kon de aansluiting met deze nieuwe romantische waarden niet meer vinden, omdat na het Tweede Vaticaanse Concilie het traditionele arsenaal van rituelen als sneeuw voor de zon was verdwenen. De ‘nieuwe liturgie’ bracht dan ook de doodsteek aan het katholicisme in Nederland. Het bijzondere in deze redenering is dat het ritueel centraal wordt gesteld in de religie en niet het persoonlijk geloof.

De ontritualsering van de religie  was bepalend in het proces van secularisering. En het ritueel verdween in the sixties niet alleen uit de religie, maar ook uit de samenleving als geheel. Daarmee komt de secularisatie-these, die stelt dat secularisering en modernisering gelijk op gaan op losse schroeven staan. Het is niet het moderne wereldbeeld dat het persoonlijk geloof onmogelijk maakt, maar de teloorgang van het ritueel die de religie uiteindelijk doet verdwijnen. Heimwee naar religie is dus heimwee naar het ritueel.

Ik ben het maar ten dele eens met de analyse van Peter van Rooden. Het ‘vreemde verdwijnen’ van het christendom (met name het katholicisme) in het Nederland van de jaren zestig werd volgens mij primair veroorzaakt door een theologische crisis. Die crisis is ook al in de jaren zestig zelf uit en te na beschreven, bijvoorbeeld in Van de Pol, Het einde van het conventionele christendom (1967). Door deze theologische crisis viel de sacrale onderbouwing (de transcendentie) weg onder de rituele en sociale aspecten van het katholicisme. God was niet langer een God ‘up there’. Maar wat was die God dan wel? Een God zonder hoofdletter? Maar dat is geen God die een wereldbeeld kan dragen.

Het theologisch conflict, dat in de jaren zestig werd uitgevochten, had meerdere antecedenten, die in eerste instantie teruggingen tot in de negentiende eeuw. Het was ooit begonnen als een strijd van ultramontanen en integralisten tegen nieuwlichters en modernisten, een honderdjarige oorlog die in de katholieke kerk nog één keer oplaaide, als een slotakkoord van alle moderniseringsgolven, die een eeuw lang vergeefs hadden gebeukt tegen het onneembare bolwerk van het Rijke Roomse Leven. Die strijd ging om de aanvaarding van de moderne wereld of de verwerping daarvan.

Al in 1864 had Paus Pius IX in zijn Syllabus errrorum in encycliek Quanta Cura het liberalisme en alle dwalingen van de moderne wereld verworpen. De vooruitgang die de techniek te bieden had, kon nooit verhelen dat de mens van nature niet goed is. Die harde waarheid van de katholiek geloofsleer werd steeds meer onverteerbaar, naarmate de techniek en de vooruitgang meer utopische perspectieven boden. En dat laatste was een eeuw later, in de jaren zestig van de vorige eeuw, in hoge mate het geval. De maatschappij werd maakbaar. Sterker nog, de mens zelf werd maakbaar, en daarmee kwam Gods Koninkrijk in zicht, niet alleen aan de horizon van de evolutie, maar zelfs in het hier en nu.

Maar de ware aard van dit theologisch conflict lag nog dieper, in de kern van de katholieke geloofsleer zelf, zoals die in de laat-klassieke tijd door kerkvaders was geformuleerd in hun strijd tegen de manicheeërs, de gnostici en de neoplatonici. In wezen ging het theologisch conflict van de jaren zestig om de aard van de goddelijke waarheid. Komt die van boven, van buiten de wereld, of is de waarheid van God – als een goddelijke vonk – in de ziel van de mens, en als een afschaduwing van hemelse schoonheid in de hele schepping terug te vinden? Anders gezegd: is het goddelijke transcendent of immanent? Nauw verweven met dat dilemma is de vraag naar de aard en de herkomst van het kwaad.

Wie God in de wereld zelf gaat zoeken, ziet zich al snel geplaatst voor de verleiding van een totaliteitsbesef, waarin de finale opposities tussen goed en kwaad, het rationele en het irrationele, stilaan vervagen. Zelfs de grens tussen zin en waanzin valt dan vroeg of laat weg. God openbaart zich dan in de duisternis van de afgrond, in de schaduwzijde van de menselijke geest, in het onbewuste, de droom, het orakel en de waan. Wie zich al te ver verwijdert van het theologisch firmament van Augustinus en Thomas van Aquino – omdat het licht hem daar te helder is – komt uit bij de Romantiek, en weldra bij de Zwarte Romantiek van seks, dood en duivel. Met het verval van de hemel begint de droom van de rede, een droom die niet alleen de huiveringwekkende en fascinerende gestalte van een nieuw soort schoonheid, maar niet zelden ook de monsters van verbijstering en doodsangst voortbrengt.

Van oudsher zocht men in het katholicisme niet een uitweg voor de ratio in het irrationele, maar een verzoening van de ratio mèt het irrationele. Religie was dan ook geen vlucht in de zingeving, maar eerder het tegendeel: de erkenning juist van de zinloosheid, de vergeefsheid, de onherroepelijke ontoereikendheid van het bestaan en de menselijke liefde, en uiteindelijk ook het vermoeden dat eenzelfde machteloosheid eigen zou zijn aan God, de Schepper, de Verlosser af wat je verder ook onder die woorden verstaan kon. Juist in de erkenning van die ultieme anomalie lag de verlossing besloten. Die ultieme twijfel had God zelf aan het kruis gehad, toen hij zich door God verlaten voelde. Zoals ook het leven van elk mens een kruisweg was, verlaten en eenzaam. Op weg naar het einde, op weg naar de dood. Een zinloze weg, die pas zin krijgt als je de moed hebt om de zinloosheid ervan te erkennen.

De ervaring van die ultieme anomalie, die zijn keerzijde had in een romantisch totaliteitsbesef, was van oudsher misschien het meest eigene van het katholicisme. Maar juist die laatste restanten van het premoderne katholicisme verdwenen in Nederland weldra in een razendsnel tempo.  In de tweede helft van de jaren zestig werd er opeens over van alles en nog wat in het openbaar gediscussieerd: over Vietnam, de democratisering, de seksualiteit en over de dood van God. Zelfs de toekomst van de rooms-katholieke Kerk werd onderwerp van een brede maatschappelijke discussie in het zogeheten Pastoraal Concilie, waarin de uitkomsten van Het Tweede Vaticaanse Concilie geïmplementeerd dienden te worden in de gemeenschap van de gelovigen. Maar die gemeenschap viel al pratend uit elkaar. Hoe meer er over Gods dood werd gesproken, hoe minder er nog in zijn bestaan werd geloofd.

Waren de resultaten van het Tweede Vaticaans Concilie nu als ‘modern’ op te vatten, of waren zij eerder het product van een ontspoorde moderniteit? Die kwestie zou in de tweede helft van de jaren zestig uitgroeien tot een fel debat onder progressieve en behoudende katholieken. De termen ‘modern’ en ‘anti-modern’ leken voortdurend van plaats te wisselen in deze draaikolk van vernieuwing. Er heerste een wonderlijk idee dat de richting van dit proces was voorbestemd, ondanks de schijn van een chaotische verandering in het heden.

Men was letterlijk op weg naar het einde. De voortgang had immers een eindpunt, op weg naar ‘het punt Omega’ van de Jezuïet Teilhard de Chardin, wiens teleologisch denken zelfs is terug te vinden in de tekst van De Nieuwe Katechismus die in 1968 zou verschijnen. In deze nieuwe samenvatting van de katholieke geloofsleer leek de geest van de jaren zestig kort en bondig te zijn samengevat.

In de radicale vlucht vooruit van deze Nieuwe Katechismus diende ook letterlijk het begin van het einde zich aan, omdat de teloorgang van het katholicisme juist in deze stroomversnelling voor het eerst zichtbaar werd. Wat voor de een utopisch vergezicht leek, was voor de ander een doembeeld van verloedering. Dit verwarrende stuivertje wisselen van etiketten – tussen modern en antimodern, progressief en conservatief, teleologisch en chaotisch – is achteraf bezien kenmerkend geweest voor het ongrijpbare karakter van de culturele omwenteling in die jaren.

Op onnavolgbare wijze wist het katholicisme de zachte ratio van het gevoel te verbinden met de harde ratio van het verstand. En het ritueel deed het wonder telkens weer gebeuren in het hier en nu. De Rooms-Katholieke Kerk representeerde ooit in talloze gedaanten en gradaties de mensgeworden Christus en had bovendien voor vrijwel elk geloofsartikel ook het tegendeel in huis. De zwaarte van erfzonde en Laatste Oordeel werd verzacht door genade en altijd durende bijstand van een oermoeder die zelf ook de representatie was van een contradictio in terminis. Als aardse moeder van vlees en bloed was zij  immers tegelijkertijd de Heilige Maagd die onbelast was door welke zonde dan ook.

Let wel dit is geen ironie maar een tegenstrijdigheid die het fundament vormde van een geloof dat twintig eeuwen kon standhouden. Altijd weer was er sprake van een alles overstijgende transcendentie die vloekte met elke vorm van seculiere logica. Kom daar vandaag nog eens om. Wij hebben geen enkele irrationele waarheid meer in de aanbieding die het waard is om voor te sterven. Daarom wordt zelfs de dood op afroep beschikbaar gesteld en verdwijnen pijn en lijden voorgoed uit het leven.   

Reageer

Fakin’ it

Pardon mijnheer, mag ik misschien even storen? Ach let u niet op die gorilla van een barkeeper naast mij; hij is ongevaarlijk en spreekt alleen Frans. Wat mijzelf betreft, ik ben Jean-Baptiste Clamous, ‘un élève pénitent’. Wat dat betekent, begrijpt u straks wel. Ik stam uit een goed en burgerlijk Frans gezin. Over mijn ouders kan ik kort zijn: beiden stierven toen ik nog nauwelijks uit de wieg was. Mijn vader was, meen ik, postbode, en van mijn moeder weet ik alleen nog, dat ze altijd op vrijdag mijn luiers waste.

Wat zegt u? Ja, inderdaad, mijn observatievermogen was al vroeg ontwikkeld. Interessanter is overigens die lange rij van maar liefst twaalf zusters van me, die allemaal zo’n beetje aan ‘sociologie’ doen, en het altijd hebben over ‘casework’ en ‘gesprekstechniek’, terwijl ze zich daarbij voortdurend ‘Freudiaans vergissen’. In dit boeiende gezelschap heeft zich tot nu toe slechts één zwager kunnen vestigen. Hij is al over de zestig, en heeft van zijn iets te lange vrijgezellentijd waarschijnlijk een vreemde kronkel in de hersenen overgehouden. In ieder geval, in sociale termen gesproken (overigens, hij is liftboy in een groot bejaardenhuis) een interessant ’studie-object’.

En dan tot slot, aan de stam van deze weelderige cipres, ikzelf. Als een volmaakte paradox met dat sociaal wapengekletter, ben ik een pacifistisch egoïst. Vroeger was ik heel anders, in die jaren toenik met Pasen en Kerstmis atijd een flink pakje ‘kaarten’ van school meesleepte; thans gebruik ik ze als toiletpapier. Toen was ik ook altijd bereid het lerarenkorps met hun lespreparatie te helpen; thans vertik ik het, om ze ook maar enige vorm van bijles te geven. Nee, wat mijn teveel aan intelligentie betreft, dat weet ik nu gelukkig te compenseren met een gepaste dosis onverschilligheid. In zoverre ben ik erop vooruitgegaan. Toch ben ik geen nihilist geworden; ik kijk nog altijd met even veel ontroering naar een schilderij van Chagall, of naar een symmetrisch bewijs van de vierde wet van Newton.

Wat zegt U? Wat er dan precies gebeurd is? Wel, dat is een lang verhaal, maar laat ik eerst dit zeggen, u kunt misschien alles wat ik vertel een onbenullige geschiedenis vinden; misschien zelfs ziet u me aan voor een geblaseerd, binnenstebuiten gekeerd scribent, bij wie het helaas iets te hoog in de bol is geslagen. Het tegendeel is echter waar. Immers, het zelfrespect is een hachelijke zaak: iets te veel, en je bent onuitstaanbaar voor een ander; iets te weinig: onuitstaanbaar voor jezelf. Dit laatste is maar al te vaak op mij van toepassing. Ik sta soms voor een diepe afgrond; ‘la chute’ moet nog komen, maar ze is onvermijdelijk. De ene schanddaad volgt de andere op, en ik voel er zelfs een sadistisch genoegen bij.

Maar wat zegt U? Wat voor schanddaden? Wel, als u dat interesseert, ik kan u zeggen, dat ik reeds twintig jaar het lijk van Hitler in mijn badkuip heb liggen. Het is een relikwie van mijn idealistisch verleden. Thans echter ben ik in Canada beter bekend als ‘de wurger van Boston’, maar nu hoop ik, dat u niet van de politie bent. Misschien vraagt u zich af wat zulke boetvaardige confessies voor mijzelf betekenen. Wel, ik heb ze me opgelegd als penitentie, een boetedoening niet voor mijn misdaden, maar voor u. U mijnheer, ik ken u niet, maar u bent in feite dezelfde als ik. Ik hoop, dat u na deze ’geestelijke striptease’ van een verdoold exhibitionist mijn zelfportret zult zien als een spiegel, waar u hard doorheen zult ‘vallen’, alsof het een mand was.

Maar trekt u het zich niet zo aan. Ikzelf ben het ook niet altijd met deze woorden eens. U zou het zo niet zeggen, maar ik hou werkelijk niet van mensen, die zichzelf voortdurend identificeren met de navel van de wereld, en die in hun jeugd altijd een aanleiding zien tot een drama of een voorwendsel voor leegloperij. Dat is nu juist de innerlijke gespletenheid die voortkomt uit mijn zelfkennis. ‘C’est tout monsieur, c’est absurde’. Maar kom, doe maar net of u niets gehoord heeft. Neem nog een borrel. Nee heus, die gorilla bijt niet. En trouwens, al zou hij bijten, ’t is ook maar een mens. Gelukkig maar.

Hubert Cam(o)us

***

Dit verhaal verscheen in april 1965 in De Harpoen, schoolblad van het St. Ignatiuscollege van Amsterdam. Wat het woord ‘kaarten’ (3de alinea) betreft, nog het volgende. De jezuïeten hadden een systeem bedacht om de prestatiedrang van de leerlingen te bevorderen. Na elk trimester werd er voor elk vak een eerste en een tweede ‘kaart’ uitgereikt. Dat was een voorbedrukt stukje papier waarop in Latijn stond aangegeven, dat je in dat specifieke vak de beste was geweest. De eerste kaart was rood gedrukt. De tweede kaart zwart. Je naam werd er in fraaie letters op geschreven. Aan het eind van het schooljaar werd de beste van elke klas naar voren geroepen tijdens een plechtige bijeenkomst van alle ignatianen in de aula.

In het voorlaatste jaar op het IG had ik opeens maling aan die moordende prestatiecultuur van de jezuïeten. Mijn verhaal De val was een parodie op de roman La chute van Albert Camus. Ik onthulde voor mijn schoolgenoten mijn plotselinge, bevrijdende inzicht. Ik weet niet of de paters het echt konden waarderen wat ik allemaal beweerde, maar dit was mijn coming out.

Wat mij nu opvalt is de geborneerde toon in mijn woorden. Achteraf bezien is dat misschien ook niet zo vreemd als je tot de ontdekking bent gekomen dat je belazerd wordt, maar je weet niet precies hoe. Opeens had ik schijt aan alles. Ik had het helemaal gehad met die jezuïeten die niet eens zelf meer geloofden in wat ze ons wilden bijbrengen. Het was een potsierlijke komedie geworden, doen alsof, fakin’ it….  In dat opzicht was dit verhaal voor mijn leermeesters wellicht een koekje van eigen deeg.

Maar de spiegel, die ik ze voorhield, liet natuurlijk ook mijn eigen spiegelbeeld zien. Je kunt je zelfs afvragen of deze woorden ook nu nog iets van mijzelf laten zien. Provoceren is mij nog steeds niet vreemd, om over een zekere arrogantie maar te zwijgen. Maar ‘doen alsof’? Ik weet het niet. En toch, misschien is dit weblog wel de laatste maskerade die ik in mijn leven verzonnen heb. Hoe vaak heb ik niet overwogen om hiermee nu eens eindelijk te stoppen. Maar altijd weer ging ik door. Zoals vandaag en wellicht ook morgen en overmorgen…

In mijn laatste jaren op het Ignatiuscollege ging de elitecultuur die ons werd onderwezen zienderogen ten onder in een zich snel verspreidende massa- en jeugdcultuur. Het ontbindingsproces, dat daarmee gepaard ging, liep gelijk op met een razendsnel proces van secularisering, waar juist dit bolwerk van de jezuïeten, dat was opgetrokken als een vrome knapen-bunker die nog eeuwen mee kon, als eerste aan ten prooi viel. Ik weet nog goed dat ik in de vijfde klas uit de mond van een jezuïet voor het eerst het woord ‘secularisering’ hoorde. Dit woord klonk bijna als ‘betonrot’.

Het gevolg was een knagend gevoel van twijfel dat weldra omsloeg in een heftige zelfhaat die zelfs de vorm kon aannemen van zelfbespotting. Pas toen het te laat was om te beseffen dat ik aan het verkeerde front was beland, bracht deze ondergangsstemming bij mij een misplaatst gevoel van luciditeit en geestelijk overwicht teweeg. En zo formuleerde ik mijn opstandige zinnen, koel en afstandelijk en toch ook met een quasi vleugje esprit.

Als ik het verhaal nu herlees, moet ik tot mijn schande bekennen, dat één zin berust op plagiaat: ‘….ik hou werkelijk niet van mensen, die zichzelf voortdurend identificeren met de navel van de wereld, en die in hun jeugd altijd een aanleiding zien tot een drama of een voorwendsel voor leegloperij.’ Deze woorden waren niet van mijzelf, maar zijn afkomstig uit Telemachus in het dorp, van Marnix Gijsen.

Die bron van mijn plagiaat is niet zo vreemd. Dit boek had mij voor het eerst de verwevenheid laten zien tussen katholicisme en seksualiteit. Of beter gezegd: de typisch roomse osmose tussen milde ironie en castrerend fatalisme, die structurele verandering van het innerlijk die zich aandient zodra het geloof uit een leven wegvalt. Dit boek van Marnix Gijsen gaat niet over de crash van het katholicisme, maar over de zachte dood die daar langzaam aan voorafgaat en die zich lange tijd kan verhullen in een hardnekkig ‘doen alsof’.

Reageer

Het ritme van de eigenzinnigheid

‘Beter een goede leraar dan een slecht hoogleraar’, zo wordt wel eens beweerd. Ik heb het voorrecht gehad om onderwezen te worden door leraren voor wie de overdracht van kennis en vaardigheden bij uitstek in het persoonlijk contact tussen leraar en leerling zijn beslag kon krijgen. Kom daar vandaag nog maar eens om. Tegenwoordig wordt er op school geen kennis meer overgedragen. In plaats daarvan worden er met de leerlingen trajecten afgesproken, waarlangs zij zelf – individueel of in een groep – kennis en vaardigheden kunnen verwerven. Competenties heet dat tegenwoordig, want kennis is een ouderwets woord geworden, een woord uit een vervlogen tijd.

Bovenstaande klassenfoto kreeg ik gisteren toegestuurd van een van mijn klasgenoten uit de tijd van het Ignatiuscollege. Het is de derde klas, schooljaar 1962-1963. Ik moest even zaken waar ik zat, want ik zag mezelf eerst over het hoofd. Ik had deze foto nooit eerder gezien en het is vreemd om jezelf daar zo te zien zitten. Net als op de klassenfoto twee jaar daarvoor (zie hier) ben ik de enige die een stropdas draagt. Wel had ik hier een bril. Die had ik twee jaar daarvoor nog niet.

Ik zit op de bank in het midden, met links van mij, zittend Michel de Lange met om zijn nek de schooldas van het IG, en rechts van mij op zijn hurken Jaap de Hoop Scheffer. En verder, zittend rechts van mij achtereenvolgens: Philibert Kindt, Arnold Reuser, Michel van Overbeek, Wim Jordans en Leo Reuser. Verder staande van links naar rechts: Christiaan Verwer, Pieter Haverman, Nard Loonen, Leonard van Oudheusden, Hugo van den Hombergh, George Maissand, Hans Kraan, Co Oud, Carlo Knüppe en Co Oud. Hans Kraan en Co Oud zijn inmiddels overleden.

De pater die ons vergezelt is de o zo progressieve Pater Verheijden SJ, die ons tijdens zijn onderricht in de godsdienst verhalen vertelde over de films van James Dean en zo verbanden wist te leggen tussen puberteit, opstandigheid en seksuele verlangens waarbij hij zelfs het woord ‘masturbatie’ liet vallen. Orde houden kon hij niet, maar die ene keer wist hij ons te boeien.

Ik kreeg ook nog een reeks foto’s toegestuurd van leraren op het Ignatiuscollege. Ik laat ze vandaag op mijn blog allemaal zien. Het wonderlijke van deze stoet pedagogen is de eigenzinnigheid, die zij zich veroorloofden en de ruimte die daar kennelijk van hogerhand voor geboden werd. Van wie als leraar werd aangesteld op het Ignatiuscollege – ongeacht of hij belast was de beloften van trouw aan de Societas Jesu – werd geacht dat hij toch vooral niet gewoon zou zijn, en als het enigszins kon de meest ongebruikelijke lesmethoden niet zou schuwen.

Dat die lesmethoden ook kwalijke kanten konden hebben, deed in in feite niet terzake. Als de intentie maar goed was. Het motto van de jezuïeten luidde niet voor niets: Ad majorem Dei gloriam (‘Tot meerdere eer van God’), vaak afgekort tot ‘AMDG’. Deze woorden wilden de grondgedachte van Ignatius van Loyola uitdrukken, dat elke methode die niet intrinsiek slecht is, voor God verdienstelijk kan zijn, als hij maar met die bedoeling wordt gehanteerd. Als alles gericht bleef op het hogere, kon een beetje kwaad geen kwaad.

Pater Wiewel SJ, leraar natuurkunde

Mijnheer Wagenaar, leraar geschiedenis
Pater Verheijden SJ, godsdienstleraar
Mijnheer Bos, leraar klassieke talen
Mijnheer Slijpen (links), leraar Nederlands en Pater Mercx SJ, rector

Deze leraren onderwezen ons in het Grieks en het Latijn, in de godsdienst, de taal en de wiskunde, maar ook in de ritmes in de tijd en in de ruimte, de getallenreeks van Fibonacci en al de pulserende ritmes die niet alleen in de natuur, maar ook in de muziek zijn terug te vinden. Misschien is het hele universum niets anders dan een voortdurend wisselende ritmiek in een eindeloze uitgestrektheid van vibrerende snaren.

Dat vermoeden had de oude Griek Pythagoras al, maar die gedachte zweeft ook in de hersenspinsels waarmee de hedendaagse natuurkundigen de krachten in het universum en het atoom op het allerkleinste en het allergrootste niveau met elkaar weten te verbinden. Alles is ritme, de muziek maar ook het worden van de natuur zelf: ritme en tegenritme, melodisch en harmonisch variërend in de wisselingen van getalsverhoudingen en proporties. Het gaat niet zozeer om ‘het verbeelde’, of ‘het betekende’ of iets dat als een voorstelling oprijst in ons bewustzijn, maar om de ritmiek op zichzelf, waarin het bewustzijn zich als een geestelijk universum in de wereld ontvouwt.

Met die ritmes zijn ook mijn herinneringen aan mijn Ignatiusjaren verweven. Alles hield met alles samen, dat was het enige dat al die eigenzinnige leraren uiteindelijk met elkaar gemeen hadden. Het was het ritme van de eigenzinnigheid die leidt tot de wijsheid van het leven. Heel het leven bestaat immers uit ritmes en het gevoel daarvoor zit diep in jezelf, in dit ritme van de verwondering. Je kunt het ontwikkelen door te oefenen, maar daar heb je wel een goeie leraar voor nodig en die worden helaas steeds zeldzamer tegenwoordig.

In onze tijd van gedegenereerd postmodernisme, waarin alles al gauw herleid wordt tot een ‘sociale constructie’ of een ‘narratief’, is het verleidelijk om ‘het narratief’ van het onderwijs aan het Ignatiuscollege te benoemen als een verlaat beschavingsoffensief. En toch, in zekere zin, was dat zo. Hoe vaak heb ik een jezuïet ons niet horen vertellen, dat wij, leergierige jongelingen die voornamelijk afkomstig waren uit de Amsterdamse middenklasse of de hogere regionen van het proletariaat, een ‘opkomende klasse’ zouden vormen in dienst van de verspreiding van het geloof. Het is alleen jammer dat veel van deze geloofsopvoeders hun soutane al in de wilgen hadden gehangen voordat de schoolbel voor ons voor het laatst had geluid. In al dat elitaire optimisme over een opkomende klasse, steeg ook een geur op van naderend verval. There was something rotten in the Societas Jesu.

Reageer

De ondergang van Rooms Nederland

De geur, waarmee de kruik doordrenkt wordt als hij nieuw is, bewaart hij het langst.’  Wie zei dat ook al weer? Horatius? Marcus Aurelius? Ach wat doet het ertoe? De Romeinse auguren keken naar de vogels, hoe ze vlogen, waar ze vandaan kwamen en waarheen ze verdwenen aan de horizon. Als de adelaar verscheen was dat een gunstig voorteken. Vogels vliegen weg in de toekomst maar ze komen uit het verleden. Ze zijn als onze herinneringen: de wegwijzers in het leven.

Onze jaren op het Ignatiuscollege waren de nadagen van het Rijke Roomse Leven. In zijn boek Het geluk van de brug droomt Kees Fens van een grote luchtballon die boven Amsterdam hangt en wegdrijft. In de mand van die luchtballon zouden alle religieuzen gezeten hebben. Het waren zijn opvoeders op weg naar het hiernamaals. ‘God heeft heel wat huizen in Amsterdam achtergelaten,’ schrijft hij. Hora ruit, tempus fluit. Het uur smelt heen, de tijd vloeit weg. Toen ik op het Ignatius kwam in 1960, was alles nog hetzelfde als voor de oorlog. Toen ik zeven jaar later wegging, was de wereld voorgoed veranderd. De tijden waren veranderd. Maar de tijd zelf, waar bleef de tijd?

Het wordt hoog tijd voor een boek waarin de geschiedenis van het Ignatiuscollege opnieuw beschreven wordt. Beter dan in Een Eeuw IG. Jos Heitmann is al aardig op weg met het verzamelen van informatie en ook op de website van Nard Loonen heeft zich inmiddels een behoorlijk IG-archief geformeerd. Daarnaast zijn er de laatste jaren biografieën verschenen van mensen die op het IG ‘gevormd’ zijn, zoals dat heet. Ik doel op de biografie van Huub Oosterhuis De paus van Amsterdam en van Kees Fens Een versnipperd bestaan. Eerder al schreef Wim Zaal over zijn schooltijd op het IG. En nog onlangs ontdekte ik dat ook Bertus Aafjes over zij IG-jaren geschreven heeft.

Kortom, het wordt tijd om dat alles samen te voegen in de het ultieme boek over het Ignatiuscollege, the place to be om katholiek Nederland van de twintigste eeuw tot in zijn voegen te doorgronden. Hoe zat het met IG-herinneringen van Antoine Bodar, Bernard Delfgauw, Henry Heineken, Guus Hermes, Fons Janssen, Jacques Klöters, Ton Lutz, Joseph Luns, Ivo Niehe. Ton Regtien, Huib Schreurs, Charles Schwietert, Piet Steenkamp, Henk Terlingen, Edo de Waart, Gerard van Westerloo en Bernard Wientjes, om maar een paar dwarsstraten te noemen die vermeld staan op het lemma van het Ignatiuscollege dat te lezen staat op Wikipedia (zie: hier). Om nog maar te zwijgen over de IG-herinneringen van onze klasgenoot Jaap de Hoop Scheffer. Daar horen we nooit wat over.

Maar… daar komt verandering in. Op een van mijn brieven aan mijn klasgenoten ontvingen wij een uitvoerig teken van leven van onze kleine Jaap ( want zo herinner ik mij hem uit mijn Ignatiusjaren). Jaap is bezig met een een autobiografie, waarin ook zijn IG-tijd aan de orde zal komen. Er werd door Jaap zelfs even iets recht gezet. Ik zou beweerd hebben dat hij als jongen niet kon tennissen. Nu kan ik me niet herinneren dat ik dit ooit heb beweerd, maar na enig zoeken op mijn eigen blog kwam mij toch het schaamrood op de kaken. Ooit heb ik inderdaad – in een verhaal over een  gezamenlijk bezoek aan de film De kanonnen van Navarone (zie: hier)  letterlijk het volgende beweerd: ‘Tennissen kon hij ook niet. Hij kreeg die bal nauwelijks over het net.’ Vooral dat woordje ‘ook’ geeft te denken. Schande! Ik neem deze woorden terug.

Dat woordje ‘ook’ brengt mij overigens het volgende in herinnering. Pater Minderop SJ was een hoogbejaarde, en in pedagogisch opzicht beslist niet hoogbegaafde jezuïet die belast was met het wiskunde-onderwijs voor de eerste klassen van het IG. De wijze waarop Pater Minderop SJ de kleine Jaap keer op keer vanuit de eerste bank naar het bord liet komen en vervolgens voor een, toch niet al te complex, algebraïsch probleem klassikaal voor schut liet staan, had iets wreeds. Sterker, het was ronduit sadistisch en had ook nooit mogen gebeuren. 

Bij die gelegenheden werd ik steevast overvallen door een diep gevoel van mededogen voor het slachtoffer, temeer omdat Pater Minderop SJ daarna keer op keer het verhaal vertelde van de kleine Jaap, die zondags bij tante op de thee ging en daar te horen kreeg dat wiskunde helemaal niet zo belangrijk was voor het latere leven. ‘Ga jij maar lekker buiten met rode bal spelen, kleine Jaap!’, zou tante dan volgens Pater Minderop gezegd hebben. Als er nog zoiets als een hemel bestaat, dan zou Pater Minderop SJ daar eens moeten weten hoe de kleine Jaap uiteindelijk het gelijk van zijn ‘tante met de rode bal’ drie dubbel en dwars bewezen heeft. Zonder enig benul van wiskunde kun je het in het latere leven nog best ver schoppen in de wereld. Overigens zou het me niet verbazen als die ‘tante met de rode bal’ ook echt heeft bestaan en destijds hier in Leeuwarden woonde, de stad waar ik zelf sinds veertig jaar woonachtig ben. Enige jaren geleden kwam mij hier ter ore dat de moeder van Jaap de Hoop Scheffer uit Leeuwarden afkomstig was en aan de Emmakade heeft gewoond. 

Maar terug naar de geschiedschrijving van onze Ignatiusjaren. Het zou iets gênants hebben als onze nostalgie alleen blijft steken in een ademloze idealisering van die mooie jaren bij de jezuïeten. Mijn vertrekpunt is in ieder geval mijn verwondering over deze vreemde tijd die op zijn eind liep en waarin er ook iets grondig mis was. Ik merkte bij mijn klasgenoten uit de reacties op mijn brieven dat de meesten van ons het allemaal heel anders hebben beleefd en eigenlijk niet goed weten waar ik het over heb. En misschien dat ze dat ook helemaal niet willen weten, wat het allemaal nog vreemder maakt. Ooit heb ik met Hans Kraan overwogen om samen een boek te schrijven over onze Ignatius-tijd, waarbij wij ons zouden baseren op interviews met klasgenoten. We kwamen hierop naar aanleiding van het fraaie boek Moederkerk van Jos Palm, met als pakkende ondertitel: De ondergang van Rooms Nederland. Daarin schrijft hij over zijn tijd in de jaren zestig op het gymnasium van Tiel. 

Maar wat heeft het voor zin om zoiets nog eens over te doen. Als ik de nu reacties van onze klasgenoten lees, vrees ik dat een dergelijke onderneming weinig had opgeleverd. Laten we maar gewoon nostalgisch zijn en blijven. Zand erover. Wat geweest is, is geweest. En toch, we willen weten wat ze daar op het IG hebben beleefd. Hoe ongelukkig of gelukkig ze waren. Hoe ze te biecht gingen bij de paters. In het boek De paus van Amsterdam wordt beschreven hoe Van Kilsdonk en Oosterhuis met elkaar spraken over wie wel en wie niet mogelijk in aanmerking kwam om later jezuïet te kunnen worden. Als je in de biecht had bekend dat je veel masturbeerde, kon je het wat dat betreft wel schudden. Hoe Van Kilsdonk en Oosterhuis het delen van die informatie konden rijmen met het biechtgeheim, wordt verder niet vermeld.

Hans Kraan, die in 2019 overleed, werd in ons tweede jaar steevast uit de klas gestuurd, waarna hij zich bij de Pater Prefect moest melden. Vooral onze lerares Frans, tante Pollewop – haar ware naam is mij helaas ontschoten – die totaal geen orde kon houden, stuurde Hans nog al eens de klas uit. Toen dat op een dag weer gebeurde, presteerde Hans het om tergend langzaam de klas uit te lopen en vervolgens voor het weggaan zijn beurs uit de zak te halen en een stuiver in de hoed van de tante Pollewop te storten. Deze hoed legde zij altijd op de grond naast de deur. Tante Pollewop was overigens best wel een lieve vrouw. Ze was juist in die tijd druk in de weer met haar bejaarde moeder die zwaar ziek was en uiteindelijk op sterven lag. Op een keer, zo herinner ik mij, sprak zij de hoop uit dat wij ooit in ons leven de ware wijsheid deelachtig zouden worden. Dat was volgens haar de wijsheid van de Heilige Geest, en niet de wijsheid van de schoolboeken. 

Zo sprak Tante Pollewop haar eigen variant uit van de beroemde Latijnse leefregel die ons met enige regelmaat werd bijgebracht en te lezen stond in het Tirocinium Latinum, ons leerboek Latijn, de vierde en geheel herziene druk, dat in 1960 was uitgeven bij Paul Brand in Hilversum. In dat boek hebben wij destijds heel wat zitten zwoegen, maar Pater Bremer SJ wees ons telkens weer de weg tussen al die moeilijke vervoegingen in de singularis en de pluralis, de accusativus, genetivus, dativus en ablativus, om maar te zwijgen over de conjectivus plusquamperfectum. Die leefregel luidde: Non scolae, sed vitae discimus, pueri. 

Mijn leerboek Latijn uit de tijd van het IG

Van 1963 tot 1965 was het Ignatiuscollege ondergebracht in de voormalige Jacobusschool in de Banstraat in Oud Zuid. In de periode brak een nieuwe tijd aan. De Beatles kwamen naar Nederland en de eerste jongen met een Beatles-kapsel meldde zich op school. Ik kan me nog goed herinneren dat hij – Van der Poel was zijn naam, meen ik – achtervolgd werd door een meute verontwaardigde ignatianen met een schaar in de aanslag. Lang haar, dat kon toen nog niet. Zeker niet op zo’n keurige school als het IG. 

Op 16 maart 1965 gebeurde er iets merkwaardigs in de Banstraat. Al een tijdje stond daar een een verhuiswagen van de Firma Wed. Sauer uit Diemen. Hij was buiten gebruik en was langzaam in verval geraakt. Elke dag werd hij een stukje meer gesloopt van de carrosserie. Er raakte een wiel los en op een gegeven moment probeerden een groepje schoolgenoten of je de wagen ook kon laten wankelen. Dat lukte wonderwel, zodat hij bijna kantelde. Een verschrikte pater Mercx SJ heeft toen erger kunnen voorkomen door kordaat in te grijpen. De schuldigen werden zwaar gestraft. Van de spectaculaire verkrachting van ‘de oude weduwe’ tekende ik een cartoon in de Harpoen.

Ook herinner ik mij wat op 8 maart 1965 gebeurde met Der Zerbrochene Krug. Dat was de titel van een toneelstuk van Heinrich von Kleist dat op die dag in het Duits werd opgevoerd in het Congrescentrum van de Nieuwe RAI, waar wij van school uit naar toe moesten. De voorstelling werd georganiseerd door het WIKOR dat destijds toneelvoorstellingen van buitenlandse gezelschappen organiseerde, speciaal bestemd voor middelbare scholieren. Dit moet de laatste voorstelling zijn geweest, want hij liep volledig uit de hand. De zaal van opgeschoten jongeren werd baldadig, begon met spullen te gooien en te roepen. De acteurs kwamen er met hun stem niet meer bovenuit en toen de Duitse taal opeens heel zielig. Uiteindelijk werd het doek voortijdig neergelaten onder donderend applaus van de zaal. De jaren zestig waren voorgoed begonnen.

Voorts herinner ik mij dat twee dagen later, op 10 maart 1965 het huwelijk bekend werd gemaakt van Prinses Margriet en Pieter van Vollenhove. Pater Lorié SJ ging de volgende ochtend voor de klas staan en keek ons indringend aan. ’Als jullie die schele nog willen trouwen, dan moet je wel opschieten!’ riep hij luidkeels. Hij had gelijk. Prinses Marijke was de enige die nog over was. Alle andere prinsessen waren inmiddels aan de man. Voor zover ik weet heeft niemand uit onze klas nadien ooit een poging gewaagd om op deze wijze door te dringen tot het Koninklijk Huis. Jaap de Hoop Scheffer had misschien nog een kans kunnen maken. Maar voor ons, gewone stervelingen, was de laatste prinses een brug te ver. In zijn antwoord op mijn brieven liet Jaap overigens weten dat het verwerkingsproces nog gaande is.

Pater Jos Vrijburg was godsdienstleraar in mijn examenjaar (1966-1967). Hij gaf les op een wat ongebruikelijke manier. Zo herinner ik mij dat hij een keer bij de aanvang van de les het woord ‘God’ op het bord schreef. Iedereen mocht het woord noemen dat als eerste hij hem opkwam. Toen het bord bijna vol was, en ieder zijn zegje had gedaan, keek Vrijburg mij aan. Ik had mijn vinger nog niet opgestoken. Er was ook niets wat bij mij opkwam. Om toch aan zijn verzoek te voldoen noemde ik het woord ‘illusie’. Dat werd meteen opgeschreven en de hele verdere les draaide de discussie om dit ene woord dat opeens niet meer weg te denken leek. Het ene na het andere woord werd met de wisser weggeveegd. Alleen het mijne bleef staan: illusie. Ik had er niets eens zo over nagedacht. Het kwam zomaar in mij op, niet wetend dat ik het mijn leven lang zou blijven herinneren. 

De aardigste leraar op het IG was overigens een vrouw. Ze heette juffrouw Klap. Ik zie nog haar schoolbord voor me, volgeschreven met al die wonderlijke formules van DNA, RNA, aminozuren en ribosomen, een wereld van doormidden gescheurde wenteltrappetjes, die weer pasten op andere wenteltrappetjes en door boodschappers met geheime codes precies op de plek werden gebracht waar zij thuishoorden in die moleculaire bouwdoos die wij angstvallig ’mens’ blijven noemen.  Mevrouw Klap had een wonderlijke gave. Als zij de naam oplas van degene die voor het bord moest komen – noemde zijn altijd de naam van iemand die precies op die dag afwezig bleek te zijn. Elke keer weer, alsof zij het wist en toch niet kon weten, want ze had niet eens rondgekeken in de klas. Ze prikte zomaar een naam. Juffrouw Klap dus, ze had kennelijk nog weet van een oud vermogen dat schuil gaat in de mens: de sensus naturae. Ze zei eens zomaar op een dag:

’Jullie zullen het beleven, ze zullen mensen gaan maken uit moleculen. Maar wat er ook gebeurt, onthoudt wat ik nu zeg. Een mens is geen machine. We hebben een ziel. Wat ze ook doen, we hebben een ziel!’

Reageer