Tijd verdwijnt

Hoe komt het toch dat foto’s uit een bepaalde tijd achteraf allemaal op elkaar gaan lijken. Allereerst natuurlijk door de kleuren die mettertijd gaan vervagen en stilaan exact de juiste patina krijgen die hoort bij de Zeitgeist. De foto, die hierboven is te zien, hoort bij het midden van de jaren zeventig, om precies te zijn: 1975. Media vitae, ik was 27 jaar en zat voor de etalage van een lampenwinkel aan de Prinsengracht in Amsterdam. Die winkel is er nog. Altijd als ik er langs loop, zie ik mezelf daar zitten, voor eeuwig jong, terwijl ik almaar ouder word en mezelf verder verwijderd zie van dit zorgeloze moment uit die zomer in de seventies, le temps des étudiants. Ik studeerde nog. Dat deed ik al jaren, en het was alsof ik dat nog jaren vol zou houden. De eeuwige student, dat wilde ik het liefste zijn. 

De gebleekte spijkerbroek zit strak, te strak wellicht. Achteraf vraag ik me af, hoe ik daar in ben gekomen. Kennelijk was het een wat frisse dag, want ik had een schipperstrui onder mijn spijkerjasje. Die raakten toen helemaal in, schipperstruien. Je moest natuurlijk wel een echte hebben en die verkochten ze in een winkeltje op het Spui. Daar kon je ook echte rubberen bootlaarzen krijgen, van die groene. Mijn schipperstrui is zeker wel twintig jaar meegegaan. Misschien ligt hij nog wel een ergens in een kast. Het bloemetjesoverhemd daaronder hoorde bij de outfit waarin ik getrouwd ben. Dat gebeurde het jaar daarvoor, geheel in de stijl van de seventies. Het was een softe tijd vol nostalgie naar een verleden dat nooit had bestaan.

De lampjes achter me in de winkel waren natuurlijk wél echt. Lampjes uit grootmoeders tijd die het goed deden bij de letterbak, de asparagus, de papyrus en de citroengeranium. Kamerplanten en cocoonen dat was het helemaal. De kamer had kurken wanden afgewisseld met Spaans stucwerk op de muur. Een grenen houten eettafel met bijpassende banken en op de vloer rieten tegels uit Genemuiden. Ik wilde altijd nog zo’n grote rieten stoel, waar Sylvia Kristel in zat in de film Emmanuelle. Zo eentje met een hele hoge, ronde leuning. Joey Dyser zat ook in zo’n stoel, toen ze 100 years zong. Dat was heel even een hit dat jaar.

Nooit meer wat van gehoord, die Joey Dyser. Josje Duister, zo heette ze in het echt. Ze moet nu zowat tachtig zijn, als ze tenminste nog leeft. 100 years werd werd onmiddellijk een groot succes in Nederland en Vlaanderen. Het was ook de enige hit die Josje Duister ooit heeft gescoord. Een eendagsvlieg zogezegd, maar dat zal ze dan wel voor altijd blijven. Zeker in mijn herinnering. Wat ze zong lijkt inderdaad wel honderd jaar geleden. Maar wat ze zong was helemaal waar: There is another love to come… De liefde kan zomaar voorbijgaan, zoals het leven zelf. En dat is triest. Maar dan gebeurt er een wonder. Er komt een nieuwe liefde voor in de plaats. En laat die nou even mooi zijn! Leeftijd is een illusie. Alleen je hart kan zeggen hoe oud je bent.

50 jaar later
(Foto links gemaakt door Henk Bleeker, 2018. Foto rechts: pasfoto, 1968)

Als 50 jaar in je beleving 100 jaar lijkt te zijn, dan gaat de tijd langzamer naarmate je ouder wordt. Douwe Draaisma schreef ooit een prachtig boek over het tegendeel, over de versnelling van de tijd bij het ouder worden. Ik weet wel dat dit zo is, die versnelling van de beleefde tijd, maar dat neemt niet weg dat het verleden soms heel ver weg lijkt, verder dan de jaren in feite zouden doen vermoeden. Het is dus meer een kwestie van afstand, dan van snelheid die hier in het geding is. De jaren zeventig lijken voor mij momenteel heel ver weg, alsof ze ergens achter een gebergte liggen, waar ze nooit meer achter vandaan komen. Tegelijk is de afstand in tijd ook een heel dubbelzinnig begrip. Een tijd kan heel ver weg zijn, en toch terugkeren.

De Middeleeuwen bijvoorbeeld waren in de 19de eeuw heel dicht bij. Nu zijn ze weer heel ver weg. Ik heb het idee dat de jaren zeventig nu voor mij naar mij toe bewegen. Ze komen dus dichterbij, terwijl ze juist heel ver weg zijn. Vijftig jaar, dat is een halve eeuw. Maar wat is een eeuw voor de ziel van een mens? ‘De tijd is een uitbreiding van de ziel,’ zei Augustinus. Tijd is niet een kwestie van beleving van de snelheid waarmee de tijd verstrijkt, het gaat eerder om de herinnering van beleefde tijd, die kennelijk in verschillende snelheden naar je toe (of van je af) kan bewegen.

Het geheugen heeft dus een eigen veranderlijk tijd-universum, met wisselende snelheden, een innerlijk universum dat niet zozeer met het ouder worden als zodanig van doen heeft, als wel met de mate van herkenning die het verleden oproept in het heden.  In de jaren zeventig voelde ik me nog zo jong…  en nu lijkt die tijd wel honderd jaar geleden. Maar de tijd is een illusie, net zoals je leeftijd. Het hart kent tijd noch leeftijd. 

Reageer

In de bovenkamer van Poetin

Complotdenken heeft Poetin met Hitler gemeen


Poetins inval in Oekraïne in februari vorig jaar werd in sommige commentaren vergeleken met Hitlers inval in maart 1938 in Tsjechoslowakije, een kantelmoment in de aanloop naar de Tweede Wereldoorlog. Bij velen rees sindsdien de vraag: is Poetin een nieuwe Hitler? Poetin komt vooralover als een benepen en wraakzuchtige man, wiens gedachten niet gestoeld zijn op een ideologie of iets wat daarvoor moet doorgaan, maar uitsluitend gericht zijn op macht en de vermeerdering
daarvan. Zijn aard lijkt vooral een lege huls te zijn. In haar biografie met de veelzeggende titel De man zonder gezicht, de macht van Vladimir Poetin, verwoordde Masha Gessen het als volgt: ‘Het Russische regime heeft geen ideologie, geen partij, geen politiek – het is uitsluitend de macht van één man.’ Ook voor Hitler was ‘de wil tot macht’ bepalend voor al zijn gedachten, maar zijn waanwereld was complexer van aard en had bovendien een pseudo-religieuze dimensie.

Lees verder op de opiniepina van de Leeuwarder Courant van vandaag

Huub Mous is kunsthistoricus en publicist. Eind februari verschijnt bij uitgeverij Aspekt zijn boek Het algoritme van de waan. Naoorlogse
geschiedenis uit de ogen van een babyboomer.

Reageer

Op de toren van gezang

Ik schrok. Er was een zwaar gestommel waardoor de toren heel even leek te schudden. Ik nam niet de lift maar liep alle trappen af naar beneden. Maar ik zag niets. Na een rondgang door de ontvangstruimte weer niets. Ik wilde alweer naar boven gaan toen uit de kelder een vreemd geluid oprees. Het leek wel stromend water. Ik opende de kelderdeur, deed het licht aan en zag tot mijn grote verbazing een kolkende waterstroom die kennelijk onder de toren door stroomde. Er dreven allerlei spullen van mij in van vroeger, plakboeken, schoolschriften, oude zakagenda’s, zelfs ongeopende brieven die nooit waren aangekomen of verstuurd.

Opeens realiseerde ik mij dat mijn hele verleden hier voorbij dreef in een kolkende stroom op weg naar… ja, waarnaartoe? Stond de toren nog wel stevig zo? En terwijl ik dat bedacht realiseerde ik mij dat ik zelf deze toren was. Die stroom in de kelder stroomde diep in mijzelf. Sterker nog, de toren die ik dacht te zijn dreef ook in die stroom. Alles dreef voorbij op weg naar Godweetwaarheen…

Diep in mezelf hoorde ik opeens de stem die zei: ‘Je moet leren aanvaarden aanvaard te worden.’ Ik deed het licht uit, sloot de kelderdeur en ging weer naar boven, nu met de lift. Daar aangekomen zag ik wederom het weidse panorama. Ik besefte dat die stroom beneden er altijd al geweest was en er altijd ook zou blijven. De toren waarin ik verkeerde was gebouwd op een stroom. Maar dat gold ook voor mijzelf. Alles stroomt. En terwijl ik mijn gedachten zag wegdrijven in de verte, was er iets dat diep in mijzelf wegzonk. Het verdween in de stroom zoals alles en iedereen vroeg of laat verdwijnt in de rivier die eeuwig stroomt, diep in de toren van gezang.

  

***

P.S. Zoals het er nu uitziet verschijnt mijn nieuwe boek al eind van de maand. Op verzoek van de uitgever heeft de titel nu ook een ondertitel gekregen. 

Reageer

Gaat het wel goed met mij?

In diepste wezen is schrijven een vorm van verzamelen. Een schrijver verzamelt zinnen. Iedereen heeft zijn hobby en een geliefkoosde hobby is verzamelen. Zo ken ik mensen die er plezier 
in vinden rouwadvertenties bijeen te garen, anderen die zweren bij Chinese keramiek uit de Ming-periode en ik ken zelfs 
iemand die zich toelegt op het verzamelen van boodschappenlijstjes die zijn achtergelaten in de lege karretjes bij Albert Heijn. Mijn hobby was lange tijd minder spectaculair. Ik verzamelde onzinnige gedachten. Dat was een eindeloze, onzinnige onderneming die 
tegelijk zin en einde had. Immers, de complete verzameling van alle 
onzinnige gedachten is zelf een onzinnige gedachte en kan dus nooit een 
complete verzameling zijn. Hier wringt iets. Er moet dus één onzinnige gedachte zijn die niet past in de complete 
verzameling van alle onzinnige gedachten. Toen ik die rare kronkel in mijn brein had ontdekt, ben ik opgehouden met het verzamelen van onzinnige gedachten. Sindsdien verzamel ik citaten. Bijzondere citaten 
heb ik inmiddels aan mijn verzameling weten toe te voegen, zoals deze:

‘We kunnen de wetenschap van de toekomst niet scherp omlijnd tekenen. We kunnen alleen vermoeden dat dan de scherpe scheiding tussen de mens en de wereld langzamerhand zal verdwijnen, dat de mensen minder egoïstisch en met een warmer gevoel niet alleen tegenover zichzelf maar ten opzichte van de hele organische en ook de zogenaamd levenloze natuur zullen staan. Zo’n vermoeden heeft misschien 2000 jaar geleden de grote Chinese filosoof Licius aangegrepen, toen hij wees op een oud menselijk geraamte en in een korte en krachtige stijl, die gedicteerd werd door het tekenschrift, tot zijn leerlingen de woorden sprak: “Alleen dit gebeente en ik bezitten de kennis dat wij noch leven noch dood zijn.’

Aldus beweerde de natuurkundige en wetenschapsfilosoof Ernst Mach (1838-1916). Ik heb dit altijd een raadselachtige passage gevonden. Ten eerste weet ik niets van Licius. Het schijnt de weinig bekende Latijnse naam te zijn voor iemand die waarschijnlijk Lie Yukou heette en leefde in de vierde eeuw voor Christus – twee generaties voor Confucius – in de staat Zheng, in de huidige streek Shandong in China. Over het leven van de goede man blijkt nauwelijks iets bekends te zijn, behalve dan dat hij een boek geschreven heeft, ‘Het ware boek van de stromende oergrond’, dat nog altijd geldt als een van de filosofische oerteksten van het Taoïsme. Ernst Mach, die nog over de allesomvattende eruditie beschikte van een negentiende eeuwse kamergeleerde, moet dit obscure boek wellicht ooit gelezen hebben, lang voordat het in de mode raakte om verbanden te zoeken tussen de bevindingen van de moderne natuurwetenschap en eeuwenoude oosterse wijsheden.

Mach was niet de eerste de beste. Hij wordt algemeen beschouwd al een van de grondleggers van de hedendaagse natuurkunde. Einstein betitelde hem zelfs als de belangrijkste voorloper van zijn relativiteitstheorie. Hij was een positivist die niettemin een scherp oog had voor de filosofische implicaties van de moderne natuurwetenschap. Zo had hij grote belangstelling voor wat destijds de ‘psycho-fysica’ werd genoemd, een stroming in de toenmalige wetenschap die er vanuit ging dat psychologie en natuurkunde één en dezelfde grondslag hadden en dus ook vanuit één optiek benaderd moesten worden. Achteraf beschouwd kan dit streven wellicht als een laatste wanhoopspoging worden gezien om de dreigende breuk tussen natuurwetenschap en geesteswetenschap te dichten. Het drama van onze tijd komt nog altijd voort uit deze breuk die zich in de negentiende eeuw heeft voltrokken. Er is een scheur ontstaan in ons westerse wereldbeeld, een scheur die door de wetenschappelijke revolutie sindsdien alleen maar groter is worden.

Die scheur is een kloof geworden. Lezend in het boek Sferen van Peter Sloterdijk stuitte ik op een beschouwing over de dood. Kan het zo zijn, zo vroeg ik mij af, dat ons hedendaagse onwrikbare beeld van de dood mede bepaald is door deze breuk in het westerse wereldbeeld. We zien de dood tegenwoordig als de absolute tegenpool van het leven, als een ultieme, ondoordringbare grens, waarachter alles ophoudt en het grote niets begint. Dood is een blinde muur geworden waar elk leven uiteindelijk hopeloos op stuk loopt. De dood is ontaard in iets fataals, iets wat elk begrip te boven gaat. Niet ‘te boven’ in de zin van ‘verheven’, ‘subliem’, of ‘geheimzinnig’, maar ook daar nog bovenuit, als iets dat nergens meer bij hoort, iets dat alleen meer tragisch is en noodlottigs. Iets dat niets is.

De dood staat in feite voor een nieuwe categorie in het westerse denken. Dood is de categorie van het absolute niets, het niets dat zich dialectisch niet meer kan omkeren in zijn tegendeel, in een ander soort ‘alles’, een ‘alles’ dat ook het niets omvat. De cyclische gedachte dat het leven voortkomt uit de dood, om daar weer in terug te keren, zoals je een lepel soep optilt en vervolgens weer terug in de pan schenkt, die gedachte is in onze huidige tijd ondenkbaar geworden. Er is immers geen pan meer, dat wil zeggen, een plenaire volheid die leven en dood in een allesomvattende ‘pan-visie’ omvatten kan. Het leven zelf is de oersoep geworden en de pan is allang van tafel gehaald.

Zo kon het wellicht gebeuren dat het grote niets van de dood zoiets werd als zwarte gat waar alles in verdwijnt. Er werd een nieuw soort troost bedacht. Het zwarte gat van de moderne dood keerde zich om als een ultieme oorsprong van het meest duistere verlangen. De dood werd een warmtedood, het eindpunt van de entropie, de ultieme chaos waar alles, maar dan ook alles, uiteindelijk naar op weg is. Maar dat eindpunt van de entropie kan evengoed een beginpunt zijn, zo leerde de natuurwetenschap. Zo werd de dood in de psychologie een verborgen bron waar de eeuwige stroom van het driftleven ontspringt. De dood werd de tegenpool van de liefde. Eros werd de spiegel van Thanatos. Freuds doodsdrift werd een verlangen naar een ultieme ontknoping, naar het moment dat de machinerie uiteindelijk ontspoort en de totale chaos om zich heen grijpt, naar het inferno van moleculen dat een mens te wachten zou staan als het leven voorgoed ophoudt levend te zijn. Als het ijskoude niets bezit van ons neemt.

Zou het zo kunnen zijn dat dit vreemde, ijzingwekkende beeld van de dood een schaduw is van het positivisme? Dat deze wonderlijke gedachteconstructie is voortgekomen uit een het moderne onvermogen om een breuk in het wetenschappelijke wereldbeeld heel even op te schorten. Het onvermogen om over de grenzen van het eigen, beperkte denkkader heen te kijken? De eclips van de moderniteit ontneemt wellicht het zicht op een oorspronkelijke verbondenheid van leven en dood.

Bij Ernst Mach heeft een dergelijke gedachte misschien heel even door het hoofd gespookt, toen hij terugdacht aan die vreemde Chinees Licius: “Alleen dit gebeente en ik bezitten de kennis dat wij noch leven noch dood zijn”. Het zijn gedachten die bij ieder mens misschien wel eens opkomen als hij denkt aan de dood. Als hij als Hamlet dwaalt op het kerkhof en op een schedel stuit die een doodgraver heeft opgegraven uit een gedolven graf: de schedel van een bekende wellicht.

Toen Einstein in 1954, ziek en verzwakt – nog geen jaar voordat hij zelf zou sterven – een condoleancebrief moest schrijven aan de weduwe van zijn oude vriend Michele Besso, kwamen er woorden in hem op die hij als natuurkundig nauwelijks verantwoorden kon. Die woorden wekken bij mij een vergelijkbare verwondering als de passage van Mach over Licius. ‘De dood betekent niets’, zo schreef Einstein:

This signifies nothing, for us believing physicist the distinction between past, present, and future is only an illusion, even if a stubborn one.” (Barnesh Hoffmann, Albert Einstein, ceator and rebel) .

De tijd is een illusie. Met die gedachte  voor ogen wordt alles anders. Zelfs de dood wordt dan iets anders. De dood is geen einde. eerder zoiets als een doorgang, een transitie, en transformatie. Er moet een punt zijn vanwaaruit dit alles zichtbaar wordt. Iets buiten de tijd. Een rots onder de stroom. De bodem waarop wij staan, iets waar alles hetzelfde blijft, ook al verandert alles. 

Dit alles kwam in mij op op bij het lezen van een passage in het fraaie boek Sferen van Sloterdijk. In zijn beschrijving van het mesmerisme van Hufeland, als een half vergeten hoofdstuk in de ontstaansgeschiedenis van de westerse natuurwetenschap, duiken er opeens wonderlijke verbanden op tussen het doodsbegrip in de Gnosis en dat van de vroege Romantiek. Het zijn vergeten vergezichten die achter de horizon van de moderne wetenschap verdwenen zijn. Sloterdijk schrijft:

“Hier in de kleine ruimte van Hufelands betoog botsen twee tegengestelde doodsbegrippen op elkaar: in de eerste wordt de dood op romantisch-holistische wijze geïnterpreteerd als hereniging met het Al-Organisme, in de tweede wordt hij op naturalistische en nihilistische wijze opgevat als een terugval in het anorganische. Het woord ‘anorganisme’ maakt iets zichtbaar wat als een scheur door het omhulsel van de levenswarmte loopt, het werpt een schril licht op het gebod van de Verlichting, het essentiële onderscheid tussen binnen en buiten, tussen het organische lichaam van de wereldmoeder en het anorganische gebied van de dodenwereld onder geen beding te verdonkeremanen.”

Een dode geliefde is niet dood, beweerden de dichters van de Romantiek. Dood en leven zijn geen tegenpolen, maar nauw met elkaar verweven in de meest letterlijke zin. Het leven is een droom en sterven is ontwaken uit de dr oom die Lev en heet. Die gedachte is al te vinden is bij de Spaanse mystici. ‘Het leven is een overnachting in een slechte herberg’, heeft Theresia van Avila ooit beweerd. En ook Shakespeare heeft vaak met het idee van ‘het leven als een droom’ gespeeld. ‘We are such stuff as s dreams are made on; and our little life is rounded with a sleep.’ En anders wel de dichter Shelley in zijn lange gedicht Adonais: An Elegy on the Death of John Keats.: Peace, peace! he is not dead, he doth not sleep. He hath awaken’d from the dream of life.’ 

Maar daartegenover stond van oudsher de dood van het als onvermijdelijk en onontkoombaar ervaren grote niets. De dood van de wetenschap. Freuds leer van de doodsdrift kan gezien worden als een meer afstandelijke en berustende versie van dat polariteitsdogma. Ze doet een concessie aan de gnostische voorstelling dat niet de dood ontbreekt in het leven, maar dat het eigenlijk het leven is dat als een vreemde indringer in het algemene levenloze opduikt. Verlichting en duistere Gnosis zijn hierin verklaarde bondgenoten; allebei bestoken ze de zelf-warmende vitaliteitsillusie met onmenselijke waarheden.

Uit deze verlegenheid heeft Nietzsche de filosofische consequenties getrokken: ‘Laten we er voor oppassen te beweren dat de dood de tegenpool van het leven is. Het levende is slechts een bestaansvorm van het dode,’ schreef hij in Die fröhliche Wissenschaft. Daarmee was de onverdraaglijke oppositie tussen leven en dood heel even op zijn kop gezet. Maar echt troost bood deze gedachte niet. Dood bleef dood… en het leven bleef het leven. Tussen die twee zat niets, maar dan ook echt niets. Nu ook nog altijd niet. Die breuk tussen leven en dood is onze condition humaine geworden in een wereld zonder God.

Maar is dat zo erg? Epicurus had het ooit al eens eerder gezegd: ‘Als wij er zijn is de dood er niet en als de dood er is, zijn wij er niet. Dus daar zou ik me niet te druk over maken.’ En toch is er niets in de wereld waar een mens zich meer druk over maakt dan juist de dood. Misschien wel omdat de dood ons bevattingsvermogen nog altijd totaal te boven gaat. Als ik deze gedachte loslaat op mijn blog, laat ik woorden los in de stroom zoals je een fles in het water gooit. Ik zie die fles vervolgens wegdrijven. De fles wordt gezien. Misschien kijkt de fles wel naar mij. Misschien is het wel de blik van de fles, die naar mij kijkt en ben ik het, die deze verzengende blik wil afweren door almaar letters te typen op het scherm van mijn computer als een verzameling van onzinnige gedachten . De letters vallen op het scherm. De zinnen lopen door. Ben ik degene die dit schrijft? Of zijn het de woorden zelf die zomaar verder drijven? Het is koud buiten en het voorjaar is nog ver weg. Gaat het wel goed met mij? 

Reageer

De lezer tussen woord en beeld

‘Het Ene bij Plotinus staat ‘buiten de aardse tijd’. Er is wel tijd ‘daarboven’, 
maar dat is de zuivere perfecte (non-)tijd van de eeuwigheid. Deze verstrijkt 
niet en kent geen uitgestrektheid. In dit domein van eeuwigheid staat alles 
stil’, maar alles is er ook ‘levend’. Contact met deze buitentijdse hogere 
wereld is mogelijk door zuiver te denken en te contempleren. In de eeuwigheid van het Ene en in de unowaan vindt geen voortgang of verandering 
plaats. Er is geen verleden, heden of toekomst. Wanneer het Ene in de unowaan meer wordt ‘ingevuld’, krijgt het een 
mythische structuur . De geschiedenissen en verhalen 
van ‘daarboven’ gaan nooit echt voorbij. Het Ene zit vast in een tijdloze loop. De eeuwige wederkeer van hetzelfde voltrekt zich in het niet-bestaan van het oneindig dunne maar eeuwige heden.’

Aldus Wouter Kusters in Filosofie van de waanzin. Hij schrijft dit in het derde deel van zijn boek, waarin hij verschillende typen van waanzin bespreekt, geordend in vier  – het Ene, het Zijn, Het Oneindige en het Niets. Ieder type waanzin heeft een eigen relatie tot de mystiek. Ook verschillende filosofen zijn met deze typen waanzin te verbinden. Bij de eerste staat Plotinus centraal. Wat mij vooral treft in het citaat hierboven is de laatste zin:

‘De eeuwige wederkeer van hetzelfde voltrekt zich in het niet-bestaan van het oneindig dunne maar eeuwige heden.’

Telkens weer lijkt het of Wouter Kusters op filosofische wijze de oerervaring van de psychotische waan wil reconstrueren en van daaruit een brug wil slaan naar de verschillende vormen van mystiek. Die oerervaring heeft voor Kusters zelf iets gemeen met de mystieke ervaring die Plotinus wellicht ooit heeft gehad, maar ook met wat Husserl heeft benoemd als de voorgeconstitueerde oergrond van het fenomenale tijdsbewustzijn. Die oergrond is tegelijk een grondeloosheid, het grote niets, waarin de tijd als ervaring van tijd oprijst in het bewustzijn. De ontdekking van die grondeloze grond van het bestaan voltrekt zich in de psychose als een ontmaskering van de tijd. De tijd komt bloot te liggen. De tijd verruimtelijkt. De tijd verdwijnt en neemt tegelijk alles in bezit. Er klopt iets niet. De tijd ‘ont-tijdt’ in het ‘ver-tijdelijken’. De lijn wordt een cirkel en de cirkel wordt een lijn. Punt. (RETURN)

Ik ben geboren in een tijd waarin men dacht dat alles nieuw en echt moest zijn. Sterker nog, het nieuwe viel samen met de tijd zelf. Het nieuwe was een voortdurend proces van presentatie. Met het postmodernisme kwam de grote ommekeer: het nieuwe werd opeens het besef dat juist de herhaling altijd weer iets nieuws oplevert. Het nieuwe werd dus voortaan de representatie. Evenals de Barok was het postmodernisme in diepste wezen een fase van rouw om een verdwenen samenhang, een eindeloos proces van recycling van fragmenten en brokstukken. De nostalgie, zo ontdekte men, is een ideale drijfveer om die brokstukken samen te voegen tot een nieuw verband, ook al is er niets veranderd. Ook het woord van Prediker krijgt voor mij dus een nieuwe betekenis: ‘Hetgeen er geweest is, hetzelve zal er zijn, en hetgeen er gedaan is, hetzelve zal er gedaan worden; zodat er niets nieuws is onder de zon.’ Die woorden betekenen voor mij zoiets als het volgende: Ruimte open laten voor een gevoel van verwondering dat er toch iets nieuws onder de zon is. Iets dat er altijd al was, maar juist in de herhaling voor een moment niet verklaard en nauwelijks beschreven kan worden.

Al lezende in het boek van Wouter Kusters realiseerde ik mij dat ik ook vaak bezig ben geweest om op filosofische wijze de kernervaring van een psychose te reconstrueren. Je wilt weten wat het betekent als de tijd ontmaskerd is en bloot komt te liggen. Als de machinerie is ontspoord en je niet meer ‘waar’ je bent, noch in de tijd noch in de ruimte. Ooit heb ik iets die ervaring weer gehad, toen ik een foto zag waarop ik de beeltenis van mijzelf meende te zien. Het was geen déjà vu, maar iets anders. Ik was niet alleen ‘daar’, maar ook ‘hier’. Ik was ‘daar’ op een foto uit 1961. Maar ook ‘hier’, dertig jaar later: in 1991. In las in die tijd ik ingewikkelde over boeken over kwantummechanica en het differentie-denken van Derrida (volgens Derrida: differantie-denken) en ik probeerde mij te verdiepen in zulke ongrijpbare zaken als ‘zelf-referentie in taal en teken’ en ‘de onvolledigheidstelling van Gödel’. Ik dacht dat die twee iets met elkaar van doen hadden. En om het helemaal ingewikkeld te maken (want ik hield in die tijd van ingewikkelde dingen): Ik verkeerde in de veronderstelling dat bij het zoeken naar God de wiskunde meer zekerheid kan bieden dan welke religie dan ook. Maar laat ik bij het begin beginnen.

Gödels universum in co-roterende cilindrisch-polaire coördinaten t, r, ϕ. Irrelevante coördinaat z onderdrukt. Lichtkegels (nulkegels) en fotonen-geodesie aangegeven. De lichtkegel gaat open en kantelt als r toeneemt (zie lijn L), wat resulteert in gesloten tijd-achtige krommen (CTC’s). Sleepeffect (van rotatie) geïllustreerd. Fotonen uitgezonden bij p spiraal naar buiten, bereiken CTC en convergeren weer bij p ′.

In 1991 nam ik deel aan een essay-prijsvraag die was uitgeschreven door het ECI. Het thema was: ‘De lezer tussen woord en beeld.’ Ik vond dat een intrigerend gegeven. Wat gebeurt er als de lezer leest? Het lezen van een tekst kost een zekere tijd. De tijd verstrijkt, terwijl je leest. Terwijl u deze tekst leest, tikken de seconden weg. Elk woord is weer een fractie van een seconde en zo kruipt de tijd door de taal. Of beter gezegd, zonder de tijd zou de taal niet kunnen bestaan. De tijd is een uitbreiding van de geest, waardoor we de taal kunnen spreken en consumeren. Een tekst is daarom een woorden-loper die in de tijd is uitgerold. Vanuit die gedachte begon ik een schema te tekenen voor mijn essay. De inzendtermijn was 15 januari 1991. Die datum kan ik me nog goed herinneren, omdat de dag daarop de Eerste Golfoorlog uitbrak. Het ultimatum aan Saddam Husssein om Koeweit te verlaten was verlopen en de eerste kruisraketten vlogen richting Bagdad. Er kwamen ook nog een paar Scud-raketten op Tel Aviv terecht, maar dat was uitstel van executie.

De weken daarvoor was ik druk aan het schrijven geweest. Ik had een nogal ingewikkeld verhaal op papier gezet, uitgaande van de gedachte dat alles er al is. Alle teksten, die je kunt bedenken, zijn al geschreven. Bovendien bestaat er niet zoiets als ‘tijd’. Tijd wordt door het bewustzijn zelf geconstitueerd en specifiek door toedoen van de representatieve functie die in ‘taal’ aanwezig is. Taal en tijd zijn dus intrinsiek met elkaar verweven. Daarover ging mijn verhaal. Ik wilde die verwevenheid zichtbaar maken en vervolgens elimineren. Kortom, ik wilde een tekst schrijven die zich verplaatst als een een golf in een reeds bestaand ’taal-zwembad’. Dat wil zeggen: een vertoog zonder ‘uitstel’ en ‘verschil’, de basiskenmerken van de representatie. Een tekst ook zonder tijd en zonder ruimte. Een tekst die een leegte zichtbaar maakt. Een vertoog dat tegelijk analyseert en vertelt. Deze tekst zou moeten variëren op iets wat er al is, en tegelijk een herhaling zijn van iets wat er al was. Maakt u geen zorgen, als u dit alles niet begrijpt. Ik vraag me nu af, of ik het zelf destijds wel begreep.

Hoe dan ook, bij deze procedurele manier van schrijven kwamen de woorden als vanzelf. Malgré moi, zoals Rimbaud zou zeggen. Ik werd mij ervan bewust, dat er altijd een denkbeeldig oog is dat naar mij kijkt op het moment dat ik iets schrijf. Je zou dit ‘het oog van de cycloop’ kunnen noemen. Het verhaal ging over het ontstaan van het verhaal, en dat was het verhaal. Ik verzon een list om aan de cycloop te kunnen ontsnappen. Om aan de representatie te ontsnappen. Om te ontsnappen aan de tijd die in de taal zelf aanwezig is. Ik zocht naar ‘a concept of time that theoreticaly embraces the necessarily intrusion of representation.’ Ik weet niet meer van wie die zin is, maar ik denk dat ik hem gelezen had in The deconstruction of time. Dat boek was geschreven door een zekere David Wood. Ik kocht het in 1989 bij De Slegte voor 65 gulden. Dat was een heel bedrag voor een tweedehands boek. Maar het was niet tweedehands. Het was splinternieuw en nog ongelezen. Dat intrigeerde mij.

Ik weet ook de dag nog dat ik het kocht. Het was vrijdag 9 november 1989, de dag dat de Berlijnse muur viel, maar dat hoorde ik pas de dag daarop, toen ik weer terug was in Leeuwarden. ’s Avonds zag ik Freek de Jonge in Carré. Hij zong A perfect day van Lou Reed, niet wetend dat heel Berlijn op zijn kop stond. Het boek van David Wood heb ik vervolgens gelezen of beter gezegd gespeld. Het thema fascineerde mij: de de-constructie van de tijd. Het was een overzicht van het postmoderne denken over taal en tijd, voortkomend uit de fenomenologie van Husserl, het existentie denken van Heidegger en uitmondend in het deconstructie-denken van Derrida. Maar wat ik werkelijk gehoopt had, bleef uit. De auteur legde geen enkel verband tussen het denken van deze filosofen en de bevindingen over het fenomeen ’tijd’ in de hedendaagse natuurkunde. Alle natuurkundige theorieën over tijd deed hij al in de inleiding af als zijnde irrelevant. Dat waren ‘verruimtelijkingen’ van de tijd. Tijd is geen ruimte, zo beweerde hij. Tijd is een proces van verschijnen en verdwijnen dat zich voortdurend in je bewustzijn voltrekt. Dat is het ware kenmerk van de tijd. Tijd zit dus tussen je oren.

Van daaruit begon ik te fantaseren. De tijd is een glijbaan naar de dood, zo bedacht ik bij mezelf. Taal is een vluchtpoging om aan die glijbaan te ontsnappen. De taal creëert een schijnbaar permanente ruimte van aanwezigheid door de werking van het teken dat het ‘nu’ herhaalbaar maakt. Taal stelt de dood telkens weer uit door het opschorten van een verdwijnende aanwezigheid. Zo ontstaat een voortdurende, ideale schijn-situatie, waarin de dood wordt ontkend. De aanwezigheid – de ‘ousia’ – is de grondtrek van het Zijn. Sinds Aristoteles is deze grondtrek van het Zijn gecorrumpeerd. In zijn denken over Zijn en tijd probeerde Heidegger de authenticiteit van het Zijn te redden door middel van de existentie, maar is het wel mogelijk om de representatie, die voortdurend in de taal werkzaam is, uit te sluiten. De late Heidegger vatte het Zijn op in termen van een gebeuren: ‘Es gibt Ereignis.’ Maar de taal is doorboord met afwezigheid, zo beweert Derrida. De tegenwoordigheid van het tegenwoordige komt voort uit een voortdurende herhaling – het verglijden van de tijd – en niet omgekeerd.

Tegenwoordigheid ontstaat bij de gratie van het voortdurend wegglijden in het verleden. De taal drukt uit en wijst aan, maar volgens Derrrida is er geen verschil tussen expressie en indicatie. Er is geen authentieke oorsprong in de taal. Geen ‘ik’ als zuivere bron, waar de zinnen uit opborrelen. Het ‘ik’ is een schijn-constructie. Het wordt voortdurend gegenereerd door de relatie tussen het uitstel – dat in het teken werkzaam is – en de dood. Het spoor, dat de tekens nalaten, is een effect zonder oorzaak. Derrida is voortdurend op zijn hoede om niet terug te vallen in de metafysica. De taal is in zijn optiek als een vloeistof zonder fles, maar je hebt wel een fles nodig om over de vloeistof te kunnen vatten. De metafysica is als een oplosmiddel dat ook de fles oplost, waar de vloeistof in zit. De grootse angst, die met een psychose gepaard gaat, wordt door de filosofie van Derrida bevestigd. Er is geen ‘ik’. Er is alleen ‘leegte’. Elke vorm van kennis is zoiets als het zien van je eigen voetsporen die je telkens weer tegenkomt als je in cirkels rondloopt.

Ik heb de ECI-prijs in 1991 niet gewonnen omdat mijn inzending niet aan de criteria van de prijsvraag voldeed. Eigenlijk was het helemaal geen essay dat ik geschreven had, maar iets tussen een verhaal en een beschouwing in. Daarna ben ik er opnieuw aan gaan schaven. Van de week vond ik een notitieboekje terug met allemaal schema’s die ik destijds getekend heb, voordat ik met schrijven begon. Het verhaal is uiteindelijk wèl gepubliceerd, zij het in een wat uitzonderlijke vorm, in het nulnummer van het periodiek Praktikabel, podium per post, dat in juli 1992 verscheen. De titel werd uiteindelijk De taalmachine van Tinquely. Gerard Groenewoud had de tekst vormgegeven op de wijze waarop Willem Sandberg dat zou hebben gedaan. Het werd afgedrukt op bruin pakpapier met een foto van de tentoonstelling Bewogen beweging op een transparant inlegvel dat tegenwoordig voor het raam van mijn werkkamer hangt. U kijkt er nu doorheen als lezer tussen woord en beeld. 

Met het verschijnen van deze tekst was een traditie in gang gezet. Veel van mijn  teksten verschijnen sindsdien niet in de vorm waarvoor ze ooit zijn bedoeld. Zo schreef ik in 1995 op verzoek van het kunstenaarsinitiatief Hooghuis in Arnhem een tekst getiteld Homeward bound, De domesticatie van de kunst in de jaren tachtig. Zij weigerden de tekst te publiceren in hun jubileumbundel, maar hij verscheen in 1996 wel in het laatste nummer van het tijdschrift Kunst en Museumjournaal. In 1997 schreef ik op verzoek van Kees ‘t Hart een verhaal voor De Revisor met als titel Het was in Nevers. De redactie van De Revisor weigerde het te publiceren, maar het verscheen in 1999 wel in Trotwaer. Op verzoek van het Jaarboek van het Fries Genootschap schreef ik in 2001 een tekst over denkbeeldige werelden, getiteld Adieu/A Dieu. De redactie – en met name Goffe Jensma – weigerde deze tekst te publiceren, maar hij verscheen in februari 2002 wel in het laatste nummer van Praktikabel, podium per post.

Als een tekst in een ander medium – of zelfs in aan ander format of een ander lettertype verschijnt – dan kan er iets nieuws aan het licht komen, iets dat eerder niet in de tekst aanwezig was. De inhoud van een tekst is nooit statisch, maar altijd veranderlijk al naar gelang de veranderende context. Elke tekst evolueert in de tijd en keert telkens weer terug in een andere gedaante, in een ander laag van verbanden, waarin de wereld die er ooit was opeens een andere werkelijkheid wordt. Zo komt niet alleen in het proces van de herinnering, maar ook in dat van de artistieke creatie telkens weer een eenheid tot stand tussen binnen en buiten, heden en verleden. De creatio ex nihilo is een illusie. Elke scheppingsdaad komt voort uit een laag van herinneringen, waardoor voortdurend nieuwe interacties ontstaan, niet alleen tussen het brein en de werkelijkheid, maar ook tussen toen en nu, tussen toen en toen, tussen ooit en nooit. Tot op zekere hoogte is het schrijven nooit anders dan een proces van herinnering dat niet als herinneren wordt herkend. Scheppen is een vorm van cryptomnesie. De tekst die zich als nieuw aandient, was altijd al ergens aanwezig, anders kan het brein zich hem letterlijk niet ‘her-inneren’. Schrijven gaat ‘als vanzelf’. Schrijven is herschrijven, tot je er bij neervalt.

Zo verschijnen mijn teksten vaak opnieuw en soms ook in een andere vorm. Dat wordt dan een vorm waarvoor ze oorspronkelijk niet bedoeld waren. Ook deze tekst van vandaag is herschreven en zo ‘als vanzelf’ ontstaan. Ik draai in cirkels rond. Er gaat iets rondtollen, rondtollen, rondtollen….tollen…. ollen…..0….0….0…..Ω….Ω….Ω…. Nu ik me daarvan steeds meer bewust word, kom ik telkens weer terug bij af. Dat wil zeggen, bij de gedachte dat alles er al is. Ik wil niets meer publiceren, want alles is al gepubliceerd. Om iets nieuws te creëren hoef ik het bestaande alleen maar te herordenen door een golfbeweging in het water te laten ontstaan. Ik beweeg mijn vinger door het water en schrijf: ‘Ik beweeg mijn vinger door het water en schrijf.’ Het is zoals het is, dat wil zeggen: zoals het altijd al was. 

De tijd is een glijbaan naar de dood. Maar hoe zit het met de glijbaan zelf? Als de tijd een glijbaan is, kan de tijd zelf niet op een glijbaan zitten. De cirkel is altijd weer rond, ook al wijst de rechte lijn telkens weer naar het oneindige in de verste verte. Inderdaad, er is niets nieuws onder de zon. En ook dat was al lang bekend. Zeker nu… terwijl u dit leest als lezer tussen woord en beeld.

‘De eeuwige wederkeer van hetzelfde voltrekt zich in het niet-bestaan van het oneindig dunne maar eeuwige heden.’

Reageer