Heimwee naar zee

Toen ik zo’n jaar of veertien was fantaseerde wel eens dat ik een oliedruppel was. Ik had ergens gelezen dat moleculaire structuur van olie zodanig was dat één druppel olie zich vrijwel eindeloos op het oppervlak van de zee kon uitspreiden. De moleculen onttakelden zich dan in hele lange ketens die zo een vliesdun olietapijt op het water konden vormen. Dat leek me prachtig, mezelf als een oliedruppel uitspreiden over de oceaan. Later bedacht ik dat dit oceanisch verlangen een puberale, orgastische fantasie moet zijn geweest en tegelijk op een diep gevoeld heimwee moest duiden. Een basaal terugverlangen, niet alleen naar de prilste kindertijd, maar ook naar de zee. Mogelijk duidt het ook op een heimwee naar het embryo. De zee staat immers voor de moeder, maar de moeder staat ook voor de zee. Ooit is iets wat een mens zou worden uit de zee gekropen en opgekrabbeld op het strand. Voortaan leefde hij van de lucht. Water werd zuurstof en het laatste wat een mens ontdekt is het eerste water waarin hij zwom.

Hoe dan ook, toen de eerste golfslag van de pubertijd zich aandiende op de levenszee werd mijn verlangen gewekt om terug te keren. Je zou dit mijn ‘oceanisch gevoel’ kunnen noemen. Mijn heimwee naar de zee.  De term ‘oceanisch gevoel’ werd bedacht door Romain Rolland en overgenomen door Freud. Volgens het psychoanalytisch woordenboek betekent het letterlijk: ‘een onlosmakelijke verbondenheid, een intens gevoel van saamhorigheid met de buitenwereld in haar geheel’. Die buitenwereld kun je ook metafysisch opvatten. Volgens Rolland zou dit oceanische gevoel aan de basis liggen van de religie en de religieuze ervaring. Uiteindelijk verlangt ieder mens terug naar de zee. Waar je vandaan komt, daar wil je ook weer terugkeren. Het leven is een spel van cirkels. Life is a circle game.

Mijn vermoeden dat er een kringloop van het verlangen bestaat – met de zee als oorsprong en vervulling – werd bevestigd toen ik het boek las van Sándor Ferenczi: Het oceanisch gevoel (1924). Ferenczi, die door Freud als zijn meest briljante leerling werd beschouwd, trekt in dit boek – op uiterst speculatieve, maar ook fascinerende wijze – allerlei parallellen tussen de ontwikkeling van het biologisch leven op deze planeet en het ontstaan van menselijke seksleven. Het biologisch leven op aarde heeft een spectaculaire ontwikkeling doorgemaakt toen de vis-achtigen – door het droogvallen van de zeeën – het land opkropen. Je ziet dan opeens dat hun kieuwen zich langs de evolutionaire wetten van Darwin ontwikkelen tot instrumenten voor kruipen en lopen.

Zo ontstaan de eerste kruipende wezens, eerst met ‘achterpootaandrijving’ en daarna met ‘vierpootaandrijving’. De ademhaling, die voorheen middels kieuwen gebeurde, krijgt dan een nieuw respiratief systeem, waarbij de zuurstof niet langer aan het water maar aan de lucht moet worden onttrokken. Deze dramatische veranderingen voltrekken zich telkens weer als een soort echo uit een ver verleden in de embryonale ontwikkeling van de foetus, waarin de transformatie van vis via amfibie, reptiel naar zoogdier nog stap voor stap valt af lezen. Deze parallellen waren voor een deel gebaseerd op – zoals we nu weten – uiterst dubieuze tekeningen van de negentiende-eeuwse bioloog en filosoof Ernst Haeckel. Ook de geboorte zelf – met zijn eerste oerschreeuw die de longen open moet scheuren – was vogels Ferenczi een soort basale herhaling van het traumatisch vertrek uit de zee.

Heimwee naar de zee ligt dus diep verankerd in het menselijk organisme. Vanuit die gedachte ziet Ferenczi een reeks van parallellen niet alleen in het embryo, maar ook in de geslachtsdaad, de roes, het slapen en zelfs het stervensproces. De mens wordt gekenmerkt naar het streven naar herstel van het zee-bestaan in het vochtige en voedselrijke lichaam-inwendige van de moeder. Op grond van ‘het principe van de symbolische omkering’, dat Freud had ontdekt in zijn droomduiding, zou dus de moeder als symbool of partieel surrogaat of de zee optreden en niet omgekeerd.

De psychoanalyse had geleerd dat alle biologische en psychische processen zijn gemotiveerd en gedetermineerd en zo ontstond de hypothese van het heimwee naar de zee – ‘de thalassale regressiedrang’ – dat als een soort ‘moedermal’ niet alleen het driftleven van de mens bepaalt, maar in feite als een onderliggende drijfveer in al het menselijk voelen, denken en handelen te herkennen valt. Het vruchtwater van het embryo staat in feite voor een – in de moederschoot geïntrojecteerde – zee, waarin het tere en uiterst kwetsbare embryo zich letterlijk als een vis in het water voelt.

De traumatische ervaringen uit onze oertijd van deze soort zijn niet alleen nog in de mens zelf aanwezig, ze vormen ook een belangrijke motor in de evolutie. Wat wij ‘overerving’ noemen is in feite afschuiven van onverwerkte traumatisch onlust naar het nageslacht. Seks bedrijven is een tot opperste lust verheven traumatische verwerking van heimwee naar de zee. De reukzin, die bij seks zo’n cruciale rol speelt, is nog altijd uiterst gevoelig voor maritieme geuren. Niet voor niets ruikt de vagina naar vis. Ferenczi beschrijft heel specifiek hoe onze wijze van seks beoefenen zich mogelijk evolutionair ontwikkeld heeft na het verlaten van de zee. Vissen, die begiftigd waren mate een speerachtige uitstulping, beginnen het wijfje letterlijk te doorboren, waardoor bij het wijfje zich een vagina-achtige schacht voor de bevruchting ontwikkelde en de biologisch polariteit van de seksen een feit is.

Deze speerachtige uitstulping is nog altijd te zien bij de narwal. Recent onderzoek heeft aangetoond dat hun ‘zeesperen’ niet als wapen dienen maar als uiterst gevoelig tastorgaan dat met heel ontelbare gevoelssensoren is uitgerust, een soort hypergevoelige ‘penis avant la lettre’ dus. De speer van de narwal is dus de doeloorzaak bij uitstek van ons seksleven. Ferenczi wijst ook op de foetushouding die de mens nog altijd aanneemt tijdens de slaap, waaruit niet alleen het verlangen naar de moederschoot tot uiting komt, maar ook het heimwee naar de oceanische ervaring van de zee.

Ferenczi trekt zijn theorie zelfs tot het uiterste door. De embryonale houding keert niet alleen terug in de slaap maar ook bij de dood. Primitieven begraven hun doden in een embryonale hurkzit en bij ook bij stervenden is vaak de embryonale houding te herkennen. Het doel van het leven, zo stelt Ferenczi letterlijk, is de biologische dood, want het levenloze was er eerder dan het leven. Heimwee naar de dood is in feite de oerkracht van de levensdrift. Daarbij komt hij op een gedachtegang die zo rond 1900 wel meer voorkomt. Dood en leven zijn geen tegenpolen, maar nauw met elkaar verweven in de meest letterlijke zin. Ook Ernst Mach speelde met die gedachte. Niet voor niets verwijst Ferenczi in dit verband naar de woorden van Nietzsche: ‘Alle organische materie is uit anorganische ontstaan, het is dode organische materie. Lijk en mens.’

De grens tussen het dode en levende is vaag en zelfs in biologische zin nooit scherp te trekken. De anorganische en organische wereld vormen in feite een permanent op en neer golven van levensmoed en stervenswil. Op de oceaan van het leven drijft het heimwee naar de dood. Vandaar ook dat doodsangst, volgens Ferenczi, niet zelden gepaard gaat met de opperste seksuele opwinding, de zogeheten ‘angstlust’ die zelfs tot een ejaculatie kan leiden zoals bekend is bij gehangenen en gekruisigden. Eros en Thanatos zijn twee keerzijden van dezelfde medaille. Het verlangen naar lichamelijke vereniging is een omweg naar het sterven. De seksuele extase is de kleine dood. De grote dood is het ultieme verlangen dat uitmondt in de zee: vruchtwater en lijkvocht tegelijk. Leven en dood, eb en vloed, ze komen samen allemaal in de oceaan van aarde en maan.

Ik heb altijd vermoed dat ik al sinds mijn geboorte in hevige mate met heimwee belast ben. Dat is ook niet zo verwonderlijk als je bedenkt, dat ik een maand te laat geboren ben. Mijn moeder was al vier weken overtijd toen de eerste weeën zich aandienden. Mijn geboortetrauma moet dus immens zijn geweest. Of misschien juist niet. Misschien heeft mijn symbiose met het vruchtwater te lang geduurd en is er juist te weinig sprake geweest van een breuk. Voer voor psychologen wellicht, maar zelf zal ik er nooit achter komen. Bestaat er eigenlijk zoiets als een prenataal bewustzijn? Bewaar ik daar nog herinneringen aan? Kan ik diep in mijn geheugen terugkeren naar het vruchtwater, waarin ik ooit als foetus heb rondgedreven? Is er een weg terug naar de zee? Retour a la mer. Retour a la mère…

Volgens de meeste psychoanalytici is de mystieke ervaring niets anders dan een regressie naar de vroegkinderlijke ervaring van symbiose met de moeder, een gewaarwording van ‘disclosure’ alsof het organisme weer even een geheel vormt met de bron waar het uit voortkomt, wat een schijnbare ontsluiting van het bewustzijn teweegbrengt. Kortom: het oceanisch gevoel. Het zou een ziekelijk fenomeen zijn dat duidt op onvolwassenheid en een onvolgroeid gevoelsleven, een narcistische state of mind die een goed functioneren in de weg staat.  Idioten hebben die kennis van zichzelf. Ze hebben de wijsheid van het lichaam niet verloren. Sterker nog, ze keren terug naar de warme, moederlijke zee, elke keer weer – zoals in het gedicht van Vasalis – als een idioot in bad wordt gestopt.

De idioot in bad

Met opgetrokken schouders, toegeknepen ogen,
haast dravend en vaak hakend in de mat,
lelijk en onbeholpen aan zusters arm gebogen,
gaat elke week de idioot naar ’t bad.

De damp, die van het warme water slaat
maakt hem geruster: witte stoom…
En bij elk kledingstuk, dat van hem afgaat,
bevangt hem meer en meer een oud vertrouwde droom.

De zuster laat hem in het water glijden,
hij vouwt zijn dunne armen op zijn borst,
hij zucht, als bij het lessen van zijn eerste dorst
en om zijn mond gloort langzaamaan een groot verblijden.

Zijn zorgelijk gezicht is leeg en mooi geworden,
zijn dunne voeten staan rechtop als bleke bloemen,
zijn lange, bleke benen, die reeds licht verdorden
komen als berkenstammen door het groen opdoemen.

Hij is in dit groen water nog als ongeboren,
hij weet nog niet, dat sommige vruchten nimmer rijpen,
hij heeft de wijsheid van het lichaam niet verloren
en hoeft de dingen van de geest niet te begrijpen.

En elke keer, dat hij uit ’t bad gehaald wordt,
en stevig met een handdoek drooggewreven
en in zijn stijve, harde kleren wordt gesjord
stribbelt hij tegen en dan huilt hij even.

En elke week wordt hij opnieuw geboren
en wreed gescheiden van het veilig water-leven,
en elke week is hem het lot beschoren
opnieuw een bange idioot te zijn gebleven.

Vasalis, Parken en Woestijnen, 1940

Een idioot denkt niet. Hij ondergaat gewoon wat hem overkomt. Het volledig opgaan in het heden, zonder de splitsing van het woord dat losbreekt uit de tijd. Het bad is de gedroomde werkelijkheid die de dichter herinnert aan het eigen verlangen om tot een hereniging te komen met een volledig geleefd moment met een open horizon. Wij zijn verbannen uit het paradijs van het eeuwige nu, en telkens weer aarzelen we tussen heimwee naar een verloren moederschoot en het verlangen naar een beloofd vaderland.

Ik kan me nog goed herinneren dat mijn leraar Nederlands dit gedicht voordroeg in de klas. Hij vroeg ons wat het te betekenen had en toen niemand het antwoord wist, volgde een lang verhaal over het heimwee naar de moederschoot. Hoezo heimwee naar de moederschoot? Als puber wist ik niet, dat zoiets kon bestaan. De door de lava vereeuwigde lijken uit Pompeï ogen als ongeborenen die bevroren zijn in de tijd. Ook bij het inslapen nemen veel mensen die houding aan. Alsof de slaap iets van doen heeft met het tijdloze zweven in het vruchtwater. Vasalis was psychiater, dus ze moet er meer van geweten hebben. Ze wist van ‘het oceanisch gevoel’ en de ’thalassale regressiedrang’.

Idioten in bad worden elke keer weer opnieuw geboren. Ze kruipen dan op de vaste wal, zoals ooit, in voorwereldse tijden de vissen ons voor zijn gegaan, toen ze een zoogdier werden, een dier dat mens werd en uiteindelijk zelfs bewust ging denken. Idioten denken niet. Ze ondergaan gewoon wat hen overkomt. Het heimwee naar die gedachteloze toestand van het eerste vruchtwater moet de psychiater Vasalis ook als dichter hebben herkend. Het volledig opgaan in het heden, zonder de splitsing van het woord dat losbreekt uit de tijd.

Het bad is de gedroomde werkelijkheid die de dichter herinnert aan haar eigen verlangen om tot een hereniging te komen met een volledig geleefd moment met een open horizon. De idioot, dat zijn wij allemaal, verbannen uit het paradijs van het eeuwige nu, en telkens weer aarzelend tussen heimwee naar een verloren moederschoot en het verlangen naar een beloofd vaderland. Maar de idioot in bad heeft daar geen weet van. Of juist wel. Elke week wordt hij opnieuw geboren en huilt hij even.

De zee, de zee. We hebben heimwee naar de zee, de oerzee die zonder ophouden dezelfde wezens voortbrengt, verbaasd te leven en onophoudelijk dezelfde woorden sprekend die als schelpen aanspoelen op hetzelfde strand. Heimwee is het verlies van het vroeger, het vruchtwater, de tijd die er ooit was toen alles nog wees naar het midden van de bol. Dat gevoel heeft iets mateloos. Als het zich eenmaal aandient verwijdt het zich zonder ophouden. Het spreidt zich uit als een druppel olie op de oceaan.

Geen reactie mogelijk

Dromen aan de oude kustlijn

Ingewikkelde droom vannacht. Meerdere verhaallijnen lopen door elkaar. Zoals in het begin van een film, als je nog niet weet waar het verhaal naar toe moet, zo beland ik van de ene situatie plotseling in de andere. Ik kan de droom alleen navertellen, als ik de scènes uit elkaar trek, maar in feite switchte alles voortdurend door elkaar heen. Beelden spoelden aan als wrakhout aan een oude kustlijn. Dromen is zoiets als strandjutten, maar waar eindigt dan die onmetelijke zee van beelden? De golven houden nooit op, zelfs niet als het eb is. In mijn droom vannacht was het vloed. 

Het begon trouwens met een bergbeklimming. Zwaar bepakt loop ik naar boven. De berg wordt steeds steiler. Ik struikel en sta op. Ik struikel weer. Eventjes lijk ik zelfs weg te glijden, maar ik kan me nog net vastgrijpen aan een boomstronk. Het landschap om me heen wordt kaler en kaler. Ongeveer een kilometer voor de top beland ik bij een kleine hut, waar een oud vrouwtje woont. Ze lijkt op mijn moeder, maar ze is het niet. Met trillende stem vraagt ze me de zware bepakking af te doen. Ik doe er beter aan, verzekert ze me, om zonder ballast mijn tocht naar de top te vervolgen. Ze heeft het goed met me voor, zo lijkt het, en ik geef gehoor aan haar verzoek, wetend dat het zeer gevaarlijk is om zonder proviand naar boven te gaan.

Daarna voel ik me zo licht als een veertje en bereik ik zonder verdere problemen de top van de berg, waar een adembenemend uitzicht wacht. Ik zie het hele gebergte onder een paarse hemel en realiseer me dat ik op het dak van de wereld sta. Verre horizonten aan vier zijden kruisigen de wereld en een grenzeloos gevoel van troosteloosheid maakt zich van mij meester. ‘Eli, Eli, lama sabachtani!’….Hoewel het dwalen mij tegenstond intrigeerde het mij tegelijkertijd. Mijn gedachten dwaalden af. De poppetjes en schetsjes, die ik in deze afwezige bui tekende, stonden vol symboliek. Een poosje hoorde ik een Italiaanse zangeres een aria zingen, maar het licht van een vuurtoren stoorde me. Ik had niet de kracht op te staan, om het raam te sluiten. Het zal drie uur in de nacht zijn geweest, dat ik weer insliep. Toen wekte de maan me…

Achter mij stond een psychiater verkleed als adellijke heer uit de Pruikentijd. Hij begon voor te lezen uit een rapport dat kennelijk over mij ging. Hij had het over een boek dat ik geschreven had. Daarin wemelde het van de passages die gaan over het dwalen. Elk hoofdstuk getuigt van een geest 
die zich al te zeer opwindt over de genoegens van het dwalen, zo had men vastgesteld. De hoeveelheid tijd die ik besteedde aan het dwalen zou er 
eveneens op duiden dat ik vaak aan het onderwerp ‘dwalen’ dacht. Een van mijn favoriete gespreksonderwerpen als patiënt op de afdeling betroffen de gedachten die bij je opkomen tijdens het dwalen in de bergen. Later vroeg ik Jan en alleman te vertellen over hun ervaringen bij het dwalen, en wilde ik dat ze zeer gedetailleerd zouden zijn in hun beschrijvingen. 
Mijn eigen bijdrage aan deze gesprekken was dat ik lang en met stijgende opwinding sprak over het historische belang van mijn persoon.

Verschillende verplegers, die aan mijn ziekbed kwamen, vertelden dat er nooit veel 
meer gebeurde dan dat ik ‘de hele avond maar wat zat op te scheppen over eindeloze dwaaltochten en wat ik daarbij allemaal had beleefd’. Hoe graag ik ook over het dwalen praatte, meestal 
zorgde ik er toch voor om er niet te veel mee te koop te lopen. Niet ingewijden mocht ik graag nieuwsgierig maken en oudere vrouwen van 
het moederlijke type mochten mij wel eens over mijn haar strijken en me op mijn wang 
tikken. Als begaafde leerling op school was ik ooit woedend geworden toen mij werd voorgesteld om te leren jodelen. Later, als student, weigerde ik pertinent te jodelen, zowel op privé-feestjes als bij officiële gelegenheden. Ik had trouwens niets met jodelen, ook niet de keizerin van Oostenrijk en de koningin van Hongarije, en met Tiroler pornofilms al helemaal niet. Spritzen is ejaculeren, dat had ik er wel uit opgemaakt.

Copulatie associeerde ik met capitulatie. Dit zou kunnen verklaren waarom 
het idee van een algehele capitulatie van de Kerk mij zo enorm tegenstond; bij meerdere 
gelegenheden zei ik nadrukkelijk: ‘Er is één woord dat ik nooit kan gebruiken, en dat is copulatie.’ Maar ik bedoelde natuurlijk capitulatie. Ik stierf liever om aan de schande van capitulatie 
te ontkomen. In de loop der jaren bedacht ik vele redenen waarom het voor mij onmogelijk was nog langer in de bergen rond te dwalen. Ik had slechts één bruid: de Moederkerk, de enige met wie ik ook had kunnen dwalen was Sisi en die was dood. In het hier en nu, zo zei ik vaak, breekt een nieuwe beschaving zich baan. Religie is erotiek, maar daar is de mensheid nog niet aan toe.

Hoe dan ook, het lot bepaalt alles, zelfs het verloop van mijn gedachten. En hoe je het ook wendt of keert, mijn besluit stond vast. De dood werd mijn noodlot. Ik was voorbestemd voor de dood die zich in elk moment aandiende in zijn gruwelijke gedaante. De dood was een dolende ridder die verdwaald was in het hooggebergte. Zelfs de tijd op zichzelf was zwanger van de dood. Leven is sterven, zo dacht ik. In ieder ogenblik herhaalt zich het levensdrama. De bliksem sloeg telkens weer in, en het wachten was nog slechts op de voorwereldlijke donder die oprijst uit de oergrond: boem, Boem, BOEM…. een lange roffel van oorverdovende donderslagen die aan dit alles een einde zou maken. Het graf gaapt en de tijd zoemt….

Dan verandert het decor. Ik ben in een gebouw dat me bekend voor komt. Ik was ik daar al de hele tijd trouwens, ook toen ik naar boven klom. Nog kort geleden was ik ernstig ziek. Ik voel me nog wat zwak en wil naar huis, maar ik kan niet. Alle deuren zitten op slot. In de ruimte ernaast klinkt opeens rumoer. Er is ruzie uitgebroken. Er wordt gescholden en er vallen zelfs rake klappen. Ik kijk uit het raam en zie op het voorplein een soort schuur die leegstaat. Je kunt er door de kieren naar binnen kijken. Er is daar al jaren niemand geweest, zo lijkt het. De ruzie in het naburige vertrek loopt volledig uit de hand. Er vallen schoten. Ik hoor geschreeuw. God bewaar me, de dood is een afgezwaaide kogel…

Opeens zag ik aan het voeteneind van mijn bed een vuurtoren staan. Ik schreeuwde het hele huis bij elkaar. Mijn oude moeder kwam de slaapkamer binnen en deed het licht aan. Ze had krulspelden in en onder haar duster zag ik haar rubbercorset. Ze sprak me geruststellend toe en zei dat ik me veel te druk maak de laatste tijd. Ik moet wat meer op mijn innerlijk licht vertrouwen, zei ze: ‘Keer terug naar de kust!’

‘Maar er staat een vuurtoren in de kamer!’ riep ik. Mijn moeder keek om haar heen en zag niets. ‘Waar dan?’ vroeg ze. ‘Daar!’ riep ik. ‘Daar bij het raam !’ Maar mijn moeder liet me zien dat er geen vuurtoren was. En toch, toen ze het licht weer uit deed en de kamer uitging, stond hij er weer met zijn ronddraaiend licht in de nacht.

Ik weet niet wat Freud hiervan gedacht zou hebben. Voor de surrealisten was de vuurtoren het symbool voor het onbewuste verlangen. Zoiets moet het zijn wellicht, de angst voor het verlangen. Het verlangen dat nooit vervuld kan worden, maar toch blijft bestaan. Tegen beter weten in. Ik verlang misschien iets wat eigenlijk niet kan bestaan. Misschien ben ik bang voor mijn eigen verlangen.

Uiteindelijk sliep ik weer in en droomde van de zee. Ik liep alleen op een pier aan een haven en hoorde het de geluiden van golven die zich mengden met de klaaglijke roep van een misthoorn. Maar ook het geluid van de vuurtoren hoorde ik, dezelfde vuurtoren die ver van deze pier in mijn eigen slaapkamer te horen was…

Of zoals Vasalis ooit dichtte:

En ’t avondland na’t avondeten
– de vaders in het gras gezeten
aan het kanaal dat nauwlijks stroomde
maar zachtjes smakte langs de kant.
En dat het stil werd over ’t land,
de zee zich meer en meer liet horen
soms overstemd door kinderkoren
‘blijf zitten waar je zit en verroer je niet!’
Een ijl en toch doordringend lied –
het einde van een zomerdag.

Gewassen, haar gekamd, in bed gelegd
nog één verhaaltje, nog en nóg een kus,
raam open en gordijnen bijna dicht
en buiten in de straat nog lokkend licht,
voetstappen, af en toe helder gelach
’t gerekte roepen van een kindernaam
die eenzaam zoekend in de lucht bleef hangen
en ons benauwde tot een antwoord kwam –
ons fluistrend praten, lang, van bed naar bed
dan ’t stille kijken naar ’t vuurtoren-licht
dat streek langs het nu donkere plafond.
De witte, zachte vingers, regelmatig
draaiend en dovende en keer op keer,
wisten de dag en veegden ons in slaap
– swish, swish-

M. Vasalis. Uit: De oude kustlijn (2002)

 

Reageer

Een onbekende stilte

Vorige week heb ik de biografie van M. Vasalis herlezen, geschreven door Maaike Meijer. Een prachtig boek, waar je letterlijk de tijd voor moet nemen. Vasalis is de dichter van de tijd, de stil gezette tijd, verstilde tijd. Soms denk dat Vasalis op zoek was naar een nieuwe tijdbeleving. Een mystieke tijdervaring na de dood van God. Haar poëzie is een uitbraakpoging uit de tijd door een geïntensiveerde ervaring van de werkelijkheid zelf. Een ontsnappingspoging uit le temps van Bergson, terug naar la durée, en zelfs daar voorbij, naar iets wat onder de tijd ligt. Een onbekende stilte.

Veel gedichten van Vasalis gaan over de tijd. Ze zetten je aan het denken, maar doen je tegelijk beseffen dat het geheim van de tijd in haar gedichten zelf verstopt zit. Voor mij is zij bij uitstek een dichter van de jaren veertig en vijftig. Ik verbind haar poëzie met de tijdervaring van die tijd, het eindeloze in het hier en nu. Sommige van haar gedichten moest ik op school uit het hoofd leren. De idioot in het bad bijvoorbeeld, die ‘de wijsheid van het lichaam’ niet verloren had, maar ook Fanfarecorp  met ‘de eerbied voor de gewoonste dingen’ en natuurlijk Afsluitdijk met dat ‘wonderlijk gespleten lange heden’.

Ik zou graag een essay willen schrijven over de tijdsbegrip van Vasalis als uitdrukking van de tijd waarin zij leefde, maar ik vraag me af of ik iets nieuws zou kunnen toevoegen aan alles wat er al over haar poëzie gezegd en geschreven is. Er wordt veel geschreven over de tijd tegenwoordig. De herovering van de tijd. De tijd als levenskunst. Over de onthaasting, de staccato-cultuur, het sublieme van de historische ervaring. Onze tijd lijkt gefocust op de ervaring van de trage tijd. Onlangs ben ik begonnen met het boek Stil de tijd van Joke J. Hermsen, maar ik ben afgehaakt toen ik las dat Augustinus volgens haar in de zesde eeuw heeft geleefd (lees maar, op pagina 21!). Hoe kun je als filosoof een boek schrijven over de tijd en tegelijk zo’n blunder maken? Ik ben bang dat ze Augustinus niet eens gelezen heeft.

Ik droom steeds vaker in mijn dromen
een barre grond, groot en verlaten,
gegolfd, versteend, verwonderlijk geplooid,
met kromme, bladerloze, grote bomen,
als een van te nabij gezien en oud gelaat,
en voel mij thuis – te dicht bij huis – gekomen.
Te sterk, te naakt, te vroeg berooid.
Daar is geen rust, geen dood, al bloeit geen blad,
al is het stil – geen vogelstemmen…
De stilte en rust zijn schijn:
het hart van een cycloon,
al klopt het niet, een niet te temmen
kracht schijnt alles bij elkaar te klemmen.
Zo is het land, waarin ik woon.

O tovenaar, o kracht, waar zijn de vogels toch gebleven,
de kleine, warme, met hun ritselende veren,
die zich van takjes stortten met een dikke keel;
de twijgjes die zich verende herstelden
van ’t licht gewicht, dat het zo sierelijk verliet?
Het waren toch zo vele?
Wanneer ik sterven moet, wil ik bij kleine vogels sterven
en water horen en de oortjes van het gras
zien spitsen en de losse aarde voelen.

M. Vasalis. Uit: Vergezichten en gezichten (1954)

Als ik uit de pakweg honderd gedichten, die Vasalis heeft nagelaten, er één mocht kiezen, dan zou het dit zijn. Misschien omdat dit gedicht verbonden is met het sterfbed van mijn moeder. Zij stierf in 1989, 83 jaar oud. Ze was lief en hartelijk. Eigenlijk werd ze steeds liever naarmate ze ouder werd, zelfs toen ze langzaam dement begon te worden. Bij haar sterfbed ben ik niet aanwezig geweest. Mijn oudste zus belde ‘s avonds laat met de mededeling dat mijn moeder rustig overleden was. Toen ik haar vroeg het moment te beschrijven dat ze stierf, herinnerde zij zich een gedicht van Vasalis over dat vogeltje dat wegvliegt van een takje…

‘…. de twijgjes die zich verende herstelden.’

Reageer

Met het klimmen der jaren

Kennen

Ik hoor de wind, omdat hij door de blaad’ren sleept,
ik zie de blaadren waar het licht op breekt.
Maar welke blaadren hangen er in stilte en ’t donker
en welke oren sluimren waar geen stem tot spreekt.
Ik voel de oude wanhoop van het instrument,
dat tot het uiterste gedreven
niets dan zijn eigen grens herkent

M. Vasalis, Vergezichten en gezichten, 1954

Kennen is niet het bekendste gedicht van Vasalis. Voor zover ik kan nagaan komt het in geen enkele bloemlezing voor. Ook niet in ‘de dikke Komrij’, waarin tien gedichten van haar zijn opgenomen: zes uit Parken en Woestijnen (1940), twee uit de De vogel Phoenix (1947), en twee uit Vergezichten en gezichten (1954). De postuum verschenen bundel De oude kustlijn (2002) ging aan mijn editie van Komrij’s canon (1996) voorbij. Uit dit alles zou je kunnen opmaken dat Parken en woestijnen haar beste bundel is. Als je kijkt naar het aantal evergreens, is daar inderdaad wat voor te zeggen. Deze bundel bevat immers enkele sublieme gedichten die volledig zijn ingedaald in het collectieve geheugen van Nederland: De idioot in het bad, Afsluitdijk, Fanfarecorps.… maar als ik maar één van haar bundels mocht meenemen naar een onbewoond eiland, dan zou ik zeker kiezen voor Vergezichten en gezichten. Hier is de dichter op zijn best, als een eenzame sfinx die de oorlog heeft overleefd, een stem die verzet aantekent tegen de vooruitgang, een eenling die opkomt voor iets dat met het klimmen der jaren voorgoed teloor dreigt te gaan.

Het gedicht Kennen lijkt op een filosofisch statement. De grenzen van het kennen worden hier verkend, alsof de dichter zojuist Kants Kritiek van de zuivere rede heeft dichtgeslagen. De ‘oude wanhoop van het instrument’ is het onvermogen van het verstand om verder te reiken dan de grens die door het heldere denken is gesteld. Zo luidde de ook de slotzin van De mens in opstand (1951) van Albert Camus: ‘Dan kunnen we leven en herleven, op voorwaarde dat de mens de mens wil begrijpen en aanvaarden wil de grens, door het licht van het klare denken gesteld.’ Vasalis had veel waardering voor Camus, veel meer dan voor Sartre. Bij Camus herkende zij het drama van de moderniteit, het denken dat op zoek ging naar een verloren schat: de aarde, de moeder, de droom en de paradijselijke jeugd. In de poëzie van Vasalis klinkt als een voortdurende grondtoon een kritiek door op de moderniteit. Het is een late echo van het cultuurpessimisme van het interbellum. De wrange en soms zelfs zelfgenoegzame melancholie over een verdwenen samenhang, een verlies van het midden, een centrum dat het innerlijke leven met de cultuur verbindt.

Maar welke blaadren hangen er in stilte en ’t donker’

Op welke ‘blaaderen’ doelt de dichter hier? Het zijn bladeren die met het oog zijn niet te zien, met de neus niet te ruiken, met het oor niet horen, met de hand niet te voelen. De verbeelding kan er geen voorstelling van maken. Het zijn de bladeren waarvan het bestaan ons verstand te boven gaat en waar we geen weet van hebben, omdat we er per definitie geen weet van kúnnen hebben. En toch maakt de dichter er gewag van, alsof zij wegen kent waar het verstand geen weet van heeft. Alsof de wereld een gigantisch oerwoud is, waar wij slechts één open plek van kennen. Die gewaarwording van onkenbare bladeren is alleen op intuïtieve wijze te verklaren. Die onkenbare bladeren kunnen alleen worden waargenomen met een ander orgaan. Iets anders dan het verstand. Maar welk orgaan is dat? Welk orgaan heeft onze geest dat het bestaan bladeren in het donker en in de stilte kan vermoeden? ‘Ik wil het geheim van de wereld kunnen horen’, schreef Vasalis aan Gerard Reve. Maar hoe kun je een geheim horen dat het oor niet horen kan? Hoe kun je iets waarnemen dat er niet is?

Vier jaar na het verschijnen van Vergezichten en gezichten kreeg Vasalis een prijs van Stichting Kunstenaarsverzet 
1942-1945. De prijsuitreiking vond plaats op 8 februari 1958 in het Stedelijk Museum te Amsterdam. Haar dankrede, die ik gisteren las, is een indringend betoog over de rol van de kunstenaar in de naoorlogse maatschappij. Vasalis hield een pleidooi voor de wereld van de droom en de herinnering aan het paradijsje wereld van het kind. Het verzet van de kunstenaar was na de oorlog nog niet afgelopen, maar diende eens temeer ingezet te worden voor het behoud van de droom en het paradijs van de kinderjaren. In haar woorden klinkt een aanklacht tegen de moderne maatschappij. De moderniteit heeft een wereld opgeleverd van 
toenemende specialisering, waardoor ‘het leven’ uiteenvalt in tal van aspecten zonder
gemeenschappelijk centrum.

In die moderne wereld zijn vrijheid, gerechtigheid en vrede holle begrippen geworden. Het is een wereld waarin kwade motieven de mens tot voordeel strekken. De hedendaagse mens voelt zich niet thuis in het huis waarin hij leeft, want deze wereld is te snel en te groot geworden. De tijd vliegt aan de mens voorbij en het enige dat hij nog kan doen is als een hond, die uit het raam kijkt in een voortrazende trein: ‘blaffen naar de voorbijflitsende telegraafpalen’. Het is de taak van de kunstenaar, zo stelt Vasalis, om te laten zien hoe hij de wereld beleeft om zo een nieuw doorleefd verband tussen binnen- en buitenwereld te leggen, een verband dat in zijn eigen tijd vaak niet – of nog niet – begrepen wordt.

Het betoog van Vasalis klinkt ruim een halve eeuw na dato weinig opzienbarend. Het is het geluid van het cultuurpessimisme dat de oorlog heeft overleefd en tot aan de jaren zestig in Nederland hoorbaar was. En toch is er één passage die eruit springt, als Vasalis spreekt over het afsterven van een orgaan dat in onbruik is geraakt.

Een orgaan dat niet gebruikt wordt verliest op den duur zijn functie. Een oog dat lang afgedekt wordt 
wordt blind en zo gaat het ook met onze geestelijke kwaliteiten. Wat gebruikt wordt van de mens in de tegenwoordige maatschappij is zijn angst, zijn onzekerheid, zijn 
verlangen naar geborgenheid, zijn lichaamskracht, een 
deel van zijn intelligentie en fantasie, zijn neiging tot 
competitie, maar zijn geloof niet, zijn liefde niet, zijn 
droom niet, zijn haat ten dele en zijn aanpassingsvermogen ten volle.

Reageer

Vluchten kan niet meer

Vahine no te tiare

Als ik haar zie, rechtop gezeten,
zwart voor een roode achtergrond
vrouw met het rustige gelaat,
lijkt ieder ander mij verbeten,
onzeker en te snel verwond.

Haar voorhoofd is een kooperen plaat,
een schild waarachter haar gedachten
naakt en gehurkt liggen te wachten;
boven de wallen van haar wangen
de bruine oogen, onbevangen,
zonder glimlach, zonder woede
stil en helder op hun hoede.
Van reserve en geduld
is haar dichte mond gevuld.

Nog weet zij niet wat haar verraadt:

Zij beseft niet, dat haar hand
sluimrend op haar schoot – zoo smal
met een bloem tusschen de vingren –
in extase en in haat
onverwacht een dolk zal slingren
naar wien zij beminnen zal.

M. Vasalis, Uit: Parken en woestijnen (1940)

Dit gedicht van Vasalis is geïnspireerd op het gelijknamige schilderij van Gauguin, de schilder die naar in 1891 naar Tahiti vertrok omdat  hij de moderne westerse beschaving niet meer zag zitten. Geïnspireerd door Jean-Jacques Rousseau en het idee van ‘de nobele wilde’ was Gauguin was op zoek naar de mythe van de paradijselijkheid, de woeste en onbedorven seksualiteit. Hij verbleef op Frans-Polynesië, eerst Tahiti en later de Marquesaseilanden (Les Marquises). Velen zouden hem nadien volgen. Zelfs Jacques Brel reisde op het eind van zijn leven naar Les Marquises, het eiland van Gauguin, waar hij ook begraven ligt. Les Marquises was ook de titel van het laatste chanson van Brel. Hij zong het met nog maar één long, in 1976, een jaar voor zijn dood aan longkanker in een ziekenhuis in Parijs.

Over het gedicht Vahine no te tiare van Vasalis is veel geschreven en gespeculeerd. Wat betekent die dolk die de vrouw slingert naar wie zij beminnen zal? Welke strijd tussen de seksen wordt hier uitgevochten? Welk ‘onbehagen in de cultuur’ word hier geprojecteerd op het duistere continent van de ongerepte vrouw, met haar ogen ‘zonder glimlach en zonder woede’. Het is een gedicht dat geschreven is met de observerende blik van een etnoloog en de analyserende blik van een psychiater. Wij leven niet in balans met de natuur. Er is geen harmonie meer tussen mens en aarde, dat is wat de primitieve mens ons leert. Het westen is ziek, overspannen, neurotisch, psychotisch, schizofreen… De moderne mens is geestesziek, maar waarheen kan hij nog vluchten?

Hoe kun je nog vluchten uit een zieke cultuur? Vluchten kan niet meer. Hoe vaak en ik tot die conclusie moeten komen? Toen ik in  1966 voor het eerst in mijn leven  bij een psychiater terecht kwam, was een van de problemen waar ik voor stond mijn studiekeuze. Voor die keuze wilde ik vluchten, maar dat kon niet. Omdat ik het examenjaar door ziekte niet had afgemaakt, kwam ik opnieuw in de zesde klas van het gymnasium terecht. Aanvankelijk op het Nicolaascollege, maar dat beviel me niet, zodat ik het laatste jaar uiteindelijk toch weer op het Ignatiuscollege heb voltooid. Maar wat moest ik gaan studeren na mijn eindexamen? Het liefst had ik filosofie gekozen, maar ik was bang dat daar geen droog brood mee te verdienen was. Dus koos ik uiteindelijk voor de veilige weg: bouwkunde in Delft, waar ik het nog geen halfjaar zou uithouden.

Met mijn psychiater sprak ik wel eens over mijn studiekeuze. Hij wilde mij daarover geen raad geven. Dit soort problemen, daar hield hij zich niet mee bezig. Toch liet hij tussen neus en lippen wel eens iets blijken over hoe hij over mijn toekomst dacht. Filosofie vond hij maar niets. Je kunt wel alle boekjes van de wereld lezen, zei hij dan badinerend, maar daar word je zelf niet wijzer van. Als je dan toch wilt weten over hoe de mens in elkaar zit, ga dan zoiets als etnologie studeren, de culturen van vreemde volken en beschavingen. Kortom, een studie zo ver mogelijk van je eigen beschaving. Of anders gezegd, zo ver mogelijk van je eigen ziekte. Ik heb zijn raad niet opgevolgd. Maar als als psychiater had hij daar zelf veel belangstelling voor. De edele wilde, het duistere continent, de mens die nog niet ziek was, zoals wij ziek zijn van onze moderne cultuur.

Het verband tussen etnologie (later: culturele antropologie) en psychiatrie was vóór de oorlog heel gewoon. Veel psychiaters zochten de oorzaken van geestelijke storingen, door primitieve culturen te gaan bestuderen. Het boek Coming of age in Samoa (1928) van Margaret Mead bevestigde een mythe. Dat haar bevindingen grotendeels op falsificaties berustten, was destijds nog niet bekend. Ook de dichter Vasalis heeft tijdens haar studie medicijnen een tijd lang etnologie gestudeerd. Zij wilde als arts uitgezonden worden om in andere culturen iets meer te weten te komen over de verhouding tussen de seksen.

Misschien droomde ze heimelijk van het zwervend bestaan van Slauerhoff, die ze overigens zelf tijdens haar studietijd ooit heeft ontmoet na een lezing van Slauerhoff in Amsterdam, zoals Wim Hazeu in zijn biografie laat weten. De antropoloog Gerrit Jan Zier schreef over deze ontmoeting in zijn artikel Het leven is onmetelijk triest in de NRC van 6 juni 1986. Vasalis vertelde aan Slauerhoff dat zij zijn gedichten zo bewonderde. Op de vraag van Slauerhoff welke dichtregel dan zo’n indruk op haar had gemaakt, antwoordde Vasalis:

Ik heb al sinds verleden week geen zin
in de omhelzing van een negerin.

Deze regel van Slauerhoff komt uit zijn gedicht Afrikaanse elegie, dat zo treffend de lome, landerige sfeer beschrijf die Claude Lévi-Strauss heeft gekenschetst in zijn boek Het trieste der tropen (1955). Vasalis heeft haar tweede studie etnologie overigens niet afgemaakt, omdat het daarvoor haar ouders aan geld ontbrak. In een interview met Gerrit Jan Zwier op 19 december 1984, liet Vasalis weten dat zij er daarna voor gekozen had om de psychiatrie als specialisatie te kiezen. Nu zij als arts niet uitgezonden kon worden naar vreemde volken, wilde zij ‘de vierde wereld’ van de mens gaan bestuderen. ‘De vierde wereld’ betekende voor haar ‘de wereld van de psychose’, de ziekte van de tijd, de moderne tijd, de tijd die leegloopt als een badkuip.

Waar komt die term ‘de vierde wereld’ vandaan? De term ‘de derde wereld kwam pas in het begin van de jaren vijftig in zwang. Tegenwoordig wordt met’ de vierde wereld’ een heel ander domein aangeduid. De Spaanse socioloog Manuel Castells bedoelt met ‘de vierde wereld’ op de zwarte gaten van sociale uitsluiting, de plekken op de wereldkaart waar mensen ‘total disconnected’ zijn. Hij gebruikte de term als doelbewuste oppositie met ‘de eerste wereld’ en ‘de derde wereld’. Voorbeelden van ‘de vierde wereld’ zijn volgens Castells de sub-Sahara in Afrika, ruraal Latijns Amerika, de getto’s in grote wereldsteden en de kansloze buitenwijken (banlieues) van West Europa. De rellen die in dit soort gebieden soms zomaar kunnen uitbreken, zou je de ‘opstand van de vierde wereld’ kunnen noemen. Maar die opstand heeft niets met de wereld van de psychose van doen. Of misschien toch wel?

Toen Gerrit Jan Zwier met de bus op weg was van zijn woning in Zuidhorn naar Roden, waar Vasalis woonde, was hij getuige van een gruwelijk ongeluk. Bij de spoorwegovergang bij Peizermade, waar destijds de trein tussen Groningen en Drachten passeerde (het zogeheten ‘Philipstreintje’) werd een auto door de trein geschept en ongeveer 25 meter meegesleept. Een 35-jarige vrouw raakte zwaar gewond  en zou later overlijden in het Academisch Ziekenhuis in Groningen. Haar zesjarig dochtertje, dat op de achterbank zat, mankeerde niet veel. Een wat oudere man stapte uit en verleende eerste hulp. Diezelfde man trof Gerrit Jan Zwier aan in het huis van Vasalis. Hij was haar echtgenoot Jan Dooglever Fortuyn, hoogleraar neurologie. Hij vertelde dat de vrouw stervende was en was zo ontdaan dat hij eerst even naar bed moest om van zijn schokkende ervaring te bekomen. Misschien is ‘de vierde wereld’ wel de waanzin zelf die als een sluimerend inferno verscholen ligt onder de huid van de alledaagse werkelijkheid.

Het is te zien, te voelen en te hooren.
Ik weet, dat het er is, zoals ik weet hoe in mijn bloed
krioelt door donkre gangen. Dek het toe met huid.
Dek het heelal met stilte toe, met ongevoeligheid,
met tijd.

M. Vasalis. Uit: Overgevoelig (Vergezichten en gezichten, 1954)

Reageer