De ontdekking van de hemel

Reageer

Wat maakt een mens menselijk?

Enige tijd geleden besloot ik eindelijk eens te doen wat ik heel lang had uitgesteld, het lezen van het boek De mechanisering van het wereldbeeld van E.J. Dijksterhuis. Wie de moed heeft eraan te beginnen, doet er goed aan vaart te minderen. Het boek dwingt immers tot een ouderwets soort traagheid. Sterker nog, het verklaart ‘de wet van de traagheid’ en vooral ook hoe mensen dachten toen ze die wet nog niet kenden. Als je doorbijt worden je inspanningen ook ruimschoots beloond. Bladzijde voor bladzijde ontrolt zich dan voor je ogen – of om in de archaïsche taal van de auteur te spreken – ontrolt zich voor je ’geestesoog’ een weids panorama. Je krijgt te zien hoe ons denken sinds de Griekse natuurfilosofie eeuwenlang slechts langzaam vooruitgang boekte. Het lijkt wel een reeks van lange wandeletappes in de aanloop naar de grote bergen van de moderne tijd.

Aangekomen aan de voet van de zeventiende eeuw ziet de lezer hoe de kopmannen zich plotseling losmaken uit het peloton van knechten en waterdragers. Hoe pioniers als Huygens, Descartes, Boyle en Newton in de greep raken van een nieuwe manier van denken. Hoe zij zich ontdoen van eeuwenoude vooroordelen van religie en metafysica en hun gedachten voor het eerst adequaat weten te verbinden met eigen waarnemingen en proefondervindelijke ervaringen. Met andere woorden: zij kiezen de juiste versnelling, niet met tandje vierendertig de berg op, maar met een gestage pedaalslag gaan zij opeens steil omhoog, onontkoombaar en onomkeerbaar, als adelaars van het hooggebergte.

Dit gestage proces, dat Dijksterhuis ‘de mechanisering van het wereldbeeld’’ heeft genoemd, is adembenemend om van dichtbij mee te beleven, langs de steile berghellingen en smalle kronkelwegen die dit boek laat zien. Of beter gezegd, door het oog van de rijdende camera achterop de motor, want dat is het perspectief van de auteur. Hij neemt je letterlijk mee op weg naar een nieuwe wereld in dat grensgebied tussen magie en wetenschap. En toch, bijna ongemerkt is er ook iets vreemds aan de hand. Achteraf beschouwd, als de koninginnenrit van de gouden eeuw voorbij is, als de bergkoningen eenmaal binnen zijn en de tijd van de Verlichting voor ons ligt, is het hele gebeuren opeens zo vanzelfsprekend geworden, dat we niet meer weten hoe de wereld achter die steile berghellingen er ooit heeft uitgezien.

Het weidse uitzicht is achter de horizon verdwenen. Sterker nog, we hebben blijkbaar verdrongen wat niet meer in de kraam van ons moderne denken te pas komt. We weten dat Newton de leer van Aristoteles kende met haar strenge onderscheid tussen natuurlijke en gedwongen bewegingen, maar ook de leer van Plato, die de kosmos tot een levend wezen had gemaakt door het wereldlichaam met een wereldziel te begiftigen. Newton moet voor een tweesprong hebben gestaan, een gigantisch dilemma: God of de vooruitgang, het heelal is een mechanisch uurwerk of een door de Schepper bezield geheel. Of zoals Kepler het kort en bondig had verwoord: ‘Instar horlogii, instar divini animalis’. Of als een klok, of bezield door God.

In de in 1623 verschenen tweede editie van het boek Mysterium Cosmographicum van Kepler gebeurt volgens E.J. Dijksterhuis iets eigenaardigs. Kepler vatte het woord ‘anima’ (ziel) op als ‘vis’ (kracht). Daarmee werd een theologisch begrip omgesmeed tot een natuurkundig begrip. Kepler wilde het universum uiteindelijk zien als een ‘zielloos uurwerk’ en niet als een ‘door God bezield organisme’. 

Maar wat moeten we achteraf met die wetenschap? Newton koos immers voor de klok en de vooruitgang. Hij heeft God, de magie, de alchemie en die hele santenkraam van vroeger eeuwen tussen haakjes geplaatst. Dat wil zeggen: buiten de natuurwetenschap, buiten de wetenschap zelfs. Hij heeft ons de hoofdwetten van de mechanica geschonken en daarmee de moderne techniek. Wat overbleef was de melancholie van een verloren samenhang die honderd jaar eerder nog even kon oplichten in de laatmiddeleeuwse symboliek op die prent van Dürer. Een beeld, waarin een tijdperk verdwijnt in de loodzware blik van een engel die in de verte staart. Hij heeft een passer in de hand; een regenboog spant zich aan de horizon en boven zijn hoofd is een zandloper te zien, als beeld van een nieuw soort tijd, een tijd die voortaan exact meetbaar zou worden, overgeleverd aan het getal dat alleen nog op de achtergrond zichtbaar is in een magisch kwadraat van 16 cijfers, die opgeteld in alle richtingen dezelfde som opleveren en op het punt staan hun toverkracht voorgoed te verliezen.

Newton heeft ons zelfs dat laatste uitzicht van die melancholische engel ontnomen. De betovering is verdwenen toen de mechanisering van het wereldbeeld – vooral door zíjn bevindingen – pas goed op gang kwam. Hij heeft ons in slaap gesust, in die lange droomloze slaap van de zuivere rede die tegelijk een sluimering werd voor de ziel, een slaap waaruit kunstenaars en dichters ons nadien vergeefs probeerden wakker te schudden met hun hemelbestormende tirades en machteloos geprevel. En God? We weten maar al te goed hoe het hem is vergaan. Ook die lijkt verdwenen achter de horizon. Hij leeft alleen nog voort in een stoet van woorden die boekfabrikanten ons tot op de dag van vandaag aanprijzen, per pond, per kilo of per paperback. God is een slapende reus geworden, een gat in de markt, een leuk thema voor een essay.

We weten wat Newton dacht toen hij in zijn tuin een appel uit de boom zag vallen, maar ook dat hij in zijn bibliotheek een hele kast vol boeken had vol alchemistische wijsheden uit de middeleeuwen. Een klok of de ziel van God? Newton heeft met zijn hoofd voor het beeld van een uurwerk gekozen, maar in zijn hart bleef hij aarzelen, als was het een stil verlangen dat hij heimelijk voor zichzelf hield. Er moest immers meer tussen hemel en aarde zijn dan louter zwaartekracht. Hij kende al die obscure boeken. Hij wist dat nog slechts een paar eeuwen tevoren Willem van Auvergne naast de natuurwetenschap een vreemde vorm van magie had bedreven. Die Willem van Auvergne sprak in de dertiende eeuw nog over de sensus naturae, een natuurlijk vermogen tot waarnemen buiten de wetten van de natuurwetenschap om, het vermogen bijvoorbeeld dat iedereen vandaag de dag nog kent, maar waar niemand een verklaring voor heeft, dat je iemands nabijheid voelt in het donker, dat je ogen voelt priemen in je rug, dat iemand zich omdraait als je hem onbewust en toch aandachtig van achteren blijft aanstaren.

Dat soort dingen dus, maar ook iets dat sinds mensenheugenis bij soldaten en veldheren bekend was, maar waar wij in onze tijd van computergestuurde oorlogen geen weet meer van hebben: dat de gieren weten dat er een veldslag op komst is. Dat soort kennis zijn wij voorgoed vergeten. Naarmate de mechanisering van het wereldbeeld om zich heen greep is dat ‘verzonken kennis’ geworden. Ze ligt achter de bergen, achter de horizon. Ze leeft voort aan de rand van de wereld, in de smalle marges van ons gezond verstand, in de fantasie van het kind, in onze dromen en niet in de laatste plaats, in de kunst.

Soms lopen de dingen zoals ze lopen moeten, alsof ze ooit door een eerste beweger, die het grote uurwerk in gang zette, zijn voorbestemd om op één moment samen te komen. Op zo’n moment lijken alle tandwielen in het firmament feilloos in elkaar te grijpen, alsof de planeten een conjunctie aangaan die hoogst zelden voorkomt. Alsof de wereld- al is het maar even – klopt. Dat moment kwam ook niet plotseling, het sloop naar me toe, terwijl ik naar iets heel anders op zoek was. Bij het lezen van het boek van Dijksterhuis spookten twee verhalen door mijn hoofd, twee werelden, die ik maar niet bij elkaar kon brengen. Dat boek, die dikke pil moest eerst uit. Ik moest en zou de bergen nog over. Daarachter immers lag de sleutel, de missing link, de regenboog met aan het eind de pot met goud van de alchemisten. Ik was nog niet eens zover gevorderd, hooguit op pagina honderd, en ik had nog geen enkel weids panorama voor mijn geestesoog zien verschijnen.

Integendeel, ik worstelde mij door al die dichtbedrukte pagina’s vol droogstoppelproza en ongemakkelijke formules, die mij bij tijd en wijle uit het raam deden staren en alleen maar vage herinneringen opriepen aan verre schooljaren. Ik zag het schoolbord voor me waarop ik als kind de stelling van Pythagoras en de hefboomwet van Aristoteles voor het eerst had zien verschijnen, als akelige cryptogrammen, allesbehalve begiftigd met een wereldziel, laat staan ‘de ziel van God’. Het waren de jaren van formules en vervoegingen, van Rosa, Rosa, Rosae, Rosarum Rosis Rosis, maar ook van het Leerboek der Algebra van Dr. Th.G.D. Stoelinga en Dr. M.G.van der Tol, deel III in de tiende geheel herziene druk verschenen bij uitgeverij Tjeenk Willink in Zwolle in 1961.Terwijl ik mij zo voortsleepte door het proza van Dijksterhuis en uit alle macht probeerde mijn wegdromende gedachten bij de lijn van het betoog terug te brengen, begon ik bijna ongemerkt, misschien wel gedreven door en heimelijke drang om opnieuw te ontsnappen aan dit knekelveld van kale formules, krantenknipsels te verzamelen.

Berichten over Kunstmatige Intelligentie begonnen mij opeens hevig te interesseren. Wat maakt een mens menselijk? Is het het biologische aspect, het bewustzijn, of de capaciteit voor complex sociaal gedrag en emoties? Deze vragen raken de kern van wat het betekent om mens te zijn, en zijn cruciaal bij de vraag die oprijst aan de horizon: Zal KI ooit een mens kunnen maken? Er wordt tegenwoordig al onderzoek gedaan naar het repliceren van menselijke neurale netwerken en het gebruik van biotechnologie om zo kunstmatige organismen te creëren. Hoewel robots en androïden steeds geavanceerder worden, blijft het repliceren van de complexe samenhang van het menselijk lichaam en geest nog een toekomstdroom, maar hoe lang nog? 

Opnieuw zag ik dat schoolbord voor me, een jaar later slechts in het verleden, maar nu volgeschreven met al die wonderlijke formules van DNA, RNA, aminozuren en ribosomen, een wereld van doormidden gescheurde wenteltrapjes, die weer pasten op andere wenteltrapjes en door boodschappers met geheime codes precies op de plek werden gebracht waar zij thuishoorden, in die moleculaire bouwdoos die wij angstvallig ’mens’ blijven noemen. Ik zag die lerares weer voor me, wier naam mij maar niet meer te binnen wil schieten en die biologie gaf in klas 6B, in de herfst van 1965 – 12 jaar na de eerste ontdekking van de DNA dubbelhelix door Watson en Crick, op 7 maart 1953.

Die lerares dus, die ons als een lieftallige gids door het mausoleum van de moleculaire formules leidde en die altijd als eerste – als zij de naam oplas van degene die voor het bord moest komen – de naam noemde van iemand die precies op die dag afwezig bleek te zijn. Elke keer weer, alsof zij het wist, en toch niet kon weten, want ze had niet eens in het rond gekeken in de klas. Ze prikte zomaar een naam. Die lerares dus, wier naam ik helaas vergeten ben, had kennelijk nog weet van de sensus naturae. Op ene keer zei ze zomaar op een dag: ’Jullie zullen het beleven, ze zullen mensen gaan maken met machines. Maar wat er ook gebeurt, onthoudt wat ik nu zeg, een mens is geen machine. We hebben een ziel. Wat ze ook doen, we hebben een ziel.…’

Reageer

De psychotisering van het wereldbeeld

In de roman Archibald Strohalm kan de radicale breuk met de narratieve conventies symbolisch worden opgevat als een weergave van de psychotische toestand van de hoofdfiguur waarbij de scheidslijnen tussen realiteit en verbeelding vervagen en uiteindelijk geheel wegvallen. Het ‘doorbreken’ van de externe auteur in de tekst kan dan gezien worden als een weerspiegeling van de fragmentatie van de geest van het personage, waarbij de externe wereld en de innerlijke wereld van strohalm samenkomen en vermengd worden. 

Dit gegeven past ook goed in de context van de literaire en psychologische thema’s die Mulisch ook in zijn latere zijn werk is gaan verkennen. Bovendien heeft een dergelijk begrip van het verschijnsel ‘doorbraak’ in de tijd dat Mulisch dit boek schreef ook voor hem zelf een bijzondere betekenis gehad. Later, in zijn boek Voer voor psychologen (1956), sprak hij over deze periode als ‘de tijd van de dijkbreuken’: ‘De onderwereld brak los. De bovenwereld brak los, alles wat er is, brak los.’ Hij sprak ook over een ‘sterrenregen’ die hem aan de rand van de waanzin bracht. In die tijd ontwikkelde hij zijn diepzinnige inzichten ‘voorbij de aristotelische logica’, die hij in de jaren daarna fasegewijs zou uitwerken tot zijn allesomvattende wereldvisie in het boek De compositie van de wereld (1980). 

Het visioen van sterrenregen was nu definitief gesublimeerd in een objectieve gedaante. Het apocriefe van zijn eigen waanwereld was eindelijk een canonieke waarheid geworden. Maar ‘de sterrenregen’ als motief zou Mulisch blijven achtervolgen,  bijvoorbeeld in De ontdekking van de hemel (1992), waar de astronoom Max Delius plotseling een meteoriet op zijn hoofd krijgt als hij op het punt staat de hemel te ontdekken. Ook een psychose kan zo’n ontdekking zijn, als ware je best door een hemellichaam getroffen. Ook dan zwaait de hemel open, maar dan wel in de afgrond van je eigen brein. 

Overigens heeft Mulisch in zijn postuum verschenen Logboek (2012) waarin dagboeknotities zijn opgenomen die hij optekende tijdens het schrijven van De ontdekking van de hemel, dat de eerste notities voor deze roman al dateren van 7 september 1950, toen hij werkte aan het ongepubliceerde  Gratie voor de doden, dus nog voor het verschijnen van archibald strohalm later in het jaar 1950. Er loopt dus een ononderbroken lijn door het hele oeuvre van Mulisch, vanaf de spreekwoordelijke ‘de sterrenregen’ uit de tijd van zijn debuutroman,. 

Doorbreken, ontdekken, getroffen worden en vanzelf gaan. Telkens herhaalt zich deze structuur. Soms lijkt het of het in de romans van Mulisch alleen maar gaat over structuren en niet over de inhoud zelf. Of beter gezegd, de inhoud zelf wordt ook een structuur. En juist dat wordt telkens weer een beginpunt waar alles uit lijkt voort te komen, iets wat Vestdijk ooit ‘de glanzende kiemcel’ noemde: datgene in een verhaal dat alles als een in notendop samenvat en waar alles uit lijkt voort te vloeien. Het is de geheime motor van de fictie van Mulisch. Het leven van Mulisch is de bron van zijn fictie die op zijn beurt bepalend wordt voor zijn levensloop. In Mijn getijdenboek (1985) schreef Mulisch het volgende : ‘Ik beschouw mijn levensloop als een bron van inzicht, een fons vitae, en zo zou iedereen tegenover zijn verleden moeten staan.’  

In De ontdekking van de hemel (1992) komt aan het licht dat er iets grondig misgegaan met de menselijke beschaving. De techniek leidt uiteindelijk tot vernietiging en ondergang, tot Auschwitz en Hiroshima, maar ook letterlijk tot ‘de ontdekking van de hemel’. Dat is de hemel die aan een mens verschijnt als het ultieme verdwijnpunt en tegelijk ook als ‘verschijnpunt’ van de bovennatuurlijke hemel wordt waargenomen. Die waarneming wordt gedaan met de uiterst gevoelige sterrenwacht van Westerbork, dat voorheen de opstapplaats was op weg naar de vernietigingskampen. Op pagina 676 volgt een passage waarin het in het complexe verhaal van dit boek in essentie om draait. In een van de zogeheten ‘gesprekken vanuit de hemel’ wordt het volgende gezegd: 

Tegenwoordig gebeurt het ook wel met maaidorsmachines. Dat zijn gevaartes van soms zeven meter breed, met zescilinder dieselmotoren, die als voorwereldlijke sprinkhanen over de akkers kruipen. Aan de voorkant van die combines worden de halmen opgevreten, waarna in de draaiende dorstrommel de korrels worden losgeschud; vervolgens scheidt een compressor het kaf van het koren met perslucht. Op die manier gaat het ook heel goed. Daar zeg je het. Maar het is precies de machine zelf, die het nog veel grotere, radicale kwaad vertegenwoordigt. Dat technologisch-luciferische kwaad staat niet in optimistische dienst van de Chef in de beste aller mogelijke werelden, zoals het voorzienige onheil dat jij moet aanrichten, maar het voedt zich met hem, het verteert hem en neemt zijn plaats in, zoals een virus de leiding usurpeert in een celkern: een vileine putsch, een infame coup d’état. Kanker ! Koningsmoord !

De ontdekking van de hemel gaat niet in de laatste plaats over de dood van God door toedoen van de techniek. Uiteindelijk heeft God door de mens te scheppen zijn eigen graf gegraven, want de techniek heeft de plaats ingenomen van de theologie. Zo is de techniek inderdaad uit kunnen groeien tot het lijk van God. Vandaar het Verbond tussen God en mens wordt ingetrokken. De Tien Geboden moeten terug naar de hemel. Dat is makkelijker gezegd dan gedaan, maar in deze roman gaat dat ook daadwerkelijk gebeuren, als een opdracht van hogerhand, uitgevoerd door een mens die daartoe is uitverkoren: een soort Jezus maar dan in spiegelbeeld. Dit is geen Verlossing, maar de ontbinding van het contract tussen hemel en aarde. Het is geen mythe, eerder de ontmythologisering van elke mythe, en daarmee – paradoxaal genoeg – een ultieme mythologie.

Vaak wordt beweerd dat de ‘gesprekken vanuit de hemel’ worden gevoerd door twee engelen. Ze spreken over de Chef (God), maar ook over een luciferische tegenkracht (De Duivel, Lucifer). Zelf heb ik dit bij het lezen niet zo ervaren. Ik heb de twee ‘hemelse gesprekspartners’ gezien als twee afsplitsingen van de Mulisch zelf, dat wil zeggen: van zijn geest. De ene afsplitsing is zijn ziel, waar de (in oorsprong goddelijke) inspiratio uit voortkomt. De andere afsplitsing is zijn imaginatio, die het verhaal voortstuwt en die voortdurend ingrijpt in de gebeurtenissen. Dat Mulisch zich als schrijver wel eens letterlijk vergeleek met God, is een bekend gegeven. Deze twee afsplitsingen van zijn geest in De ontdekking van de hemel komen uit dit besef voort. 

Eigen aan de psychose is het waanidee dat niet alleen de onstuitbare gedachtegang in je hoofd, maar ook de loop der dingen direct bepaald worden door een kosmisch mechanisme waardoor alles met alles samenhangt. Dat is een waanidee omdat die samenhang niet bestaat. Er is geen kosmisch verband tussen de grote dingen boven ons en de kleine dingen op microniveau, tussen de geest en de materie, zoals de alchimisten ooit dachten. Dat zegt ons huidige ‘gezonde’ verstand.  Probleem is wel dat hedendaagse kosmologen de vreemdste dingen beweren over het ontstaan en de aard van het heelal, dingen die  haaks staan op alles wat het gezonde verstand ons leert. Soms denk ik wel eens dat psychotici met hun waanideeën ideeën dichter bij de kosmische werkelijkheid staan dan het gezonde verstand. Hedendaagse kosmologen spreken over een holografische revolutie waardoor ons beeld van het heelal totaal veranderd is, en op het eerst gezicht zelfs waanzinnig lijkt.  Je zou het ook de psychotische revolutie kunnen noemen

Ik las voor het eerst iets over deze holografische revolutie in het boek van Thomas Hertog, Het ontstaan van de tijd, mijn reis met Stephen Hawking voorbij de oerknal (2023). Hoe kon het dan gebeuren, dat toen het heelal – en daarmee tijd en ruimte – een aanvang namen, alles exact in de juiste toestand stond, zodat uiteindelijk het leven op aarde en dus ook de mens kon ontstaan? Was er dan toch zoiets als een God die dit alles heeft bedacht en in werking heeft gezet? Voor Augustinus was dit geen probleem. Hij geloofde stellig dat God de ‘Eerste Beweger’ is geweest. Het denken van Augustinus over de tijd was in feite theologisch van aard. Augustinus beschouwde de tijd als een uitbreiding van de menselijke geest. Tijd was volgens hem een onderdeel van ons bewustzijn en onze waarneming van de wereld om ons heen.

Stephen Hawking had niet een theologische, maar een wetenschappelijke benadering van de tijd. Hawking ontwikkelde ook ideeën over de oorsprong van de tijd. Hij stelde dat de tijd ontstaan was met de oerknal en dat er daarvoor niet zoiets als ’tijd’ bestond. Dit idee werd ondersteund door de relativiteitstheorie van Einstein. De wetenschap spreekt zich ook niet uit over religieuze kwesties. Hawking verkeerde lange tijd in de veronderstelling dat we God niet nodig hebben om de oerknal te kunnen verklaren. Hij verkondigde dit standpunt bij tal van gelegenheden en in meerdere publicaties. 

Tegelijk wilde hij niet dat wetenschappelijke modellen gebruikt worden om religieuze overtuigingen te ondersteunen of te weerleggen. Ook Einstein – zelf een diep gelovig mens – was daar huiverig voor. In tegenstelling tot Einstein was Hawking een atheïst. Zijn theorieën suggereerden dat het universum zichzelf heeft geschapen door middel van natuurlijke processen. Dit idee stond haaks op veel religieuze overtuigingen die uitgaan van een ‘Eerste Beweger’ die alles in werking heeft gezet. Toch zijn de latere theorieën van Hawking niet meer zo stellig op dit heikele punt.

De huidige, holografische revolutie in de kosmologie verwijst naar een belangrijke verandering in ons begrip van de fundamentele aard van het universum, die plaatsvond in de late jaren 1990. Basisidee was dat het universum in feite een soort driedimensionale hologram is, waarbij alle informatie over de fysische processen die erin plaatsvinden kan worden afgeleid van de 2D-oppervlakken die eromheen zweven. Het heelal is dus een hologram in wording. Door de holografische revolutie wordt het ware inzicht in het ontstaan van het heelal in een verre toekomst geplaatst, omdat alleen dan het hologram in wording in zijn volle glorie zich kan onthullen. 

Zo lijken de tijdloze, platonische beginselen achter de horizon van de tijd te verdampen in de ontstaansgeschiedenis van de tijd als zodanig. Maar ook het ware inzicht in het idee, dat God aan het begin van het heelal heeft gestaan (bijvoorbeeld door op ‘de knop van de oerknal’ te drukken), verdwijnt zo naar een verre toekomst. We kunnen over God – als er al zoiets als ‘God’ bestaat waar iets over te zeggen valt – nu nog niets met zekerheid zeggen. Of beter gezegd, het hologram van het universum moet eerst zijn voltooing vinden, als er tenminste zoiets als een ‘voltooid universum’ kan bestaan. Ook dat weten we niet.

Je kunt je afvragen hoe Augustinus’ opvatting van tijd zich verhoudt tot de ideeën die Hawking over het ontstaan van de tijd. Augustinus vroeg zich af waar God in feite mee bezig was voordat hij hemel en aarde schiep? Indien er evenwel vóór de hemel en de aarde geen tijd was, waarom dan de vraag waar gij toen aan bezig waart? Want waar geen tijd was, was geen ‘toen’. (Confessiones, 11de boek, XII, 15) In zijn boek over Hawking verwoordt Hertog dit inzicht op een vergelijkbare wijze. Maar het idee ‘God’ is nu vervangen door het toeval van een evolutionair proces.

Er is nu zelfs geen platonische achterwereld meer van ‘Eeuwige Ideeën’ die aan het heelal vooraf zouden gaan. Of in de woorden van Hertog:  ‘Het is moeilijk voor te stellen hoe platonische waarheden van welke vorm dan ook ooit de kloof in onze conceptuele kijk op de levende en de niet-levende werelden werkelijk zouden kunnen dichten. Het lijkt er eerder op dat het leven, ook intelligent leven, slechts een toevallige voltreffer is van een volstrekt onpersoonlijk, wiskundig rijk, en dat er verder weinig meer over te zeggen valt.’ 

Anders gezegd, er is geen archimedisch standpunt meer buiten alles om. Er is zelfs geen ultieme theorie die alles voor eens en altijd met elkaar verbindt en verklaart. Het verleden vloeit in zekere zin voort uit het heden. Binnen de kwantum-kosmologie met zijn hologram-achtige structuur, zoals Hawking het voor ogen had, wordt de geschiedenis van het heelal van binnenuit beschouwd en niet meer van buitenaf. Bovendien wordt het heelal gezien als een geschiedenis die in de vroegste stadia de ontstaansgeschiedenis van de natuurwetten als zodanig omvat. Waar is het vaste punt? zou Archibald Strohalm zeggen in zijn psychotisch waan.  

Deus superior summo meo, Deus interior intimo meo.’ Dat zijn beroemde woorden van Augustinus. Vrij vertaald: ‘God overstijgt het hoogste in mij en is tegelijk mij innerlijk meer nabij dan ik mezelf nabij ben.’ Maar zegt Hawking niet iets vergelijkbaars over de wederzijdse, intrinsieke verwevenheid van het bewustzijn en het universum, vooral als het gaat over de tijd? Hoe dan ook, de mens komt volgens de hedendaagse kosmologie weer in het centrum van het universum te staan. Het heelal is het huis van de geest, maar ook andersom. Dat lijkt wederom op eenbeeld van Escher: inside is outside is inside. Het is een intrinsieke verwevenheid van bewustzijn en werkelijkheid zoals die zich vaak ook in de geest van een psychoticus manifesteert. 

Volgens Hawking is de geschiedenis van het  heelal afhankelijk van de vraag die je stelt. Het heelal is een fysieke entiteit die de natuurlijke wereld omvat, inclusief alle materie en energie, de wetten van de natuur en de tijd en ruimte waarin alles zich bevindt. Hoewel het waar is dat de geschiedenis van het heelal afhankelijk is van de vragen die we stellen en hoe we de wereld om ons heen begrijpen, is het heelal zelf waarschijnlijk veel groter en complexer dan elk door de mens gemaakt model of concept.

Misschien is de huidige tak van wetenschap die ‘kosmologie’ wordt genoemd wel één grote complottheorie, waarin telkens weer krampachtig wordt gepoogd om God buiten de deur te houden, terwijl hij in allerlei schijngestalten voortdurend weer lijkt op te duiken. Maar het meest wonderbaarlijke is wel, dat het heelal misschien helemaal niet bestaat, tenminste niet zoals wij denken dat het bestaat, en zoals wij dat altijd hebben gedacht.

Volgens Thomas Hertog en Stephen Hawking vormt het heelal zich letterlijk in ons denken. Het heelal evolueert mede door het bewustzijn van de mens. Is het heelal dan een creatie van de mens, of is de mens soms een autocreatie van een stervende God? Mocht en van die twee waar zijn, of misschien zelfs beide, dan heeft de mechanisering van het wereldbeeld een vervolg gekregen in de psychotisering van het wereldbeeld.

Reageer

Bewogen Beweging in een eeuwig heden

‘De keer dat ze er samen waren, Donner en Mulisch, wist Mulisch zijn vriend nog uit de cel te praten, nadat deze op een Tinguely-tentoonstelling een van de objecten met een onhandige Obelix-tikje uit elkaar had…getinguelied.’ 

Dat schrijft Stijn Waerden in zijn boek Telefoon voor de heer Mulisch (2015). Dat voorval moet zich in 1961 hebben afgespeeld bij de tentoonstelling Bewogen Beweging in het Stedelijk Museum. Zelf heb ik die tentoonstelling destijds ook gezien. Ik was toen dertien jaar en zat in de eerste klas van de middelbare school. Ik stel me zo voor dat de onhandige beweging van Donner destijds tot flink wat commotie heeft geleid. Misschien was het wel een absurde taalmachine die door Donner uit elkaar was gevallen. De taalmachine van Tinguely was een gammele machine die dienst deed als primitief toekomstvisioen. Er bestaat een foto van die machine waarop ik zelf op sta. Maar ik kan me de ongelukkige manoeuvre van Donner niet het herinneren.

In 1992 schreef ik zelf een verhaal met als titel De taalmachine van Tinguely. Ik had destijds nog niet zolang een computer in huis en ik wist nog niet dat er een tijd zou komen, waarin robots letterlijk taalmachines kunnen worden die voor je kunnen nadenken en ook teksten kunnen schrijven op basis van alle teksten die op internet te vinden zijn. Ruim dertig jaar later is het zo ver. Mijn verhaal uit 1992 is achteraf bezien een wonderlijk intermezzo in deze symfonie van utopische vergezichten. Maar het gaat ook over taal en tijd in de filosofie van Husserl en Derrida.

Tegenwoordigheid ontstaat bij de gratie van het voortdurend wegglijden in het verleden. De taal drukt uit en wijst aan, maar volgens Derrrida is er geen verschil tussen expressie en indicatie. Er is geen authentieke oorsprong in de taal. Het spoor, dat de tekens nalaten, is een effect zonder oorzaak. Er us geen ‘ik’ als zuivere bron, waar de zinnen uit opborrelen. Het ‘ik’ is een schijnconstructie. Het wordt voortdurend gegenereerd door de relatie tussen het uitstel – dat in het teken werkzaam is – en de dood

Derrida was voortdurend op zijn hoede om niet terug te vallen in de metafysica. De taal is in zijn optiek als een vloeistof zonder fles, maar je hebt wel een fles nodig om over de vloeistof te kunnen vatten. De metafysica is als een oplosmiddel dat ook de fles oplost, waar de vloeistof in zit. De grootse angst, die met een psychose gepaard gaat. wordt door de filosofie van Derrida bevestigd. Er is geen ‘ik’. Er is alleen ‘leegte’. Elke vorm van kennis is zoiets als het zien van je eigen voetsporen die je telkens weer tegenkomt als je in cirkels rondloopt.

Wie met taal aan die cirkel wil ontsnappen, komt uiteindelijk tot de conclusie  dat de taal een glijbaan naar de dood is. De taal zelf is een vluchtpoging om aan die glijbaan te ontsnappen. De taal creëert een schijnbaar permanente ruimte van aanwezigheid door de werking van het teken dat het ‘nu’ herhaalbaar maakt. Taal stelt de dood telkens weer uit door het opschorten van een verdwijnende aanwezigheid. Zo ontstaat een voortdurende en ideale schijnsituatie, waarin de dood wordt ontkend.

Dit soort cryptische gedachten  kwamen ooit in mij op na het lezen ven het boek The Deconstuction of Time en werd geschreven door de Britse filosoof David Wood. Ik kocht het in 1989 bij de Slegte voor 65 gulden. Dat was een heel bedrag voor een tweedehands boek. Maar het was niet tweedehands. Het was splinternieuw en nog ongelezen. Dat intrigeerde mij. Ik weet ook de dag nog dat ik het kocht. Het was vrijdag 9 november, de dag dat de Berlijnse muur viel, maar dat hoorde ik pas de dag daarop, toen ik weer terug was in Leeuwarden. ’s Avonds zag ik Freek de Jonge in Carré. Op de achtergrond van zijn conconference Klong steeds weer het lied Perfect Day van Lou Reed, terwijl niemand in de  zaal wist dat die avond heel Berlijn op zijn kop stond.

Het boek van David Wood heb ik vervolgens gespeld. Het thema fascineerde mij: de deconstructie van de tijd. Het was een overzicht van het postmoderne denken over taal en tijd, voortkomend uit de fenomenologie van Husserl, het existentie denken van Heidegger en uitmondend in het deconstructie-denken van Derrida. Maar wat ik werkelijk gehoopt had, bleef uit. De auteur legde geen enkel verband tussen het denken van deze filosofen en de bevindingen over het fenomeen tijd in de hedendaagse natuurkunde.

Alle natuurkundige theorieën over tijd deed hij al in de inleiding af als zijnde irrelevant. Dat waren ‘verruimtelijkingen’ van de tijd. Tijd is geen ruimte, zo beweerde hij. Tijd is een proces van verschijnen en verdwijnen dat zich voortdurend in je bewustzijn voltrekt. Dat is het ware kenmerk van de tijd. Tijd zit dus tussen je oren. Maar zei Augustinus dat ook al niet? De tijd is een uitbreiding van die ziel, zo beweerde hij: Augustinus  dacht dat het geheugen van de mens een onbegrensde ruimte is. Toch was hij niet zozeer geïnteresseerd in de fysieke capaciteit van het geheugen, maar meer in de spirituele en metafysische dimensies ervan.

De machine heeft het huidige denken over het geheugen ingrijpend veranderd. De capaciteit van het menselijk geheugen wordt ok niet meer als oneindig gezien. Er is een grens aan wat we kunnen opslaan en onthouden. Men schat dat deze geheugencapaciteit  tussen de 4 en 7 items ligt in ons kortetermijngeheugen, en tussen de 7 en 9 items in ons werkgeheugen. Het langetermijngeheugen, heeft echter een veel grotere capaciteit. Er wordt geschat dat we in staat zijn om miljoenen stukjes informatie op te slaan en later opnieuw op te roepen. 

De computergeheugen heeft ogenschijnlijk geen grenzen.Zo heeft ChatGPT als een machine learning-model een theoretisch onbegrensd geheugen voor het opslaan van informatie. Het model is echter beperkt door de hoeveelheid trainingsgegevens en de capaciteit van de computer waarop het draait. ChatGPT is getraind op enorme hoeveelheden tekst, waardoor het een breed scala aan kennis en informatie kan bevatten en gebruiken om vragen te beantwoorden. Hoewel zo een indrukwekkend vermogen wordt gecreëerd om informatie op te slaan en te verwerken, heeft ChatGPT niet de emotionele of spirituele dimensies die het menselijk geheugen heeft. ChatGPT kan haan ‘hallucineren’, zebt men, maar nog niet psychotisch worden.Dat neemt niet weg ik met mijn begrensde geheugen voortaan gevangen zit in de schier onbegrensde geheugenruimte van CatGPT. Als ik nu in een psychose zou raken, zou ik deze

Schrijven is zoiets als de tijd overwinnen door de klok stil te zetten.’ Dat laat Mulisch het personage Alex Zwart in zijn notitieboek schrijven, in het verhaal De gezochte spiegel (1983). Het zou mij niet verbazen als Mulisch daar zelf ook zo over heeft gedacht. De schrijver vereeuwigt zichzelf in het schrijven en overwint daardoor het voorbijgaan van de tijd. Op deze wijze overwint hij zelfs de dood. Maar ook dat is in wezen een vorm van ‘verdinglijking’ van de tijd. Sterker nog, het is een Egyptische vorm van mummificatie. Dat is dan tevens de ultieme tegenpool van de psychose die de geest overspoelt,  waardoor de Nijl –  de archetypische rivier van de tijd – volledige buiten zijn oevers treedt, als een bewogen beweging in een voor eeuwig stilstaand heden. 

*****

ENTER: Dankzij een kapper, die mij er ooit op wees dat de scheve haarinplant in mijn nek zijn oorzaak vindt in een ongewoon excentrische kruin, ken ik mijn achterhoofd haast beter dan mijn eigen gezicht. Ik weet dan ook vrijwel zeker, dat ik mijzelf herken op een foto die ik onlangs aantrof in een boekje bij De Slegte. Het is nummer vier in de Fibulareeks Doolhof of museum, een leidraad voor de museumbezoeker (1965). Op de foto is het zondagmiddag ergens in 1961. De tentoonstelling ‘Bewogen beweging’ trekt bezoekers uit alle uithoeken van Amsterdam. Tussen al dat rumoer sta ik. Om me heen is alles in beweging, maar dit ene moment is bevroren in de tijd. Zoals ik daar sta kan ik onmogelijk vermoeden, dat ik 60 jaar later mijn achterhoofd nog eens terug zal zien. De scheve lijn van mijn haar vermenigvuldigde zich in talloze afdrukken en herdrukken, om tenslotte – als na een weerkaatsing tussen twee gigantische spiegels – in mijn eigen blikveld terug te keren.

RETURN: We schrijven 1915. Ergens in Zürich staat Einstein te wachten op een tramhalte. In de Rue du Départ in Parijs schildert Mondriaan een landschap uit louter rechte lijnen. Verderop in de stad plaatst Marcel Duchamp een fietswiel op een kruk. Het Avondland beleeft in meer dan een opzicht de gelijktijdigheid van het ongelijktijdige, als de filosoof Husserl de volgende gedachte noteert:

INSERT: ‘Een naam, in onze aanwezigheid uitgesproken, brengt ons laatste bezoek aan de kunstgalerij in Dresden in herinnering: wij dwalen door de zalen en staan stil voor een schilderij van Teniers dat een schilderijenverzameling voorstelt. Als we er vanuit zouden gaan, dat de schilderijen van deze verzameling op hun beurt schilderijen voorstellen die dan nog eens leesbare inscripties vertonen, dan kunnen wij nagaan welk een verweving van voorstellingen en welke dwarsverbindingen er tussen de onderscheiden beeldelementen in de reeksen van beelden te maken zijn.’

DELETE: Het toeval wil dat in hetzelfde boekje Doolhof of museum ook een reproductie staat afgebeeld van een schilderij ‘de schilderijenverzameling’ van David Teniers. De beschouwer wordt hier een blik gegund in de kunstgalerij van aartshertog Leopold Wilhelm von Habsberg te Brussel. Teniers schilderde meerdere ‘schilderijenverzamelingen’. Ze hangen in bijna alle grote musea van Europa: in Brussel, Wenen, Madrid en Dresden – daar hangt er nog steeds een, ondanks het bombardement van de geallieerden, op 13 februari 1945, waarbij – behalve een nog steeds onbekend aantal mensen – 154 schilderijen van de Gemäldegalerie werden vernietigd, waaronder werken van Courbet, Parmigianino, Cranach, Breughel de oude, Giordano, Lanfranco en Bessano, en waarbij deze schilderijenverzameling van Teniers (evenals de sluimerende Venus van Giorgione, een topstuk uit de Renaissance, dat Jacques Presser ooit in een tv-interview vlak voor zijn dood, denkend al die nobelprijswinnaars uit het land ‘das Land der Denker und Dichter’ die in staat zijn gebleken aan de uitroeiing van zes miljoen joden mee te werken ‘een soort jeugdsprookje’ heeft genoemd) kennelijk als door een wonder gespaard gebleven.

CONTROL: ‘…een naam in onze aanwezigheid uitgesproken‘. Nog afgezien van de bijzondere omstandigheid – door Husserl overigens niet vermeld – dat Teniers de namen van schilders op de geschilderde lijsten placht weer te geven, blijft dit een vreemde zin. Husserl tovert een beetje met woorden. Het schilderij van Teniers is voor hem een beknopt beeld, een metafoor die iets zegt over taal, wat in taal zelf kennelijk moeilijk is mee te delen of op zijn minst veel meer woorden zou vergen. In deze zin van Husserl is geen enkele tijdaanduiding opgenomen. Tijd is hier buiten haakjes geplaatst. Er is geen datum, geen uur, geen aanwijzing of het lang of kort geleden was. Alleen het woord ‘herinnering’ duidt op een daadwerkelijke gebeurtenis die eerder heeft plaatsgevonden.

HOME: Terug naar de foto in het Stedelijk Museum. Bij mij komt de herinnering niet op gang door het horen van een naam, maar door het zien van mijn achterhoofd. Bovendien heb ik het niet over zoiets vaags als ‘ons laatste bezoek’. Alles is controleerbaar. Het boek ‘Doolhof of museum’ ligt nog steeds bij De Slegte en ook de catalogus van de tentoonstelling ‘Bewogen beweging’ is hier en daar nog antiquarisch te koop.

Op de bewuste foto kijk ik naar een roterend reliëf aan de wand, dat in de catalogus staat vermeld onder nummer 199: ‘Tinguely nr 5, 1960, hout, oud ijzer, motor, 119 x 133 cm’. Bovendien zijn er getuigen. Drie mensen staan links in beeld met de rug naar de camera en zijn dus moeilijk te zien. Maar het jongetje rechts op de voorgrond is met zijn wat bolle gezicht en golvend, achterover gekamd haar duidelijk herkenbaar. Hij fiets op een vreemd soort ‘hometrainer’, catalogusnummer 197: ‘Tinguely, cyclograveur, 1960, oud ijzer, 210 cm’. Zijn blik is gericht op een opengeslagen boek op een onbenoembaar staketsel van stangen, iets dat het midden houdt tussen een stuur en een lessenaar.

Dit jongetje leest dus fietsend en fietst lezend. Maar het is niet de vraag, wat daar te lezen staat, die mijn aandacht trekt en mijn gedachten in beweging brengt. Een toevallige eigenaardigheid op de achtergrond van dit tafereel de haarinplant in de nek van die ene jongen wordt voor mij de ’trigger’ die een halfvergeten wereld in herinnering brengt. Opeens zie ik de houtjes-touwtjes van mijn jas, die op de foto niet zichtbaar zijn. Ik zit in het beeld, maar het beeld zit ook in mij. Tussen mijzelf en de foto gaapt een afgrond van 44 jaar en toch kan ik mij niet aan de indruk onttrekken dat ik op dit moment letterlijk daar sta.

CONTROL: Onlangs ben ik naar het Stedelijk gegaan om te kijken in welke zaal ik destijds gestaan moet hebben, maar de juiste plaats kon ik niet meer met zekerheid vaststellen. Schilderijen zonder lijst hingen nu naamloos aan witte wanden. Alleen het parket was hetzelfde gebleven. Vergeefs zocht ik de zoete geur van hout in ‘De melkweg’ van Etienne-Martin. Ook de bronzen ‘Moeder met kind’ van Gonzales was verdwenen. De plek waar alles om draait moet zich inmiddels ver in het heelal verwijderd hebben. Terwijl ik dwaalde door de zalen voelde ik mijzelf als een trage komeet die een staart van herinneringen met zich meetrekt.

Hoe wonderlijker de tandwielen in het planetarium van de tijd ook in elkaar grijpen, misschien moet elke ingenomen positie – als je maar lang genoeg wacht – op één moment terugkeren, zoals elke grillige beweging in een machine van Tinquely zich noodzakelijk ooit zal herhalen. Het ‘nu’ is een sculptuur in de tijd, zinloos, absurd, maar ook voor eeuwig een toppunt van intensiteit. Maar is dat wel zo? In de catalogus van de tentoonstelling ‘Bewogen beweging’ lees ik het volgende:

INSERT: ‘Voorzover vast te stellen herhalen deze reliëfs zich niet. Volgens theoretische berekeningen zou bij ononderbroken beweging het uitgangspunt na een jaar of twee weer bereikt kunnen worden. Maar het mechanisme slipt zo nu en dan, zodat alle berekeningen ongeldig worden. Misschien komen de vormen na een paar maanden in dezelfde stand te staan, misschien ook wel over honderd jaar. Dat is aanschouwelijk relativisme. Hier bestaat begin noch einde, verleden noch toekomst, slechts eeuwig veranderen.’

ALT: Wat is tijd? Zeg het woord en onwillekeurig wordt er een muurtje opgetrokken. Op dat muurtje verschijnt een voorstelling, een beeld, waarin weer een muurtje verschijnt enzovoort. In dat opzicht zijn woorden een soort schuivende panelen die de tijd steeds verder vooruitduwen (of die door de tijd vooruit geduwd worden) terwijl we denken de tijd zelf dichter in beeld te krijgen door het woord tijd te noemen. Voor je het weet ben je weer bij de schilderijenverzameling van Teniers. Zodra de tijd een naam krijgt, een begrip wordt, een plaats in te taal krijgt toebedeeld, verliest de tijd iets wat juist zijn essentie lijkt te zijn: het bewegen van de beweging. Aan dit dilemma lijkt niet te ontkomen. Odysseus kon de cycloop doden, maar dan kwam het rotsblok niet van zijn plaats. Als het om tijd gaat is het alsof de cycloop ook voor het hol van de taal de wacht houdt en alle woorden vermoordt die naar buiten komen.

Preciezer gezegd, het zich aanwezig stellen van betekenis in een opeenvolging van woorden mag dan van voorbijgaande aard zijn, de geldigheid van de betekenis lijkt zich deels te ‘onttrekken’ aan welke opeenvolging dan ook. Als dit zo is, dan ligt juist in dit onttrekken een voortdurende belemmering om het bewegen van de tijd in woorden te verwoorden. Als dit niet zo is, dan valt de geldigheid van welke betekenis dan ook ten prooi aan een opeenvolging en is ook de verwoording van tijd bij voorbaat een tautologie: een plaatje van een plaatje van een plaatje… kortom, tijd lijkt in de taal zelf te zijn ingebakken. Om de tijd te zien, zou je de woorden kapot moeten slaan, maar dan heb je geen woorden meer om nog te zeggen wat je ziet.

Om aan dit dilemma te ontsnappen zijn twee listen te bedenken. Ten eerste kun je een uitweg zoeken door het onderscheiden van steeds meer verfijnde nuanceringen. Het doel van deze onderneming is het vinden van die ene ragfijne formulering, waarin de woorden van hun onzuiverheden zijn ontdaan en de taal haar eigen grens in beeld brengt. Het proces van betekenen gaat dan zichzelf, het principe van haar voortdurende verwijdering – het zich onttrekken van het teken aan zijn eigen betekenis – steeds duidelijker aanduiden.

De andere list is: een nieuwe term invoeren, een soort meta-woord. Dat wil zeggen, een woord waarvan de betekenis op een hoger niveau samenvalt met het principe van de voortdurende verwijdering, dat in het betekenisproces zelf werkzaam is. Dit kan door het bedenken van een heel bijzonder woord, uniek en onherleidbaar, zoals een getal dat alleen deelbaar is door 1 en zichzelf – een soort woord dat door Marcel Duchamp een priemwoord wordt genoemd – een woord ook, waarvan de betekenis gaat rondzingen, een lus in de taal, bijvoorbeeld de naam ‘niemand’, waarmee Odysseus de cycloop te slim af was.

In beide gevallen wordt het dilemma slechts ten dele ontweken. De eerste list levert uiteindelijk niet zo veel op, omdat het probleem zich herhaalt op steeds kleinere schaal. De tweede is mooi gevonden, maar de vergelijking met de cycloop gaat niet helemaal op. De taal kent geen tweede verdieping. Uiteindelijk wordt het woordenboek weer gewoon met één woord uitgebreid en blijft de vraag bestaan: hoe is tijd in taal te definiëren, los van de belemmeringen die met het verschijnen van de taal zelf tot uiting komen.

De eerste list werd aangewend door Husserl in zijn boek ‘Zur Phänomenologie des inneren Zeitbewustseins’. Hij onderscheidt daarin een hele reeks van begrippen waarin het innerlijk bewustzijn van tijd te ontleden is. Het resultaat is een schier eindeloze opeenvolging van steeds subtielere onderscheidingen die uiteindelijk hun baken vinden in het woord ‘Fluss’. Hiermee wordt zoiets bedoeld als de bedding van een rivier, de structuur van een oerstroom die altijd in het bewustzijn zelf aanwezig is, of met de moeilijke woorden ‘een voor-geobjectiveerde, voor-geconstitueerde grond van elke constituerende act van het bewustzijn’. De subjectieve ervaring van tijd wordt, volgens Husserl geconstitueerd in een absolute tijdloosheid. Maar die bewering moet zich noodgedwongen baseren op een zuiver intuïtieve aanname. Dit mondt dan ook uit in een zin die alles uiteindelijk ongrijpbaar maakt: ‘Für all das fehlen uns die Nahmen’. De taal schiet dus tekort. Sterker nog, taal en teken zijn zelf afhankelijk van constituerende acten van het bewustzijn en hebben dus over een verschijnsel als tijd – dat zich al aandient in de oerstroom, de voor-geconstitueerde grond van het bewustzijn zelf – uiteindelijk niets mee te delen. Husserl mag dan uiteindelijk nog zo sjouwen met woorden, het bewustzijn blijft opgesloten in het hol van de taal. Een uitgang is nergens te vinden. En mocht er wel een zijn, dan ligt er nog altijd een rotsblok voor de deur.

De tweede list is bedacht door Derrida. Elke opvatting van tijd is volgens hem metafysisch van aard en geen enkele formulering kan zich daaraan onttrekken. Derrida wijst erop dat de ’tegenwoordigheid’ van het woord als teken gecorrumpeerd wordt door een merkwaardig voortdurend interval, dat door hem bij gebrek aan beter ‘differantie’ wordt genoemd. Dit is een ‘spelbeweging’ een ‘effect zonder oorzaak’, iets dat zelfs geen oorsprong heeft in het subject, maar dat in taal en in elk verwijzingsysteem de voorwaarde is voor het ontstaan van betekenis. Differantie houdt in: uitstel én verschil. Uitstel, omdat het zich aanwezig stellen van datgene, waar het teken naar verwijst, voortdurend wordt opgeschort. Verschil, omdat de betekenis van een teken zich primair onderscheidt van een andere betekenis en nooit kan samenvallen met iets wat zich buiten de taal bevindt. De taal is dus doortrokken van een leegte, of zoals Derrida het noemt ‘doorboord met afwezigheid’.

De differantie komt niet voort uit een voortdurende gewaarwording van een tegenwoordigheid, maar juist andersom, het effect van uitstel en verschil – de differantie zelf – doet de herhaling van tegenwoordigheid ontstaan als een voortdurend verglijdende schijngestalte. Tegenwoordigheid – of anders gezegd, een subjectieve ervaring van tijd – is volgens Derrida dan ook niet meer een grondvorm van het bewustzijn. Sterker nog, het bij zich zelf zijn van het bewustzijn is niet meer de absolute matrix van het zijn. De differantie vormt de sleutel voor een nieuw systeem, dat – en nu volgt zijn meest schokkende bewering – “niet langer meer dat van de tegenwoordigheid is”. Kortom, ‘differantie’ is het priemwoord, waarmee Derrida probeert aan de cycloop te ontsnappen.

Zowel Husserl als Derrida proberen de intrinsieke verwevenheid van taal en tijd in hun greep te krijgen. De één door iets te vóór-onderstellen wat in taal niet is uit te drukken, de ander door op een verschijnsel te wijzen dat in de taal zelf werkzaam is. Husserl moet terugvallen op zoiets vaags als ‘een absolute grondvorm van het bewustzijn’. Maar als deze grondvorm de tijd als opeenvolging vooraf – of beter gezegd, te buiten gaat – rijst de vraag: wat voor een soort werkelijkheid valt aan deze grondvorm nog toe te kennen? Na een poging om een platonische tweedeling door de voordeur te verdrijven wordt ‘een tweede werkelijkheid’ door de achterdeur weer binnengehaald.

Anderzijds moet Derrida zijn toevlucht nemen tot een bijna ‘ontalig’ neologisme. Hij beperkt zijn blikveld tot een slippend mechaniek dat in elk verwijzingssysteem werkzaam is. Bovendien gaat hij uit van een zeer onwaarschijnlijke veronderstelling, namelijk: het primaat van de differantie en dus van de taal. Het bewustzijn zou vanuit die optiek geheel van taal en teken afhankelijk zijn. Het subject verdwijnt in een web van woorden. Er is geen uitzicht meer op een laatste waarheid en geen herinnering meer aan een eerste begin. Er zou zelfs geen zwijgend weten bestaan dat aan een aandachtig gebruik van de taal voorafgaat. Kortom, een mens is een taalmachine. Maar dat niet alleen. Er gaat iets tollen in de taal zelf, iets als een bewogen beweging. Elke betekenis wordt geïnfecteerd. Elke inhoud verzinkt en alleen retoriek blijft drijven. Elke transcendente fundering van waarheid of waarden verliest zijn grond. Elk woord valt uiteindelijk terug op zichzelf en onder het oppervlak van dit extreem relativisme schitteren opnieuw de woorden van Nietzsche: ‘Niets is waar, alles is geoorloofd.

SHIFT: Een gedachte bij de foto. Het jongetje rechts fietst en schrijft al fietsend een tekst. Ik was daar aanwezig. Tenminste: ik denk dat ik daar aanwezig was. Hoe ik het ook wend of keer, iets van wat de lezer als tegenwoordigheid zal ervaren bij het lezen van deze tekst is letterlijk ‘nu’ en ‘hier’. Het is het lampje dat oplicht als ik dit schrijf, het lampje dat zich meteen verwijdert als het fosforescerende punt van mijn aanwezigheid hier op dit verglijdend moment, dat straks als een dwaallicht in de nacht een grillige lijn zal vormen aan het firmament van deze tekst. Maar hoe weet ik dat de lezer dit lampje herkent als ‘mijn’ aanwezigheid? Deze woorden zouden ook het product kunnen zijn van een geavanceerde cyclograveur, een krachtige absurde machine met heel iemand anders op de pedalen.

Stel dat dit laatste zo is. Ik ben letterlijk niemand. Om te voorkomen dat de woorden uiteenvallen in een onbegrijpelijk abracadabra, ga ik er vanuit dat ‘ík’, de cyclograveur, uitsluitend grammaticale zinnen noteer. Deze rijgen zich aaneen, zo nu en dan onderbroken door een regel wit. Als de catalogustekst van ‘Bewogen beweging’ gelijk heeft slipt de machine af en toe en zullen de zinnen zich dus niet periodiek herhalen. Maar de mogelijkheid is wel degelijk aanwezig dat na verloop van tijd – pak weg na 60 jaar – in de eindeloze choreografie van taalsprongen, die zo op het scherm komt, ineens een zinvolle tekst ontstaat, bijvoorbeeld de tekst die hier te lezen is.

In dat geval zal het verglijdende lampje van deze tekst in feite een spoor vormen van niemands aanwezigheid. Het beeld van een auteur, wiens of wier signatuur misschien in de tekst is te herkennen, blijkt een schijngestalte te zijn. Het samenvallen van twee tegenwoordigheden – de ene in het bewustzijn van de lezer en de andere in dat van de veronderstelde auteur – is eveneens een illusie. Het panorama van beelden dat zich ontvouwt is één fata morgana. Het tijdveld dat zich ontrolt bestaat niet. De woorden stellen in feite niets anders voor dan hun eigen contingente aanwezigheid, een scherm dat alleen transparant wordt door een bij toeval ontstane consistentie in het machinespinsel van betekenissen.

ESCAPE: Maar dan gebeurt er iets vreemds. Het slippen houdt aan. De woorden lopen vast in een fuik en het verhaal raakt verstrikt in een soort verknoping. Uiteindelijk valt alles stil. Alleen de woorden blijven bewegen. Afwezig is degene die ze schreef. Afwezig is degene die ze leest. Ze zijn als een spiegel die alleen kan weerkaatsen, maar zelf niets kan zien. Ik ben er niet. En toch, heel eventjes, alsof iets zich vaag weerspiegelt in de lens van en reusachtige camera vormt zich opeens een gestalte. Verbijstering grijpt om zich heen. Het is de cycloop! Hij zoekt niemand! Maar ik ben niemand. Iets grift zich in de taal, iets dat er altijd al was maar nooit eerder als zodanig werd waargenomen. (als een nagalm die zich voortplant in een eeuwig gespleten heden, als een echo van een tijdloos moment dat ooit aan alles voorafging.)

ENTER: ‘Dankzij een kapper, die mij er ooit op wees dat de scheven haarinplant in mijn nek zijn oorzaak vindt in een ongewoon excentrische kruin, ken ik mijn achterhoofd haast beter dan mijn eigen gezicht. Ik weet dan ook vrijwel zeker dat ik mijzelf herken op een foto die ik onlangs aantrof in een boekje bij De Slegte. Het is nummer vier in de Fibulareeks Doolhof of museum, een leidraad voor de museumbezoeker. Op de foto is het zondagmiddag ergens in 1961. De tentoonstelling ‘Bewogen beweging’ trekt bezoekers uit alle uithoeken van Amsterdam. Tussen al dat rumoer sta ik. Om me heen is alles in beweging, maar dit ene moment is bevroren in de tijd. Zoals ik daar sta kan ik onmogelijk vermoeden, dat ik 60 jaar later mijn achterhoofd nog eens terug zal zien. De scheve lijn van mijn haar vermenigvuldigde zich in talloze afdrukken en herdrukken, om tenslotte – als na een weerkaatsing tussen twee gigantische spiegels – in mijn eigen blikveld terug te keren.’

RETURN. RETURN…

Reageer

Punt Omega: de psychose in het kwadraat

Ik stel me voor dat je kunt dromen over een machine die je eigen droom produceert en die tegelijk in je droom aanwezig is. Zo ongeveer zou het menselijk bewustzijn in elkaar kunnen zitten. We zitten gevangen in een systeem dat we zelf genereren. Een dubbele lus verbindt ons met ruimte en tijd. In wezen zijn ruimte en tijd dus illusies die wij zelf in leven roepen. Zo creëert het bewustzijn zijn eigen wereld in beelden, en uit één van die beelden lijkt alles – ook het bewustzijn zelf – voort te komen. Je zou dit ‘de zelfgeneratie’ van de werkelijkheid kunnen noemen.

Als dat zo is, kun je dan stellen dat er geen wezenlijk verschil bestaat tussen het ‘normale bewustzijn’ en een psychose? Dit soort gedachten over het verband tussen bewustzijn en het complex van ruimte en tijd raken aan diepe filosofische en neurologische kwesties. De vergelijking tussen het ‘normale bewustzijn’ en een psychose binnen de context van zelfgegenereerde werkelijkheden roept vragen op. Waar hebben we eigenlijk over, als we spreken over een psychotisch bewustzijn?

In het ‘normale bewustzijn’ hebben verschillende mensen we een gemeenschappelijk begrip van realiteit, gebaseerd op gedeelde percepties en ervaringen. Dit bewustzijn lijkt stabiel en consistent, hoewel het gebaseerd is op een in wezen subjectieve ervaring van de wereld. Onze hersenen verwerken sensorische informatie en creëren een samenhangend beeld van de werkelijkheid, wat ons in staat stelt effectief te navigeren en te communiceren binnen onze omgeving.

Een psychose  daarentegen  wordt gekenmerkt door een ernstig verstoorde waarneming van de werkelijkheid. Mensen die een psychose ervaren, kunnen hallucinaties en wanen hebben, waardoor hun perceptie van de werkelijkheid drastisch afwijkt van de gedeelde ervaring van de meeste mensen. Dit kan leiden tot desoriëntatie en een problemen met het onderscheiden van wat ‘echt’ is en wat niet. En toch, zowel in het normale bewustzijn als in een psychose bestaat er een vorm van zelfgeneratie van de werkelijkheid. In normale omstandigheden is deze zelfgeneratie gestabiliseerd door consistente zintuiglijke input en sociale feedback. In een psychose kan deze stabiliserende invloed verstoord zijn, wat leidt tot een meer chaotische of afwijkende ervaring van de realiteit.

Als we ruimte en tijd beschouwen als constructies van het bewustzijn, dan zouden we de verschillen tussen het normale bewustzijn en de psychose kunnen zien als variaties in de wijze waarop deze constructies worden ervaren en georganiseerd. In normale omstandigheden hebben we een goed functionerend ‘model’ van de wereld, terwijl dit model in een psychose ernstig verstoord kan zijn. Het idee van een soort dubbele lus die ons met ruimte en tijd verbindt, suggereert dat onze ervaringen en percepties voortdurend feedback geven aan, en beïnvloed worden door ons interne model van de werkelijkheid. In een psychose kan deze feedback-lus op een zodanige wijze verstoord zijn dat het interne model niet langer overeenstemt met de externe realiteit.

Hoewel het normaal bewustzijn en psychose beiden afhankelijk zijn van de hersenen die een model van de werkelijkheid creëren, is de mate van consistentie en aanpassing aan de externe realiteit een cruciaal onderscheid. Het ‘normale’ bewustzijn is doorgaans afgestemd op de gedeelde werkelijkheid, terwijl een psychose een breuk kan betekenen in deze afstemming, wat leidt tot een radicaal andere ervaring van de wereld.

Het wonderbaarlijke is deze redenering is dat zowel het normale bewustzijn als een psychose producten zijn van de hersenen die een werkelijkheid letterlijk ‘construeren’.  Alleen de mate van afstemming op de gedeelde externe realiteit vormt eenverschil tussen de twee. Het normale bewustzijn houdt een stabiele en gedeelde constructie van de werkelijkheid in stand, terwijl een psychose gekenmerkt wordt door een afwijking in van deze constructie.

Wat betekent dit in het perspectief van de recente ontwikkelingen in Kunstmatige Intelligentie? Tegenwoordig zijn er ontwikkelingen gaande die wijzen op een naderende fusie tussen het menselijk brein en computersoftware. In de nabije toekomst is misschien een volledig samengaan te verwachten tussen biologie en digitale intelligentie. Hoewel het bedrijf van Musk in de beginfase van onderzoek verkeert, heeft het veel aandacht gekregen vanwege de mogelijke impact op de behandeling van neurologische aandoeningen. Zal de Kunstmatige Intelligentie ook en ander licht gaan werpen op de psychose? Zullen machines straks in staat zijn ons iets te leren over de mystieke ervaring? Over God?

In 1966, toen Mulisch voor het eerst sprak over ‘de techniek als het lijk van God’, was deze ontwikkeling nog lang niet zover. Toch lijkt het er steeds meer op, dat deze gedachtegang van Mulisch profetisch was. De techniek zal niet alleen ‘het lijk van God’ worden, maar uiteindelijk zal de  mensheid wellicht ook volledig opgaan in de techniek, wat op zich ook weer een mystieke ervaring kan zijn.’Wij stromen wellustig leeg,’ zo stelde Mulisch , ‘zoals bij alle menselijk contact.’ De komst van de techniek werd op deze wijze haast een orgiastische bevrijding – een disclosure. Overal zag Mulisch de eerste symptomen van deze Unio Technica, een pseudo-mystieke eenwording van mens en machine. 

Die ontwikkeling zou zich destijds al hebben aangekondigd in tendensen als ‘ont-zelving’, nivellering, gelijkschakeling en massificatie. De mensheid zou zwanger zijn van een nieuwe Adam. De techniek zou zichzelf transformeren in ‘lichaam-geworden  taal’. Er zou een nieuwe piramiden-tijd aanbreken, een tijd zonder einde, zonder geest, zonder geschiedenis en zonder toekomst. Dat zou dan werkelijk het einde der tijden zijn, want dit zou het eind zijn van de tijd als zodanig. De collectieve psychose van ‘de opstand der horden’ zou dan uitmonden in een katatonische verstarring van elke beweging, een eeuwige stupor van stilstand. De kosmische ervaring zou verstarren in verstening. De wereld was dan voortaan een niemandsland, gehuld in Egyptische duisternis.

Ook Hitler had zou zoiets voor ogen hebben gehad met zijn fascistische autocreatie van een Duizendjarig Rijk, ook al had hij zelf de onontkoombare vernietigingsdrang van dit streven niet willen inzien. De uiterste consequentie van het collectieve ‘vanzelf-gaan’ is de totale opheffing van de tijd, zodanig dat een beklemmende, eeuwige stilstand ontstaat. Dat zou dan een ultieme piramide voor de mensheid in een verlaten woestijn van de kosmos. En in De toekomst van gisteren schrijft Mulisch: ‘Het Duizendjarig Rijk was de ontkenning van de tijd, van zijn eigen duizend jaren, en was daarmee het beeld van een onmogelijkheid. Het was de dood – het nuljarig rijk.’

De gedachte dat de techniek het lijk van God zou zijn, is in het werk van Muliche gaandeweg een bepalend thema geworden, dat uitmondde in zijn magnum opus: De ontdekking van de hemel uit 1992. In dit boek heeft de hoofdpersoon Quinten Quist een speciale opdracht te vervullen. Hij is het die de Stenen Tafelen van Mozes moet terughalen, omdat God teleurgesteld is over het feit dat de mensen het contract met Hem niet nakomen. Dat was al zo sinds de zestiende-eeuwse Engelse geleerde Francis Bacon (1561-126) zijn onderzoekingen begon te baseren op louter controleerbare gegevens en daarmee een belangrijke bijdrage leverde aan de moderne fysica en technologie. De Bijbel als bron van alle kennis was daarmee voortaan passé. 

Om dat te bereiken zou Francis Bacon zelfs een  contract met de duivel hebben gesloten , en daarmee ook collectief verbond waarmee de hele mensheid zijn ziel aan de duivel had verpacht. Dat gegeven lag ook aan de basis van Goethes Faust en Doktor Faustus van Thomas Mann. Het is idee met verstrekkende gevolgen. In Voer voor psychologen (1961) stelt Mulisch hierover de volgende vraag: 

 ‘Op welke grond wil men ontkennen, dat wij mensen plus onze techniek het lichaam aan het worden zijn van één reusachtige biologische mutant? Een bolvormig wezen met de aarde als ‘skelet’, dat evenveel van de mens verschuilt als de mens van de amoebe.’

Is het niet zo dat door de komst van Kunstmatige Intelligentie deze biologische toekomst van de mens een stap dichterbij is gekomen? In dit perspectief bezien kan de opkomst van KI en andere technologieën de relatie tussen mens en machine ingrijpend gaan veranderen. Er zijn zelfs ontwikkelingen op het gebied van neurale interfaces, waarbij het mogelijk is om menselijke hersenen direct te koppelen aan computersystemen. Dit opent de deur naar nieuwe vormen van mens-machine-interactie en kan uiteindelijk leiden tot een symbiose tussen biologische en kunstmatige systemen.

Hoe dan ook, de onheilspellende woorden van Mulisch over één reusachtige biologische mutant weerspiegelen zijn ideeën over relatie tussen de mensheid, technologie en de mogelijke evolutie van de menselijke soort. Met een beetje fantasie kun je stellen, dat de voortschrijdende symbiose tussen mens en machine ook een nieuwe relatie tot stand brengt tussen het model van de werkelijkheid, dat in het biologische brein verankerd ligt, en het complex van ruimte en tijd. Daarmee zou een derde modus van het bewustzijn kun ontstaan, naast de twee bestaande: normaal bewustzijn en psychotisch bewustzijn. Door de symbiose van bewustzijn en techniek ondergaat de psychose een schaalvergroting en het resultaat is een soort psychose in het kwadraat.  

Mulisch stelt de vraag of de mens en zijn technologie kunnen samensmelten tot één reusachtige biologische mutant, waarbij het lichaam van deze mutant wordt gevormd door de mensheid en zijn technologische vooruitgang. Dat mogelijke toekomstbeeld is realistische er geworden nu KI-systemen in staat zijn om complexe taken uit te voeren, te leren en beslissingen te nemen op een manier die vergelijkbaar is met, of zelfs superieur aan menselijke capaciteiten.

Daarmee komen ook de wonderlijke gedachten van Teilhard de Chardin over de toekomst van het verschijnsel mens in een nieuw licht te staan. Teilhard de Chardin veronderstelde het ontstaan van een allesomvattende noösfeer en het convergeren van de gehele evolutie in een toekomstig punt Omega. Die wonderbaarlijke theorie is inmiddels verworpen en zelfs geridiculiseerd, omdat de evolutie van de mens en de ontwikkeling van het heelal geen intrinsiek doel hebben. Het verschijnsel mens is het product van the survival of the fittest, en het heelal draait op goed geluk. Maar blijft dat ook zo, met de gedachte voor ogen van een mogelijke psychose in het kwadraat waarnaar wij allen op weg zouden zijn?  

In een psychotisch bewustzijn komen vaak andere visies naar voren over de toekomst van de mens en het universum. Waar komen die visies vandaan? Uit een onderlaag van bewustzijn misschien? Uit de diepe regionen die Jung heeft aangeduid als ‘het collectief onbewuste’? Jung zag dat als een verscholen bron van kennis, waarin ook de religies hun verankering hebben. Maar Jung sprak ook ook ‘het libido van het irrationele’. Is dat misschien de ultieme drijfveer op weg naar een apocalyps?

In zijn boek De furie van het systeem (1988) stelt Kuipers dat in 1955, na de dood van Thomas Mann, bij Mulisch een verandering kwam in zijn denken. Stond dit daarvoor nog grotendeels in het teken van Freud, daarna zou Jung een belangrijke inspiratiebron worden. Mulisch denken werd mythisch en zijn belangstelling voor de mythologie nam toe.  De natuur als de vitale en levende kracht,  waarin dood en leven elkaar afwisselden, stond haaks op de onnatuur van het bewustzijn.

Het ging erom om ‘ingeschakeld’ te zijn en af te dalen naar de collectieve verleden van de mensheid. De projecties van  het onbewuste, die daaruit voortkwamen, vormden een soort inversie van het bewustzijn: alles wat wat binnen was, werd buiten. Zo ook kon zich ook in de sciencefiction een omkering voltrekken, waardoor de fictieve extrapolatie van de techniek voor een massapubliek als een vervoermiddel van de geest kon worden om zo het heelal van het onbewuste te kunnen verkennen.

Zo is bij Mulisch de psychotische ervaring een oermal geworden voor  de inversie van het bewustzijn, die  op meerderen terreinen zijn weg vond. Zelfs in de de sciencefiction lagen de sleutels verborgen,  die de magische speculaties van Mulisch konden ontcijferen. De  Apocalyps door toedoen van de techniek  was misschien ook al eerder te herkennen geweest in de doembeelden van SF-schrijvers. Fysieke aanwezigheid in het hier en nu was in menig SF-scenario slechts een golfpatroon van elementaire deeltjes, dat ooit overgeplaatst kon worden naar ‘elders’ in het continuüm van tijd en ruimte. Maar wat is dat ‘elders’ dan nog? Het gevolg was mogelijk dat er dan helemaal geen tijd meer zou bestaan zoals het verschijnsel mens de tijd tot nog toe heeft ervaren.

Reageer