Waan en de ompoling van goed en kwaad

Het vergelijken van Vladimir Poetin en Adolf Hitler is een gevoelig onderwerp vanwege de ernstige misdaden begaan door Hitler tijdens de Tweede Wereldoorlog en de daaropvolgende Holocaust. Hoewel er enkele oppervlakkige overeenkomsten kunnen zijn tu het zaak ook de historische context bij dit soort vergelijkingen te betrekken, want die is van cruciaal belang. Overeenkomsten zijn er zeker als je kijkt naar het autoritaire leiderschap: Zowel Poetin als Hitler waren autoritaire leiders die een sterke greep op de macht hadden en vaak autoritaire maatregelen namen om hun doelen te bereiken. Verder is er nationalistische retoriek: Beide leiders hebben die retoriek gebruikt om steun te verwerven voor hun en hun politieke agenda’s. Beiden hadden ook expansionistische ambities: Hitler streefde naar een “Großdeutschland”. Poetin heeft ook territoriale ambities getoond, zoals hij sinds zijn annexatie van de Krim in 2014 heeft laren zien. En niet te vergeten de propaganda: Zowel Hitler als Poetin hebben propaganda gebruikt om hun politieke agenda’s te realiseren.

Maar er zijn ook duidelijke verschillen. Hitler was een fanatieke aanhanger van het nazisme, een ideologie gebaseerd op raciale superioriteit en antisemitisme. Poetin wordt niet geassocieerd met een vergelijkbare ideologie, hoewel zijn regime wel nationalistische en autoritaire kenmerken vertoont.. Ver schil ligt er. Ook in de schaal van misdaden: Hitler’s regime was verantwoordelijk voor de Holocaust, waarbij miljoenen mensen, voornamelijk Joden, werden vermoord in concentratie- en vernietigingskampen. Poetin’s regime heeft niet dergelijke grootschalige misdaden tegen de menselijkheid begaan. En dan nog iets, de internationale context: Hitler was de leider van nazi-Duitsland tijdens de Tweede Wereldoorlog, een conflict dat resulteerde in miljoenen doden en enorme verwoestingen. Poetin heeft ook conflicten uitgelokt, maar tot nog toe op een kleinere schaal en zonder de wereldwijde impact van de Tweede Wereldoorlog.

Zo luidt het antwoord van ChatGPT op mijn vraag: ‘Wat zijn de overeenkomsten en verschillen tussen Hitler en Poetin?’  Er is een duidelijke omissie in dit betoog, een overeenkomst waar ChatGPT blijkbaar geen weet van heeft. Poetin heeft de waan met Hitler gemeen. Het lijkt er sterk op dat Hitlers waan – met daarin een radicale ompoling van goed en kwaad – in ons post-waarheid-tijdperk terugkeert in een nieuwe gedaante. We zijn geneigd om over Poetin te oordelen in termen van geestelijke ziekte of gezondheid, zoals we vroeger – vóór de secularisering – oordeelden in termen van goed en kwaad. In ons vocabulaire heeft de geestesziekte het pure kwaad vervangen. Maar de waan is gebleven. Het kwaad wordt van oudsher aangedreven door de waan, die het zicht op het kwaad verduistert. Die stelling kwam ook naar voren in mijn boek Het algoritme van de waan. Dat niet iedereen daar ook zo over denkt, bleek uit een  recensie in Civis Mundi, tijdschrift voor filosofie en cultuur. Daarin schreef Patricia van Bosse over mijn boek het volgende: 

Waan en kwaad lijken een relatie te hebben, dat was zeker zo in het geval van Hitler. De ompoling van goed en kwaad was een kenmerk van zijn waan. Omdat Hitler het onderzoeksobject is naar het ontstaan en de ontwikkeling van wanen, wordt het kwaad een wel heel sterk onderdeel van het boek. Op zich interessant, maar het verzwakt wel de link met huidige complotdenkers. Hitler en zijn kwaadaardigheid waren toch van een andere orde dan wat we op dit moment meemaken aan complotdenkers. Ook is niet vanzelfsprekend dat we ons daarmee nu in een beginstadium bevinden.

Inmiddels zijn we een jaar verder, en als ik nu naar Poetin kijk, voel ik me alleen maar bevestigd in mijn stelling van destijds. De coronatijd heeft de waan bevorderd en daarmee de ompoling van goed en kwaad. De waan die zich bij Poetin manifesteert roept de waan van Hitler in herinnering. De dreiging die uitging van de coronapandemie was niet bevorderlijk voor de algehele geestelijke volksgezondheid. Bovendien doet de opkomst van ‘social media’ mensen steeds meer in de waan van ‘de eigen bubble’ geloven. De totalitaire verleiding van het interbellum was de machine-waarheid van het noodlot, die door het utopisch gerichte systeem als zodanig werd voortgebracht. De hedendaagse totalitaire verleiding is de ‘privé-waarheid’ die zeer besmettelijk blijkt te zijn. Er zit een schaalverschil tussen deze fictieve privé-werelden en de ficties van het nationaalsocialisme, maar het exponentieel opschalen van de besmetting is eigen aan elke besmettingscurve, dus ook de besmettingscurve van de waan. 

In wezen wordt elke waan bepaald door een logica zonder causaliteit. Beter gezegd, de waan is een losgeslagen, monomane causaliteit. Het resultaat is een soort hypertrofie van een lang vergeten oertoestand van het systeem, die bij het geïsoleerde individu gepaard gaat met een genotvol verlies van individualiteit. Hannah Arendt heeft dit bizarre mechanisme helder beschreven. Daarbij had zij niet de pretentie om ook het hyper-rationele mechanisme van de waan bloot te leggen, maar de overeenkomsten springen wel in het oog. Zowel in de waan als in de totalitaire systemen wordt de logica getransformeerd tot een onafwendbare beweging van het denken ten gunste van het eigen systeem. Niet alleen elke toetsing of controle wordt terzijde geschoven, maar ook de vraag naar een waarom. 

Hoewel Arendt elk verband met de waan in de psychiatrische betekenis van het woord stelselmatig ontwijkt, ontkomt ze er niet aan om toch een voorzichtige vergelijking te trekken. ‘Vanaf het moment,’ zo stelt zij, ’dat hun claim op totale geldigheid letterlijk genomen wordt, worden het kernen van logische systemen, waarin, juist zoals in de systemen van paranoïci, alles op een begrijpelijke en zelfs dwingende manier volgt uit een eens aanvaarde premisse. De waanzin van dergelijke systemen ligt niet alleen in hun eerste premisse, maar in de logiciteit waarmee ze zijn geconstrueerd.’ Hitler heeft zijn oorlogsideologie volstrekt letterlijk genomen. Beeldspraak werd bij hem een letterlijke waarheid. Hitler-biograaf Ian Kershaw citeert een passage uit de Frankfurter Zeitung van 26 januari 1928, waarin wat Hitler betreft wellicht de kern van de zaak wordt geraakt: 

‘In wezen is Hitler natuurlijk een gevaarlijke gek … Maar als men zich afvraagt hoe de zoon van een kleine Oostenrijkse douanebeambte aan deze verdwazing komt, kan maar men maar één ding zeggen: hij heeft de oorlogsideologie volstrekt letterlijk genomen, en die welhaast net zo primitief opgevat alsof wij in de tijd van de volksverhuizingen leven, de periode van barbaarse invasies aan het einde van de Romeinse tijd.’ 

Cruciaal ook in deze passage is het woord letterlijk. Het is opmerkelijk dat juist een buitenlandse waarnemer deze pathologische trek in de psyche van Hitler al zo vroeg scherp wist te benoemen. Die over- gang van het metaforische naar het letterlijke dient zich ook aan op het terrein van de religie. Het is de transitie van mythe naar dogmatiek. Een vergelijkbare overgang bestaat er vanuit het domein van het beeld naar dat van het woord. Twee registers van de geest, die hun eigen accent hebben in de twee hemisferen van het brein, die in disbalans kunnen raken met alle kwalijke gevolgen van dien. 

Hitler zag zichzelf letterlijk als de belichaming van de geschiedenis. De geschiedenis was in hem neergedaald, zoals Hegel dat ruim een eeuw eerder beschreven had bij Napoleon. De Geest (met een Duitse hoofdletter) was in de geschiedenis naar binnen gekropen met een grootse en charismatische leider als resultaat. Die hegeliaanse Geest had in het geval van Hitler iets weg van het Corpus Christi mysticum, het mystieke lichaam van Christus. Ook dat was ingedaald in de geschiedenis van alle mensen. 

Zo bezien was de hegeliaanse Geest het scharnierpunt geweest tussen het christendom en de gedachte aan een bezielde totaliteit die vooral in het moderne Duitsland opkwam. ‘Staat en Volk kunnen bewoond gaan worden door de Geest van God,’ zoals ook Claus-Ekkehard Bärsch beweert in zijn studie over de politieke religie van het nationaalsocialisme. De bezielde natuur wordt geschiedenis met het ondenkbare als gevolg. De verlossing komt dan van binnenuit als een manifestatie van de bezielde natuur. Het lot van het individu wordt dan bepaald door het gezamenlijk lot van een volk, dat in de ban is geraakt van een Verlosser die de weg van de natuur volgt en daarmee de aloude weg van de boosdoeners. 

Ook het christendom was een heilsleer geweest, maar wel een die juist tegen de natuur van de mens inging. Dat was het scandalon, zoals Paulus het noemde. Het christendom liet zich niet temmen door de rationaliteit of een ‘ideaal van psychisch welzijn’, zoals dat tegenwoordig opgeld doet, als gesproken wordt over geestelijke gezondheid. Maar een wezenlijk kenmerk van het christendom was ook de mateloosheid. De mateloze liefde en het mateloze verlangen stonden centraal in het hier en nu maar ook tot in alle eeuwigheid. Je zou het ook de christelijke hang naar het oneindige, het onbegrensde en het irrationele kunnen noemen. Hoe mooi die woorden ook klinken, er schuilt hier een adder onder het gras. Die adder is de mogelijkheid van een letterlijke interpretatie. 

De twintigste eeuw heeft aangetoond dat de mateloosheid van de christelijke liefde zich zomaar kan omkeren in de mateloosheid van de totalitaire haat. Het letterlijk nemen van een oorlogsideologie, zoals Hitler dat deed, leidde uiteindelijk tot de Holocaust. Op vergelijkbare wijze is het letterlijk nemen van een geopenbaarde waarheid strijdig met alles waar waar een ‘gezonde religie’ voor staat. Ik noem het bewust ‘gezonde religie’ omdat ook – of misschien wel juist – religies heel ongezonde vormen aan kunnen nemen door al- les wat symbolisch is bedoeld letterlijk te gaan opvatten, wat kan leiden tot een extreme tegenstellingen tussen goed en kwaad, wij en zij, een repeterende breuk die niet zelden uitmondt in geweld, moord en doodslag. 

Hitlers neiging tot letterlijkheid is opvallend, vooral ook omdat een neiging tot het letterlijk opvatten van ideeën kenmerkend is voor zowel de psychotische waan als het proces van radicalisering. Hitler zag de Joden letterlijk als biologische bacillen, die zijn zuivere Duitsland, het symbool bij uitstek van zijn moeders lichaam, dreigden te besmetten met de vreselijkste geslachtsziekten. Niet voor niets moest Duitsland Judenrein worden gemaakt. De over- gang van de beeldspraak (‘Joden zijn bacillen’) naar de letterlijkheid (‘Joden moeten verdelgd worden als bacillen’) is een opvallend gegven bij Hitler. ‘Der Jude sitzt immer in uns,’ verklaarde hij tegenover Rauschning. De Joden waren niet alleen bacillen maar ook demonen. ‘Demonen zijn immers verschijnselen die in en buiten de mens leven die aan hen gelooft.’ 

Voor Hitler waren de Joden dus ‘demonische bacillen’. Wie zo gaat denken passeert weldra de grens van de waan – in dit geval de ‘besmettingswaan’ – of heeft die al gepasseerd. Ook bij de door- braak van een psychose verschijnt de taal in zijn meest letterlijke gedaante. In de meeste gevallen eindigt dat met een opname in een psychiatrisch ziekenhuis. Het wordt anders als dit psychotisch taalverschijnsel een groot deel van een volk in bezit neemt en door het verdwijnen van de afstand tussen de psychoticus en de massa de gelaagdheid van de taal volledig verdwijnt in een moordende letterlijkheid. 

De ongrijpbaarheid van dit fenomeen fascineert mij omdat het ook iets lijkt te zeggen over het algoritme van de waan. In de waan lijkt een methode te zitten, een systeem. Al is het een paradox dat er een systeem zou zitten in het ongrijpbare, het chaotische, in iets wat zich volstrekt buiten de orde begeeft, zoals ook een geloof zich kan baseren op een absurditeit, het onbevattelijke dat het ver- stand te boven en te buiten gaat. 

Als de waan, het kwaad en complottheorieën iets met elkaar gemeen hebben, dan werd die overeenkomst uitvergroot in de totalitaire waan van de nazi’s. In haar boek over het totalitarisme heeft Hannah Arendt erop gewezen dat de wereld in een toestand kan raken, waar in niemand meer zit te wachten op de waarheid. Er ontstaat dan een omgekeerde wereld, een totalitair universum, waarin de waarheid is opgelost in iets anders, iets wat ons begrip te buiten of te boven gaat.

In een steeds veranderende, onbegrijpelijke wereld bereikte de massa een punt waarop ze alles geloofde en tegelijk ook niets meer, maar ook het punt waarop alles mogelijk was geworden en niets meer waarachtig was. De bedenkers van de nazi-propaganda hadden ontdekt dat het grote publiek bereid was om voortaan het slechtste scenario te geloven, hoe absurd dit ook was, want het deed er niet meer toe of er van overheidswege gelogen werd of niet. Alles was immers een leugen geworden. 

Een meerderheid kan iemand kiezen die de democratie om zeep helpt. Dat is in Duitsland in het interbellum gebeurd. Het parlement destijds was een kakelend kippenhok waar geen adequaat weerwoord meer opklonk tegen de totalitaire verleidingen die de utopische vergezichten van uiterst links en uiterst rechts in die tijd te bieden hadden. Bovendien heerste er destijds een toenemende onzekerheid over de gevolgen van een opkomende economische crisis, waarop het democratisch systeem niet langer een adequaat antwoord had.

Vooral in Duitsland heerste een wereldbeeld waarin taal, geschiedenis, volksaard en het belang van eigen grondgebied de boven- toon voerden en een spiritueel beleefde volksgemeenschap het ideale tegenbeeld werd van een ‘Geselschaft’ als een optelsom van geïsoleerde individuen. Dat alles droeg eraan bij dat een hele cultuur in korte tijd kon omslaan in het register van een collectieve waan. 

Blijkbaar kan er sprake zijn van een sluimerend proces dat al een tijdje onder het oppervlak gaande is en ineens als bij de uitbraak van een epidemie het hele systeem in bezit neemt. Hoe je je dan ook wapent tegen deze epidemie van het kwaad, er is geen kruid tegen gewassen. De leugens van de totalitair geworden leider nemen de werkelijkheid dan totaal in bezit. De waarheid verstikt en zelfs de taal verandert van gedaante. Volgens Arendt zijn totalitaire leiders er weliswaar van overtuigd ‘dat ze consistent de fictie moeten volgen alsook de regels van de fictieve wereld die ze gedurende hun strijd voor de macht hebben opgesteld, maar dat ze slechts geleidelijk de volledige implicaties van deze fictieve wereld en zijn regels ontdek- ken.’

Hoewel ze de woorden ‘waan’ of ‘waanzin’ in dit verband niet gebruikt, is het duidelijk dat de ‘ficties’ en de ‘regels van de fictieve wereld’ die totalitaire leiders voor zichzelf hebben gecreëerd, niet overeenkomen met wat het menselijk verstand onder de alledaagse werkelijkheid verstaat. In deze tijd van complottheorieën, gekoesterde waandenkbeelden en onnavolgbare radicaliseringsprocessen die uit kunnen lopen in massaal geweld, zijn er nog altijd – of we- derom – mensen die worden meegevoerd in ‘fictieve werelden die zich vormen volgens fictieve regels’. 

Met dat actuele gegeven voor ogen klinken de woorden van Arendt opvallend actueel. Haar analyse van het totalitaire systeem richt zich op de logica van fictieve werelden. Voortdurend is zij erop uit om te abstraheren en vooral niet te vervallen in de geijkte patronen van afschuw, morele verontwaardiging en demonisering. Op klinische wijze weet zij de regels van de fictieve wereld van de nazi’s bloot te leggen, waardoor de beklemming in haar betoog alleen maar sterker wordt. Aan deze systeemlogica van de waan valt immers niet te ontsnappen. 

Als een religieus geloof plotseling wegvalt, ontstaat er een leegte. In de plaats van die leegte kan ook een substituut van de transcendentie ontstaan. Hierbij – en ook elders in dit boek – hanteer ik de term ‘transcendentie’ doorgaans in de traditionele, theologische zin van woord: als iets wat de mens en de werkelijkheid als geheel overstijgt. Als men God dood verklaart, dan doodt men ook de transcendentie. Maar wat was dat dan precies, die transcendentie? Je kunt transcendentie zien als zoiets als een hogere werkelijkheid, iets wat zich boven of buiten de natuur bevindt, of iets wat zich schuilhoudt achter de werkelijkheid. 

Daarnaast zijn er mensen die het transcendente opvatten op het niveau van de zintuiglijke werkelijkheid. Zij gaan er vanuit dat alles in de wereld is, maar dat onze zintuiglijke indrukken of zelfs ook onze ervaringen van ruimte, tijd en causaliteit van binnenuit gestructureerd worden door iets wat in de structuur van onze hersenen zit, en in laatste instantie dus ook in de wereld zelf aanwezig is. En tenslotte is er de opvatting van een ‘transcendente immanentie’. Als er al een God zou zijn, dan een historische God die zich manifesteert in ‘de wordende Geest’, zoals Hegel dat had bedacht. 

Waar spreken we eigenlijk over als we het hebben over de ontkenning van transcendentie? De moderne, geseculariseerde betekenis van transcendentie is zoiets als wat Safranski noemt… ‘de plek waarop leven en denken van de mens zijn gericht en waar hij thuis kan komen. Een plek die iets representeert wat meer en iets anders is dan het puur “menselijke”.’Dat is een nogal verwaterde, wellicht aan Heidegger ontleende opvatting van het begrip transcendentie waarin het woord ‘thuiskomen’ centraal staat.

Transcendentie raakte bij Heidegger gaandeweg verbonden met het begrip ‘wonen’, dat wil zeggen: een betekenisvolle relatie aangaan met je eigen leefomgeving. In die zin kan transcendentie alles zijn dat op enigerlei wijze met dat begrip ‘thuiskomen’ van doen heeft: de eigen nationaliteit, identiteit, de eigen gemeenschap, de westerse beschaving, het grote geheel, de natuur of het universum etc.. 

Maar met het verdwijnen van transcendentie doel ik op het wegvallen van iets onbenoembaars, iets dat dit alles te boven gaat, een samenhang op een hoger niveau. Of het nu in de leegte is van ‘het grote niets’ of in de leegte van een verdwenen geloof, een basispatroon van de verdwenen religie kan zich dan manifesteren in de wereld van de waan die in ons post-waarheid-tijdperk andere, maar tegelijk ook vertrouwde vormen aanneemt. Met dat patroon van de waan voor ogen ben ik niet alleen het kwaad in de waan van Hitler anders gaan zien, maar kreeg ik ook een ander zicht op de waan van Poetin.

‘Als niets waar is, is alles geoorloofd’, zei Nietzsche die God dood had aangetroffen in zijn eigen tijd. Nietzsche beweerde dat zijn boodschap omtrent de dood van God te vroeg was gekomen. Het zou nog minstens twee eeuwen duren voordat de mensheid aan die verschrikkelijke waarheid toe was. Als dat waar is – maar wat is nog waar sinds Nietzsche? – hebben we nog een lange weg te gaan met het verdwijnen van de waarheid. De boodschap van Nietzsche omtrent de dood van God was ook een opdracht voor een nieuwe fundering van de moraal. Maar die nieuwe fundering is nog nooit gevonden. Als niets meer waar en alles geoorloofd is, betekent dat een vrijbrief voor de meest wrede despoten: Hitler…, Poetin…, au suivant !

Reageer

Poetins samenzwering op klaarlichte dag

De Russische propagandamedia pompten ondertussen complottheoriën rond. Navalnaja zou haar man zelf hebben vermoord met haar „nieuwe vriend”, of de CIA zou het hebben gedaan. Ook werd gesuggereerd dat hij zou zijn overleden na een injectie met coronavaccin Pfizer – een theorie die afgelopen weekend ook door de Nederlandse politicus Thierry Baudet werd overgenomen.

Dat stond gisteren te lezen in de NRC. Thierry Baudet is blijkbaar nog steeds volledig de weg kwijt. ‘Op weg naar de maan,’ zou Wilders zeggen. Maar hoe uniek is de waanwereld waarin zijn vertroebelde geest is beland ? In oktober 2022 liet Baudet in een interview met een Amerikaanse website weten aanhanger te zijn van complottheorieen: ’Ik geloof dat we geregeerd worden door een wereldwijde samenzwering van kwaadaardige reptielen.’ Daarmee verwoordde- hij de complottheorie van David Icke. Al jaren beweert deze Engelse oud-journalist dat we onder controle staan van een bende buitenaardse ‘reptielen’ die op aarde zijn neergestreken. Zo bezien komt het algoritme van de waan telkens weer bovendrijven op de golfslag van de tijd, en telkens weer in een nieuwe gedaante. 

Daarnaast begonnen veel aanhangers van de actiegroep Viruswaarheid, die zich verzette tegen corona-beleid van de Nederlandse overheid, te dwepen met president Poetin. Baudet liet zijn aanhang op Twitter weten: ‘Poetin toont zich steeds duidelijker de leider van conservatief Europa!’ Bij corona-activisten heerste een groot wantrouwen jegens overheid, waarna een waan weldra zich in het brein kan formeren. Maar  hoe ontstaat zo’n waanwereld precies? In welke fasen verloopt zo’n proces? En wat is de trigger, waardoor zo’n proces in werking treedt, of door anderen in werking wordt gezet? Poetin heeft Baudet nu doen geloven dat hij overleden is door een Pfizer-injectie. Wanneer houdt die gekte eens op?

De dramademocratie van tegenwoordig heeft zich uiteindelijk verschoven naar het terrein van de sociale media, waar in bubbels en informatiefuiken de complottheorieën welig tieren. Een complottheorie geeft niet alleen een pasklare verklaring voor iets wat je niet begrijpt, maar creëert tegelijk ook een gedeeld geheim waarin ogenschijnlijk een spirituele dimensie verborgen gaat. Zo komt God opnieuw tot leven in het complot. Dat lijkt tegenstrijdig, maar dit is in feite de paradox waar het bij elke complottheorie om draait. Het onbekende wordt onschadelijk gemaakt door een nog grotere onbekende in het leven te roepen, en die vervolgens heilig te verklaren in een gedeeld geheim.

 Maar was het met de geboorte van de religie niet net zo gegaan? Het mechanisme van de waan zit niet alleen verborgen in de mythevorming, maar ook in het charisma. Dat is de kern van elke religie en daarnaast ook een wezenlijk kenmerk van de geest die in een waantoestand verkeert en een nieuwe religie van start doet gaan. Er is dan geen herinnering meer aan een eerste be- gin. En als het geheugen hapert, krijgt de waan vrij spel. 

Het onwerkelijk worden van de werkelijkheid is een trend die de laatste decennia in meerdere varianten is opgedoken. Al 2006 werd die trend gesignaleerd in de documentaire HyperNormalisation van de Britse filmmaker Adam Curtis. De term ‘hyperhyper-normalisation’ was afkomstig uit het boek van Alexei Yurchak, Everything was Forever, Until it was No More: The Last Soviet Generation (2005), dat handelt over de paradoxen in het leven van Sovjet-Unie in de laatste twee decennia voor de instorting in het begin van de jaren negentig.

Iedereen in de Sovjet-Unie wist destijds dat het systeem zou vallen, maar niemand kon een alternatief bedenken voor de status quo, waardoor men tegen beter weten in de schijn in stand hield van een goed functionerende maatschappij. Maar het onwerkelijk worden van de werkelijkheid manifesteerde zich niet alleen in de voormalige Sovjet-Unie. Hij zat dieper en had iets van doen met een sluipend verlies van werkelijkheidszin, zoals zich dat ook in het interbellum manifesteerde. 

Wellicht was ook Poetin ongemerkt in een waan beland toen hij in februari 2022 definitief besloot om Oekraïne binnen te vallen. ‘Rusland omarmt de Russische traditie van paranoia, een minderwaardigheidscomplex waarbij Moskou zowel de redder van andere naties is als het slachtoffer van grote complotten,’ zo schreef Tom Nichols op de dag van de invasie in The Atlantic, een uitspraak die daarna door meerdere media werd geciteerd. Daarmee leek een cirkel zich te sluiten die de waanwereld van Hitler – via de Illuminati, Trump en QAnon – verbindt met de hedendaagse lijders aan viruswaan, met als sluitstuk het paranoïde complotdenken waarin Poetin kennelijk was beland. 

Suggestie en autosuggestie zijn de wezensproblemen niet alleen van de massapsychologie, maar ook van de religie, en wellicht zelfs van het dagelijks leven met zijn privé-wanen en complottheorieën. Zonder geloof zou het leven in een gemeenschap onmogelijk zijn. En elk geloof is in wezen een aanname van iets, waar het verstand vooralsnog geen sluitende verklaring voor heeft. Anders gezegd, een aanname van een fictie die zich als een uiterst besmettelijk virus binnen de kortste keren kan verspreiden, met alle kwalijke gevolgen van dien. Het kwaad lijkt dan niet als kwaad te worden herkend. Zo lijkt het ultieme kwaad gepaard te gaan met een waan die niet als waan wordt herkend. Het kwaad in het kwadraat komt voort uit het kwadrateren van de waan, die op deze wijze onzichtbaar is geworden

In september 2022 kondigde Vladimir Poetin een gedeeltelijke mobilisatie aan van 300.000 reservisten. Als reactie daarop vergeleek Patriarch Kirill, het hoofd van Russisch-Orthodoxe Kerk, in een preek het offer van Jezus Christus met het dienen in het Russische leger en vechten voor het vaderland in Oekraïne. Beide offers zouden volgens deze patriarch de zonden wegwassen. ‘Wees niet bang voor de dood. Ga dapper je militaire plicht vervullen,’ zo hield hij de gelovigen voor. ‘Vechten voor het vaderland en het vervullen van militaire dienstplicht wast al je zonden weg. En onthoud dat als je je leven geeft voor je land, je bij God zult zijn in zijn koninkrijk en glorie en eeuwig leven je wachten.’

 De maand daarop sloot deze patriarch zich openlijk aan bij een verklaring van de Russische regering dat de ‘desatanisering van Oekraïne’ het nieuwe doel van de ‘militaire operatie’ was geworden. Zo verklaarde hij letterlijk: ‘De strijd tegen het neoliberalisme is een poging om de Antichrist te stoppen die bezig is om de mensheid te vernietigen.’ Eerder al werd Poetin door Kirill als de ‘uitverkoren duiveluitdrijver’ bestempeld. Zo werd de waan van de religie ingezet om de waan van een despoot te bekrachtigen. Maar ging het in de tijd van Hitler niet net zo? De samenzweringen van de totalitaire macht maken telkens weer gebruik van complottheorieën.

Dat is ook de onheilspellende redenering die opduikt in het denken van Hannah Arendt in haar boek Totalitarisme (1951). Het is het gegeven dat totalitaire bewegingen opereren als ‘geheime genootschappen op klaarlichte dag.’ Dat gegeven creëert de voorwaarden voor een blinde vijandigheid tussen het geheime genootschap van ingewijden en de massa als buitenstaander, een waanwereld van ficties die door aperte leugens in stand wordt gehouden en uiteindelijk resulteert in genocide. 

In deze totalitaire structuur wordt een strakke hiërarchie opgebouwd op basis van graden van ‘inwijding in een geheim’. Het gedeelde geheim wordt dan een substituut voor het onbevattelijke. Van de leden van dit geheime genootschap wordt onvoorwaardelijke gehoorzaamheid en trouw geëist aan de mysterieuze leider, die zelf omringd wordt of geacht wordt omringd te zijn door een kleine groep van ingewijden, die op hun beurt omringd worden door half-ingewijden die een bufferzone vormen tegen de vijandige buitenwereld. 

Zo ontstaat de scherpe tweedeling tussen ‘ons en alle anderen’ met als spiritueel bindmiddel een fictieve wereld van leugens en complotten. Het meest verontrustend is de gedachte dat de geschiedenis – zoals zij zo vaak doet – zich zomaar kan herhalen. Hitler met zijn criminele kompanen in het complot. Poetin met zijn corrupte oligarchen. Telkens weer voltrekt zich een samenzwering op klaarlichte dag. 

Reageer

De ‘geestesziekte’ van brute dictators

De Russische president Vladimir Poetin lijdt aan het syndroom van Asperger, een vorm van autisme. Dat is volgens de Britse krant The Telegraph de conclusie van een rapport van het Office of Net Assessment, een geheime denktank van het Amerikaanse leger. In het rapport merkt auteur Brenda Connors, een expert in bewegingsleer van het Amerikaanse Naval War College in Newport in de Amerikaanse staat Rhode Island, op dat het neurologische probleem een impact heeft op alle beslissingen die de Russische president neemt. Het verslag is gebaseerd op een analyse van video-opnames van Poetin sinds het begin van deze eeuw.

Het rapport werd zeven jaar geleden aan het Office of Net Assessment overgemaakt. Daarin merkt Brenda Connors op dat de moeder van Poetin tijdens haar zwangerschap mogelijk het slachtoffer is geworden van een beroerte, waardoor de neurologische ontwikkeling van de latere Russische president een duidelijke storing zou hebben gekend. De bewegingsexpert voegt er aan toe dat die storing een impact heeft gehad op het denken en een aantal lichaamsbewegingen van Vladimir Poetin. ‘De autoritaire stijl en de obsessie met extreme controle die Poetin kenmerken, kunnen worden beschouwd als een strategie om die tekortkomingen te compenseren?’ zegt Brenda Connors.

Dit bericht was in februari 2015 te lezen in verschillende media. Over de vroegste jeugd van Poetin is niet zoveel bekend. Hij groeide op in een arm gezin in Leningrad. Zjn vader was zwaar gewond geraakt in de Tweede Wereldoorlog. Een eerder kind was vroeg overleden. De moeder moet het zwaar hebben gehad. Er gaan nog altijd geruchten dat het kind Poetin niet verwekt werd door zijn vader, maar een adoptiekind is gweest. In haar biografie van Poetin stelt Masha Geshen: ‘Wat naar voren is gekomen lijkt heel sterk op de mythe van een kind uit het Leningrad van na het beleg, een nare plek waar honger en armoede heersten en die nare, hongerige, wrede kinderen voortbracht. Zij hadden het in ieder geval overleefd.’

Maar veel van dit soort analyses zijn interpretatie achteraf. Dat geldt in wezen voor elke analyse van zijn karakter. Om een beter oordeel over Poetins aard te kunnen vellen, zou men hem volgens de deskundigen in een kleinere groep of in een persoonlijk gesprek moeten kunnen observeren. Zijn mogelijke symptomen van een geestesziekte zijn immers niet specifiek, maar zijn ook terug te vinden bij oorlogsveteranen, trauma-overlevenden en zelfs bij gewone mensen. Alleen al om die reden heeft het wellicht weinig zin om over de psyche van Poetin te spreken in psychiatrische termen. Ook bij Adolf Hitler is dat destijds vele malen vergeefs geprobeerd. 

Er is bijna geen psychiatrische stoornis te bedenken die in de afgelopen decennia niet bij Hitler is vastgesteld. Zo is gewezen op hysterie, schizofrenie, paranoia, schizotypische persoonlijkheidsstoornis, bipolaire stoornis, borderline persoonlijkheidsstoornis, post-traumatische stress-stoornis, Asperger-syndroom, drugsverslaving, antisociale persoonlijkheids- stoornis, narcistische persoonlijkheidsstoornis, sadistische persoonlijkheidsstoornis, dissociatieve stoornis, theatrale persoonlijkheidsstoornis, abnormale laterisatie van de hersenen, organisch veroorzaakte psychotische symptomen, syfilis en de ziekte van Parkinson.

Degelijke pogingen zijn inmiddels ook ondernomen, bijvoorbeeld in 2007 bij een fictief DSM-onderzoek op Hitler, dat werd uitgevoerd door aan de Universiteit van Colorado. Dit onderzoek leidde onder meer tot de conclusie dat Hitlers harteloze minachting voor het menselijk leven wees op een antisociale en sadistische persoonlijkheidsstoornis. Zijn aanhoudende gevoel van eigendunk zou wij- zen op een narcistische stoornis. En tenslotte zou Hitlers obsessieve gerichtheid op Joden, die hij als ziekteverwekkende bacillen beschouwde, wijzen op een paranoïde stoornis in de persoonlijkheid. 

Maar wat zegt dit soort woorden? Om Hitlers geestesziekte met terugwerkende kracht te kunnen doorgronden bestaan er binnen de DSM mogelijk geen adequate begrippen, wat niet wegneemt dat Hitlers waan op deze wereld heeft bestaan en dus zich altijd opnieuw kan manifesteren. Het belangrijkste probleem is ook dat dit soort diagnoses altijd post mortem wordt gesteld, zonder onderzoek van de persoon in levende lijve, wat strijdig is met de medische ethiek, waar binnen de psychiatrie consensus over bestaat. De betreffende gedragscode is vastgelegd in de Goldwater-regel, die is vernoemd naar de voormalige Amerikaanse senator en presidentskandidaat uit 1964, Barry Goldwater.

 Over Goldwaters geestelijke gezondheid werd destijds door een Amerikaans tijdschrift een enquête gehouden onder psychiaters, wat door Goldwater met succes juridisch werd aangevochten. Sinds 1964 is de Goldwater-regel opgenomen in de Principles of Medical Ethics van de American Psychiatric Association (APA). De regel houdt in dat psychiaters geen professioneel oordeel mogen vellen over publieke figuren die ze niet persoonlijk hebben onderzocht en van wie ze geen toestemming hebben gekregen om hun geestelijke gezondheid in openbare verklaringen te bespreken. Anderzijds heeft een meer fenomenologisch gerichte benadering van een waanwereld bij het geval Hitler als mogelijk nadeel dat de duistere kant van Hitlers geaardheid onderbelicht blijft.

En toch, afgezien van de vraag of Hitler een psychopaat was of niet – anders gezegd, of zijn messiaswaan al dan niet in het spectrum van de psychotische ervaring is in te delen – zou een nadere analyse van Hitlers uitzonderlijke waanwereld van de waan tot meer inzichten kunnen leiden over het grensgebied tussen de waan en het kwaad. De analyses van Hitkers geesteszieke lijken soms dicht in de buurt te komen van het raadsel dat opeenvolgende generaties Hitler-biografen gefascineerd heeft. In zij. boek Filosofie van de waanzin (2014) wijst Wouter Kusters onder meer op ‘de waan van het niets’, de ‘Ø-waan. In dat verband stelt hij: ‘In de gedachtewereld van Schelling en de Duitse idealisten vergaart degene die zich het diepst in het niets begeeft ook de meeste vrijheid.]

Juist hier raakt hij aan een mogelijke kern in de waanwereld van Hitler: de roeping die ontstond uit een intense ervaring van het niets. ‘Het grote niets’ van Hitler kwam ook tot uiting in zijn fascinatie voor het ‘verstenende niets’ in het gelaat van Medusa, waarin hij ‘de lege ogen’ van moeder herkende. De Medusa-figuur leerde hij kennen in het werk van de schilder Franz von Stuck. De voorzijde van zijn schrijfbureau in de Rijkskanselarij in Berlijn had een reliëf met een Medusa-hoofd. Ook in zijn eigen ogen zou dat ‘verstenende niets’ zichtbaar zijn geweest, zo melden de Hitler-biografen Waite en Fontaine.

De moeder van Hitler en de Medusa van Franz von Stuck

In zijn studie over de menselijke destructiviteit gaat Erich Fromm er vanuit dat de band die Hitler met zijn moeder moet hebben gehad niet echt warm en hartelijk is geweest. Zijn moeder was voor hem geen echte persoon, maar een symbool voor de onpersoonlijke macht van aarde, lot en dood. Ondanks die kilheid had Hitler een symbolische relatie met zijn moeder onderhouden, een verborgen band die fatale gevolgen zou krijgen. Het was ‘een perverse vorm van de unio mystica’, zoals Fromm het noemt, een dubbele relatie die uiteindelijk zou leiden tot Hitlers necrofilie en een drang naar geweld en vernietiging. 

Volgens Fromm wilde Hitler zijn moeder in leven houden en redden van het gif dat haar als pijnbestrijder op haar sterfbed door een Joodse arts werd toegediend. Onbewust echter zou Hitler het verlangen gekoesterd hebben om zijn moeder te vernietigen. Die incestueuze dubbelrelatie zou de basis hebben gelegd voor Hitlers necrofilie, die zich gaandeweg ging manifesteren in een onbedwingbare drang naar dood en vernietiging. ‘Het besef dat hij verlangde naar vernietiging verdrong hij, en zo vermeed hij de confrontatie met zijn ware motieven,’ zo beweert Fromm. 

Volgens deze redenering vindt de waan van Hitler zijn oorsprong in een freudiaans verdringingsproces. Het was de incestueuze fixatie van de moederband, een verdrongen relatie die uiteindelijk werd opgeschaald naar een veel grotere module. De moeder werd Duitsland en het gif werd de Joden. Dit soort redeneringen toont vooral de hoogmoed van de freudiaanse methode waarmee men alles kan verklaren en tegelijk ook niets. Zo geredeneerd kwam het kwaad bij Hitler voort uit ‘het niets’, uit de incestueuze leegte van de moe- der, een zwart gat diep in het bewustzijn, dat op fatale wijze opnieuw werd ingevuld met een onbedwingbare drang naar vernietiging. 

De vernietiging is niet alleen destructief, maar wonderlijk genoeg ook constructief. Elke scheppende daad begint immers met een vernietiging. Scheppen gaat altijd gepaard met vernietiging. Zelfs de grootse schepper – God – schiep er behagen in om zo nu en dan te dreigen met een totale vernietiging, zoals ook in de Bijbel te lezen staat: ‘Als het vuur van mijn toorn is ontstoken, zal het branden tot in het diepste dodenrijk; het zal de aarde verschroeien en alles wat daar groeit, het zal de grondvesten van de bergen verteren.’ 

In de afgrond van het niets, waaruit de drang naar vernietiging voortkomt, kan iets opduiken dat mogelijk met de grond van het bestaan te maken heeft, misschien wel met de grond van de natuur of de kosmos, alsof er een uiterste duisternis bestaat waar geen enkele zin of betekenis er meer toe doet en waar een verschrikkelijk geheim verborgen ligt. “The horror! The horror!” roept de hoofdpersoon Kurtz uiteindelijk uit in Joseph Conrad’s roman Heart of Darkness (1899), als hij totaal van God los alle normen overboord heeft gegooid na een inwaartse tocht over de rivier naar de binnenlanden van Congo. Daar zag hij de afgrijselijke oergrond van de natuur, de nulgraad van elke beschaving. 

Dat op de bodem van de natuur iets huiveringwekkends schuil gaat, is een notie die ook opduikt in de natuurfilosofie van de Romantiek. De natuur zelf zou bezield zijn met een numineuze kracht, los van alle moraal. ‘De hele natuur is een bewusteloos denken,’ beweerde Schelling, en zo geredeneerd is het een kleine stap om het idee ‘God’ dan ook niet buiten of boven de wereld, maar in het Zijn-zelf een plaats te geven. Dat wil zeggen, daar waar de bodem van de menselijke ervaring samenvalt met de scheppende oerkracht van de natuur. Wat ooit ‘God’ werd genoemd wordt dan een alomvattende stuwing van de natuur, die het hoogste goed maar ook het diepste kwaad in zich heeft. 

De Franse filosoof Jacques Derrida zei het al. Als er zoiets als een God bestaat, dan is dat het meest sublieme, het meest onvoorstelbare, buiten alles wat wat in woorden is uit te drukken. God is oorlog.

Reageer

Waar ligt het Stalingrad van Poetin?

“Net zoals Hitler met een korte verrassingsaanval dacht de Sovjet-Unie te kunnen verslaan, zo dacht Poetin met een snelle, agressieve aanval Oekraïne tot overgave te kunnen dwingen, aldus Freedman. “Beiden hebben de tegenstander onderschat. En beiden lijden als gevolg daarvan.”Het mislukken van Hitlers invasie van de Sovjet-Unie was het begin van de ondergang van nazi-Duitsland. Nu zullen de Oekraïense troepen Moskou waarschijnlijk niet bereiken, maar “een nederlaag kan Poetins regime alsnog in gevaar brengen” 

Dat verklaarde de militair historicus Sir Lawrence Freedman gisteren in een interview. Hij voorspelt dat Poetins oorlog in Oekraïne zal vastlopen en uiteindelijk door Poetin en de Russen als een fiasco zal worden ervaren. Een wonderlijk optimistisch geluid in deze donkere dagen. Er zijn immers nog meer overeenkomsten tussen Poetin en Hitler, waar hij aan voorbijgaat. Ten eerste kun je van Poetin zeggen dat hij – net als Hitlers destijds – geestelijk niet in balans is. Beiden hebben een traumatisch patroon in hun eigen psyche geprojecteerd op een hun eigen volk en natie, met alle (mogelijk) fatale gevolgen van dien.

Bovendien lijdt Poetin – net als Hitler destijds – aan zoiets als een Verlossers- of Messias-syndroom. Je zou het ook een roepingswaan kunnen noemen. Wie daarmee behept is, denkt steeds meer in zwart-wit en gaat daarbij tot het uiterste, al zou hij daarmee uiteindelijk een martelaar van het eigen volk moeten worden. Dat proces passeert op een gegeven moment een point of no return. Voor Hitler was dat de zogeheten ‘Nacht van de lange messen’ in 1934. Voor Poetin is dat wellicht de moord op oppositieleider Navalny geweest.  

‘Adolf Hitler was een Jeanne d’Arc, een heilige. Hij was een martelaar. Zoals veel martelaren had hij extreme opvattingen.’

Dat verklaarde de Amerikaanse dichter Ezra Pound (1885-1972) in een interview met Ed Johnson op 8 mei 1945, de dag dat Duitsland capituleerde. Al ver voor de oorlog was Pound naar Italië vetrokken, waar hij onder de indruk raakte van het fascisme van Mussolini. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd hij een bevlogen aanhanger van Hitler. Talloze malen getuigde hij daarvan in ‘gesproken brieven’ voor Italiaanse radiostations. 

Op 28 april, een week voordat Pound de vergelijking maakte tussen Hitler en Jeanne d’Arc, was Mussolini geëxecuteerd door communistische opstandelingen. Vijf dagen later werd Pound gearresteerd en uitgeleverd aan de Amrikaanse, militaire autoriteiten, die hem als landverrader gevangenzetten in Pisa. Later dat jaar werd hij overgebracht naar de Verenigde Staten, waar hij ontoerekeningsvatbaar werd verklaard, en vervolgens jarenlang – tot aan zijn vrijlating in 1958 – doorbracht op de gesloten afdeling van een aantal psychiatrische ziekenhuizen. In 1972 stierf hij eenzaam en vergeten in een hospitaal in Venetië. 

De mateloze bewondering voor Hitler was bij Pound stilaan overgegaan in een ziekelijke waan. Maar zijn woorden over de gelijkenis tussen Jeanne d’Arc en Hitler zouden school maken. Deze woorden gelden nog altijd als een ongemakkelijk statement, dat niettemin staat als een huis. Jeanne d’Arc en Adolf Hitler hadden iets gemeen. De een werd een martelaar en schutspatroon voor haar vaderland, de ander werd geen martelaar, maar na zijn nederlaag gedumpt op de schroothoop van de geschiedenis. Beiden hadden niet alleen extreme opvattingen gehad, maar ook een roepingswaan. Bij de een werd die waan uiteindelijk gezien als een ziekelijke ontsporing, bij de ander als een reddende ingreep van God om het vaderland te redden. Alles herhaalt zich in het algoritme van de waan, alleen de schutkleur van de tijd krijgt andere schakeringen. 

In mei ’68 hingen op de muren van Parijs affiches waarop het kruis van Lotharingen van De Gaulle was omgevormd tot het hakenkruis van Hitler. Het kruis van Lotharingen was ook het kruis geweest van Jeanne d’Arc. Ik weet niet of De Gaulle zich ooit gerealiseerd heeft dat Jeanne d’Arc in een waan heeft geleefd die door de waan van de late middeleeuwen onzichtbaar werd, zoals ook de waan van Hitler onzichtbaar werd door de waan van zijn eigen tijd.

Waren de stemmen van Jeanne d’Arc het symptoom van een geestesziekte of was er iets anders aan de hand? Menig onderzoeker heeft geprobeerd haar stemmen te verklaren in psychiatrische of neurologische termen, zonder daarbij veel acht te slaan op de historische context. Zo is gewezen op epilepsie, migraine, tuberculose en schizofrenie als mogelijke verklaring. Maar er bestaat geen consensus over deze kwestie. 

Hoewel hallucinaties en extreme religieuze gedrevenheid als symptomen kunnen gelden van allerlei psychiatrische ziektebeelden, zijn er toch ook andere aspecten van het leven van Jeanne d’Arc die daar strijdig mee zijn. Het zijn niet zozeer de gewijzigde opvattingen over geestelijke gezondheid, als wel haar uitzonderlijke militaire prestaties die de blokkade vormen om haar geestestoestand in eigentijdse psychiatrische termen te definiëren.

Jeanne d’Arc had een stem in haar hoofd gehoord die haar bevolen had dat ze haar land moest redden. Hitler hoorde geen stem in zijn hoofd, maar had wel een wonderlijke relatie met zijn eigen lichaam. Tijdens zijn toespraken viel hij gemiddeld twee kilo af, zo meldt zijn biograaf Kershaw, en als compensatie zorgden zijn medewerkers ervoor dat er altijd twintig flesjes mineraalwater naast zijn lessenaar stonden als hij stond te oreren.

Anderzijds kreeg hij steeds meer last van trillingen en wordt er wel beweerd dat hij leed aan een vorm van Post-encephalitsiche Parkinson, die hij – evenals zijn tijdelijke blindheid – had opgelopen bij een gasaanval in de loopgraven van de Eerste Wereldoorlog. Ook is wel gesuggereerd dat hij geleden heeft aan post-encephalitische vorm van sociopathie. Anders gezegd: een virale ontsteking van de hersenen die ook wel geconstateerd werd bij oorlogsveteranen en een diepgaande verandering in de persoonlijkheid teweegbracht, zoals het structureel onvermogen om goed en kwaad te kunnen onderscheiden.

Zo bezien waren het hakenkruis en het kruis van Lotharingen beide tekenen geweest die verwezen naar een vreemde wereld, voorbij het verstand. Maar het verwijst ook naar een ervaring die diep in mijzelf herinneringen oproept aan mijn eigen roepingsgwaan. Ik ben in de verste verte geen Hitler, Poetin, laat staan een Jezus in een nieuwe gedaante. Maar in het boek Tegen de tijdgeest schreef ik het volgende:

‘Ik had het syndroom van Jeanne d’Arc. Of je nu daadwerkelijk stemmen hoort of niet, als je direct gehoor geeft aan de stem van God of andere demonen, beland je in het gekkenhuis of op het slagveld. In het laatste geval kunnen sommige mensen in extreem afwijkende mentale condities het kennelijk heel ver schoppen, zo bedacht ik bij mezelf. ’

Jeanne d’Arc voelde zich geroepen om de rol van Verlosser van haar volk op zich te nemen. Ze hoorde stemmen van hogerhand. In haar geval waren die stemmen niet direct afkomstig van God, maar van de aartsengel Michaël. Evenals Hitler, die in 1918 na zijn hysterische gasverwonding zijn ‘Jeanne d’Arc-achtige stemmen’ hoorde, had ik de opdracht gekregen om mijn moederland te redden. Het Heilige Roomse Rijk was voor mij de Rooms-Katholieke Kerk, die in de hoogtijdagen van de secularisering ten onder dreigde te gaan. 

In zijn boek Filosofie van de waanzin stelt Wouter Kusters ook mijn psychotische waan uit 1966 aan de orde, zoals ik die beschreven heb in mijn bijdrage in het boek Tegen de tijdgeest, terugzien op een psychose (2011). Kusters behandelt mijn waan in een betoog dat handelt over ‘de profetenwaan’. Zo wijst hij erop dat het vaak moeilijk is om vast te stellen wanneer het zogeheten ‘omslagpunt’ zich voltrekt tussen inspiratie en waanzin. Bij een profetenwaan is dat extra gecompliceerd omdat een profeet, wil hij door zijn omgeving worden begrepen, zich moet bedienen van een taal die voor ieder- een toegankelijk is. ‘Profetische psychopatici’ zijn volgens Kusters minder concreet, stellig en vastomlijnd over wat zij ervaren dan doorgaans wordt verondersteld. 

Over mijn waan stelt Kusters: ‘Mous geloofde allicht – op zeker moment, in zekere zin – dat hij God of diens profeet was, maar het is onzinnig om een dergelijk moment uit de context te halen en er een bewijs in te zien dat Mous foutieve gedachten of ‘wanen’ had.’ Deze zin licht ik nu uit zijn context en ik voeg er voor alle duidelijkheid aan toe, dat ik destijds wel degelijk in een waanwereld verkeerde, al had ik tegenover niemand zullen erkennen dat ik dit zelf ook als zodanig ervoer. Ik verkeerde in een fictieve wereld, die in mijn brein gekopi- eerd werd uit brokstukken van literatuur. Ik werd een profeet omdat ik te veel over profeten gelezen had. En te veel ook over schuld. 

Je kunt je afvragen hoe Jezus van Nazareth het zelf ervaren moet hebben dat hij de Messias was. Dat is een vraag die ook de nazi-ideoloog Alfred Rosenberg heeft gesteld in zijn boek Der Mythus der XX. Jahrhunderts (1930). Rosenberg verwijst daarbij naar een passage in het evangelie van Marcus (Markus 8. 28-31), waar Jezus aan zijn discipelen vraagt wie zij denken dat hij is, en Petrus ant- woordt dat hij de Messias is. Vervolgens gebiedt Jezus hen het woord ‘Messias’ nooit in de mond te nemen en spreekt dan over het lot dat hem te wachten staat.

Onderweg vroeg Hij aan zijn leerlingen: “Wie ben Ik volgens de mensen?” Ze antwoordden Hem: “Sommige mensen zeggen dat U Johannes de Doper bent. Anderen dat U de profeet Elia bent. Weer andere mensen zeggen dat U één van de profeten bent.” Hij vroeg hun: “En jullie? Wie ben Ik volgens jullie?” Petrus antwoordde Hem: “U bent de Messias.” En Hij verbood hun streng om dit tegen andere mensen te zeggen. Jezus begon hun uit te leggen dat de Mensenzoon veel zou moeten lijden. Dat Hij niet geloofd zou worden door de leiders van het volk, de leiders van de priesters en de wetgeleerden. Dat Hij zelfs zou worden gedood. Maar ook dat Hij op de derde dag uit de dood zou opstaan. 

Rosenberg zag in deze passage het bewijs dat Jezus zichzelf niet als Messias heeft gezien, waarbij hij de mogelijkheid onbesproken liet dat Jezus slechts bedoelde dat hij nooit als Messias aangesproken wilde worden, gezien de zware last die nog op zijn schouders lag. 

Maar hoe zat het dan met Hitler? De ervaring dat je van hogerhand een buitengewone opdracht hebt ontvangen, kun je in een waan opdoen, maar je kunt die ervaring ook regisseren in een uitgekiende vorm van propaganda. Dat laatste is de mening van een aantal historici die zich met Hitler hebben beziggehouden. Je zou dit de seculiere interpretatie kunnen noemen. De messias-mythe van Hitler zou dan in feite geregisseerde propaganda zijn geweest, en daar zijn ook aanwijzingen voor. In 1943 liet Hitler een protocol voor een nieuw zelfbeeld ontwerpen, waarbij werd vastgesteld:

‘Directe en onvoorwaardelijke afschaffing van alle geloofsovertuigingen na de Endsieg… onder gelijktijdige proclamatie van Adolf Hitler als nieuwe messias….De Führer zal daarbij een positie bekleden die het midden houdt tussen verlosser en bevrijder – in ieder geval als gezant van God, die goddelijk eerbetoon toekomt. De aanwezige kerken, kapellen, tempels en heiligdommen van verschillende geloofs- overtuigingen moeten worden omgedoopt in Adolf Hitler Heiligdom.’

Onder het voorstel schreef Hitler: ‘Het eerste bruikbare ontwerp! Ter bewerking naar dr. Goebbels.’Pure propaganda dus. Maar was dat alles? In dat geval wordt voorbijgegaan aan de mogelijkheid dat het één het ander niet uitsluit. Misschien had Hitler wel degelijk een messiaswaan en liet hij dit fenomeen door zijn propagandamachine op perfecte wijze uitbuiten. Voor een messias heb je niet alleen een massa gelovigen nodig, maar ook zendelingen. Zoals Hitler zijn Goebbels had om het geloof te verkondigen in propaganda, zo had Jezus van Nazareth zijn Paulus. 

Patronen veranderen, maar het algoritme van de waan blijft gelijk. Kusters bespreekt in hetzelfde hoofdstuk waarin hij mijn waan (‘Plan’) behandelt, de waan van een patiënt (geval 53) die Conrad behandelt in zijn boek over de beginnende schizofrenie. Deze pati- ent, die eind jaren dertig psychotisch was geraakt, werd opgeroepen als soldaat in het Duitse leger en kwam uiteindelijk (waarschijnlijk) aan zijn eind in het euthanasie-programma, dat Hitler in oktober 1939 had uitgevaardigd.

Kusters schrijft over hem het volgende: ‘Net als bij Mous is er in het Plan van geval 53 een grote medespeler of adressant van de boodschappen. Terwijl Mous met zijn neo-katholieke geschriften naar de paus wilde, draait het bij geval 53 om adviezen en wijsheden voor Hitler.’

De paus of Hitler, wat is hier het verschil? Niets. Of beter gezegd: alles. In de waan herhaalt zich alles, tot in het oneindige, totdat alles verdwijnt in het niets… of totdat een nieuwe religie begint en de wereld gaat veroveren. Mijn roepinswaan werd gesmoord in een gesticht. Maar Poetin en Hitler gingen door op het slagveld, in het wenkend perspectief van een heilige oorlog. Wie behept is met een roepingswaan weet van geen ophouden. Geen nederlaag zal hem kunnen stoppen. En geen enkele overwinning is voor hem genoeg.

De roepingswaan verdwijnt pas na de laatste misrekening, waarna het paleis van de waan definitief in elkaar stort. Hitler kende zijn Stalingrad, maar waar ligt het Stalingrad van Poetin? Mocht hij daar ooit nog eens echt op stuiten, dan ligt de wereld om hem heen al lang in puin.

Reageer

Ontwaken in een goddeloze wereld

Europa heeft ongeveer de wil verloren om te leven. Je ziet het aan allerlei dingen. Het geboortecijfer is historisch laag, iets boven de anderhalve kind per vrouw. De gemiddelde leeftijd is historisch hoog. In Duitsland is dat nu 47 jaar. Maar met oude mensen kun je niet ten strijde trekken. Het feminisme is deels schuldig aan deze ontwikkeling.

Een van mijn boeken heet Seeing into the future. Het begint bij de Bijbel en eindigt in het heden. Hoe kan de mens de toekomst begrijpen? Tot 1700 moest je daarvoor uit het gewone leven stappen en je wijden aan hemelse inspiratie. Aan religie, meditatie. Daarna kwam de Verlichting en gebruikte je je hersens, je ratio. Tegenwoordig kijken we naar trends. We bestuderen het verleden en het heden en zeggen: als deze trend doorzet, kunnen we dit of dat verwachten. Een voorbeeld: de Long Peace waar ik het net over had. We hebben onszelf ervan overtuigd dat dit de trend was. Dat die zou doorgaan. Dus zou er geen oorlog komen. Nu is dat ineens niet zo duidelijk meer.”

Jullie hebben met je kop in de wolken gezeten. En gedacht dat alles draait om een moreel kompas. Zo naïef. Als ik nog één boek zou schrijven, dan zou het gaan over dingen die nooit zijn veranderd in de geschiedenis. Eén van die dingen is, helaas, barbarij.

Dit zijn enkele citaten uit een interview met de militair historicus Martin van Creveld in de NRC van gisteren (zie hier). Barbarij is blijkbaar weer terug in de wereld. Of beter gezegd, die barbarij is nooit weggeweest, al hebben we in Europa tachtig jaar zitten dromen over een eeuwigdurende vrede in het tijdperk van de babyboomers. Dat is de generatie die geboren werd na een wereldoorlog die de laatste zou zijn geweest. De mensheid had er immers van geleerd dat het nooit meer zijn menselijkheid zou moeten verliezen, en die dus ook niet meer zóu verliezen. 

Als het gaat om het verlies van menselijkheid waren alle ogen tot voor kort gericht op de moslim-fundamentalisten met hun hang naar terrorisme. Sinds de inval in Oekraïne zijn de ogen gericht op Poetin en zijn kompanen als het om verlies van menselijkheid gaat. Nog slechts enkele decennia geleden waren het de nazi’s die hun menselijkheid verloren. Wat zijn hier de verschillen en wat is de overeenkomst? Kan het soms zo zijn dat het verlies van menselijkheid zich aandient als het vermoeden gaat dagen dat het bestaande wereldbeeld geen stand zal houden? Anders gezegd, als het vermoeden gaat dagen dat er geen afgezonderd domein meer bestaat voor een geloof of een wereldbeschouwing. Als het angstige vermoeden gaat knagen dat men als laatste gelovige van een religie of laatste aanhanger van een verdwijnende ideologie zal worden weggevaagd in de storm van de geschiedenis? 

De nazi’s begrepen voor het eerst de uiterste consequentie van Nietzsches boodschap dat ‘menselijke waarden’ slechts de schaduw zijn van het christendom, dat zijn transcendente fundering verloren had. De humanitaire doelen van het christendom waren blijven voortbestaan, maar de grondoorzaak was in de geschiedenis achter- gelaten. Die leemte schiep ruimte voor een nieuwe schaduwmoraal in de storm die plotseling was opgestoken. 

De theologisch vragen die Auschwitz heeft opgeroepen zijn bepalend geweest voor het naoorlogse denken over God en moraal. ‘De eclips van God in Auschwitz’, zoals Martin Buber het noemde, heeft de mens teruggeworpen op zichzelf. Christenen hadden tweeduizend jaar lang gepredikt dat Christus zijn kruis ook voor alle stervelingen – in casu christenen – gedragen had. Daarmee zou hun verlossing reeds zijn volbracht, terwijl de Verlosser toch duidelijk had aangegeven, dat iedereen zijn eigen kruis op zich moet nemen. Door die theologische misvatting waren de Joden ‘godsmoordenaars’ geworden, een banvloek die zelfs na de dood van God zou blijven voortbestaan. Zo luidde in de kern de conclusie van Ignaz Maybaum in zijn boek The Face of God after Auschwitz (1965). Maar daarmee was het probleem van het kwaad er niet minder op geworden, integendeel. 

Bestaat er een verband tussen secularisering en nieuwe vormen van waan, waarin ook het kwaad zich kan manifesteren? Deze vraag loopt parallel met de vraag of de opkomst van het nationaalsocialisme in laatste instantie een gevolg is geweest van de door Nietzsche aangekondigde dood van God. Of je het nu een Ersatzreligion noemt, een gedegenereerd substituut voor het christendom of zelfs een terugkeer van een vorm van gnosis met een radicale ompoling van goed en kwaad, telkens is het verdwijnen en verschijnen van de religie de zaak waar het om draait. 

Zoals gezegd, naarmate de secularisatie verder om zich heen grijpt, blijkt dat de meeste mensen heel goed zonder religie kunnen leven. Ze hebben er geen last van, laat staan dat ze psychische kwalen ontwikkelen. Je zou hooguit kunnen stellen, dat een al te snelle ontstijging aan een religieus wereldbeeld in sommige gevallen een geestesziekte kan veroorzaken. Zoiets zou je een ‘metafysische caissonziekte’ kunnen noemen. Dat geldt overigens niet alleen voor het te snel verdwijnen van religieuze wereldbeelden, maar voor elke ideologie of sociale biotoop.

Secularisatie is meer dan alleen een afscheid van de religie. In wezen is het een proces van ontworteling en het genezen van zo’n geestelijke breuk heeft tijd nodig. Hitler was voor alles een ontworteld mens, zoals ook Erich Fromm concludeerde: ‘…niet zozeer omdat hij een Oostenrijker was die zich uitgaf voor Duitser, maar omdat hij niet geworteld was in een sociale klasse. Niet alleen psychologisch, ook sociaal was hij een eenzaam mens. Hij kende geen andere wortels dan de meest archaïsche, die van ras en bodem.’ 

Hitlers waanwereld is kunnen ontstaan door een te snelle ontstij- ging aan een wereld met een veilige en vertrouwde Weltanschauung. Maar er is ook een ander aspect van religie dat in deze redenering niet tot uiting komt. Religie, zo wordt wel beweerd, beantwoordt aan een menselijke behoefte om een domein van het gewone leven af te zonderen voor wat als ‘heilig’ wordt ervaren. Dat domein wordt in de religie gereserveerd voor datgene wat onbegrijpelijk is en boven alles uitgaat. Noem het het mythische, het geheimzinnige, het ontzagwekkende of numineuze.

Dat afgezonderde domein wordt gevuld met vaststaande rituelen. Het wordt geconsacreerd als een gebied waar alles anders is dan anders. Kortom, het wordt een gedoogzone voor een gelegitimeerde, collectieve waan. Je mag er alles van denken, voor zover het in de Heilige Boeken voorkomt of in Gods openbaring is onthuld. Zo wordt het domein van de waan in de religie in quarantaine genomen. Of – in de redenering van Freud: de neurose van de religieuze projectie heeft velen behoed voor ernstiger vormen van geestelijke ontsporing. 

Je zou je ook de kunst zo’n domein van quarantaine voor de waan kunnen noemen, een afgezonderde collectieve enclave, waar waar het onbevattelijke een geheiligde plaats krijgt om het leven aan te kunnen. ‘We hebben de kunst uitgevonden, om niet aan de waarheid te hoeven sterven,’ zei Nietzsche. Met het verdwijnen van de religie lijkt de kunst ook steeds meer de functie van de religie over te nemen, zeker nu de kunst een geheim verbond is aangegaan met de cultuurindustrie en de allesbepalende krachten van de economie. Het heilige wordt opnieuw afgeschermd als ‘de wereld van de kunst’, een afgesloten domein dat andermaal gevuld wordt met esoterische rituelen. 

Maar ook de rituelen van de kunst verliezen gaandeweg hun kracht. In de afgelopen decennia is kunst steeds autonomer geworden en daarmee steeds meer in een maatschappelijk isolement ge- raakt. Kunst is geen voertuig meer van een revolutie of de belofte van een betere wereld, maar grotendeels ingekapseld in de wereld van het spektakel. Je kunt als kunstenaar alleen nog ontsnappen aan het systeem door voor jezelf de illusie in stand te houden dat een ontsnapping mogelijk is, bijvoorbeeld door in het hart van systeem zelf te infiltreren. Het autonoom worden van de kunst is een hardnekkig proces van zelfbegoocheling en zelfverloochening, want zelfs de vermeende ontsnapping in het hart van het systeem is een autonoom procédé en daarmee gestoeld op een waanidee. Zo’n proces van zelfbegoocheling en zelfverloochening is eigen aan de waan en ook typisch menselijk. Een mens heeft wanen nodig. 

Kan een mens in moreel opzicht volledig op zichzelf vertrouwen, los van welke religie dan ook? Die vraag heeft het nazisme gesteld en die vraag is voor velen nog altijd niet beantwoord. De ontzetting over een ‘God na Auschwitz’ die in de eerste decennia na de oorlog bij theologen te bespeuren was, bestaat niet meer. Maar het is een misvatting te denken dat de leemte die God na Auschwitz heeft achtergelaten voorgoed is gedicht. Het beeld van een transcendente God is versleten geraakt in onze westerse wereld, of beter gezegd in het wereldbeeld dat in het Westen is ontstaan. 

Dat slijtageproces was al ver voor de oorlog op gang gekomen, maar kwam na 1945 in een stroomversnelling. De vraag is dan: is er iets mis met die God, of is er iets mis met dit wereldbeeld? Maar die vraag wordt nog maar zelden gesteld. Er is een blinde vlek ontstaan voor de kern van de zaak. Dat wil zeggen: voor het herkennen van zin en betekenis in het lijden van de mens, maar vooral ook in het herkennen van een betekenis in het kwaad. Het kwaad hoort bij de natuur, dat is alles wat er tegenwoordig nog over te zeggen valt. Maar zei Hitler dat ook al niet? Juist door deze fatalistische veronderstelling over de aard van het kwaad kunnen problemen ontstaan die buiten de orde vallen, zelfs buiten de wet. 

Hitler misbruikte de apocalyptische taal van het christendom omdat hij een politieke religie van start wilde laten gaan. Maar die politieke religie kreeg zijn beslag in een sfeer van materialisme en paganisme, waarin geen enkele ruimte meer was voor iets dat het leven of de natuur te boven of te buiten ging. Het ging om de strijd om het bestaan als zodanig, een strijd die het meest eigen zou zijn aan de natuur zelf. Al in Mein Kampf had Hitler de nieuwe natuur- wet van de moraal verwoord.

Als de mens een poging zou ondernemen om te vechten tegen de ijzeren logica van de natuur, dan zou hij in conflict komen met de basisprincipes waaraan hij zijn bestaan als mens te danken had. Hitler schreef: ’Een sterker geslacht zal de zwakken verjagen, omdat de drang tot leven in de ultieme vorm alle belachelijke boeien van een zogenaamde humaniteit van het individu altijd weer zal verbreken, om de plek ervan te laten innemen door de humaniteit van de natuur die de zwakke vernietigt om plaats voor het sterke te maken.’

Het genadeloze recht van de sterkste was dus een nieuwe vorm van ‘humaniteit’. Er ontstond zelfs een nieuw soort vroomheid, waarmee deze heilige wet van de natuur werd omarmd. De natuur was niet alleen humaan, maar ook almachtig en tegelijk heilig ge- worden, dat wil zeggen: bezield met de macht van de Almachtige, wiens wetten onderworpen zijn aan een onveranderlijke wil die niet kan worden beïnvloed. Daarom was het noodzakelijk deze wetten te erkennen en klakkeloos te gehoorzamen. Er was geen waarom meer. Wie die vraag stelde kreeg als antwoord: waarom denk je dat je geboren bent? De moraal werd een gebeuren. De dingen gingen voortaan vanzelf. Ze toonden zich in het worden van de werkelijkheid. Elk besluit was een noodlot. 

Het verschijnsel kwaad werd zo volledig afhankelijk van een betekenis in het lexicon van de natuur. Maar de natuur zelf heeft geen lexicon, laat staan een lemma over goed en kwaad. De natuur is een grote leegte die op dit soort vragen geen antwoord geeft. De natuur is een diepe put waar alleen de echo’s van onze eigen woorden in opklinken. En wat voor de natuur geldt, gaat eens te meer op voor het collectieve verleden dat het individu overstijgt. De geschiedenis is ongrijpbaar, het is je eigen echo die je terughoort vanuit de put waarin je roept, zoals E.H. Kossmann heeft beweerd. 

Wat hier is gaan schuiven is het verschijnsel transcendentie. In de Romantiek werd de ‘God van de bovenwereld’ vervangen door ‘een wordende god’ die zich manifesteert in de natuur en de geschiedenis. Het evolutie-idee kwam in de plaats van de God die met zijn openbaring inbrak in de geschiedenis. De verticale as tussen hemel en aarde werd vervangen door een horizontale as tussen verleden en toekomst. Dat was het begin van een proces dat uiteindelijk naar Hitler zou leiden. Want waar was het kwaad gebleven? Het kwaad werd een woord als alle andere woorden en dat proces van devaluatie is nog altijd gaande, waarbij telkens weer beladen begrippen uit het verleden van een nieuw lading worden voorzien. 

Na 9/11 – en vooral na de moorden op Pim Fortuyn en Theo van Gogh – kreeg Nederland een probleem met de puinhopen van de multiculturele samenleving. In een televisiedebat met Fortuyn in 2002 moest Joost Zwagerman zich verantwoorden voor zijn bewering dat Fortuyn ‘de bruinhemden’ in de kaart had gespeeld. Daarbij wist Zwagerman zich nauwelijks staande te houden. Zeven jaar later – toen zijn essaybundel met als titel Hitler in de polder & vrij van God (2009) inmiddels was verschenen – nam Zwagerman stelling tegen de mensen die Geert Wilders voor het gerecht hadden gedaagd omdat Wilders de islam met de nazi-ideologie had vergeleken. Er werd met twee maten gemeten, zo luidde Zwagermans conclusie.        

Zelf was hij in alle vrijheid van zijn katholieke geloof kunnen vallen en dat moesten moslims in Nederland ook kunnen, zo beweerde hij. In de laatste decennia ging er in Nederland telkens weer iets mis zodra de religie in het geding kwam in relatie tot het kwaad van de nazi’s. Zwagermans standpunten in dit soort kwesties waren lang niet altijd even consequent. Hij bewoog zich in een mijnenveld of een niemandsland. Religie en mystiek waren in Nederland uit het discours van de culturele elite verdwenen. Achteraf bezien moet je Zwagerman nageven dat hij meerdere malen op dit pijnlijk gemis heeft gewezen, waarbij hij bovendien de moed had om een vergelijking te maken met de tijd toen Hitler aan de macht kwam. 

Reageer