De Friese ziel

Gisteravond laat werd er gebeld. Er stond een oude man voor de deur. Hij zag er wat verfomfaaid uit, het haar in de war en met oude kleren aan uit grootvaders tijd. Zijn jas was eindeloos versteld en leek wel geschilderd door Jopie Huisman. Hij had witte bakkebaarden en een hoed op. Eigenlijk leek hij wel een beetje op die oude man op het etiket van een fles Sonnema. Misschien had hij daar ook wel zin in, een Beerenburg in de nacht. ‘Wat wilt u?’ vroeg ik. ‘Ik wil rust,’ was het antwoord en de oude man ging op de bank zitten. Er volgde een diepe zucht alsof er een grote last van zijn schouders afgleed. ‘Kan ik iets voor u betekenen?’ probeerde ik. De man keek voor zich uit met een doffe blik in de ogen.’Wie bent u eigenlijk?’ Hij bleef zwijgen en dacht na, alsof hij vergeten was wie hij in werkelijkheid was. Misschien was hij zijn geheugen kwijt en dwaalde hij al dagen door de stad met zijn ziel onder zijn arm.

‘Ik ben de Friese ziel,’ zei hij. ‘Ik ben doodop.’

Lees de rest van deze post »

Reageer

De wereld van Peter Stuyvesant

Onthulling standbeeld Peter Stuyvesant door minister Kernkamp te Wolvega

In Wolvega staat een bescheiden standbeeld. Jentsje Popma is de maker. Het beeld stond altijd wat achteraf op een pleintje met schrale woningen uit de jaren vijftig. Het werd onthuld op 12 juli 1955. Tegenwoordig staat het beeld in een al even kale nieuwbouwwijk. De tijd lijkt er stil te staan. De wereld van Peter Stuyvesant is overal behalve hier. En toch, met het standbeeld zelf is niets mis. Alleen een zilveren band om de houten poot ontbreekt. Stuyvesant werd overigens niet in Wolvega geboren. Ook niet in Scherpenzeel, wat vaak wordt gedacht, maar in Peperga. Tenminste, als we Goffe Jensma mogen geloven.  Vroeger stond op een pakje sigaretten van het merk Peter Stuyvesant: ‘the man who founded New York in 1653.’ Ook dat is een mooi verhaal, dat Friezen graag voor waar willen houden. Hoe dan ook, Peter Stuyvesant werd in de vorige eeuw het symbool van de grote wereld van moderne luchthavens. ‘Peter Stuyveant, jongste der wereldmerken!’ galmde de voice-over in de bioscoopreclame. Het was een zorgeloos universum van onbegrensde mogelijkheden...in the city that never sleeps.

Zo werd werd Peter Stuyvesant het toonbeeld van de westerse vrijheid die in New York zijn bekroning vond. Tot 11 september 2001. De woorden van een schlager van Reinhard Mey uit de jaren zeventig, ‘Uber den Wolken soll die Freiheit schon grenzenlos sein’, gaan niet meer op. Die idylle van een grenzeloze vrijheid was een leugen. Zoals ook de onbeperkte vrijheid van het vrije westen een leugen was van het spektakel, een narcotische droom die  door commercie en  reclame uit alle macht in stand werd gehouden. Vliegen is tegenwoordig een streng bewaakt fenomeen dat zich afspeelt  in het domein van de angst en niet meer in het domein van de vrijheid. Of het we het willen of niet, het vliegen is een metafoor geworden voor het leven in tijden ven terreur. ‘De wereld van de Peter Stuyvesant’ bestaat niet meer.

Peter Stuyvesant is op Mata Hari na de beroemdste wereldburger die Friesland heeft voortgebracht. Als domineeszoon uit de Stellingwerven schopte hij het zelfs tot gouverneur van New York. Hij was een strijdbaar koloniaal en ook een beetje ijdel. Toen hij zijn been had verloren bij een desastreus verlopen veroveringsactie, liet hij zich een houten been aanmeten, versierd met een zilveren band. Maar hij was ook een capabel man die voor New York veel betekend heeft. Zelfs het beroemde roostervormige stratenplan staat op zijn naam. Toch zijn er maar weinig Amerikanen die nog weet hebben van zijn daden, laat staan van zijn eenvoudige Friese afkomst.

In het voorjaar van 1998 zat ik aan tafel in Hotel de Kroon in Oosterwolde, samen met enkele kunstenaars, een paar ambtenaren en een bevlogen wethouder. Carel Zuil, die de portefeuille cultuur beheerde voor de gemeente Ooststelligwerf, had bedacht dat er een internationaal kunstproject moest komen dat de gemeente in één keer op de kaart van Europa zou zetten. In Verbelinge zou die manifestatie gaan heten die in september 1999 in Ooststellingwerf plaatsvond. Negen kunstenaars waren uitgenodigd onder wie wonderlijk genoeg ook Atte Jongstra, de grootmeester in een uitstervende tak van welsprekendheid: het briljant ouwehoeren.

De manifestatie ging over taal, vandaar dat hij als gelegenheidskunstenaar erbij was. Verspreid over de gemeente moesten er kunstwerken komen, waarin een verband tot uiting kwam met de Stellingwerver taal en cultuur. Atte Jongstra bedacht uiteindelijk een ingetogen monument op de grenslijn van twee talen – het Fries en het Stellingwerfs. Het is daar nog altijd te zien, op een klein eilandje bij het sluisje in het Tongerskanaal, een plek die Atte nog kende uit zijn jeugd. Maar dat daar gaat het nu even niet om.

Bij dat diner in Hotel de Kroon zat ik tegenover Allen Ruppersberg, de vermaarde Amerikaanse kunstenaar die voor deze gelegenheid helemaal uit New York was ingevlogen. Het jaar daarvoor had ik een project van hem gezien bij de manifestatie Skulptur Projecten Münster (1997). Aan de hand van een bundel met interviews liet Ruppersberg de bezoekers een tocht maken naar het verleden van Münster langs diverse  ‘plaatsen van de herinnering’. In het museum was een reisbureau ingericht, waar je op weg werd geholpen door een man met een pruik op die verkleed was als Candide. Deze hoofdfiguur uit het gelijknamige verhaal van Voltaire was immers in de buurt van Münster geboren. ‘Er leefde in Westfalen, op het kasteel van baron van Thunder-ten-Tronck, een jongeman, die de natuur begiftigd had met een zachtzinnig gemoed.’  Zo luidt de openingszin van Candide. Die is niet zo beroemd als de slotzin van dat boek: ‘Il faut cultiver son jardin’.

Die woorden van Voltaire zijn vaak verkeerd begrepen. Candide werd geschreven werd na de aardbeving in Lissabon in 1755. Deze ramp was een grote schok voor het optimisme van het Verlichtingsdenken. Leibniz had beweerd dat deze wereld de beste van alle mogelijke werden zou zijn. This world of  Peter Stuyvesant was  the best of possible worlds. God had het gewoon niet beter kunnen doen gezien de beperkingen die de natuurwetten hem nu eenmaal hadden opgelegd. Daarmee werd op rationele wijze een rechtvaardiging van God geleverd. De theodicee van het christendom werd verplaatst naar het domein van het verstand. Totdat Lissabon van de aardbodem werd weggevaagd. Dat was een brug te ver. De theodicee van de Bijbel klopte niet meer, maar die van het rationalisme ook niet. Candide reisde de hele wereld rond en verbaasde zich over het klungelige karakter van Gods schepping, om over de daden van de mens maar te zwijgen. Uiteindelijk trok hij zich terug in zijn tuin. Maar dat is een ander verhaal.

Allen Ruppersberg woonde in New York niet ver van de Stuyvesant Avenue, maar bij het horen van de naam kreeg hij alleen een sigarettenmerk voor ogen. Dat is misschien wel ergste wat je als Fries kan overkomen. Niet wereldberoemd worden in Friesland, maar nota bene in de echte wereld, de wereld van Peter Stuyvesant en bovendien zelf nog zo heten ook. Maar geen mens die nog weet wie je was, en zeker geen Amerikaan. Ruppersberg wist veel van zijn eigen stad, maar wonderlijk genoeg niet dat Peter Stuyvesant – toch geen onbekende in die metropool – uit de Stellingwerven afkomstig was. Naast hem aan tafel zat Atte. ‘Who is that guy?’ vroeg Ruppersberg aan mij. In mijn beste steenkolenengels antwoordde ik:  ‘That’s Atte Jongstra. He is a Dutch paperbackwriter and he has read all the books in the world.’ Atte moest lachen, maar deed ook geen poging om deze karikaturale typering enigszins te nuanceren.

Die avond vertelde Ruppersberg over een nieuw fenomeen in de Amerikaanse politiek, George Bush junior, die volgens hem te dom was om voor de duvel te dansen, maar juist om die reden wel de volgende president van de Verenigde Staten zou worden. Amerikanen hebben immers een hekel aan intellectuelen, zo verklaarde hij. Hij had een vooruitziende blik. Ik moet daar nog wel eens aan terug denken, als ik nu Donald Trump zie. Ook hij lijkt mij te dom om voor de duvel te dansen. Amerika, the best of all possible worlds. Atte vertelde vervolgens honderd uit over wat hij allemaal las, maar vooral over goede en slechte boeken. Er zijn boeken, zo zei hij, die zó goed zijn, dat je er een beter mens van wordt. Zo had hij een keer tijdens een eenzaam verblijf in Noorwegen alle essays van Montaigne achter elkaar gelezen en was als een beter mens huiswaarts gekeerd. ‘Men moet veel gelezen hebben om weinig te weten,’ schreef Montaigne. Maar ook dat is een ander verhaal.

Geen reactie mogelijk

Als God in Frankrijk

scan1120001

Mijn vader en moeder in de Provence, zomer 1963

Drie keer in mijn leven ben ik in de Provence geweest. In 1963 kampeerde ik er samen met mijn ouders. We verbleven in Carpentras en Avignon en bezochten de Pont du Gard op de dag nadat de Belgische wielrenner Benoni Beheyt wereldkampioen op de weg was geworden. Het zijn soms van die rare dingen die in je hoofd blijven hangen.  Ik weet nog dat ik de Franse sportkrant L’Equipe kocht bij een kiosk vlak bij de Pont du Gard. Daar las ik het nieuws. ‘TRAHISON!’ stond er met grote chocoladeletters op de voorpagina. Rik van Looy had eigenlijk wereldkampioen moeten worden, en nog wel in eigen land. Maar Beheyt hield zich niet aan de tevoren gemaakte afspraken en sprintte hem op de laatste meter voorbij. Verraad dus. Zo kregen we dat jaar een relatief onbekende wereldkampioen. A hero just fore one day, zoals een paar jaar later onze eigen Harm Ottenbros.

In 1968 was ik in mijn eentje in de Provence, een maand lang, deels met de trein en deels liftend, met mijn tentje in de rugzak. Ik ben toen een paar dagen met een klein busje langs alle bezienswaardigheden van de streek gereden. Dat koste haast niets, twee tientjes per dag of zo. Er waren maar zes medepassagiers onder wie een wat oudere Joodse vrouw uit New York. Mrs. Ginsburgh heette ze. Ze deed een rondje Europa en was zo in de Provence beland. Mrs. Ginsburgh was al een paar jaar weduwe en ze moet steenrijk zijn geweest. Haar man was een captain of industry geweest, maar was vroeg gestorven aan een hartaanval. Ze had ook een hele mooie dochter, van wie zij een foto bij zich had die zij mij onderweg liet zien.

Ik werd op slag verliefd op haar dochter, misschien wel omdat ze zo ver en onbereikbaar voor mij was, daar aan de andere kant van de oceaan. Misschien bestond die mooie dochter helemaal niet, alleen maar op die ene foto. Mrs. Ginsburgh was heel aardig en we konden het goed met elkaar vinden. We bezochten samen de Romeinse overblijfselen in Vaison-la-Romaine en het mooie plaatsje Fontaine-de-Vaucluse. Daar wandelden we onder de platanen en lunchten samen bij het grote schoepenrad in de rivier. We spraken over Petrarca die hier ooit had gewoond. Over zijn geliefde Laura, aan wie hij vele liefdesgedichten heeft gewijd. Het was warm. We dronken witte wijn en reden verder met het busje.

Laura, zo vertelde Mrs. Ginsburgh, was zes jaar jonger dan Petrarca en hij zou haar ooit hebben ontmoet in het kerkje van de heilige Clara in Avignon. Ze werd zijn grote muze die hij altijd bleef volgen, zoals Dante zijn droombeeld in Beatrice had. Maar er waren ook geleerden die beweerden dat Laura nooit in werkelijkheid heeft bestaan, alleen in de verbeelding van Petrarca. En terwijl ik uit het stoffige raam van het busje staarde naar het landschap van de Provence dat aan ons voorbij gleed, vertelde Mrs. Ginsburgh mij over Jung, over zijn theorie van de anima. Dat is dat deel van de innerlijke psyche van de man dat met zijn vrouwelijke zijde overeenkomt en dat Jung als een archetype in het onbewuste had herkend.

Vanuit de anima, die van het beeld van zijn moeder afkomstig is, zou de man onbewust zijn ideaalbeeld van de vrouw creëren en vervolgens projecteren op wat hij tegenkomt in de werkelijkheid. Wie als man een vrouw liefheeft, bemint in feite zijn eigen droombeeld, maar niet wat hij ziet in de werkelijkheid. Daar zou Jung’s theorie in wezen op neer komen. Om wat voor reden dan ook een man een vrouw liefheeft, het is dit onbewuste proces dat onontkoombaar al zijn gedragingen zal sturen. Het ideaalbeeld van zijn anima resoneert met wat hij in werkelijkheid bij een vrouw meent waar te nemen. Het is voor een man zaak eerst een substituut-moeder op te zoeken, om zo zijn anima te activeren en daarna de ideale vrouw die bij hem past te kunnen vinden.

Ik luisterde geduldig. Mrs. Ginsburgh had een klankbord bij mij en waardeerde dat zeer. Ze was heel belezen en deed een beetje of ze mijn moeder was. Dat liet ik ook maar zo. Ze heeft me onderweg meerdere malen royaal getrakteerd. Ik was twintig en zij was achtenveertig. En het werd zomer. Het leek wel een liedje van Rob de Nijs. Toen we afscheid namen in Avignon gaf ze mij haar adres in New York, maar ik heb haar nooit opgezocht. Sterker nog, ik ben in mijn hele leven nooit in New York geweest.

Later dacht ik nog wel eens terug aan Mrs. Ginsburgh, vooral toen ik het jaar daarop de film The Graduate zag. Maar Mrs. Ginsburgh was veel aardiger dan dat loeder van een moeder in die film. De dochter van Mrs. Ginsburgh moet een droom van een vrouw zijn geweest, net zo mooi als die mooie dochter in The Graduate. Zij was de anima waar Benjamin naar op zoek was en die door de substituut-moeder geactiveerd werd. Opeens wist Benjamin (Dustin Hofman) wat hem te doen stond. Hij deed wat Petrarca deed en ging fanatiek op zoek naar zijn eigen muze, zijn eigen eeuwige geliefde.

readttt

Rasteau, 1975

Zeven jaar later, in de zomer van 1975, was ik weer in de Provence. Nu samen met Marijke, een vriend en een vriendin van ons. We brachten onze vakantie door in een huisje in Rasteau. Dat is een dorp op de top van een heuvel, even ten noorden van Carpentras en vijf kilometer ten oosten van Vaison-la-Romaine. Zo’n twintig kilometer verderop ligt Le Poët-Laval, waar Gerard Reve destijds druk aan het bouwen was, niet ver van zijn Geheime Landgoed op de berg. Maar dat wist ik toen nog niet. Ik had in die tijd helemaal niets met Reve. Onderweg reden we door Châteauneuf du Pape, een onooglijk plaatsje waar de mooiste wijnen van Frankrijk vandaan komen.

Rasteau is een idyllisch dorpje, gebouwd op een heuvelrug met uitzicht op een riviertje. Het heeft een kerkje, een begraafplaats en eindeloze wijngaarden in de omgeving. Eke dag gingen we het paadje de heuvel af, op weg naar de rivier waar forellen zwommen in de sterke stroming. Uit het slaapkamerraam kon je in de verte een kant-achtige bergkam zien, die heel toepasselijk Les Dentelles heet. En daarachter de besneeuwde top van de Mont Ventoux. Daar zijn we toen ook nog bovenop geweest. Petrarca achterna, want die beklom al zeven eeuwen geleden deze berg om daar in zijn eentje van het uitzicht te genieten. Dat was de ontdekking van het landschap, zo wordt wel beweerd.

Op de top aangekomen zag Petrarca – zoals hij zelf schrijft – de wereld aan zijn voeten liggen. Rechts de bergen van de Lyonese provincie, links de Middellandse Zee, ‘die Marseille en de muren van Aigues Mortes bespoelt, hoewel daar in beide gevallen toch een afstand van enkele dagen tussen ligt’. Dat is nog altijd zo, zoals we zelf hebben vast kunnen stellen. In de Provence staat de tijd al eeuwen stil. Ik ben er in al die jaren daarna nooit meer geweest, maar ik neem aan dat dit nog steeds zo is.

Het middagmaal in Rasteau bestond uit 16 gangen en als het onweer was losgebroken aten we slakken uit de wijngaard. Na de middagmaaltijd ging het hele dorp naar bed en ’s avonds werd de zelfgevangen forel geroosterd op een vuurtje. Rasteau heeft een goede wijn die zich Côtes du Rhône Villages mag laten noemen en onlangs zelfs de Cru-status verwierf. Maar dit dorp is in Frankrijk vooral bekend om zijn versterkte aperitief-wijn. Een beetje zoet, dat wel. Maar wie maalt daarom. Men leeft hier als God in Frankrijk.

Reageer

Beste Henk Deinum, klopt dit?

@henkdeinum

Beste Henk,

Ik hoorde van Lucie Visser (je ex, weet je wel) dat jij ooit samen met een bestuurslid van CH 2018 een cartoonist de opdracht hebt gegeven om een aantal spotprenten van mij te vervaardigen, om mij daarmee monddood te maken als criticus van CH 2018.

Klopt dit? En zo ja, mag ik ze dan nog eens zien?

Huub Mous

Reageer

La mesure de l’amour

‘De liefde is de tijd en de plaats waarin het ‘ik’ zich het recht voorbehoudt buitengewoon te zijn. Soeverein, zonder ook maar individu te zijn. Verdeeld, verloren, vernietigd, maar door de imaginaire vereniging met de geliefde ook samenvallend met de oneindige ruimten van een bovenmenselijke psyche. Paranoïde? In de liefde ben ik op het toppunt van mijn subjectiviteit. ‘

Aldus schrijft Julia Kristeva in haar boek Liefdesgeschiedenissen, een essay over verleiding en erotiek (1992). Wat zijn dat, de oneindige ruimten van een bovenmenselijke psyche? Over welke ruimten spreekt zij hier? Is dit bovenmenselijke soms bovennatuurlijk? Is het goddelijk misschien?  Ik ben het boek van Kristeva aan het herlezen, omdat ik wat meer over de liefde en vooral over het verliefd zijn wil weten. Het verliefd zijn – zo wordt wel beweerd – is rijk aan honing en gal en doet het hoofd niet zelden op hol slaan. De Romeinse komedieschrijver Plautus schijnt het al gezegd te hebben: ‘Toen mij één mens die tegelijk verliefd en redelijk is en ik zal zijn gewicht uitbetalen in goud.’

Onlangs las ik ergens dat bij verliefdheid de serotine-niveaus in de hersenen sterk zijn verlaagd. In feite is verliefdheid een psychische aandoening die veel lijkt op een obsessieve-compulsieve stoornis. Bij hevige vormen van verliefdheid kunnen alleen medicijnen uitkomst bieden. Met name de zogeheten SSRI’s  kunnen dan het serotonine-niveau weer op peil brengen.  SSRI’s zijn selectieve serotonine-heropnameremmers (Engels: selective serotonin reuptake inhibitor) en vormen een subklasse van de antidepressiva. Als het puur om de werking van het brein gaat, is verliefdheid dus verwant aan de depressie. Je zou verwachten dat verliefdheid een manische toestand is, maar nee dus.

Hoe dan ook, ik las het boek Liefdesgeschiedenissen van Kristeva ooit toen ik niet verliefd was. Nu lees ik het met andere ogen. Liefde maakt blind. Ook dat wordt vaak van de liefde gezegd, maar kan de liefde je ogen ook openen voor ruimten die de menselijke geest te boven gaan? Toen ik bovenstaande woorden van Kristeva las over die ‘oneindige ruimten van een bovenmenselijke psyche’, moest ik denken aan een schilderij van Titiaan.

Een van Titiaans  meest erotische werken is de naakte Danaë die bezocht wordt door de Oppergod Zeus in de gedaante van gouden regen. Het schilderij was in zijn tijd zo succesvol dat de schilder er verschillende versies van maakte. Zo is er een te zien in het Prado van Madrid, in de Hermitage in Leningrad, in het Kunsthistorisch Museum in Wenen en in het Museo di Capodimonte in Napels. Elke versie laat kleine verschillen zien. Bij de een is Danaë geheel naakt, bij de ander heeft ze een laken over haar opgetrokken been. In  Madrid en Sint Petersburg is er rechts van Danaë een dienstmaagd te zien die de gouden regen, waarin Zeus zich heeft vermomd om Danaë te verleiden, opvangt in haar schort. Maar in Napels is deze dienstmaagd vervangen door een gevleugelde cupido. In Wenen is geen enkele figuur te zien op de rechterzijde van het schilderij dat hier zelfs geheel lijkt te zijn afgezaagd.

Maar in alle vier interpretaties van dit thema ligt Danaë loom achterover op bed. Ze heeft haar rechterbeen opgetrokken in een bevallige houding die Titaan – zo beweren althans de kenners – eerder gezien moet hebben op een plafondschildering van Primaticcio in Fontainebleau. Deze Danaë is geen kille, mythische vrouwenfiguur, maar een vrouw van vlees en bloed.  Sterker nog, ze lijkt wel een courtisane die de schilder uit de rosse buurt van Venetië heeft weggeplukt, om hier als actrice een rol te spelen in een oud verhaal. De gedachte daaraan wordt nog eens versterkt, doordat de gouden regen, die op het lichaam Danae neerdaalt, onderbroken wordt door gouden munten. Het is alsof de schilder suggereert, dat zelfs Zeus diep in de beurs heeft moeten tasten, alvorens Danaë haar liefdesdiensten beschikbaar stelde aan zijn goudgepunte lans van licht.

De Griekse Oppergod, die volgens het klassieke verhaal van Ovidius op het punt staat Danaë te bevruchten, had zichzelf in een wolk van gouden regen veranderd om zich zo wat makkelijker door het tralievenster van de toren, waar Danaë zat opgesloten, naar binnen te kunnen dringen. Zeus had al tijden droog gestaan, daar boven op de Olympus. Hij moest nodig weer eens vogelen met een vrouw van vlees en bloed. It fleis leaver as de bonken, zoals de Friezen zeggen. Het verhaal van deze aardse vrijage met de dampige hemelbewoner heeft een wonderlijk verloop. Er wordt een zoon uit geboren, een mensenzoon van de Oppergod. Voorwaar geen alledaagse gebeurtenis die in het ondermaanse dan ook niet onopgemerkt kon blijven.

Zodra de koning, die Danaë had opgesloten om te voorkomen dat ze een kind zou krijgen, van het bestaan van een kleinzoon lucht krijgt, laat hij Perseus en zijn moeder in een houten kist opsluiten, die vervolgens in zee geworpen wordt. Maar de houten kist zinkt niet en drijft naar het eiland Seriphos, waar de twee worden bevrijd door een vriendelijke visser. Het verhaal van Danae met de gouden regen is een mythe met veel betekenislagen. Zelfs het christendom kon er mee uit de voeten. Deze platonische copulatie met Zeus werd immers gezien als een prefiguratie van de onbevlekte ontvangenis van de Maagd Maria, waarmee Danae de verpersoonlijking bij uitstek werd van de kuisheid van de vrouw.

Toch roept de schilderkunstige interpretatie van Titiaan allesbehalve de gedachte aan een vrome kuisheid op. Integendeel, de schilder heeft dit klassieke tafereel aangegrepen om er juist een uiterst erotische, en daarmee heidense voorstelling van te maken. Zo bracht hij voor het eerst een synthese tot stand tussen christendom en heidendom. Zeus in de gedaante van gouden regen was in feite de Heilige Geest geweest, vermomd als de engel Gabriël. Danaë op haar beurt was niet alleen de hoer van de Oppergod, maar ook een Madonna avant la lettre. De tijdgenoten van Titiaan waren verzot op deze vondst en daarna volgde een stoet van bewonderaars die zich door de eeuwen heen door het sensuele tizianismo van dit dubbelzinnige tafereel zou laten inspireren: Tintoretto, Veronese, Rembrandt, Poussin, Van Dijck, Rubens, Delacroix, Goya, Renoir, Manet, Gustav Klimt en zelfs menig pinup-fotograaf. Zij waren allen in meerdere of mindere mate schatplichtig aan Titiaans wellustige Danae die tegelijk een Heilige Maagd was.

Het waren voornamelijk schilders, geen beeldhouwers die zich aan dit thema waagden. Wat wil je ook. Hoe breng je als beeldhouwer in hemelsnaam het thema ‘Zeus vermomd als gouden regen‘ in marmer of steen in beeld, om van die vallende munten maar te zwijgen. Ik zag de Danaë van Titiaan voor het eerst in 1990 op een tentoonstelling in het Palazzo Ducale in Venetië. Het schilderij maakte diepe indruk op mij. Het was de versie uit Napels met het laken over het been. Jarenlang heeft een grote poster van dit schilderij bij mij thuis aan de muur gehangen en altijd verbaasde ik me weer, niet alleen over de fraaie rondingen van het geschilderde vrouwenlichaam, maar ook over die geheimzinnige gouden regen die oplicht tussen het chiaroscuro en als ‘geld van de zon’ neerdaalt op de blanke huid van Danaë: ‘Kom Zeus, kom… Mij geschiede naar uw wil.’

Misschien is er nog een betekenislaag in dit schilderij, die pas in de moderne tijd aan het licht komt. Danaë laat zich verleiden door het groot-kapitaal. Het zou een aanklacht kunnen zijn tegen het kapitalisme die de mens en het algemeen en de vrouw in het bijzonder ten gronde richt. De Zeus van tegenwoordig is immers Het Grote Geld, de Mammon in deze goddeloze tijd. Maar Danaë kan ook staan voor de kunst zelf die zich heeft uitgeleverd aan het profijtbeginsel van de economie. Het is zoals Clement Greenberg ooit zei: de kunst van de avant-garde is door een gouden navelstreng verbonden met het kapitaal. De gouden regen van Danaë staat dan voor de verleiding van het geld die de Muze moet weerstaan. Het goud dat ooit als goddelijke inspiratie recht uit de hemel kwam neerdalen, maar nu zomaar uit de lucht komt vallen voor wie voor de verleiding bezwijkt.

Maar er is nog een laatste mogelijkheid. Misschien bevat dit schilderij van Titaan wel een allegorie van de liefde. In de liefde vallen alle grenzen en onderscheidingen weg. Ook die tussen hemel en aarde, tussen lichaam en ziel, tussen materie en geest, tussen het vlees en de mystiek, eindigheid en oneindigheid. Anders gezegd, tussen het leven en de dood. Maar hoe letterlijk moeten wij dit laatste opvatten?  Hoe letterlijk moeten we de woorden van Kristeva lezen over ‘de oneindige ruimten van een bovenmenselijke psyche’?

Volgens Plato wil de liefde de menselijke natuur genezen. Zij herschept het oerbeeld en leidt ons naar schoonheid, zoals ook de schoonheid ons doet liefhebben. Aangeraakt door de liefde wordt iedereen een dichter. Maar overwint de liefde daarmee ook de dood? Bestaan er ruimten, die de menselijke geest te boven gaan, maar waar de liefde toegang toe heeft?  Wordt in de liefde iets bewaard van het gedachtegoed van Plato en het vroege christendom? Bestaat er dan toch een ruimte die groter is dan dit aardse leven? Een ruimte die eeuwig is? Is het waar wat nog te horen is in menig Duitse smartlap: ‘Menschen die sich lieben sterben nie.’

Toch heeft het vroege christendom over het eeuwige leven wellicht een andere voorstelling gehad dan doorgaans wordt aangenomen. Het christendom, zoals wij dat kennen, is een onontwarbare kluwen van platonische en 
orfische gedachten over de ziel. Het vroege christendom ging veel verder dan het laat-klassieke denken over de eeuwigheid van de ziel door het leerstuk over de opstanding uit de dood naar voren te schuiven. Maar waar staat dat in Bijbel? In het Oude Testament zeker niet. En in het Nieuwe Testament eigenlijk ook niet. Voor de oudtestamentische mens was de dood het natuurlijke einde van het leven.

Het vroege christendom heeft de woorden van Christus, die een spoedig einde der tijden verwachtte, vertaald in gnostische en neoplatonische termen. De oudtestamentische wortels van het christendom zijn daardoor verloren gegaan. ‘Ik verwacht de opstanding van de doden. en het leven van het komend Rijk,’ zo staat het in het Credo, de officiële geloofsbelijdenis die in 325 in het Concilie van Nicea werd vastgelegd. Maar dit leerstuk was vooral gericht tegen al die ascetische woestijnzoekers uit die tijd, die de aarde uit alle macht wilden ontvluchten voor een totale overgave aan een bovenaardse God en daarmee de liefde in het leven zelf tekort deden.

Het eeuwige leven na de dood zou ook het ware leven kunnen zijn, dat pas door het liefhebben in het hier en nu gerealiseerd kan worden. ’Wie niet liefheeft, blijft in de dood,’ schreef de evangelist Johannes (l Joh. 
3:14). Misschien is het alleen de liefde die ons doet beseffen dat een leven na de dood er eigenlijk niet meer zo veel toe doet. In die hoogste vorm van wijsheid raakt de cultuur van de klassieke oudheid aan die van het christendom. De liefde kent geen maat, alleen de mateloosheid. Of zoals Augustinus het verwoordde:

‘La mesure de l’amour, c’est d’aimer sans mesure.’

Geen reactie mogelijk