Op weg naar Trees (2)

Trees en ik in 1960.

Stel dat je de ontdekking in de moderne natuurkunde over tijd en ruimte letterlijk neemt en toe gaat passen op de ervaring van je eigen leven, hoe ziet dit leven er dan uit? De tijd is eeuwig en alomtegenwoordig, maar wij zijn gedoemd om de tijd te beleven als iets dat voorbijgaat. Dat is niet zo. De tijd, zoals wij die kennen, is een illusie. Tijd, zo wordt wel beweerd, creëert de benodigde ruimte, zodat niet alles tegelijk gebeurt. We beleven de dingen achter elkaar en dat is maar goed ook, anders zouden we knettergek worden. Tijd is iets wat ons bewustzijn aan de werkelijkheid.  Dit vreemde fenomeen ontstaat door het structurele onvermogen van het brein om de dingen te zien zoals ze werkelijk zijn.

Toen Einstein in 1954, ziek en verzwakt – nog geen jaar voordat hij zelf zou sterven – een condoleancebrief moest schrijven aan de weduwe van zijn oude vriend Michel Besso, kwamen er woorden in hem op die hij als natuurkundige nauwelijks verantwoorden kon. ‘De dood betekent niets’, zo schreef Einstein:

‘This signifies nothing, for us believing physicist the distinction between past, present, and future is only an illusion, even if a stubborn one.’

Als mens moeten wij ons verzoenen met ons tragische lot: de dood met of zonder hoop op een hiernamaals. Dood is dood. Maar er is meer tussen hemel en aarde. Dat is de les die in feite alle religies ons leren, maar die de ook in de natuurkunde van de twintigste eeuw verborgen ligt. Al wordt die raadselachtige realiteit, die eigen is de tragedie van de eindigheid, vaak misverstaan of verminkt door esoterische ideeën over hoe het nu werkelijk zit met dat vreemde, vluchtige fluïdum dat wij ‘werkelijkheid’ noemen. Aan onze gebondenheid aan tijd en ruimte kunnen wij alleen ontkomen door haar te aanvaarden en ten diepste te ondergaan.

Op de foto hierboven zit ik naast mijn jongste zus Trees die vier jaar ouder was dan ik. Eergisteren overleed zij, terwijl ik met de bus naar haar op weg was. De foto stamt uit een andere tijd. Het zomer 1960, in de tuin van mijn tantes in Huissen. Trees had een zware tijd achter de rug. In 1956, toen ze twaalf jaar was, moest ze in het Wilhelmina-gasthuis worden opgenomen, waar ze een zware hersenoperatie moest ondergaan. Mijn moeder vertelde mij later dat zij toen samen met mijn vader een hele nacht op het WG-terrein heeft rondgelopen in afwachting op de uitslag van de operatie. Ze hadden de dood in de ogen. ‘Stien, nu hebben we elkaar nodig‘, moet mijn vader toen hebben gezegd. Waarop mijn moeder hem vermanend antwoordde: ‘Durk, we hebben elkaar altijd nodig.’ 

Er werd een stuk uit de schedel van Trees gezaagd en een jaar later werd dat gat weer gedicht met een stuk bot uit haar zwevende rib. Die operaties, die door een Chinese chirurg werden uitgevoerd, waren voor die tijd zeer gewaagd. Beide keren moest Trees vooraf volledig worden kaalgeschoren. Daar plaagde ik haar wel eens mee. ‘Op de kale kop van Trees, houden de vlooien een een motorrace,’ zong ik dan. Het was een bekend kinderliedje in die tijd, waarbij de kale kop van minister-president Drees het moest ontgelden. Van mijn moeder kreeg ik dan op mijn kop, maar als het even kon zong ik het weer. Kinderen zijn wreed.

De operatie liep beide keren goed af en Trees herstelde volledig. Maar daarvoor is dan ook heel wat gebeden in de familie. Na afloop mocht ze met mijn tantes uit Huissen naar Lourdes met de touringcar van Jacques van Dijk uit Eindhoven. Want voor wat hoort wat. Trees was genezen, met dank aan de Heilige Maagd Maria. Alleen de eerste jaren daarna had Trees nog wel eens last van rare versprekingen. Zo herinner ik mij dat ze op een keer vol bewondering sprak over de film Wilde billen van Ingmar Bergman. Wilde aardbeien, bedoelde zij natuurlijk. 

Na Cornelie in 2014 en Lucie in 2015 is Trees nu de derde zus van mij die overleden is. De dood is een mysterie dat onbegrijpelijk is en dat ik – telkens weer als ik ermee geconfronteerd word – alsnog probeer te begrijpen. Soms realiseer ik mij achteraf dat ik een ervaring heb gehad op het moment dat iemand, die mij lief is, overlijdt. Voor zover ik weet ben ik niet erg bijgelovig. Of ik gelovig ben weet ik niet. Wel denk ik dat er zoiets als paranormale verschijnselen bestaan, maar dat is iets anders dan geloof of bijgeloof. Mijn moeder was nogal bijgelovig en als het over zaken van levensgevaar of de dood ging was ze zelfs lichtelijk paranormaal begaafd. De laatste jaren merk ik dat ik met diezelfde gave soms ook een beetje behept ben. ‘Behept’ zeg ik, en niet ‘begiftigd’, want het is niet altijd prettig om dingen te weten die je niet kunt weten.

Toen ik het bericht van het overlijden van Trees hoorde, passeerde de bus het voormalige klooster van Nieuwe Niedorp, waar voorheen de zusters Clarissen gehuisvest waren. Ik vind dat altijd een wonderlijk gebouw in een lege omgeving, een ogenschijnlijk verlaten monument dat model lijkt te staan voor een verleden dat voorgoed voorbij is: het Rijke Roomse leven. Ik was op dat moment verdiept in een boek van Vestdijk: Het schandaal der blauwbaarden (1968). Dat is een klein dun boekje. Niet de beste roman van Vestdijk. Misschien wel zijn slechtste, maar ik kende het nog niet.

Het verhaal gaat over drie heren die een congres bezoeken in Florence. Op een dag verlaten zij die stad om op weg te gaan San Gimignano, waar een van hen in het archief moet zoeken naar een veertiende-eeuwse Blauwbaard. In een van de torens van die stad – de ‘Duivelstoren’ – willen zij een spiritistische scéance gaan houden om de geest van deze historische Blauwbaard op te roepen. Dat leidt tot allerlei verwikkelingen, maar wat in dit verband van belang is wat de ik-figuur – een romanschrijver in wie duidelijk Vestdijk zelf te herkennen valt – te melden heeft over het spiritisme en het geloof in het voortbestaan na de dood. Zo zegt hij het volgende : 

‘‘Gelovige’ is misschien niet de juiste uitdrukking, al staat de overtuiging van de spiritist zeker dichter bij het geloof dan, laat ons zeggen, bij de stelling van Pythagoras of bij de Italiaanse staatsinrichting in de 19de eeuw. Het spiritisme kan léiden tot geloof in de gebruikelijke betekenis van deze term. Op zichzelf is het een proefondervindelijke wetenschap. Dood is niet dood. De bewijzen hiervoor zijn volstrekt overtuigend, – behalve voor wie niet overtuigd wil worden. Maar tenslotte hoeft ook niet iederéen spiritist te zijn.’

Ik waag te beweren dat Vestdijk er net zo over dacht. Misschien kon hij zijn opvattingen het voortbestaan van de ziel na de dood makkelijker ventileren in een roman-personage dan één op één in een essay. Hoe dan ook, een mens leeft met de niet-levenden aan twee zijden van zijn leven. In het verleden waren de doden rond die ooit geleefd hebben. In de toekomst bevinden zich de niet-levenden die nog geboren moeten worden. Maar wat als de tijd een illusie is? Dan zijn de doden er nog, en wie nog geboren moet worden is al ergens aanwezig. De scheidslijnen tussen heden, verleden en toekomst berusten op een zinsbegoocheling. De doden zijn niet dood. Ze zijn ontwaakt uit het leven. De dood betekent niets.

Zie ook: Hier

Reageer

Op weg naar Trees

Mijn zus Trees en ik, op 10 maart j.l.

Er is iets met de betekenis van het woord ‘grens’, iets dat zo vanzelfsprekend is dat het waarschijnlijk niet klopt. Ga maar na, hoe dichter je een grens nadert – welke dan ook – hoe verder zij zich lijkt te verwijderen. Een grens valt nooit in haar exacte gedaante te betrappen. De essentie van een grens is misschien wel haar onbestaanbare bestaan.

De grens zelf bestaat niet, net zomin al een grens-ervaring. Die ervaring is ondenkbaar, zoals ook de ervaring van de dood ondenkbaar is. We hebben er geen beelden bij. Deepdown sluimert een vermoeden dat de dood niet bestaat, net zomin als de grens bestaat. Het leven leeft op een bodem van tijdloosheid. Het onbewuste kent grens noch dood. Beide zijn uitvindingen van het bewustzijn. En bewustzijn doet pijn.

Gisteren was ik met de bus op weg naar Alkmaar. Ik had gehoord dat mijn zus Trees op sterven lag. Vlak voor Alkmaar kreeg ik een telefoontje van mijn neef Tijmen dat Trees was overleden. De dood is de laatste grens en daarmee het meest onvoorstelbare van alles wat onvoorstelbaar is.

Zie ook: Op de fiets naar Alkmaar

Reageer

Schuld en boete in De Harpoen

Voor De Harpoen, het schoolblad van het Ignatiuscollege, schreef ik midden jaren zestig een aantal korte verhalen en mijn debuutverhaal was De val, een parodie op La chute van Albert Camus. Tegelijk was het een interview met mijzelf, waarin ik veel van mezelf prijsgaf, zij het op een vertekende manier. Ik had het verhaal van Camus verplaatst naar mijn eigen levenssituatie als een vroegwijze puber. Schuld, dat was het woord dat ik had opgepikt. Boete was het enige wat me te doen stond. Mijn schuldbekentenis in De Harpoen had soms bizarre equivalenten met die van de hoofdpersoon van Camus.

Later werd ik er nog wel eens op aangesproken op deze, voor De Harpoen toch wat ongebruikelijke bijdrage, onder anderen door mijn tandarts, mijnheer Kroese die het verhaal ook gelezen had. Kroese had een praktijk op de Middenweg, waar ik als kind al op woensdagmiddag altijd even langs moest komen om mijn beugel aan te laten draaien. Dan stond er een hele rij van die kleine hummels op de trap te wachten en iedereen werd geholpen, zonder dat Kroese tussentijds zijn handen even waste. Dat vond ik eigenlijk niet zo netjes.

Over De val sprak Kroese mij aan, terwijl ik op de stoel lag met mijn mond open. Hij had zelf ook kinderen op het Ignatiuscollege, zei hij. In het boek ‘n Eeuw IG 1895-1995 las ik, dat Kroese zich later ook letterlijk met de inhoud van De Harpoen is gaan bemoeien. In 1970 schreef hij aan de schoolleiding het volgende:

‘Nog afgezien van het feit dat De Harpoen door ouders wordt bekostigd, acht ik het een kwalijke zaak, dat deze jongens mogen en kunnen schrijven en drukken wat ze goeddunkt. Mijn inziens schiet de schoolleiding ernstig tekort. Het spijt mij dat ik het zo moet stellen, maar ik kan het niet anders zien. De democratie die men zo graag in het schoolstelsel wil brengen, is dan reeds uitgegroeid tot een dictatuur van de jeugd over de schoolleiding.‘

Pas onlangs dat tandarts Kroese op een tragische manier aan zijn eind is gekomen. Hij kreeg last van Alzheimer en is uiteindelijk voor zijn huis op de Middenweg aangereden door een auto en ter plekke overleden. Over de doden niets dan goeds. Hij ruste in vrede. Overigens was Kroese niet de enige bezorgde ouder die de Harpoen met zijn puberende kinderen meelas. Het eerste half jaar van 1966 ben ik weggeweest van het Ignatiuscollege door mijn opname in Heiloo. Toen ik daarna bij een psychiater belandde, bleek dat ook hij mijn verhaal De val van het jaar daarvoor had gelezen. Hij vond dat ik een schokkend beeld van mijn naaste omgeving had geschetst. Voor de goede verstaander was volgens hem wel duidelijk wat ik had bedoeld.

De val (1956) van Albert Camus gaat over de vraag hoe om te gaan met schuld en boete als God niet meer bestaat. In de roman zitten tal van cryptische verwijzingen naar het katholicisme. Niet alleen naar de schuld van de paus in de Tweede Wereldoorlog komt aan de orde, maar ook naar de onmogelijkheid van een Verlossing. Bij Camus is er geen transcendentie, geen binnen-wereldse waarden overstijgend eindperspectief.

‘Het Laatste Oordeel’ is een verhaal uit het verleden, een paneel uit een groot drieluik dat ooit gestolen is. Er bestaan geen rechtvaardige rechters meer. De mens moet het zelf opknappen en iedereen is schuldig, zelfs Christus die door zijn geboorte de moord op de onnozele kinderen op zijn geweten heeft. Niemand kan aan de schuld ontsnappen. Alleen de vogels die boven de grachten van Amsterdam cirkelen herinneren aan een mogelijke bevrijding uit dit beklemmende levensgevoel. De fietsers met hun rechte ruggen zweven als dromerige zwanen door de stad.

De val gaat over de hedendaagse crisis van de liefde en de deugd, maar ook over het onvermogen tot loutering en vergeving. Clamence kende geen vergeving, daarom leefde hij als advocaat in een wereld waarin elke dag het Laatste Oordeel zich voltrok. God was ooit de zekering die er voor zorgde dat er geen kortsluiting kwam tussen liefde en eigenliefde. Maar, zo heeft Clamence zich gerealiseerd, de eigenliefde overwoekert de deugd. Er is geen liefde zonder eigenbelang. Er is alleen schuld zonder vergeving. Zijn betoog heeft het karakter van een openbare biecht, zoals je dat kunt doen in een kroeg. Biechten voor een vreemde. Eigenlijk is zijn hele betoog een spiegelbeeld van het christendom. Een biecht zonder God.

Zo kort na de oorlog was er alle reden tot zelfonderzoek en tot aanklacht. Ook in het betoog van Clamence, in De val van Camus wordt een genadeloos oordeel geveld, niet alleen van een mens over zichzelf, maar ook over de christenen die zichzelf geloochend hadden toen het er echt op aankwam, zoals ook Clamence was doorgelopen, nadat op die avond in Parijs achter hem een vrouw in de Seine was gesprongen. Zijn hele leven had hij toneel gespeeld, zo realiseerde hij zich.

Hij was wereldkampioen menslievendheid, maar zijn hart kende geen liefde. Iedereen had hij geholpen, niet alleen als advocaat, maar ook als mens. Zelfs als hij een blinde hielp met oversteken, nam hij zijn hoed af uit wellevendheid. Maar voor wie had hij die hoed afgenomen? Toch niet voor de blinde? Maar voor wie dan wel? Hij was niet toegekomen aan het beoefenen van de deugd om de deugd zelf. En precies dat was ook het verwijt van Camus aan de christenen die Christus verloochend hadden. De boodschap van Christus hadden zij verminkt tot een wedstrijd in liefdadigheid, zonder dat het hart zelf daartoe nog enige noodzaak voelde. Niet dat er geen menslievende christenen waren. Integendeel. Alleen hij, Jean-Baptiste Clamence, wist hoe het zat. Zijn naam zei het al. Hij had de waarheid gevonden, als een nieuwe Johannes de Doper die pleit voor vergeving zonder God.

In de jaren zestig verslond ik de boeken van Camus. In de zomer van 1965 las ik De mens in opstand. Drie jaar later zou ik de muren van mijn kamer in Amsterdam zwart schilderen en met witte verf en sjablonen van kistletters twee uitspraken daarop aanbrengen. De eerste was van Christus: MIJN KONINKRIJK IS NIET VAN DEZE WERELD. De andere was van Camus: HEEL MIJN KONINKRIJK IS VAN DEZE WERELD. Niet Reve maar Camus was mijn held in die tijd. Ik spelde zijn boeken, ook al begreep ik niet alles wat ik las. Ik vermoedde dat Camus een derde weg had ontdekt, de juiste middenweg tussen de God van het christendom, die hij afwees, en het totalitaire verleiding van het communisme, waar hij niets van moest hebben.

In feite fungeerde Camus voor mij als een tijdelijke vluchtheuvel om los te komen van de God van mijn jeugd. Hij was een atheïst met een christelijk aureool en zijn taal bracht mij niet zelden in vervoering, alsof ik het Nieuwe Testament las, maar dan in de taal van vandaag. Camus mocht dan een atheïst zijn, maar hij gaf dit atheïsme geen kans om in fanatisme te ontaarden. Hij was een milde afvallige die zocht naar een nieuwe opening in het vastgelopen debat tussen gelovigen en atheïsten.

Reageer

De grens van het heldere denken

de Areopagus op de Acropolis in Athene

‘En Paulus, staande in het midden van de plaats, genaamd Areopagus, zeide: Gij mannen van Athene! ik bemerke, dat gij alleszins gelijk als godsdienstiger zijt.  Want de stad doorgaande, en aanschouwende uw heiligdommen, heb ik ook een altaar gevonden, op hetwelk een opschrift stond: DE ONBEKENDEN GOD. Dezen dan, Dien gij niet kennende dient, verkondig ik ulieden. De God, Die de wereld gemaakt heeft en alles wat daarin is; Deze, zijnde een Heere des hemels en der aarde, woont niet in tempelen met handen gemaakt; En wordt ook van mensenhanden niet gediend, als iets behoevende, alzo Hij Zelf allen het leven en den adem, en alle dingen geeft; En heeft uit een bloede het ganse geslacht der mensen gemaakt, om op den gehelen aardbodem te wonen, bescheiden hebbende de tijden te voren geordineerd, en de bepalingen van hun woning. Opdat zij den Heere zouden zoeken, of zij Hem immers tasten en vinden mochten; hoewel Hij niet verre is van een iegelijk van ons. Want in Hem leven wij, en bewegen ons, en zijn wij; gelijk ook enigen van uw poëten gezegd hebben: Want wij zijn ook Zijn geslacht.’

Handelingen 17: 15-34

Deze woorden sprak Paulus op de Acropolis in Athene. Hij had daar een inscriptie gevonden met de tekst: ‘DE ONBEKENDEN GOD’. Het was een sokkel zonder beeld. Eigenlijk een heel modern kunstwerk. De Italiaanse kunstenaar Piero Manzoni heeft eens een sokkel omgekeerd op de aarde geplaatst, met daarop op zijn kop te lezen: LE SOCLE DU MONDE. Zoiets moet dat altaar op de Areopagus zijn geweest. De Areopagus is een kleine rots, een beetje apart op de Acropolis.

Paulus sprak hier over de God die hem bekend was geworden. Het altaar op de Areaopagus was voor hem de ideale aanleiding om de verschillen op een rij te zetten. De Grieken zagen de onbekende God als een uitzondering naast al hun andere goden. De onbekende God was een transcendentie die per definitie niet gekend of afgebeeld kan worden. Maar Paulus godsbeeld stond daar haaks op. Een ieder die verstand heeft kan God in de wereld herkennen, zo beweerde hij. De onbekende God was kenbaar. Sterker nog, hij leeft in ons in het hier en nu. Voor de Grieken was dat een absurditeit. Zij zochten naar wijsheid en geloofden in de onsterfelijkheid van de ziel. Paulus sprak over een God die niet zo veel met wijsheid op heeft, maar een God van de liefde is en uit de dood was opgestaan.

Jaren geleden stond ik boven op de Acropolis in Athene. Het was een wonderlijke ervaring om daar tussen al die ruïnes te staan. Want meer is het niet. Wat brokstukken van zuilen die weer zorgvuldig op elkaar zijn gezet. De Kariatiden zijn niet eens echt, de originelen staan in het museum. De mooiste sculpturen zijn in Londen te zien, omdat een Engelsman ze ooit heeft gejat. Toch raakte ik onder de indruk. Teruglopend van de tempels keek ik uit over het moderne Athene. Het was zondagochtend. Geen smog, een staalblauwe lucht en een glashelder uitzicht.

Direct voor me lag de Areopagus. Opeens besefte ik dat ik op een kruispunt van de geschiedenis stond. Hier heeft het Paulinische christendom de fakkel van de klassieke oudheid overgenomen, zo dacht ik bij mezelf. Zonder Paulus was Europa nooit gekerstend. Het christendom was een sektarische, joodse beweging gebleven, zoals er zoveel waren in die tijd. Het vuur was uitgegaan als een nachtkaars.

Paulus is een intrigerende figuur. ‘Als ik zal roemen, zal ik roemen op mijn zwakheden’, heeft hij ooit eens gezegd. Hij had niet zo’n hoge pet op van de mens en van de vrouw al helemaal niet. Toch was hij zeker niet dom. Volgens de Sloveense filosoof Slavoi Žižek moet hij zelfs geniaal zijn geweest. Het was immers Paulus die het principe van ‘de eeuwige voortijd’ bedacht. De mens is door Christus verlost, maar het eeuwige koninkrijk is nog niet aangebroken. Zo is de mens al eeuwenlang in afwachting van een reeds gerealiseerde verlossing. In die staat kan de mens genieten alsof hij niet geniet. Hij kan zich alvast onsterfelijk wanen, terwijl hij de dood in de ogen heeft. Deze voortdurende staat van een eeuwig ‘nog niet’ heeft het christendom – volgens Žižek – met het communisme gemeen. De communisten hebben het hiernamaals alleen naar de toekomst verplaatst. Paulus en Lenin verschilden niet zoveel in hun denken. Beiden ontwierpen een dubbele strategie, die in wezen pervers is.

Die wonderlijke overeenkomst tussen het communisme en het vroege christendom moet ook Camus niet zijn ontgaan. Hij sprak over ‘de originaliteit van het vroege christendom’ die door de kerkvaders – en met name door Augustinus – teniet is gedaan. De naïeve leer van het vroege  christendom moest door hen worden verzoend met de erfenis van de Griekse filosofie met al zijn denkbarrières van de ratio. Er waren grenzen gesteld aan het heldere denken, zo hadden de Grieken geleerd. Door die grenzen weer in acht te nemen hadden de kerkvaders hun uitweg gezocht in de metafysica. Zo onstond die wonderlijke bovenlaag in de werkelijkheid die ooit ‘de bovennatuur’ werd genoemd, of ‘de transcendentie’. Anders gezegd: al datgene voorbij de grens die het heldere denken heeft gesteld. Die grens was voor Camus heilig, zoals hij ook had aangegeven in zijn beroemde slotzin van De mens in opstand (1951):

‘Dan kunnen wel allen leven en herleven, op voorwaarde dat de mens de mens wil begrijpen en aanvaarden wil de grens, door het licht van het klare denken gesteld.’

En toch, in zijn doctoraalscriptie Christian metaphysics and neoplatonism (1935) liet Camus zien dat hij twijfelde. Augustinus had het christendom willen uitbouwen tot een universele en tijdloze religie die los stond van zijn oorsprong en gezuiverd was van Joodse elementen. Hij integreerde het christelijk denken in dat van de Grieken met als resultaat – zoals Camus schrijft:

The miracle is that the two may not be a contradiction.’

Er was dus geen tegenspraak! Dat was het wonder dat Augustinus had verricht. De cruciale passage uit dit vroege geschrift van Camus luidt als volgt:

‘From this combination of evangelical faith with Greek metaphysics 
arose the Christian dogmas. Moreover, steeped in the atmosphere of 
religious tension, Greek philosophy gave rise to Neoplatonism. But the thing was not made in a day. If it is true that the oppositions 
between Christian and Greek ideas were softened by the cosmopolitanism that we have noted, nevertheless some antinomies indeed 
remained; it was necessary to reconcile creation “ex nihilo,” which excluded the hypothesis of matter, with the perfection of the Greek god, 
which implied the existence of this matter.
The Greek spirit saw the difficulty of a perfect and immutable God creating the temporal and 
imperfect. As Saint Augustine wrote about this problem much later: “So 
then it is difficult to contemplate and have full knowledge of God’s sub-
stance, which without any change in itself makes things that change, 
and without any passage of time in  itself creates things that exist in 
time.” In other words, history made it necessary that Christianity 
deepen itself if it wanted to be universalized. This was to create a meta
physics.
Now there is no metaphysics without a minimum of rationial
ism. Intelligence is powerless to renew its themes when sentiment 
endlessly varies its nuances. The effort of conciliation inherent in 
Christianity will be to humanize and intectualize its sentimental themes and to restore thought from these confines wherein it was strug
gling. This is because to explain is to a certain extent to have influence. 
This effort of reconciliation will therefore diminish slightly the dispro
portion between God and man that Christianity had established.
It 
seems, on the contrary, that, in its beginnings, Christian thought, under 
the influence of the values of death and passion and the dread of sin and punishment, had arrived at the point where, as Hamlet says, time 
is out of joint. Intelligence must now give Christian thought its passage.This was the task, in rather weak measure, of the first theological sys
tems, those of Clement of Alexandria and Origen, as well as of the coun
cils, in reaction against heresies, and above all of Saint Augustine.
But, 
at precisely this point, Christian thought shifts. Christianity entered into 
a new phase in which it was a question of knowing whether it was los
ing its profound originality in order better to popularize itself, whether 
on the contrary it would sacrifice its power of expansion to its need for purity, or whether it would finally achieve a reconciliation of these 
equally natural concerns.
But its evolution was not harmonious. It fol
lowed dangerous paths that taught it prudence. These were the paths of Gnosticism. Gnosticism made use of Neoplatonism and its conven
ient structures in order to accommodate religious thought. Permanently 
detached from Judaism. Christianity filtered into Hellenism through the 
door that Oriental religions were holding open. And up on that altar of 
the unknown God, which Paul had encountered in Athens, several 
centuries of Christian speculation would be devoted to erecting the 
image of the Savior on the cross.’

Uit: Albert Camus, Christian Metaphysics and Neoplatonism (1935).

Reageer

Camus en Berdjajew

 

De tijden zijn zwart.
wij zijn eeuwen en eeuwen te laat geboren.
in een mantel gehuld, door een
engel op weerlichten doortocht verloren
en door het onuitroeibaar heimwee vervuld
den Koning te zien voor Wien ik had willen strijden,
schrijd ik naar den Dood

en die een krijgsman had willen zijn
in de hartstochtelijkste aller tijden,
moet nu in late verwilderde woorden gewagen
van eeuwen, die versomberden tot verhalen
– duister en vurig – van Kruistochten
en Kathedralen.

Aldus Hendrik Marsman in zijn gedicht Heimwee. Cultuurpessimisme en doemdenken zijn van alle tijden, maar er zijn tijden geweest waarin de ondergang van de beschaving wel erg nabij leek. De periode tussen de beide wereldoorlogen, toen Marsman dit gedicht schreef, is daar een goed voorbeeld van. De laatste dagen ben ik mij opnieuw aan het verdiepen in het werk van Albert Camus en vooral zijn vroege periode in de jaren dertig.

Camus studeerde toen nog en werd door zijn leermeester Jean Grenier aangespoord de boeken te lezen van Kierkegaard, Chestov en vooral van de tegenwoordig half vergeten filosoof Nicolai Berdjajew. En hoewel de jonge Camus misschien nog het meest beïnvloed werd door het werk van Nietzsche, raakte hij ook gefascineerd door het vroege christendom en de veranderingen die dit christendom onderging in de Hellenistische periode. Camus zichtbaar een fundament voor de solidariteit van mens tot mens in een tijd dat het christendom zijn retour was.  Was het mogelijk om de chistelijke naastenliefde om te smeden tot een sociaal engagement met de zwakkeren zonder dat er een levensverzekering met God hoefde te worden afgesloten? Was niet elk engagement met de zwakkeren en de verdoemden uiteindelijk spiritueel van aard? In zijn boek De bestemming van de mens (1931) had Nicolai Berdjajew zoiets al eens eerder beweerd:

‘De vraag van het brood van de naaste is in laatste instantie geen materiële vraag, maar een geestelijke vraag’

Soms denk ik wel eens dat Camus een christelijk filosoof was geworden als de De Tweede Wereldoorlog er niet tussen was gekomen. Maar de geschiedenis kent geen ‘als’.  En toch, ook los van dit omineuze perspectief van de vernietiging was het interbellum een roerige periode, een tijd waarin men vaak teruggreep naar vroeger tijden om de chaos van het heden te kunnen doorgronden. De waanzin van de Eerste Wereldoorlog in combinatie met de dramatische gevolgen van de Russische Revolutie vormden voor menigeen aanleiding om het einde der tijdens nabij te achten. Doemdenkers als Oswald Spengler, Ortega y Gasset en de Nederlander Johan Huizinga schilderden ieder op eigen wijze een beeld van ondergang en verval. Huizinga schreef in 1919 zijn beroemde studie Herfsttij der Middeleeuwen en volgens zijn biograaf Léon Janssen projecteerde hij daarmee zijn eigen onvrede over de cultuur van de moderniteit op het einde van de Middeleeuwen die nog een laatste keer nagloeiden in hun onontkoombare ondergang.

Het proces van verval was volgens menigeen al in de negentiende eeuw ontstaan. Kierkegaard, Dostojewski en Nietzsche hadden gewaarschuwd voor de gevolgen als een beschaving afscheid neemt van zijn God. Als er geen God bestaat, is alles geoorloofd en niets waar. Socialisme en communisme waren in feite schijnoplossingen geweest voor het morele probleem van een samenleving zonder God. De mens was een doelloos atoom geworden sinds hij na de eeuwen van Renaissance, Reformatie en Verlichting tot een autonoom en goddeloos wezen uit zijn organisch verband van natuur en kosmos was weggerukt. Tijdens de Romantiek al kreeg het duistere tijdperk van de Middeleeuwen opeens een andere waarde toebedeeld. Duisterheid werd opeens het domein bij uitstek van belofte en verwachting. Novalis schreef zijn Hymnen an die Nacht.

In de ondergangsstemming na de Eerste Wereldoorlog kreeg die romantische idealisering van de Middeleeuwen een tweede impuls, niet alleen bij katholieke cultuurfilosofen, maar ook bij allerlei conservatieve doemdenkers die de organische eenheid van de middeleeuwse beschaving als voorbeeld stelden voor het eigentijdse Europa. De samenleving leek ten prooi te vallen aan het dilemma tussen enerzijds de versplintering van de democratie en anderzijds de totalitaire ideologieën van links en rechts. Menigeen stelde zijn hoop op een bijna apocalyptische tijdperk dat uit de crisis zou voortkomen.

En inderdaad, een van deze profeten was Nicolai Berdjajew (1874-1948), een banneling uit Rusland die zijn ontgoocheling over de gevolgen van de Russische revolutie omsmeedde in een retro-modern, utopisch visioen: De Nieuwe Middeleeuwen (1924). Het is het merkwaardigste boek dat ik ooit gelezen heb.

Wie de ware God niet kent, zo stelde Berdjajew, maakt zich andere goden. De mens kan het doel van de mens niet zijn. Individualisme kan de persoonlijkheid geen kracht verlenen. De socialisatie ven de productiemiddelen kan ook niet het doel van het leven zijn. Het communisme had het christendom omgedraaid. Het proletariaat was voortaan de Messias, maar het communisme wilde het lot van de mensheid bepalen zonder de vrijheid van de geest te erkennen. Er bestaat geen rechtvaardige wil buiten de rechtvaardigheid en de heiligheid van de wil zelf, dat was de kern van de felle kritiek van Berdjajew op Marx, terwijl hijzelf nota bene marxist was geweest. Marx was volgens hem een anti-humanist, bij wie het zelfvertrouwen van de mens radicaal was omgeslagen in de verloochening van de mens. Het communisme wilde de gehele mens besturen, niet alleen het lichaam maar ook de ziel. Een staat kan dat niet, alleen een religie kan dat. De ‘ont-zondiging’ van de mens is een religieus probleem, geen politiek probleem.

Berdjajew verlangde niet terug naar de theocratie van de middeleeuwse theocratie, want die had de vrijheid van het individu verwaarloosd. Het was juist het communisme dat de mens had teruggestort in de duisterheid van de Middeleeuwen zonder vrijheid. Communisme was een terugkeer naar de Middeleeuwen, maar in naam van een andere god, met een andere theocratie, de ‘satanocratie’. De Russische Revolutie was een satanisch product geweest van hogere krachten. Communisme leidde tot de hegemonie van de blinde macht, de Leviathan, het goddeloze systeem van de macht dat de vrijheid van de ziel vertrapt.

De moderne autonomie van het individu diende volgens Berdjajew te leiden tot een nieuwe theonomie, dat wil zegen: tot een hogere en vrije aanvaarding van Gods wil op aarde. De nieuwe geschiedenis van het communisme daarentegen leidde tot anomie. Maar het Rijk Gods, zo stelde hij, zal onmerkbaar komen in de nacht. Het christendom diende de gevolgen van de Russische revolutie onder ogen te zien en het sociale probleem grondig te begrijpen en bij de hoorns te vatten. In de crisis lag juist een kans, want als de nood het hoogst is de redding nabij. De ondergang van uiterlijke illusie zal leiden tot een verinnerlijking van het leven.

De mens dient een levend lid te zijn van een organische hiërarchie. Het denken van Berdjajew is in wezen corporatistisch. Hij wantrouwt de democratie, die hij niettemin als een noodzakelijk kwaad accepteert. Democratie staat immers vijandig tegenover iedere sacrale gemeenschap. Democratie is vrijheidslievend uit onverschilligheid voor de waarheid. De formele sceptische vrijheidsliefde heeft veel tot de vernietiging van de individuele oorspronkelijkheid van de mensen bijgedragen.

Democratie ontstaat wanneer de organische eenheid van de volkswil afneemt. Een volk is in de optiek van Berdjajew een organisch geheel van alle generaties, zowel de levende als de dode. De wil van het volk kan in een democratisch proces dus eigenlijk ook niet gepeild worden. Kiesrecht behandelt de mens als waardeloos atoom en de waarheid lever je niet uit aan een optelsom van atomen. Het is dan ook elite die voorop moet gaan in grote herstel dat nodig is. Zonder geestelijke aristocratie kan het leven geen stand houden.

Het leven zal ernstiger en armer worden, zo voorspelde Berdjajew. De glans van de nieuwe geschiedenis zal het verliezen, maar de arbeid zelf zal als scheppende daad weer erkend worden. De vrouw krijgt een grotere rol, niet geëmancipeerd, maar in haar wezenlijke rol erkend en gewaardeerd. De nieuwe ‘nachttijd’ zal de  vrouwelijke elementen volledig tot zijn recht laten komen als kernwaarden van de cultuur.

Berdjajew zag de tekenen om zich heen van een spirituele opleving als verzet tegen de naderende ondergang. Dat verzet moest van binnenuit komen en kon niet van buitenaf door de politiek worden opgelegd. De ‘Nieuwe Middeleeuwen’ kondigden zich al aan in de verspreiding van theosofie, de vraag naar het occulte en het verlangen naar de magie. Religie en wetenschap  zouden opnieuw met elkaar in voeling raken. Er zou een nieuwe religieuze gnosis ontstaan en het gevoel voor het kwaad zou sterker worden.

Berdjajew verwachtte de redding van een nieuwe Augustinus die zou opstaan, evenals de ondergang van de laat-antieke beschaving deze grote religieuze denker had voortgebracht. De Russische Revolutie zou leiden tot kerkelijke vernieuwing en wederopleving van religieus Rusland. In die zin wees Rusland de wereld de weg. Elke revolutie leidt altijd tot religieuze bezinning, zoals ook de Franse Revolutie de katholieke Romantische beweging van de negentiende eeuw had voortgebracht. De Kerk in Rusland zou weldra van alle staatsmacht verlost worden en daarmee zou de Russische Revolutie onbedoeld tot een geestelijke wereldrevolutie gaan leiden.

Door de eeuwen heen heeft het christendom altijd gebloeid als het vervolgd werd, zo stelde Berdjajew. Juist in de vervolgingen is het christendom gesterkt en gegroeid. Het christendom is bij uitstek de godsdienst van de gekruisigde waarheid. Christenen hebben in de geschiedenis ook als geen ander getoond dat zij de kunst van het sterven verstaan. Het christendom, zo voorspelde hij, zal terugkeren tot waar het ten tijde van Constantijn bevond en van daaruit opnieuw de wereld veroveren.

Het probleem van de moderne tijd was niet de vraag hoe men een de complete verwezenlijking van een utopie moet bereiken, maar omgekeerd: de vraag hoe men die moet zien te vermijden. Vrijheid is intrinsiek verbonden met onvolkomenheid, sterker nog: met het recht op onvolkomenheid. Dat was de erfenis die twintig eeuwen christendom had nagelaten en die in de middeleeuwen tot magistrale kathedralen had geleid. Zij vormen voor God een tijdloos eerbetoon dat tegelijk het mooiste toont wat de mens te bieden heeft.

 

Reageer