Golven in dezelfde zee

(foto: Dolph Kessler)

De corona-crisis doet mij beseffen dat het betekenisveld van het woord ‘eenzaamheid’ in de loop van de tijd is veranderd. (zie mijn blog: Het virus van de eenzaamheid). Dat roept de vraag op hoe de context van de tijdgeest van invloed is op de beleving van sombere gemoedsstemmingen. Het gevoel van somberheid heeft een breed spectrum variërend van normale tot ziekelijke varianten.

Hoe zit het bijvoorbeeld met de scheidslijnen tussen rouw en depressie? Waar gaat een ‘gezonde somberheid’ over in een ziekelijke variant? Kan het zijn dat bij het bepalen van deze scheidslijn niet alleen de tijdgeest zelf van invloed is, maar ook het mensbeeld, dat  – zeker in de traditie van de freudiaanse psychologie –  teveel als een autonoom, op zich zelf staand wezen wordt beschouwd, en te weinig als een ‘geestelijk organisme’ dat intrinsiek verweven is met ‘de geest van de tijd’? 

Ik heb mij voorgenomen om een essay te schrijven over deze problematiek. Ik weet het, de probleemstelling is nogal ruim geformuleerd. Hierbij wordt er immers vanuit gegaan dat er zoiets als ‘de geest van de tijd’ zou bestaan. Als dat zo is, dan is dit fenomeen moeilijk in objectieve termen te definiëren. Tijdgeest is bovenal een blinde vlek, of anders gezegd: het onvermogen om de denkbarrières die eigen zijn aan de eigen tijd onder ogen te zien.

In zijn boek De werkelijkheid van de ziel (1957) stelt Jung dat de tijdgeest met de categorieën van het menselijk verstand niet begrepen kan worden. De tijdgeest oefent vooral op zwakke geesten een zeer sterke suggestie uit. Zoals het vroeger vanzelfsprekend was om te menen dat alles eens uit de scheppende wil van een geestelijke God geboren is, zo heeft de negentiende eeuw de vanzelfsprekende waarheid ontdekt dat alles uit materiële oorzaken ontstaat. Daarom stelt Jung: ‘Er valt niet te spotten met de tijdgeest, want hij is een godsdienst, beter gezegd een confessie of een credo.’

Wat heeft dit credo met onderscheidingen van somberheid van doen? Ik ben geen psychiater of filosoof, dus ik zal mij niet wagen aan verfijnde medische of filosofische determinaties van ziektebeelden of gemoedsstemmingen. Ik ga primair uit van mijn eigen ervaringen van somberheid.

Na een psychose in 1966, toen ik achttien jaar was, bleven de depressies in mijn leven terugkeren met de regelmaat van de klok. Meestal na tussenpozen van zo’n jaar of drie gleed ik weer weg in een fase van somberheid en apathie, een druiligere tijd die zich telkens weer aandiende na een onstuimige periode van bruisende activiteit. Himmelhochjauchzend und zum Tode betrübt, zo ging het telkens weer. Deze golfslag kwam in de jaren negentig langzaam tot rust en eindigde definitief in begin van het nieuwe decennium.

De rouw daarentegen diende zich plotseling aan in mijn leven, toen mijn geliefde in september 2016 – na een ziekbed van drie weken – vrij plotseling overleed. Na deze rouw die ruim een jaar heeft geduurd, volgde van de weeromstuit een periode van onstuimige levenslust en bruisende activiteit. Het spiegelbeeld dus van mijn depressies, die juist het gevolg leken te zijn van dergelijke uitbarstingen van levensenergie. Zowel mijn depressies als mijn rouwperiode heb ik uitvoerig beschreven in dagboeken, op dit blog en deels ook in eerdere publicaties. 

Het toeval wil dat ik mij een jaar lang verdiept heb in de geestestoestand van Simon Vestdijk. Deze productieve schrijver werd gedurende zijn gehele werkzame leven geplaagd werd door telkens weer terugkerende depressies. Depressief zijn en schrijven betekenden voor hem zoiets als ‘vallen, opstaan en hollen’. Het een kon niet zonder het ander. Door telkens weer in de afgrond van diepe somberheid weg te glijden, vond hij keer op keer de spankracht voor zijn onuitputtelijke schrijfdrang.  

Zowel mijn eigen depressie-ervaringen als de verslagen van die van Vestdijk wil ik gebruiken als bron voor het schrijven van dit essay. Van hieruit zal ik vergelijkingen trekken met de ervaringen die zich aandienen in de rouw, maar ook de veranderingen in veel ruimer verband. Ingrijpende wereldgebeurtenissen en plotselinge verschuivingen in de cultuur brengen transformaties teweeg in de ervaring van het ‘innerlijk leven’. 

De plotselinge uitbraak van de corona-crisis maakt mij bewust van het feit dat ik mij geestelijk teweer moet stellen nu werkelijk alles om me heen van de ene op de andere dag ingrijpend verandert. Deze plotselinge omslag in het levensperspectief herinnert mij aan vergelijkbare innerlijke transformaties in tijden van rouw of depressie. Niet alleen de ervaring van de somberheid als zodanig dient zich dan aan, maar vooral ook de re-organisatie van het innerlijk, het noodzakelijk ‘herpakken’ van de wil om te leven, kortom, het ‘dealen’ met de somberheid.

Dit zich teweerstellen tegen de psychische tegenslag of terugslag is in mijn optiek van groter belang dan de aard van somberheid en de herkomst of oorzaak van deze geestelijke gemoedstoestand. Of die oorzaak nu gelegen is een daadwerkelijk verlies, of in een vermeend of misschien zelfs onbewust ervaren verlies, zowel rouw als depressie zijn beide betrokken in een complex dynamisch systeem, waarin niet alleen de innerlijke toestand van de geest maar ook de gehele omgeving, variërend van dagelijkse gebeurtenissen, het wereldgebeuren, de cultuur… kortom, ‘de geest van de tijd’ betrokken zijn.

In dat licht bezien hebben rouw en depressie meer gemeen dan de verschillen in oorzaak of herkomst doen vermoeden. Beiden zijn onderhevig aan een golfslag in de tijd, een dynamiek van eb en vloed in de zee van leven die ons allen verbindt.

Reageer

Virus komt van Mars

Ik had een nachtmerrie vannacht. Ik bevond me in een grote ronde ruimte die veel weg had van een voormalige kapel. De muren waren van een zacht soort grijze zandsteen. Het was niet helemaal duidelijk wat de huidige functie van de ruimte nu eigenlijk was. Het leek er op dat er kunsttentoonstellingen werden georganiseerd. Maar er waren ook restanten te zien die nog altijd duidden op liturgische activiteiten. Bij de ingang stond een gigantische kaars die brandde en op de preekstoel lag een opengeslagen Bijbel waarin de passage te lezen was over de zeven laatste plagen in het Boek Openbaring : 

“En ik zag een ander groot en wonderlijk teken in den hemel; namelijk zeven engelen, hebbende de zeven laatste plagen; want in deze is de toorn Gods geëindigd.”

 In de hoge glas-in-loodramen rondom in de muur waren allegorische taferelen te zien van beroepen: een verpleegster, een arts, een chirurg, een ambulancemedewerker, een hypnotherapeut, een veranderingsmanager en een communicatiedeskundige. In een donkere hoek aan het eind was een stel jongens bezig met een computergame met ingewikkelde kansberekeningen. Maar de statistieken klopten niet. Het ging er heftig aan toe. Er werd gescholden.

Dit is vloeken in de kerk, zo dacht ik nog bij mijzelf. Op de plek, waar ooit het altaar was, stond een groot Heilig Hart beeld, eveneens uitgevoerd in een zacht soort grijze zandsteen. Het bleek tegelijk een tabernakel te zijn, want er zat een deurtje in dat open kon. Een uitgestoken hand fungeerde als deurknop. Toen ik die hand vastpakte brak hij af. Ik probeerde het deurtje alsnog te openen, met als gevolg dat het hele beeld onder mijn ogen verpulverde en in elkaar stortte. 

Tegelijk stak er een vreemde bries op in de ruimte. Ik zag dat er een windvlaag naar binnen kwam, dwars door de glas in lood ramen die kleine gaten bleken te hebben. Buiten zag ik een glimp van het Rengerspark in Leeuwarden. De wind voelde zwoel aan. Langzaam ging het harder waaien, zodat de ramen begonnen te trillen. Op dat moment was ik naakt en kreeg ik een erectie.

Ik stortte mij op de dichtstbijzijnde muur en priemde mijn lans van vlees in de zachte, grijze zandsteen. Ik huiverde. De ruimte om me heen smolt weg in een vloeibaar universum. Ik hoorde een zware stem die zei: “Voorwaar, voorwaar ik zeg U: Vrouwen komen van Venus, maar Virus komt van Mars!”

‘Wat moet dit betekenen?’, zo vroeg ik mij af. Het vloeibaar worden van de ruimte nadat ik mijn lans van vlees in de zachte zandsteen heb gepriemd, duidt wellicht op een almachtsfantasie als de nood het hoogst is. De passage uit het Boek Openbaring spreekt voor zichzelf. In tijden van rampspoed is mijn blog een vluchtweg voor mijn almachtsfantasieën.

Je kunt jezelf een God wanen op internet. De virtuele ruimte biedt de mogelijkheid om het eigen ego te vergoddelijken en aan alle rampen te ontsnappen die in de Bijbel zijn voorspeld. Je kunt jezelf adoreren – of laten adoreren – in een andere gedaante die tegelijk je spiegelbeeld is. Op het scherm van mijn computer ontsluit zich elke dag weer een onpeilbare diepte, maar ook het oppervlak van de spiegel waarin het gelaat van Narcissus verschijnt, zelfs als de doos van Pandora leeg is en alleen de hoop ons nog rest. 

Of ik het nu leuk vind of niet… I am the boy in the bubble. Mijn dromen laten mij elke dag weer zien dat ik een monster ben in het diepst van mijn gedachten. Misschien is mijn grootste angst wel dat ik ooit zal worden wie ik werkelijk ben. Deep down schuilt er een kannibaal in mij. Er zitten duivels in mijn brein, die ik graag zou willen laten ontsnappen als ik daar even de ruimte voor krijg.

Maar ik word gezien. Niets blijft onopgemerkt. En zijn is gezien worden. 

Reageer

Rustige dagen in Huissen

bal

Huissen, 1959

Toen ik nog klein was fantaseerde ik dat het universum een wervelstorm van energie zou zijn. Het lichaam is slechts een tijdelijke constellatie, die zich als een golf van energie en gestolde moleculen voortplant door een fluïdum, waarin in alles in feite tijdloos stilstaat. Binnen dat fluïdum bestaat er immers geen tijd. Alleen wie leeft, ervaart de tijd als het razen van een wervelstorm, maar in het oog van deze orkaan staat alles stil. We zitten gevangen in een tyfoon van energie die ons meesleurt naar de verte. Weg uit het paradijs. Weg uit de moederschoot.

Als kind ben ik altijd wat stil en eenzelvig geweest, als enige zoon tussen vier oudere zussen, een nakomer die alles zag in een gezin dat beheerst werd door ouderen. Toen die cirkel om me heen wat groter werd bleef ik mijn omgeving waarnemen met de blik die niet van een kind was. Ik was alleen in een gesloten wereld van vrouwen die allemaal mijn moeder wilden zijn. Ik had een overschot  aan moeders. Ze duwden me terug diep in mezelf. En toch had ik wat je noemt een gelukkige jeugd. Zielsgelukkig, wat wil je nog meer. O gelukzalige eenzaamheid. O eenzame gelukzaligheid.

4 april, 1980(3)0001

Vier zussen had ik en een moeder. Op deze foto zitten ze om me heen. Maar dat niet alleen, ook twee van mijn tantes: tante Marie en tante Door. Mijn moeder had nog een derde zuster, tante Luus, maar die is hier niet te zien. Misschien heeft zij de foto genomen. Hoe dan ook, tussen al die vrouwen zit ik, soeverein en ongenaakbaar, als de laatste keizer van China.

De organisatie van dit beeld lijkt zich heel natuurlijk op mij te concentreren. Ik ben het brandpunt waar de blik van de fotograaf zich op richt. Mijn moeder en mijn oudste zus Mariet vormen twee accolade-tekens links en rechts van mij. Daaromheen groeperen zich de overige figuren alsof ze daar door de hand van een schilder zijn neergezet. Het zwaartepunt van de compositie ligt iets rechts van het midden, geheel volgens de wet van de gulden snede. Voor de rest varieert ieder in houding en gelaatsuitdrukking, de blik gericht op de camera, vol aandacht, alsof men wist dat dit beeld de tijd zou gaan trotseren. Kijk, hier zitten wij. Zomaar in het bos en we blijven hier voor altijd zitten. Het moet ergens in de buurt van Arnhem zijn geweest. Mijn drie tantes woonden in Huissen, een klein plaatsje, vlak onder Arnhem.

Ik schat dat ik hier zo’n jaar of drie was. Het moet in de zomer van 1951 zijn. We waren kennelijk aan het fietsen. Mijn vader organiseerde in de vroege jaren vijftig vaak fietsvakanties. Zo herinner ik mij lange tochten door het hele land. We logeerden nooit in een hotel, want dat was te duur. Aangekomen op de plaats van bestemming gingen we weer met de trein naar huis. De dag daarop keerden we dan met de trein weer terug naar de plaats waar we gebleven waren, om van daaruit met de fiets weer verder te trekken.

Toen ik klein was, zat ik altijd bij mijn vader in een zitje voor op het stuur. Zo reden we ook wel naar Huissen. Dat was zo’n honderd kilometer vanuit Amsterdam. Op een keer reden we vroeg in de morgen weer terug, maar het weer sloeg om en de temperatuur daalde tot een bedenkelijk laag niveau. Even buiten Arnhem zei mijn moeder: ‘Hij wordt blauw, Durk, we moeten stoppen.’ Ze zijn toen maar op  de trein gestapt. Nee, het was niet altijd rozengeur en maneschijn. Maar voor het overige was ik natuurlijk een strontverwend kind.

Ik was een geschenk uit de hemel, een bevoorrechte stamhouder, uitverkoren door het lot, bestemd om het geslacht der Mousen te doen voortleven in een nieuwe tijd vol hoop en verwachting. Duizend wegen lagen open, maar juist in die eerste levensjaren schijnt de teerling geworpen te zijn, als we de psychologen mogen geloven. En toch, ik was een makkelijk kind. Vroeg zindelijk ook, misschien wel iets te vroeg. Mijn moeder las geen Doctor Spock en bovendien groeide ik op binnen dit gesloten cordon van instant-moeders die mij het gezonde verstand met de paplepel hebben ingegoten.

regenton

Huissen, begin jaren vijftig. Mijn vader is niet te zien. Hij nam de foto. Ik sta in het midden. Staand v.l.n.r.: Tante Marie, Tante Luus, mijn moeder, mijn oudste zus Mariet. Zittend: mijn zus Lucie, tante Door en mijn zussen Trees en Cornelie.

We spreken over de eindeloze jaren vijftig. Een tijd zonder horizon, vooral als de zomervakantie was aangebroken, want dan begon de eeuwigheid pas goed. In die lange zomermaanden werd ik vaak bij de tantes in Huissen ‘geparkeerd’. Mijn tantes waren ongetrouwd gebleven en al vroeg bij elkaar wonen. Ze hadden een kast van een huis aan de Stephanus Huismanstraat nummer 3 – destijds ook wel Laak genoemd –  een lange laan met grote bomen aan de rand van de bebouwde kom.

Huissen was in die tijd misschien wel het meest katholieke bolwerk in Nederland. Misschien op Bakhuizen na, die roomse enclave in Friesland, waar mijn vader werd geboren. Huissen is van oudsher een eigenaardig plaatsje geweest. In 1502 wilden de heerser van Gelderland de stad veroveren. Die aanval hebben de Huissenaren manmoedig weten te pareren. Later, na de tachtigjarige oorlog, werd het een katholieke enclave in het protestantse Nederland.

Er heerste in Huissen een wonderlijke stilte, alsof de tijd was stil blijven staan. Huissen had zwaar te lijden gehad onder de oorlog. Het lag precies in de frontlinie ten tijde van de slag om Arnhem. De Duitsers hebben hier een kampement gehad en de bevolking werd maandenlang geheel geëvacueerd. Ook mijn tantes moesten toen hun huis verlaten. Bij mij thuis staat nog altijd het penantkastje dat de oorlog in Huissen heeft overleefd en ik uiteindelijk heb geërfd. In het houten blad zit een grote barst die veroorzaakt werd doordat de Canadezen, die later het stadje bezet hielden, hier op hebben gekookt.

Op de begraafplaats is een massagraf voor de omgekomen Huissenaren. De kerk werd zwaar getroffen door bombardementen en het heeft jaren  geduurd voordat de kerktoren weer kon worden opgebouwd. Overal kon je nog sporen zien waar de granaten destijds waren ingeslagen, Eind jaren vijftig heb ik hier hele zomervakanties doorgebracht, zes weken lang. Ook begin jaren zestig kwam ik er vaak. Ik ken dit stadje dus als mijn broekzak. Tenminste, zoals het toen was. Het leven was er harmonisch, dicht bij de natuur. Groente en fruit kochten mijn tantes bij de boer en elk jaar werd alles in weckflessen gestopt voor een goedkope overwintering.

In het portaal hing een klein kastje voor de drie missalen waarmee ze elke zondag ter kerke gingen. Mijn tantes stonden ’s ochtends al om zes uur op  en gingen ’s avonds om tien uur naar bed. Het leven verliep als een uurwerk dat steevast te strak was opgewonden. In de hoge gang van het huis hing een Fries staartklok waarvan het harde tikken de loodzware stilte hoorbaar maakte. Het rook er naar boenwas en in de vensterbanken stonden sigarendoosjes met DDT om de insecten te weren. Daar lagen dode muggen in.

Of het pedagogisch verantwoord was om een kind zolang op zichzelf te laten, hebben mijn ouders zich nooit afgevraagd. Ik had er zelf geen enkele moeite mee, want ik kon mijzelf uitstekend vermaken. Nu nog trouwens. Elke zomer, als ik bij Huissen logeerde, verdiepte ik mij in oude jaargangen van de Katholieke Illustratie. Mijn tantes hadden alle jaargangen sinds 1938 keurig ingebonden in gemarmerde kaften. Ze stonden in een kast boven op de grote zolder, waar ook de hele uitleen-inventaris van het Wit-Gele Kruis stond opgeslagen. En zo zat ik tussen de po’s en ondersteken, krukken en beddenklossen, urenlang geheel verdiept in al die plaatjes. Daar in het halfduister kon ik als kind wegdromen. Plaatjes kijken is altijd mijn belangrijkste liefhebberij geweest. Later heb ik er zelfs mijn beroep van gemaakt.

In de Katholieke Illustratie zag je foto’s van de arme kindjes in Afrika, maar ook reportages over hoe het Witte Huis in Washington er uitzag of het Rode Plein in Moskou, of anders wel een beeldverslag van de zegenrijke vorderingen van de missie op Nieuw Guinea, waar nog koppensnellers waren en de missionarissen dus heel gevaarlijk werk deden. Pas onlangs realiseerde ik mij dat mijn gedwongen vakantieverblijven destijds in Huissen een praktische reden hebben gehad. Mijn jongste zuster Trees moest in 1958 en 1959 twee zware hersenoperaties ondergaan. Ik werd uit huis geplaatst, omdat mijn moeder in die tijd de handen vol had.

Nog altijd heb ikzelf enkele jaargangen van de Katholieke Illustratie in mijn bezit. De meeste dateren uit de jaren vijftig of het begin van de jaren zestig. Ik mag daar ook nu nog graag in bladeren, want zo kom je tot de merkwaardige gewaarwording dat de tijd niet verdwijnt, maar eigenlijk voor eeuwig stilstaat. Wij zijn het zelf die almaar voortrazen in de storm, maar het verleden staat voor eeuwig stil, en wie weet het heden ook. Het leven is immers eindig, maar de dood niet.

4 april, 1980(3)0001
v.l.n.r.: Tante Marie, mijn moeder, mijn zus Trees, ikzelf, Tante Door, mijn zus Lucie en tante Luus

In het huis van mijn tantes stonden Mariabeelden en op de overloop hing een grote fles Lourdeswater. Mijn tantes  hadden iets met Lourdes. In de jaren twintig en dertig waren ze vaak mee geweest als ziekenverzorger op de treinbedevaart naar Lourdes. Ook mijn moeder, die de jongste was thuis, ging vaak mee. Op de overloop van het grote huis in Huissen stond en groot plastic Mariabeeld met daarin Lourdeswater dat na al die jaren bedorven moet zijn geweest. Maar Lourdeswater bederft niet, zo beweerden mijn tantes. Mijn moeder was daar niet zo zeker van.

Tante Luus, de onderwijzeres, gaf les in het gebouw van de Cremerstichting, dat later leeg kwam te staan toen de nieuwe school gebouwd werd tegenover het nonnenklooster naast de kerk. In dat gebouw van de Cremerstichting heb ik nog eens een lijk zien liggen. Het lichaam was dood aangespoeld bij het Loo-veer en in een witte lijkzak verpakt. Tante Door, de wijkverpleegster moest vaak overledenen afleggen. Zo is ze in 1963 nog een keer bij een moordzaak betrokken geraakt. Een leraar in Huissen zou zijn vrouw hebben vermoord met een washandje in bad. Tante Door had het ontzielde lichaam aangetroffen, naakt en met natte haren en blauw plekken in de hals. Later moest ze nog getuigen voor de rechtbank in Arnhem. Het werd een grote zaak waarover breeduit verslag werd gedaan in de Telegraaf. In Huissen gebeurde altijd wat. Alles was op orde en toch broeide er iets onder het oppervlak. Iets wat moeilijk te benoemen valt, maar onlosmakelijk verbonden lijkt met de eindeloosheid van die tijd.

pasen in huissen

Met tante Door in de voortuin in Huissen, Pasen 1960.

Onlangs was ik op bezoek bij mijn oudste zus in Arnhem. Na afloop ben ik nog even naar Huissen gefietst. De Huissensedijk ligt er nog, en zo reed ik langs de uiterwaarden waar nu een snelweg doorheen loopt. Eenmaal in Huissen kon ik het niet laten om het grote huis te bekijken, waar ik in de jaren vijftig vaak bij mijn tantes heb gelogeerd. Op het eind van de Kloosterlaan fietste ik weer de dijk op. Ik zag tot mijn ontzetting dat het prachtige uitzicht, dat je hier vroeger had op de Rijn in de verte, verloren is gegaan in een compleet verrommeld landschap.

Ik herinner mij dat ik hier samen met mijn vader wel eens wandelde. Mijn vader wilde dan altijd de Rijn zien. Zo liepen wij dwars door de uiterwaarden en klommen zo nu en dan over de boerenhekken om bij de zomerdijk te komen, waar de kribben ver de rivier in staken en rijnaken traag voorbij voeren. Dat was een hele wandeling, want Huissen ligt een flink eind van de rivier af. Zo raakten we ver van huis en zagen uiteindelijk in de verte Arnhem liggen, met daarachter de eerste glooiingen van de Veluwe. In dat soort herinneringen staat de tijd voor mij stil, alsof dat landschap er altijd al was en ook altijd zo zal blijven.

Geen reactie mogelijk

Het virus van de eenzaamheid

Opeens was het onder ons: het woord ‘eenzaamheidsvirus’. ‘Het coronavirus kunnen we niet stoppen, het eenzaamheidsvirus wel,’ zo klonk de inmiddels vaak geciteerde oneliner van Koning Willem Alexander bij zijn toespraak tot het volk op 20 maart. Het woord ‘eenzaamheidsvirus’ ging viraal in tijden van corona. Alsof de eenzaamheid nooit eerder had bestaan. De gedachte alleen dat deze existentiële kwaal zich plotseling op grote schaal zou kunnen verspreiden, vond veel weerklank. Social distancing werd een katalysator voor volksziekte nummer één: de collectieve eenzaamheid. En dat moet opeens uit alle macht bestreden worden.

Ook psychiaters laten zich niet onbetuigd. Volgens de Belgische psychiater en filosoof Damiaan Denys boezemt corona-virus veel angst in, doordat alle ingrediënten om bang te worden in een onzichtbaar virus verenigd zijn. Je ziet het niet. Je ruikt het niet. Je hoort het niet. Het kan dus overal zijn. Geen wonder dus dat ook GZ-instellingen de gevolgen van dit virus gingen ondervinden. Zij zagen in de eerste weken van de crisis de frequentie en urgentie van de corona-crisis van hun cliënten sterk toenemen. Het corona-virus geeft alom gevoelens van onrust, angst, somberheid, maar kennelijk vooral eenzaamheid.

Er is iets raars aan de hand met die eenzaamheid. In de strikte zin van het woord leek eenzaamheid tot voor kort een verdwijnend fenomeen. De hedendaagse bewoner van een Vinex-wijk voelde zich niet eenzaam – zo leek het – hooguit een beetje depri. De therapeutische wildgroei van de laatste decennia had een nieuw vocabulaire gecreëerd waarmee de gemoedstoestand alleen nog in technische termen viel aan te duiden. Affectieve deprivatie, depressie, ik-zwakte, contactstoring…. Kortom, eenzaamheid werd in toenemende mate opgevat als een psychohygiënisch defect, een storing in het gevoelsleven dat met enig gesleutel van een therapeut heel wel te verhelpen zou zijn.

Het woord ‘eenzaamheid’ was een beetje uit de tijd geraakt. Tenminste, dat deed de tijdgeest je geloven. Het deed mij herinneren aan de tijd van de wederopbouw, de jaren vijftig en begin jaren zestig toen de literatuur in het teken stond van vervreemding, levensangst en de onmacht om de ander te bereiken. Dat waren de sluimerende kwalen van de lonely crowd. In het  naoorlogse Nederland daalde die zijnsvergetelheid neer in het grauwe leven van de voorsteden waar ‘de moderne leegte’ door architecten en stedenbouwers gepropageerd werd als een nieuwe wijze van leven. Wie als kind opgroeide in Amsterdam Slotervaart of de Bijlmermeer weet van nature wat social distancing is. Eenzaamheid werd een bijverschijnsel van de koude oorlog, een tijd waarin het leven in de literatuur werd afgeschilderd in een grauwe toonzetting die bijna stereotiep is terug te vinden boeken Reve, Blaman en Hermans.

Ondanks al die somberheid behoorden die jaren, waarin ik mijn pubertijd beleefde, tot een ogenschijnlijk zorgeloos tijdvak waarin het Franse chanson een opmerkelijke bloeitijd beleefde en het woord solitude een nieuwe klank leek te krijgen. Het werd een mooi gevoel waarover je kon zingen. Je ne suis jamais seul avec ma solitude. Het verdriet kreeg een tweede traan.

Eenzaamheid verscheen in mijn jeugd op de monitor van de tijdgeest. Zelfs een ex-vorstin voelde zich terugkijkend op een lang leven uiteindelijk eenzaam maar niet alleen. De naweeën van de romantische eenzaamheid als een toestand vol melancholie vloeide in het naoorlogse chanson naadloos over in het bitterzoete levensgevoel van een generatie die vooral te doen had met zichzelf. Er ontstond zoiets al een gekoesterd gevoel van verlatenheid. Na Auschwitz en Hiroshima werd het triste à Venise.

De spleen van Aznavour vermengde zich met de walging van Sartre en in die smeltkroes moet een nieuw betekenisveld van het woord ‘eenzaamheid’ zijn ontstaan. Het woord werd opeens met schuld beladen, want een mens was in alle opzichten verantwoordelijk voor zichzelf. Eenzaamheid overkwam je niet als een beschikking van het noodlot. Het wat altijd een keuze tussen isolement en solidariteit. In het Frans scheelde het ook maar een letter: solidair of solitair.

Die existentialistische ondertonen van het woord ‘eenzaamheid’ zijn inmiddels verstomd. De eenzaamheid is terug van weggeweest. In deze dagen van social distancing, die door de overheid wordt afgedwongen op straffe van hoge boetes, veroorzaakt de plotseling gewekte aandacht voor de eenzaamheid een uitbraak van naastenliefde en gemeenschapszin. Na de pakkende oneliner van de koning over het virus van de eenzaamheid lijkt Jan en alleman zich bewust geworden van een kwaal die zich schuilhield in de kieren van de welvaartsstaat, maar die nu opeens is opgeschaald tot een dreigende pandemie.

Wie goed luisterde, hoorde al eerder signalen dat dit eenzaamheidsvirus in aantocht was. Al acht jaar geleden schreef Belgische psychiater Dirk De Wachter – waarom zijn het toch altijd Belgische psychiaters die de noodklok luiden? – in zijn boek Borderline times het volgende:

‘We leven in een tijdperk dat als verplicht levenscrescendo aan elk individu meegeeft ‘zichzelf te ontplooien‘ en ‘zichzelf te realiseren’. Deze individuele plicht om het eigen leven te maken, deze beslissingsvrijheid over het eigen leven beschouwen we als een verworvenheid van de 20ste eeuw en als een ontvoogding van de mens van Kerk en Staat, maar we betalen hoe dan ook de prijs van de eenzaamheid, de prijs van de ‘alleen-heid’. En waneer het lot ons minder goed gezind is dan wat de media ‘het perfecte leven’ laten uitschijnen, wanneer de opdracht tot ‘zelfrealisatie’ minder goed lukt, is dat alles je eigen schuld: jij alles bent verantwoordlijk voor je eigen falen.’

Het neo-liberalisme en het doorgeschoten individualisme hebben de tijdgeest ingrijpend veranderd. En zo werd het gevoel van eenzaamheid opnieuw beladen met de schuld van de eigen keuze. Misschien kan de corona-crisis ons eindelijk eens van die ‘keuze-schuld’ verlossen. Wie weet leren we weer collectief ‘eenzaam maar niet alleen’ te zijn, en voelen we weer dat bitterzoete gevoel vol romantiek en melancholie.


Reageer

No books to protect me

I have my books and my poetry to protect me
I am shielded in my armor
Hiding in my room, safe within my womb
I touch no one and no one touches me

Paul Simon

Deze dagen van zelfopgelegde quarantaine lenen zich uitstekend voor het ordenen van mijn boekenkast. Nog altijd heb ik teveel boeken. Door de jaren heen heb ik ze in huis gesleept en als een muur om me heen opgebouwd. Alsof een burcht van boeken je bescherming kan bieden tegen de dood. Ze kunnen je niet eens beschermen tegen het leven.

Ik denk dat mijn liefde voor het boek voor een groot deel is voortgekomen uit het de omstandigheid dat ik opgegroeid ben in een huis zonder boeken. Uit pedagogisch oogpunt heeft het ook weinig zin om kinderen al in hun vroegste jeugd met boeken in aanraking te brengen, zo er al een heilzame werking van boeken uitgaat, wat zeer discutabel is. Jean Paul Sartre, die niet over gebrek aan verbeeldingskracht en verbaal vermogen te klagen had, beschrijft in zijn autobiografie Les mots dat hij opgroeide in een ouderlijk huis vol boeken, maar tegelijk als kind verslaafd raakte aan het lezen van stripverhalen. Zonder effectbejag of ironie, maar letterlijk en oprecht bekent dat hij dat hij nog altijd liever strips las dan Wittgenstein..

Hoe dan ook, een boek was een zeldzaam fenomeen bij ons huis. Het lezen van boeken werd ook niet door de kerk gestimuleerd. Integendeel. Heel wat boeken stonden op de verboden lijst, de index, die pas in 1966 door Paus Pius VI werd opgeheven. Niet dat wij thuis helemaal geen boeken hadden. Begin jaren zestig kocht mijn vader een ‘Kant en klaar’ wandmeubel, waar de glazen in konden staan. Daar zat ook een boekenplankje in. Maar meer dan tien boeken kan ik me niet herinneren.

Zo herinner ik mij De Peelwerkers van Antoon Coolen en een vijfdelige Winkler Prins. Soms kwam er een boek in huis dat je goedkoop bij de Margriet kon krijgen. Van Pearl S. Buck bijvoorbeeld of Kronkels van Carmiggelt. Ook kan ik me herinneren dat er wel eens een Prisma-boekje door het huis heen slingerde met titels als De leugen daalt over China van Mark Tennien. En natuurlijk Augustinus de zielzorger van Frits van der Meer, een pocketuitgave van uitgever Het Spectrum. Maar dat was het dan ook wel.

Het exemplaar van Augustinus de zielzorger, dat ik nu in mijn bezit heb, is de gebonden uitgave, en wel de tweede druk uit 1948, ook uitgegeven bij Het Spectrum. Ik kocht het ooit voor 10 Euro bij een antiquariaat in Groningen, het boek zelf is gekocht in Amsterdam, bij een boekhandel in de Leidsestraat. Dat maak ik op uit een klein stickertje aan de binnenkant van het omslag, waar de initialen MB op staan. Leidsestraat 70-78 is het adres, om precies te zijn.

4 april, 1980(3)0001

Die initialen M B stonden voor en voor Moderne Boekhandel Bas, zo ontdekte ik na enig googelen op internet. In 1994 kwam hier een filiaal van Boekhandel Het Martyrium, die ook in de Van Baerlestraat 70 is gevestigd. Verder vond ik nog het volgende:

‘De Moderne boekhandel Bas was van Klaas Jan Bas, uit Hoorn, die in de jaren ’30 naar Indonesië ging en een boekhandel op Java had. Hij kwam begin jaren ’50 terug en startte deze boekhandel. Op zijn hoogtepunt had hij 7 boekhandels in Amsterdam. Toen hij het rustiger aan wilde doen, ruilde hij -bij mijn weten, ik begon eind 1987 voor hem te werken; hij had de boekhandel toen al verkocht- Moderne boekhandel Bas voor Boekhandel Van Rossum in de Beethovenstraat , toen nog in 1 pand, nr. 33. Al gauw kocht hij het pand ernaast (31) erbij. Hij kon het niet laten. In Moderne boekhandel Bas exposeerden veel kunstenaars, waaronder Jan Montyn, die zijn boeken met kunstwerken betaalde. Ook in de jaren ’90 nog. ‘

Dat is mooi om te weten, maar wie heeft mijn boek daar gekocht? Helaas staat er geen naam in, laat staan een Ex Libris. Wel vond ik een uitnodigingskaartje en twee krantenknipsels die betrekking hebben op Pater Dr. A Fiolet O.F.M.

4 april, 1980(3)0001

4 april, 1980(3)0001

Dat moet dan Herman Fiolet zijn geweest. Op Wikipedia vind ik over hem onder meer het volgende:

Herman_Fiolet_(1970)

Herman Antonius Maria (H.A.M.) Fiolet (Amsterdam, 15 augustus 1920 – Hilversum, 1 november 2012) was een Nederlandse Rooms-katholiek priester, oprichter en eerste secretaris van de Raad van Kerken in Nederland (1970-1985) en gedurende een groot deel van zijn leven lid van de orde van de franciscanen. Na zijn priesterwijding in 1946 werd Fiolet door zijn orde naar de Katholieke Universiteit Nijmegen gezonden om zich verder te bekwamen in de theologie, in het bijzonder de apologetiek, de leer dat alleen de Rooms-katholieke Kerk de waarheid verkondigt. In 1953 leidde deze studie tot een (cum laude)-promotie, een grondige studie over wat toen nog de Nederlandse Hervormde Kerk heette, vijftig jaar later opgegaan in de Protestantse Kerk in Nederland. Terwijl Fiolet in Nijmegen studeerde vond in Amsterdam de oprichting plaats van de Wereldraad van Kerken, destijds een spectaculaire oecumenische gebeurtenis.

De krantenknipsels, die betrekking hebben op de promotie van Herman Fiolet, moeten dus dateren uit 1953. Het boek is dus waarschijnlijk gekocht tussen 1953 en 1957, het jaar waarin Herman Fiolet een lezing hield in het Oecumenisch Centrum in Amstelveen, dat gevestigd was in het huis van mevrouw Crielaers-Teulings aan de Van der Veerelaan 95. Dat huis bestaat nog steeds, maar van mevrouw Crielaers-Teulings heb ik op internet haast niets kunnen terugvinden. Het enige wat ik aantrof was een bericht in het digitaal krantenarchief van Delpher. Het verscheen in het dagblad De Tijd op 2 augustus 1955, waarbij het volgende wordt aangekondigd:

Van 20 tot 28 Augustus 1955 zal in het College Maria Mediatrix van de broeders Maristen te Azelo (gem. Borne), Overijssel, de jaarlijkse bijeenkomst plaats vinden van de Equipes Internationales de Renaissance Chrétienne. Voor deze zesde conferentie (de eerste, die op Nederlandse bodem wordt gehouden) is als thema gekozen „de theologie van het kwaad”. Een vijftal West- Europese theologen zal des morgens in verschillende talen de leer der Kerk over dit onderwerp ontvouwen, terwijl des middags de deelnemers, in werkgroepen verdeeld, de problemen, inhaerent aan eigen en verwante beroepen, zullen beschouwen en naar practische oplossingen zoeken. Voor een beperkt aantal deelnemers (ook niet-katholieken) is nog plaats. Het Secretariaat van de EIRC is gevestigd villa Crespera, Breganzona/Lugano, Zwitserland. Men kan zich ook als deelnemer opgeven bij mevr. M. CrielaersTeulings, Van der Veerelaan 85, Amstelveen.

Wonderlijk genoeg is dat huisnummer aan de Van der Veerelaan verkeerd. Het moet 95 zijn in plaats van 85. Maar wie was nu eigenlijk die mevrouw Crielaers-Teulings? Ze zal wellicht een progressieve vrouw zijn geweest die begaan was met de oecumenische beweging. Misschien was haar man wel bestuurslid van de Vincentius-vereniging en deed zo goede werken voor de minderbedeelden in Amsterdam. Misschien was mevrouw Crielaers-Teulings zelf wel actief in de Pax Christi-beweging die vanaf 1958 jaarlijks in ‘s-Hertogenbosch de Pax Christi Voettochten organiseerde voor middelbare scholieren en studenten. Ze zal het best allemaal goed bedoeld hebben. Ze had een ideaal. Het katholicisme was volop in beweging in die tijd. Er broeide iets, maar niet iedereen voelde dat. Mevrouw Crielaers-Teulings liep in al die woelingen voorop. Rechtop in de wind.

Schermafbeelding 2015-05-27 om 17.44.00

Van der Veerelaan 95, Amstelveen (foto: Google streetview)

Ondanks de tegenwerkingen van het behoudende episcopaat was in de jaren vijftig in katholiek Nederland duidelijk sprake van een progressieve onderstroom. Het waren sociaal bewogen katholieken de mede aan de basis hebben gestaan van de sociale voorzieningen in wat later ‘de verzorgingsstaat’ zou gaan heten. Wie kent ze nog? Veldkamp, de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid die belangrijke sociale wetgeving tot stand bracht, zoals de Algemene Kinderbijslagwet, de Ziekenfondswet, de Wet sociaal minimum, de Wet op de Arbeidsongeschiktheid en de Wet Werkloosheidsvoorziening. En anders wel Marga Klompé die in 1963 de Algemene bijstandswet tot stand bracht.

Toch waren het vooral de conservatieve tendensen die achteraf het beeld van het Nederlands katholicisme in de jaren vijftig hebben bepaald. In 1953 werd met veel vlagvertoon het eeuwfeest van de katholieke hiërarchie in Nederland gevierd onder het motto ‘honderd jaar kromstaf’. Nederland was de gevolgen van de oorlog en het verlies van de koloniën te boven. Het land lag er overzichtelijk bij, met iedere zuil achter zijn eigen vaandel: de Parade der Mannenbroeders, de Optocht der Zindelijke Burgerheren, de Stoet van Rooie Rakkers en niet te vergeten: de Processie van het Rijke Roomse Leven. De katholieken leefden in hun eigen gesloten universum en het enige dat Rome leek te interesseren was de heiligverklaring van Maria Goretti. Het Bisschoppelijk Mandement van 1954 had de Nederlandse katholieken het lidmaatschap van socialistische organisaties ontraden dan wel verboden. Je mocht van de bisschoppen op de radio niet eens naar de VARA luisteren,

Er was in die tijd een ondergrondse strijd gaande tussen progressieven en conservatieven. De langdurige strijd binnen de sterk gesloten katholieke zuil had niet alleen een interne polarisering tot gevolg, maar ging ook gepaard met benauwende toestanden die op den duur onhoudbaar werden. In zijn boek Andere katholieken, Opstellen over Nederlandse katholieken in de twintigste eeuw (2000) citeert Paul Luykx een treffende uitspraak van een anoniem kerkelijk functionaris die al in 1953 het volgende beweerde:

‘Het gaat niet langer zo. Misschien zal deze generatie het nog voor een groot deel slikken, maar de volgende doet dat zeker niet meer. En ze hebben gelijk. Als er geen radicale opruiming wordt gehouden onder afgeleefde gebruiken, zinloze gewoontes en verstikkende formalismen, als de leek niet ten volle wordt erkend en gerespecteerd in wat hem toekomt, dan staat er iets te gebeuren waarbij de Reformatie kinderspel zal lijken.’

Als kind heb ik dat allemaal niet bewust beleefd. De eindeloze jaren vijftig waren voor mij een oase in de tijd en wat mevrouw Crielaers-Teulings allemaal in Amstelveen organiseerde ging aan mijn tere kinderziel voorbij. Ik kwam ook niet zo vaak in Amstelveen. Wel ging ik in 1958 als tienjarig jongetje voetballen bij RKAVIC dat daar destijds speelde op het sportcomplex aan de Kalfjeslaan. Maar de Van der Veerelaan is een stuk verderop in de chique buurt van Amstelveen.

Maar alles goed en wel, wie was nou die eerste eigenaar van mijn boek Augustinus de zielzorger? Was het soms mevrouw Crielaers-Teulings? Was zij soms al vroeg in de jaren vijftig geïnteresseerd geraakt in de oecumene en volgde zij alles wat Herman Fiolet deed en schreef? Of was het Herman Fiolet zelf? Maar ik kan me toch moeilijk indenken dat je de krantenknipsels van je eigen promotie bewaart in een boek van Frits van der Meer. Misschien was het de vader van Herman Fiolet, die trots was op zijn zoon en de krantenknipsels bewaarde in een boek waar hij belang aan hechtte. Maar dan zou hij die knipsels toch eerder bewaard hebben in een exemplaar van het proefschrift zelf, dat hij van zijn zoon moet hebben gekregen. Kortom het blijft een raadsel.

4 april, 1980(3)0001

Na enig speuren in mijn boekenkast blijkt dat ik zelf ook een boek van Herman Fiolet in mijn bezit heb. Het is De Tweede Reformatie, dat in 1969 verscheen bij Lemniscaat in Rotterdam. Ik heb het ooit voor 1,30 Euro gekocht, waarschijnlijk bij De Estafette in Leeuwarden. Het optimisme van de oecumenische beweging heeft in 1969 bij Herman Fiolet kennelijk plaatsgemaakt voor een diepe bezorgdheid over het voortbestaan van het christendom als zodanig. In de typische jarenzestig-typografie van het omslag wordt de lezer met de volgende stelling geconfronteerd:  “DRINGENDER nog dan de EENHEID van de kerk, is de VRAAG of er in de NABIJE TOEKOMST nog wel een KERK zal ZIJN.

Helaas zitten in dit boek geen krantenknipsels of uitnodigingskaartjes verstopt. Wel blijkt uit de titelpagina binnenin dat Herman Fiolet in 1969 inmiddels ook zelf professor was geworden. Daar zal zijn vader trots op zijn geweest, en anders wel mevrouw Crielaers-Teulings, wie zij ook geweest mag zijn.

1 Reactie