Good vibrations

Rijdend op de Afsluitdijk
hoor ik iets trillen tussen hemel en basalt.

‘Hier ligt hij nu,
hier ligt hij later,
totdat de aarde valt.’

Zo dichtte ooit een dichter.

Ooit…

Gedachten dwalen af naar later.
Een beeld spiegelt zich in het water
Ik zie het Nederland van nooit.

Daar is zij! Daar, die vrouw!
Ik zie haar, maar zij ziet mij niet.
Ik zwaai, verdwijn weer in het niet.
Zij is mijn lief, van wie ik hou.

Nog één keer heb ik toen gebeden
om iets dat stil mag blijven staan.
Niet langer liefde in het voorbijgaan,
Vasalis’ wonderlijk gespleten heden.

Ik zeg het nu met al mijn zinnen,
mijn ziel, mijn zwakte, brood en wijn.
Al moet het priesterliefde zijn,
Ik zal haar tot mijn dood beminnen.

Reageer

Vader & zoon

Jurriaan en ik, gistermiddag in Utrecht

Reageer

Play misty for me

Ik heb dit verhaal al eens eerder verteld, maar ik vertel het nog maar eens. Al tijden ben ik bezig met het schrijven van een roman, maar dit karwei wil maar niet vlotten. Ik draai als het ware in cirkels rond. Gisteren zag ik de film Play misty for me. Ik had hem al eens eerder gezien, toen hij net uit was. Dat was in 1971. Ik zag hem in de buurtbioscoop De Bio aan de Middenweg in Amsterdam. Ik woonde destijds daar vlak om de hoek, in de Wakkerstraat. Die film gaat over een fatale vrouw. Zij spoort niet helemaal om het zacht uit te drukken. Een psycho-bitch zogezegd. Compleet onverwacht kan ze in woede uitbarsten. Ze stalkt een bekende discjockey die zij gaandeweg hoorndol maakt. Het woord ‘hoorndol’ heeft volgens het woordenboek  de volgende betekenissen die ik hier voor de duidelijkheid maar even allemaal weergeef:

1) Geschift 2) Getikt 3) Kierewiet 4) Knetter 5) Knettergek 6) Knots 7) Kolderig 8) Krankjorum 9) Laaiend 10) Maf 11) Mal 12) Mesjogge 13) Razend 14) Stapelgek 15) Tureluurs 16) Woedend…

Zo gaat die diskjockey zich dus gaandeweg voelen. Dat stalken begint met een verzoeknummer… Misty…, dat hij tijdens een nachtelijke uitzending draait op verzoek van een anonieme vrouw met een intrigerende stem: 

Play misty for me.

Opeens besefte ik dat mijn roman iets met deze vrouw te maken heeft. Maar wat? Dat is de vraag. Is de hoofdpersoon van het verhaal ook een psycho-bitch? Of is ze gewoon een fatale vrouw? Of misschien wel een welwillende vrouw die goed aanvoelt als een man naar zijn eigen ondergang verlangt? Zoekt niet elke man, die rouwt om het verlies van een geliefde, in een nieuwe vrouw zijn eigen dood? Zeg het maar. Play misty for me. Telkens weer hoor ik die verleidelijke stem, maar het verhaal wil maar niet vlotten. Terwijl ik toch heel goed weet hoe het afloopt: slecht. Hoe dan ook, de roman, waar ik telkens weer mee begin en die ik wellicht nooit zal afronden, gaat over liefde en rouw in tijden van goddeloosheid. 

De schrijver en de hoofdfiguur vallen met elkaar samen. Toch is het geen autobiografie. Het verhaal gaat niet over mijzelf, maar over Karuna. Het is ook geen sleutelroman. Elke gelijkenis met mijn eigen leven of dat van bestaande personen of gebeurtenissen berust niet op louter toeval, maar is ook geen exacte weergave van de werkelijkheid. Het is geen op feiten gebaseerd verhaal, maar ook geen fictie, al was het maar omdat bronnen uit de werkelijkheid als inspiratie hebben gediend voor iets wat je nog het best zou kunnen omschrijven als ‘het toeval van de werkelijkheid’.  

Op 9 september 2016 werd Mathilde, de vrouw van Karuna, plotseling ernstig ziek en drie weken nadien overleed zij aan wat in die zwoele septemberdagen van dat jaar gaandeweg longkanker met uitzaaiingen bleek te zijn. In die tijd had Karuna veel nagedacht over de dood. Hij merkte dat er in zijn leven iets wezenlijks veranderd was. Rouw legde de fundamenten bloot van zijn bestaan. Het was een voortdurend gevecht tussen opstandigheid en aanvaarding. Schrijven werd voor hem een oefening om weerstand te bieden tegen de opstandigheid en ruimte te creëren voor de aanvaarding.  In die zoektocht was een plotseling opkomend verlangen naar transcendentie iets wat hem vaak in verwarring bracht.

Misschien zijn religies ooit wel ontstaan door het tragisch besef dat het leven eindig is en als een zeepbel zomaar uit elkaar kan spatten. Het verlangen naar kennis en inzicht streed bij Karuna om voorrang met zijn verlangen naar vervulling en verlossing. Waar kruiste zijn plotselinge hang naar transcendentie na de dood van Mathilde met het intense gemis ervan dat hij in zijn jeugd had ervaren bij zijn afscheid van God?

In 2008 verscheen het boek De keizer en de astroloog van Kees ’t Hart. Daarin schrijft hij over een fictieve ontmoeting die Vestdijk als jonge arts in 1926 in Doorn met de Duitse keizer Wilhelm II zou hebben gehad.  Dat is een onwaarschijnlijke ontmoeting, want Vestdijk kwam pas in 1939 in Doorn wonen, waar de Duitse Keizer vanaf 1919 tot zijn dood in 1941 verbleef. Hoe dan ook, zo’n soort ontmoeting stond Karuna voor ogen, maar dan tussen Vestdijk en Camus. Het zou niet zozeer een ontmoeting zijn in levende lijve, als wel  een botsing van hun ideeën over dood en eindigheid.  Dat waren twee opvattingen die ogenschijnlijk lijnrecht tegenover elkaar staan, maar bij nader inzien wellicht ook veel gemeen hebben. 

Om onderzoek te doen voor zijn roman reisde Karuna veel naar Harlingen, waar Vestdijk zijn jeugd doorbracht. Hij wilde die stad beter leren kennen.  Al dwalend daar langs de grachten en de haven, en mijmerend op de uiteinden van beide pieren die als uitnodigende armen zich uitstrekken naar de zee, kwamen niet alleen herinneringen boven aan zijn overleden vrouw, maar ook gedachten over de dood en hoe het is om te rouwen zonder uitzicht op een hiernamaals. Op die laatste vraag probeerde Karuna een antwoord te vinden. Twee boeken wezen hem daarbij de weg. Het eerste was De toekomst der religie, dat Vestdijk publiceerde is 1947, het jaar waarin Karuna geboren werd. Het andere: De mens in opstand van Albert Camus, dat in 1951 verscheen.

Hoe je transcendentie ook definieert, voor Karuna was dit begrip opeens onlosmakelijk verbonden met de dood. Dat wil zeggen, met alles voorbij de dood, alles wat een mens bedenken kan over ‘gene zijde’, een mogelijk voortbestaan, over iets wat het leven letterlijk overschrijdt. Het gemis daarvan maakte Karuna opnieuw opstandig, alsof hij andermaal in opstand kwam tegen een God, die hij ooit  – toen hij nog jong was en voor het eerst de boeken van Camus las – met kracht de deur had gewezen.

Mijn denkbeeldige roman – want ik moet hem schrijven tenslotte – gaat in feite over het schrijven van een roman. In tegenstelling tot mijn onderneming voltooit Karuna zijn roman. Het is zijn debuut. Het boek wordt goed ontvangen door de kritiek. Sterker nog, negen maanden na de verschijningsdatum wordt de roman bekroond met de Anton Wachterprijs – de befaamde prijs voor debutanten, die tweejaarlijks wordt uitgereikt door de Vestdijk-kring in samenwerking met de gemeente Harlingen. 

Om die prijs in ontvangst te nemen keert Karuna andermaal terug naar Harlingen, waar hij wordt ontvangen door een intrigerende vrouw die de zakelijke leiding heeft bij de Vestdijk-kring. Zij ontvangt hem allerhartelijkst. Zij gaan uit eten en er volgt een diepgaand gesprek dat zich ’s avonds afspeelt in meerdere etablissementen in de stad. Ze dwalen samen door de stegen en straten van de nachtelijke stad aan de haven, een sfeer die Karuna herinnert aan Venetië. Hij raakt volledig in de ban van deze vrouw en vertelt honderduit over het grote verlies in zijn leven. Maar ook hoe zijn boek in feite is voortgekomen uit dit verdriet.

De vrouw vertelt hem over een droom die zij heeft gehad en waarin Karuna voor komt met zijn overleden echtgenote. De gesprekken duren voort tot diep in de nacht, zelf als de stoelen in het café al op tafel staan. Uiteindelijk begeleidt zij hem naar Hotel Caspari aan de Noorderhaven, waar zij samen de nacht doorbrengen.

Het slot van de roman is dramatisch. De vrouw besluit om Karuna te vermoorden om hem zo uit zijn lijden te verlossen en weer te verenigen met zijn geliefde echtgenote. Die moord speelt zich af aan het einde van de Noordpier. De uitreiking van de prijs vindt niet plaats. Het lijk van Karuna wordt nooit teruggevonden.

Play misty for me….

Ik heb dit verhaal al eens eerder verteld, maar ik vertel het nog maar eens. Al tijden ben ik bezig met het schrijven van een roman, maar dit karwei wil maar niet vlotten. Ik draai als het ware in cirkels rond.  Gisteren zag ik de film Play misty for me. Ik had hem al eens eerder gezien, toen hij net uit was. Dat was in 1971. Ik zag hem in de buurtbioscoop De Bio aan de Middenweg in Amsterdam. Ik woonde destijds daar vlak om de hoek, in de Wakkerstraat…. 

Op nummer 5, voor wie het wil weten. 

Reageer

Leven in een burcht van illusies

In het voorjaar van 1965 zag ik op televisie het toneelstuk Hendrik IV van Pirandello. Het maakte een verpletterende indruk op mij. Ko van Dijk speelde de hoofdrol, dat weet ik nog goed. Hendrik IV gaat over een existentieel probleem. Hoe is het om in het schemergebied te leven tussen waan en werkelijkheid? Waar ligt de grens tussen het normale bewustzijn en de waanzin? Is die grens absoluut of wordt hij alleen bepaald door een relatief verschil in beleving van binnenuit en van buitenaf? Allemaal vragen, die uiteindelijk uitkomen bij de laatste vraag. Wat is de identiteit van een mens? Een essentie, een constructie of een illusie?

Voor het schrijven van dit stuk werd Pirandello geïnspireerd door de persoonlijke ervaringen die hij had opgedaan met zijn vrouw, die twee jaar eerder in een gesticht was beland. Het proces van het langzaam wegglijden in de waanzin had hij zich dus onder zijn ogen zien voltrekken. Hij moet gezien hebben dat die grens gradueel is en uiteindelijk bepaald wordt door de omgeving. Er zijn geen absolute verschillen tussen waan en werkelijkheid. Integendeel, we hebben met ons allen ooit afgesproken dat het gezonde verstand overeenstemt met de wereld. Maar wie zegt dat een waanzinnige niet veel meer recht van spreken heeft? Waanzin kan soms een toevluchtsoord voor het bewustzijn vormen, een comfortabele binnenwereld die veruit te verkiezen is boven de dorre eenzaamheid van het alledaagse bestaan.

Het verhaal van het stuk is intrigerend. De hoofdpersoon, een depressieve jongeman, valt tijdens een historische optocht, waarin hij de rol van Hendrik IV speelt, van zijn paard en wordt krankzinnig. Hij denkt dan dat hij werkelijk Hendrik IV is, de Duitse keizer uit de 11de eeuw die barrevoets de gang naar Canossa moest maken naar de Paus. In plaats van zijn waanzin te behandelen, besluit zijn welgestelde neef om hem in zijn waan te laten en hem op te sluiten in een middeleeuws kasteel, waar alles is ingericht als het hof van de historische Hendrik IV. Daar verblijft hij twintig jaar lang, letterlijk in een burcht van illusies.

Als het stuk daadwerkelijk begint, komt een groepje oude vrienden bij hem langs. Onder hen bevindt zich zijn oude geliefde Mathilde die opeens de hoop blijk te koesteren om hem te genezen, hoewel ze hem jarenlang aan zijn lot heeft overgelaten. Op advies van een psychiater besluiten men een poging te wagen om ‘Hendrik IV’ met een schok uit zijn waanwereld te laten ontwaken. De dochter van Mathilde trekt de kleren aan die haar moeder twintig jaar tevoren had gedragen toen het ongeluk gebeurde.

Uiteindelijk blijkt dat Hendrik al acht jaar eerder genezen was, maar al die tijd zijn waanzin is blijven simuleren om niet te hoeven terug te keren in de wereld van het gezonde verstand. Hij verkoos het geruststellende comfort van zijn historische identiteit boven de trieste werkelijkheid van zijn eigen verspilde leven. Maar als de burcht van illusies dreigt te bezwijken, kan alleen een wanhoopsdaad nog uitkomst bieden. Het stuk eindigt dramatisch met een moord, waarmee de hoofdpersoon alsnog zijn waanzin voor zijn directe omgeving onomstotelijk bevestigt.

Maar de vraag die natuurlijk blijft hangen is: wat stelt die waanzin nog voor? Hendrik IV is waanzinnig, maar in relatie tot welke werkelijkheid? Zijn eigen bewustzijn? De leugen van zijn geliefde? De historische schijnwereld die zelfs zijn directe omgeving twintig jaar lang in stand heeft gehouden? Een absolute grens is verdwenen. Er bestaat geen waarheid meer, geen werkelijkheid en geen waanzin. Een half jaar nadat ik het stuk op TV had gezien belandde ik zelf in een gesticht. Ik heb daar nog vaak aan het stuk van Pirandello teruggedacht. Ik speelde met de gedachte om voortaan net te doen alsof.

Soms denk ik wel eens bij mezelf, dat ik nog altijd doe alsof. Ik doe alsof ik ‘ik’ ben, maar dat ben ik niet. Ik doe alsof ik ‘Fries’ ben, maar dat ben ik niet. Ik doe alsof ik ‘Huub Mous’ ben, maar dat ben ik niet. Ik doe alsof ik ‘gek’ ben, maar dat ik ben ik niet. Of anders gezegd, de ware gekte is de werkelijkheid zelf. We houden met zijn allen de illusie in stand dat de werkelijkheid de normaalste zaak van de wereld is. We trekken een geruststellend decor overeind van een historische of existentiële identiteit, waarin we ons niet alleen als groep, maar ook als individu heel veilig wanen.

Maar identiteit bestaat niet. Het is een blinddoek die ons behoedt voor een gigantische leegte. Wie de moed heeft om die blinddoek af te doen ziet de waanzin recht in de ogen. Die horror dekken we af met de illusie van een gezond verstand. Hendrik IV is een soort Elckerlyc. Het gaat over iedereen. Ieder mens leeft immers in een burcht van illusies.

2 Reacties

La carte du tendre

Ik zie weer je vertrouwd gezicht.
Ik proef je glimlach bij het ontwaken.
Ik hoor je woorden die mij raken.
Ik voel mijn hart, schrijf dit gedicht.

Jij die zegt nog niet te kiezen,
mij andermaal de liefde leert.
Jij die bezielt, betovert, alles keert,
mij alles teruggeeft na het verliezen.

Wij hebben iets, benoem het niet.
Wij gaan op weg, opnieuw, wij samen.
Wij komen terug waar we ooit kwamen.
Wij staan weer in een oud gebied.

La carte du tendre, meer is het niet.

 

Reageer