Wordt vervolgd 2

Gisteren, 14.00 uur, Westeinde, Leeuwarden

Reageer

Wordt vervolgd

Reageer

Het verdwijnen van de werkelijkheid

Leeuwarden, woensdagmiddag j.l., 16.00 uur

Opeens stond ik op de preekstoel. De kerk was vol met gelovigen. Mijn preek ging over een beroemde rechtszaak, waarover ik had gelezen in een Heilig Boek. In feite bestond mijn lezing uit een samenvatting van het Heilige Boek aangevuld met mijn eigen commentaar. Er was een moord gepleegd. Ik zette uiteen wat daarover bekend was vanuit de getuigenverklaringen. Zo ontstond er een beeld van wat er in de laatste uren voor de moord was gebeurd, niet alleen met de dader maar ook met het slachtoffer.

Mijn verhaal was zeer detaillistisch en ik moest mij tot het uiterste inspannen om me alles exact te herinneren zoals het in het Heilige Boek stond vermeld. Iedere keer leek ik in mijn geheugen te graven op zoek naar nadere details. Soms wist ik het niet precies meer en praatte ik er een beetje omheen. Soms schoten mij in het vuur van mijn betoog nieuwe details te binnen. De gelovigen in de kerk luisterden ademloos toe. Het leek of ik de zaak nu eindelijk ging oplossen, maar in feite deed ik niets anders dan navertellen wat in het Heilige Boek te lezen stond, namelijk dat in het kennisproces het actieve aandeel van de geest een belangrijker element is dan de gegevenheden van de bewustzijnsinhouden.

Toen ik wakker werd, had ik een zwaar gevoel in mijn hoofd. Het leek alsof ik doodmoe was. Opeens realiseerde ik mij wat voor een rare droom dit geweest was. Hoe kun je nu in je droom graven in je geheugen? In je droom heb je toch geen toegang tot je geheugen? Een droom overkomt je als een openbaring of anders gezegd: alsof je in een bioscoopzaal zit en naar een verhaal kijkt dat zich afspeelt op het witte doek.

Maar dit was anders. Ik kon door moeite te doen mij nieuwe beelden voor de geest halen, waardoor mijn verhaal levendiger werd. Het verloop van mijn droom had ik dus min of meer zelf in de hand. Toch was het geen lucide droom. Dat is een droom, waarin je de illusie hebt dat je wakker bent en de beschikking hebt over je vrije wil. Vroeger, toen ik zo’n jaar of twintig was, heb ik wel eens zo’n lucide droom gehad. Nu had ik niet echt de beschikking over mijn vrije wil. Ik kon alleen een beroep doen op mijn geheugen, tenminste ik had de indruk dat ik dat kon.

Nadenkend over de betekenis van deze droom, herinnerde ik mij dat ik  met iemand een gesprek heb gevoerd over de problemen die zich aandienen bij het fenomeen virtual reality. (voortaan VR genoemd) Onlangs  had ik iemand op bezoek die van plan was een virtueel museum te laten bouwen op een bijzondere locatie in Nederland. Ik vroeg hem waarom je zoiets zou doen. Een echt museum is toch veel mooier.

Maar hij dacht dat je bij zo’n virtueel museum overal ter wereld kon inloggen en dan met behulp van een VR-bril een bezoek kon brengen aan het museum. Je zou dan echt het gevoel hebben dat je trappen op kon lopen en door de zalen kon dwalen. Aan de muur hingen niet alleen schilderijen, maar er waren ook video-installaties te zien. Op dat moment begon het mij te duizelen. Hoe kun je nu in een virtuele werkelijkheid een video-installatie zien? Of nog anders: kun je binnen een virtuele werkelijkheid toegang krijgen tot een andere virtuele werkelijkheid, een soort VR in het kwadraat?

En terwijl we zo zaten te praten, realiseerde ik mij dat ik geen helder beeld had van wat het woord ‘virtuele werkelijkheid’ (VR) nu eigenlijk precies betekent. Is het een werkelijkheid die je met technische middelen kun simuleren, zodanig dat je via de zintuigen geen verschil ervaart tussen echt en onecht? En als dat zo is, betekent het dan ook dat je het gevoel van zwaartekracht kan simuleren, de spanning in je spieren als je een trap of een berg beklimt? Of gaat het alleen maar om zintuiglijke indrukken van het zien en het horen? Er zijn wellicht verschillende soorten van virtuele werkelijkheid, afhankelijk van het aantal zintuigen dat bij de simulatie daarvan betrokken is?

De dag daarop las ik ergens dat er inderdaad twee soorten VR zijn, waarbij het gemakshalve samenvatte als het verschil tussen de VR van The Matrix, waarbij sprake is van een directe simulatie via de hersenen, en de VR van Star Trek, waarbij de simulatie via de zintuigen plaatsvindt. De huidige technologie beperkt zich tot simulatie via de zintuigen, voornamelijk via het oog en het oor. Er zijn ook al apparaten ontwikkeld waarbij je met een VR-bril op een soort loopbrug staat, zodat je de illusie hebt dat je zelf ook daadwerkelijk kunt lopen in de virtuele ruimte. Ook is het al mogelijk om de tastzin virtueel te simuleren. Maar het is nog niet mogelijk om op deze wijze virtueel een trap op te lopen, laat staan een berg te beklimmen. Virtueel seks hebben is natuurlijk helemaal nog een brug te ver. Daarvoor zou je The Matrix-VR nodig hebben en dat is voorlopig nog toekomstmuziek.

Ik vroeg me af of dingen, zoals in films als The Matrix en Robocop worden getoond, zich in de toekomst ook daadwerkelijk mogelijk worden. Of beter gezegd: of ze überhaupt mogelijk kúnnen worden? Laten de wetten van de natuurkunde dit toe? Is dat eigenlijk een filosofische vraag of een vraag die je binnen de natuurkunde kunt beantwoorden? Ik herinnerde mij dat ik ooit eens een boek had gelezen van de filosoof Paul Virilio. Hij beweert dat het moeilijk is om je een maatschappij voor te stellen, die het lichaam zal ontkennen, zoals eerder de ziel is ontkend. En toch is dat volgens hem de maatschappij, waarnaar we nu op weg zijn:

We are entering a world where there won’t be one but two realities: the actual and the virtual. There is no simulation, but substitution.’

Het meest verontrustend is de bewering van Virilio, dat er mondiaal ontwikkelingen gaande zijn die wijzen op een allesomvattend proces, waarin de techniek de werkelijkheid op gewelddadige wijze wil laten verdwijnen. Alles lijkt gericht op één en het zelfde moorddadig project: het opheffen van onze eindigheid in de steeds meer versnellende maalstroom van media en technologie. De kunst is volgens Virilio geen tegenspeler in dit fatale proces, maar zou van oudsher een medeplichtige zijn. Kunst en techniek hebben verschillende snelheden, maar zitten in dezelfde maalstroom gevangen. De onvolmaakte en onbeheersbare werkelijkheid – de werkelijkheid die gered moet worden – is dus zelfs aan de kunst niet besteed.

Maar er is nog iets wat dieper grijpt en dat is de ultieme mogelijkheid tot simulatie die gloort aan de horizon van de technologie: het kunstmatig bewustzijn. Bewustzijn komt voort uit complexiteit, kunstmatig bewustzijn idem dito. Het onderscheid tussen natuurlijk en kunstmatig bewustzijn zal ooit gaan wegvallen, aangezien de complexiteit van het zenuwstelsel meer en meer verbonden raakt met complexiteit van nano-technologieën. Het is een convergerend proces, waarvan de uitkomst vaststaat. Ooit valt de grens weg tussen een mens en een robot, waarna de robots de mens zullen gaan overheersen.

Gaandeweg ontstaat een nieuw fenomeen dat door de media-goeroe Roy Ascott is aangeduid als Telenoia of Technoia, dat wil zeggen: een nieuw bewustzijn dat ontstaat door connectiviteit. Door onze huidige virtuele activiteiten, zoals het netwerken via internet en andere telecommunicatiesystemen, zijn wij feitelijk al bezig een meta-bewustzijn te creëren. In die zin komt – op aan andere wijze dan vermoed – de noösfeer opnieuw in beeld, die Teilhard de Chardin zag opdoemen in de biologie en de genetica.

De vraag die bij dit alles komt bovendrijven is niet ‘wat is geest?’, maar: ‘waar bevindt de geest zich?’ Komt het bewustzijn louter voort uit complexiteit, of is het een onherleidbaar aspect van ons universum? Gaan wij soms een nieuw leven tegemoet in de virtuele realiteit, een soort techno-noëtisch leven? De huidige experimenten met VR-brillen zouden slechts een voorspel kunnen zijn van een massale emigratie van het bewustzijn naar andere vormen van werkelijkheid. We zullen als mensheid wellicht emigreren naar een ander soort ruimte.

Trouwens wat is eigenlijk ruimte? De grenzen tussen de ruimte waarin wij ons menen te bewegen en ander ruimtes – noem ze voor mijn part ‘transcendente ruimtes’ –  is al  enige tijd aan het vervagen zonder dat we daar erg in hadden. Sinds de invoering van de niet-euclidische meetkunde kunnen we immers niet meer spreken over ‘de ruimte’. Anders gezegd, er bestaat helemaal geen ‘ruimte’. De ruimte, die wij veronderstellen, wordt voorgebracht door onze eigen geest. We dromen onze eigen werkelijkheid.

Zo bezien zouden wij definitief afscheid moeten nemen van de ‘belichaamde filosofie‘ zoals die vooral in de fenomenologie tot bloei is gekomen. De mens is niet langer een fysieke verschijning en zijn denken wordt niet langer gehinderd door de beperkingen van een in het lichaam verankerde geest, maar dreigt zich op den duur volledig in de virtualiteit te zullen gaan oplossen. Door dit nieuwe perspectief van elke maatstaf en elk houvast beroofd, schijnt voor de mens niets anders over te blijven dan een laatste, radicale poging om juist in deze virtuele realiteit het 
antwoord te zoeken op de vraag naar de aard van het ‘mens-zijn’. De filosofie zal opnieuw moeten worden uitgevonden.

Die zoektocht heeft alleen kans van slagen als een dialoog wordt aangegaan met de sciencefiction zoals die zich in de verbeelding van vooruitziende geesten heeft gemanifesteerd. Tenslotte dreigt de apocalyptische triomf van de volledig biologistische en nihilistische opvattingen van het menselijk leven zich op te lossen in een nieuw virtueel Utopia. Als een mens uiteindelijk een virtueel fenomeen wordt, zonder enige metafysische grond of fundering in de materiële werkelijkheid, dan gaat hij vroeg of laat teloor in de efemere stroom van de fictie.

In de eindigheid van het verschijnsel mens, dat zo in beeld komt, ligt een nieuwe grondvraag voor de filosofie verborgen. De opkomst van virtuele realiteit bevestigt andermaal de dood van God, maar nu door het verdwijnen van de mens zelf. Hoe kun je immers nog over God spreken, zonder te geloven dat de werkelijkheid van de mens ook als werkelijkheid bestaat?

De mens is een gelaagd wezen, dat zich vanuit het anorganische, via het organische uitstrekt tot in het psychische. Deze ‘gelaagde mens’ kon tot nog toe zijn wereld van binnenuit begrijpen door de organische samenhangen, die hij waarneemt en verinnerlijkt, te ordenen, te rubriceren, te toetsen aan de werkelijkheid en in grotere gehelen te plaatsen. De vraag, die zich nu aandient op de drempel van het virtuele Utopia, luidt als volgt: Hoe kun je uiteindelijk nog tot waarheden komen, als de grens tussen werkelijkheid en virtuele realiteit volledig is weggevallen. Zelfs de waarheid zal ooit vervluchtigen tot een fictie.

Toen ik wakker werd – en mijn droom wederom was weggevlogen – realiseerde ik mij dat de virtuele werkelijkheid allang bestaat. VR is de denkbeeldige wereld van mijn droom die werkelijkheid is geworden. Ooit zal de mens wederopstaan in een virtueel Utopia. Dat is precies het verhaal dat in alle Heilige Boeken te lezen staat. Een verhaal, waar steeds minder mensen in geloven, maar dat de techniek onder onze ogen realiseert tijdens  het verdwijnen van de werkelijkheid.

Reageer

De lockdown van het bewustzijn

Schermafbeelding 2015-07-09 om 13.13.54

“Weer graaide ik door de nutteloze papieren. Op zondagmiddag 22 augustus 1965 tussen één en twee is het gebeurd. Wat, dat stond er niet bij, maar veel goeds zou het wel niet geweest zijn. Hoewel, je wist het niet, want al voortritselend vond ik nu een bericht, dat ik ook heel precies met tijd en datum had opgeschreven, en dat behelsde, dat Mevrouw Van der M., van de hoek, op 23 augustus jongstleden, te 19.25 uur, een zwarte paraplu boven het hoofd geheven, op weg naar haar oude tante Sipke die nog wel de eenden voerde maar verder nooit meer buiten kwam, langs ons huis was geschreden met een schoteltje in de hand, waarop een achttiental in eigen tuin geteelde aardbeziën, elk ter grootte van een forse rozijn. Glorie, glorie, halleluja.”

Dat schreef Gerard Reve in Nader tot U (1966).  Ik weet nog precies wat ik deed op die dag. Ik was net terug van een vakantiereis die ik samen met mijn ouders naar Spanje had gemaakt. Ik voelde me niet goed. Het waren de eerste symptomen van een maandenlange depressie die in januari 1966 plotseling zou omslaan in een psychose. Mijn geheugen zit raar in elkaar. Er zijn jaren in mijn leven waarvan ik me nauwelijks iets van herinner. Maar er zijn ook jaren die ik haast dag na dag voor de geest kan halen. Sommige dingen heb ik nog nooit teruggezien, en andere zie ik telkens weer. 

Als er een tijdmachine bestaat, dan zou ik een retourtje willen nemen naar het jaar 1965. Ik zou dat hele jaar nog eens opnieuw willen beleven met een tweede blik, alsof er een chip in mijn brein geïmplanteerd was die alles, maar dan ook alles – minuut voor minuut – zou kunnen vastleggen. Vervolgens zou ik terugkeren in het heden en de film van dat hele jaar afdraaien op mijn pc. Ik zou alle geluiden horen, maar ook al mijn gevoelens voelen. Misschien zou ik daarna iets kunnen begrijpen van wat er veranderd is, niet alleen in mij zelf, maar ook in de wereld om me heen. Het hoeft niet terug te keren. Liever niet zelfs. (Ik moet er niet aan denken!). Als ik het maar begrijp, want zolang ik dat niet doe, ben ik de weg een beetje kwijt. Ik zit gevangen in mijn eigen wereld. De werkelijkheid is mijn eigen bewustzijn en daar kom ik nooit meer uit. Geen exit, geen Brexit, geen Mouxit. Ik creëer zelf de wereld, waar ‘ik’ in gevangen zit.

‘The Prisoner is een Britse televisieserie die tussen april en oktober 1967 werd uitgezonden. Hoewel er slechts 17 afleveringen gemaakt werden, groeide The Prisoner uit tot een van de meest legendarische en geroemde televisieseries aller tijden. De serie was een groot succes en verwierf meteen een enorme cult-aanhang. Vandaag de dag heeft de serie nog vele fanclubs en wordt er nog altijd veel over gesproken en geschreven. The Prisoner wordt gezien als een serie die veel invloed heeft gehad op de televisiegeschiedenis.’

Aldus vermeldt Wikipedia over de televisie The Prisoner. Ik kan me herinneren dat ik destijds alle afleveringen van deze serie heb gezien. Ik was totaal gefascineerd, en niet de enige. Half Nederland was aan de buis gekluisterd als The Prisoner begon. Het was een spionageverhaal en tegelijk ook sciencefiction. Een geheim agent die ontvoerd was werd gevangen gehouden op een eiland. Telkens als hij meende te kunnen ontsnappen werd hij aangevallen door een grote, witte bal die hem weer terugdreef naar de wal. Het had iets mysterieus en tegelijk ook heel bedreigends. Alsof de situatie, waarin de man gevangen zat, iets te zeggen had over het menselijk bestaan als zodanig. The Prisoner was in feite een epistemologische fabel, zoals later ook de film The Matrix dat was. Het bewustzijn zit gevangen in iets dat men niet begrijpt en mogelijk zelf creëert. De witte bal, die de man telkens weer terugdreef in zijn gevangenschap, was zijn eigen angst voor de vrijheid. Hij zat gevangen in zichzelf. Het is de metaforische lockdown die in deze tijden van corona opeens weer actueel is geworden. 

Ook de roman The Invention of Morel (1940) van de Argentijnse schrijver Alfonso Casares speelt zich af op een eiland. Het boek is meerdere malen verfilmd. Hier is de hoofdpersoon een man die ontsnapt is uit de gevangenis. Op het eiland ontdekt hij een aantal mensen die overleden zijn aan een mysterieuze ziekte. In een verlaten villa dringt vervolgens een groep mensen binnen die uit een andere tijd afkomstig zijn. Er dienen zich dan vreemde verschijnselen aan. Alles lijkt zich te herhalen en de hoofdpersoon komt erachter dat alle mensen die hij tegenkomt driedimensionale beelden zijn, die geprojecteerd worden door de machine van een zekere Borel. Niet duidelijk is of de hij zelf Borel zelf is of niet. Het kan zijn dat hij rondloopt in een wereld die hij zichzelf verbeeldt. Het is een droomwereld die echt is, of juist omgekeerd. Of beter gezegd, het is droom én werkelijkheid tegelijk. De machine die de droom produceert is in de droom zelf aanwezig.

Zo ongeveer moet het leven in elkaar zitten. We zitten gevangen in ons eigen bewustzijn. De tijd draait rond. Het werkelijke verleden keert telkens weer terug in het onwerkelijke heden. Zoiets als in L’Année dernière à Marienbad (1961). Maar dat is weer een andere film. Een film met een vergelijkbare structuur trouwens. Er is een dubbele lus die ons bewustzijn verbindt met ruimte en tijd. Het bewustzijn creëert zijn eigen wereld in beelden, maar uit één van die beelden lijkt alles – en ook het bewustzijn zelf – voort te komen.

Sinds Kant denken we dat er in onze geest grondprincipes verankerd liggen zoals ‘tijd’, ‘ruimte’ en ‘causaliteit’ die de werkelijkheid constitueren. Maar die grondprincipes zijn tegelijk ook voorstellingen die in de werkelijkheid zelf voorkomen. We weten wat we bedoelen als we spreken over ‘tijd’, ‘ruimte’ en ‘causaliteit’. Hoe kunnen dit dan grondprincipes zijn die aan alles voorafgaan wat wij ‘werkelijkheid’ noemen? Dat is de dubbele lus waarin het moderne bewustzijn gevangen zit.

Sinds Kant leven we in de tijd, maar de tijd zit ook in ons bewustzijn. We leven in de ruimte, maar de ruimte zit ook in ons bewustzijn. Wij denken in causaliteiten, maar de causaliteit zit ook in ons bewustzijn. Ra, ra, hoe kan dat? Hier klopt iets niet. Wat aan de werkelijkheid voorafgaat, kan niet tegelijk een voorstelling zijn die in de werkelijkheid zelf voorhanden is. Hier wringt iets tussen wat Heidegger noemde ‘het ontologische’ en het ‘ontische’. Het Zijn – wat dat verder ook moge zijn –  valt zo tussen wal en schip. Telkens als we de bal met de hand willen oppakken, schoppen we hem met de voet vooruit.

Ooit heb ik geprobeerd deze problematiek in een verhaal te verwerken. Dat verhaal ging over een foto, waarop ik meende mijzelf te herkennen. Op die foto sta ik als 13-jarige jongen in het Stedelijk Museum te kijken naar een kunstwerk van Jean Tinguely. Dat was bij de tentoonstelling Bewogen Beweging die van 10 maart tot 17 april 1961 daar te zien was. Ik keek naar een jongetje op een rare ‘fietsmachine’ die in feite een ‘taalmachine’ was. Al fietsend creëerde die jongen zinnen die zich aaneenregen tot het verhaal dat ik aan het schrijven was. Wat de lezer las werd geschreven op de foto die hij zag in het verleden. Ik stond erbij en ik keek ernaar. De taal van mijn bewustzijn werd gecreëerd in de foto die in mijn bewustzijn opdook.

Dit verhaal kreeg als titel  De taalmachine van Tinguely.  Sindsdien blijft die foto opduiken in telkens nieuwe verbanden. Ik trof hem ooit aan in het boekje Doolhof of museum, een leidraad voor de museumbezoeker (1965) geschreven door Cor Blok. Die foto heeft jarenlang ingelijst op een boekenplank boven mijn bureau gestaan, samen met de museumcatalogus van de tentoonstelling Bewogen Beweging die ik ooit antiquarisch op de kop heb kunnen tikken. Bij de verhuizing was die foto zoekgeraakt, en gisteren vond ik hem terug in een doos. 

In de zomer van 2001 heb ik een poging gedaan om wat meer grip te krijgen op de dubbele lus in mijn bewustzijn die mij gevangen houdt in mijn perceptie van de werkelijkheid. Het was een zoektocht die resulteerde in het artikel Adieu, à Dieu, dat elders op deze site te lezen is onder de titel Tears in heaven. Op de dag dat ik dit verhaal voltooide, vlogen twee vliegtuigen de Twin Towers binnen. Sindsdien heb ik voortdurend het idee dat ik alles al eens eerder gezegd of geschreven heb – en toch herken ik mijn eigen woorden vaak niet, steeds als ik ze herlees. Ik heb zelfs het idee dat het boek, dat ik nu aan het schrijven ben, een boek is dat ik in zijn geheel al eens eerder heb geschreven. Ik verval in herhaling, zogezegd. Maar ik ga moedig voorwaarts met het exploreren van mijn geheugen. 

Ook dat is een lockdown, niet van het bewustzijn, maar van de eeuwige cirkelgang van de herinnering:… déjà vu, jamais vu…déjà vu, jamais vu….déjà vu, jamais vu… ad infinitum. 

1 Reactie

Het jaar van de swingende sultans

Zoals ooit God een levende God was die zich openbaarde in de existentie van de levende mens, zo is de herinnering een levende herinnering die zich in het bewustzijn openbaart en in een levend mens tot leven komt. Je zou het een proustiaanse doorstart van de religie kunnen noemen. Of simpeler gezegd: je moet het verleden bewust laten herleven om het heden leefbaar te houden. Een herinnering is waard om geleefd te worden. Leven is herinneren.

Of met iets meer woorden: leven is het exploiteren van herinneringen, zoals ook Proust dat deed in zijn A la recherche du temps perdu. Je bent voortdurend op zoek naar die ene, unieke ervaring in het verleden, die opeens – op ogenschijnlijk onwillekeurige wijze – in het heden kan opduiken. Deze proustiaanse zoektocht naar een verloren tijd manifesteert zich bij mij als een ultieme levensvervulling. Of ik nu heimwee heb naar de geborgenheid van mijn jeugd, of naar de euforie van de jaren zestig, naar de beschutting van het godsgeloof of naar een goddeloze bevrijding in een eeuwig nu, het eindstation is altijd weer een gekoesterd verlangen dat vooral niet vervuld mag worden, maar stationair in het heden wil voortbestaan.

Herinneringen zijn als vogels, ze vliegen heen en weer alsof het leven een droom is. Neem nou vannacht. Ik droomde ik van een feest op een gazon. Een orkest speelde muziek uit de jaren zestig en er was zelfs een zangeres wier naam niemand meer thuis kon brengen, maar die vol vuur over de liefde zong met een oplopend crescendo. Waar komt dat beeld opeens vandaan? Het is een warboel in mijn hoofd en mijn dromen getuigen daarvan. Hoe kun je ooit een ordening aanbrengen in die wanordelijke stroom van herinneringen die een mensenleven blijkt te zijn als men terug kijkt naar het verleden?

Soms vragen mensen mij wel eens: ‘Houdt dat nooit eens op, dat eindeloos gewroet in je eigen verleden?‘ ‘Nee’ zeg ik dan, ‘want mijn verleden is eindeloos.’ Je zou die drang om het eigen verleden telkens weer te willen herbeleven als een uitvlucht uit de bestaande werkelijkheid, een vorm van escapisme kunnen zien. Toch is dit niet zoals ik het zelf beleef. Ik ben ik nooit anders geweest. Als klein kind leefde ik al voor een groot deel in mijn eigen fantasiewereld. Ik herinner mij een keer toen ik een jaar of zes was en ik mijn moeder al kort na het avondeten vroeg of ze mij naar bed wilde brengen. Ik wilde in bed dromen en fantaseren. Niet echt dromen, maar dagdromen in een eigen werkelijkheid.

Op school stond ik bekend als de jongen die altijd weer een imaginaire wereld kon bedenken. Het fietsenhok op de speelplaats werd in mijn verbeelding de machinekamer van een oceaanstomer en mijn speelkameraden gingen met mij mee. Op straat was ik het vaak die de wereld van Arendsoog en Witte Veder op de stoepstenen tot werkelijkheid kon brengen. Ik had geen cowboyhoed nodig. Ik fantaseerde mijn eigen Wilde Westen. Een andere wereld creëren naast de grauwe werkelijkheid van alledag is mij van kinds af aan eigen geweest, al nam naarmate ik ouder werd de voorbije wereld van mijn herinneringen steeds meer de plaats in van die andere wereld in mijn verbeelding. Maar wat is het verschil?

De bron van vrijwel alles wat ik schrijf is mijn geheugen en in het geheugen gaat niets verloren, en zeker niet de herinneringen aan je vroegste kinderjaren. ‘De geur waarmee de kruik doordrenkt wordt als hij nieuw is bewaart hij het langst.’ Wie zei dat ook al weer? Horatius? Marcus Aurelius? Ach wat doet het ertoe?  De Romeinse auguren keken naar de vogels, hoe ze vlogen, waar ze vandaan kwamen en waarheen ze verdwenen aan de horizon. Als de adelaar verscheen was dat een gunstig voorteken. Vogels vliegen weg in de toekomst maar ze komen uit het verleden. Ze zijn als onze herinneringen: de wegwijzers in het leven.

De afgelopen maanden ben ik bezig geweest de herinneringen aan mijn eigen verleden te ordenen en zo kwam ik de raarste dingen tegen. Eigenlijk is de wanorde, die je dan aantreft, de mooiste ordening die je bedenken kunt. Het heeft iets weg van je zolder opruimen, wat ik overigens ook onlangs in werkelijkheid heb gedaan. Ook dan stuit je soms op de raarste dingen: opgestapelde kisten, dozen en volgestouwde ladekasten. Brieven en ansichtkaarten uit lang vervlogen tijden. Boeken die je nooit hebt ingezien. Schoolboeken die je ooit verslonden hebt. Krantenknipsels, keurig geordend in mappen. Oude cassettebandjes. Dozen met kleurendia’s. Kaartenbakken met aantekeningen voor boeken die nooit geschreven zijn. Als je dat alles door je handen laat gaan, springen je herinneringen van hot naar her als een stel parkieten in een vogelkooi.

Op deze ogenschijnlijk chaotische wijze komen mijn verhalen op dit weblog vaak op gang. Je snuffelt wat hier, je plukt wat daar en onderwijl gaat er iets rollen in je hoofd. Het verleden bestaat niet. Het is je geheugen die het verleden telkens weer als een puzzel in elkaar zet. Of zoals professor Van den Berg het ooit zo mooi verwoordde in zijn boek Metabletica: ‘Geschiedenis is niet: dat wat geschied is; wat geschied is, is hoogstens een verslag. Geschiedenis is: wat geschiedde in het verband der tijden. Dit verband 
rukt aan het verband der feiten.’

Zo is het precies. De herinneringen creëren het verband der tijden, maar dat verband rukt voortdurend aan het verband der feiten. Twee hersenhelften, ach, wonen in mijn hoofd. Twee zielen, één gedachte. Het brein is voortdurend aan het reconstrueren. En reconstrueren is in wezen het creëren van orde uit chaos. De ratio vertelt zijn eigen verhaal in de warboel van het gevoel. Hoe dan ook, zo ordenend en rubricerend, stuitte ik op een reeks van herinneringen aan gebeurtenissen die weinig onderling verband hebben, of het moet zijn dat zel alle plaats vonden in jaar 1978.

Het begint op een mooie zomerdag in juli van dat jaar. Samen met George Kreleger, die in 1994 overleed, zat ik in de auto bij Hans de Haan, de toenmalige provinciale museumconsulent. We reden naar Oldeberkoop om de tentoonstelling van de Open Stal te zien. Daar trokken we in juli altijd een dagje voor uit. Er was dan toch niet zo veel te doen en onderweg hoorde je nog eens wat roddels van elkaar. De autoradio stond aan. Vlak voordat we Oldeberkoop binnenreden hoorde ik Sultans of Swing van Dire Straits. Voor het eerst van mijn leven, want die plaat was net uit. Ik luisterde geobsedeerd naar de muziek. Even dacht ik dat het van Bob Dylan was, maar dat was duidelijk niet het geval.

Toen ik Mark Knopfler later op tv zag leek hij sprekend op Robbie Rensenbrink die in Argentinië op de paal had geschoten. Hoe dan ook, de akkoorden swingden de pan uit. Die gitaarsolo’s waren ongehoord. Aangekomen op het parkeerterrein voor het restaurant van Appie Tjalma draaide Hans de Haan de knop om. ‘Wat doe je nou?’ zei ik, ‘zet die muziek aan!’ Ik draaide het volume flink omhoog. Zo hebben we daar nog samen een paar minuten zitten luisteren. De omstanders moeten wel gedacht hebben: ‘Wat een stelletje aso’s met zo’n keiharde autoradio!’. Nog altijd als ik de sultans weer hoor swingen, denk ik aan Oldeberkoop. Muziek zet zich vast aan een herinnering, waarna die herinnering je leven lang aan die muziek verbinden blijft en telkens weer wordt opgeroepen.

Zo ontstaat een carrousel van herinneringen die worden opgeroepen als kleine grammofoonplaatjes in een jukebox die middels een ingenieus mechaniek op hun plaats worden geleid. De naald valt in de groef en de beelden komen als vanzelf uit de diepte tevoorschijn. Soms is er geen muziek nodig om de film van beelden in gang te zetten. Op 22 augustus 1978 traden Herman Brood & his Wild Romance op in de Prinsentuin in Leeuwarden. Het zou een legendarisch concert worden. Ik zie een foto voor ogen. Het was de tweede week van september van datzelfde jaar 1978. In Leeuwarden ging de PROJECTWEEK van start. Waarom komen die beelden opeens terug? En belangrijker nog, wat herinner ik mij nu nog? Van de voorbereiding bijvoorbeeld, hoe moeilijk het was, hoe ver en hoe zwaar? Ik denk dat weinig mensen daarop zitten te wachten. Hoewel er ook weinig zich 
zullen realiseren wat er aan zo’n manifestatie allemaal vooraf gaat.

De projecten die destijds door kunstenaars in de binnenstad van Leeuwarden werden uitgevoerd, waren eigenlijk het topje van de ijsberg. Maanden daarvoor werd er al vergaderd: 
piekeren, aftasten, brainstormen, lobbyen, het hoorde er allemaal bij. Wat ik daarvan terugvond is een dikke map met brieven, notulen en aantekeningen. Toch vormt die ijsberg onder water een wezenlijk onderdeel.

Toen het eenmaal zover was, leek ineens alles mogelijk. Voor mij was het een roes. Kwam het door het plotseling prachtige nazomerweer of de spanning die weggleed? Hoe dan ook, Leeuwarden gonsde ineens van de geruchten. Je hoorde de mensen er over praten op straat. Veel belangstelling 
bij kranten en radio en er ontstonden zelfs nieuwe projecten. De reacties lagen sterk uiteen: enthousiast maar ook kritisch, onbegrip en belangstelling. Maar één ding hadden ze alle gemeen. Men voelde zich aangesproken. 
Slechts weinigen lieten het koud langs zich heengaan en bijna iedereen bleek een 
opvatting over kunst te hebben. Winkeliers en hoofdredacteuren, ze hadden allemaal hetzelfde gespreksonderwerp. Je was ervoor of ertegen, een middenweg was er niet. Je werd meegesleept in de discussie of je wilde of niet. En er kwam een sfeer van opwinding die meer was dan een roes.

Het publiek voelde zich vaak niet serieus genomen. Is dat nou 
kunst, of het fikkie stoken van kwajongens? Soms leek het meer op de kleren van 
de keizer, het spel van en voor ingewijden die zelf niet zien dat ze bedrogen 
worden. Projectkunst, zoals die in de jaren zestig begonnen was, wilde kunst van zijn voetstuk halen, letterlijk en 
figuurlijk. Ze trad buiten het kader van sokkel en lijst en buiten de vertrouwde 
sfeer van stille museumzalen.

Het meest extreme project was dat van Silvia Steiger, die alleen maar fotografeerde wat ze had aangetroffen: een verlaten woonhuis. Voor velen waren dit werkelijk de kleren van de keizer. Toch was het werken met minimale middelen en ingrepen een wezenlijk kenmerk van de kunst van de jaren zventig. Het ging niet om het zichtbare resultaat, maar om 
het idee wat erachter lag. De wereld afbreken om met de meest elementaire ideeën opnieuw te beginnen. De kleren van de keizer waren niet zichtbaar, maar de keizer kwam wel naar buiten toe. Tijdens de PROJECTWEEK lag de kunst op straat, maar dat was ook de bedoeling.

Wat moet ik er verder nog meer van vertellen. Wat nu nog rest zijn herinneringen. 
Die merkwaardige sfeer die zeven dagen lang in Leeuwarden hing. Veren dwarrelend op de Eewal en Geert Duintjer die met dode vogels zijn rondgang maakte door de binnenstad. 
Geert Duintjer had misschien wel het meest raadselachtige, in ieder geval het meest 
intensieve project. Een week lang was hij bezig geweest met de toewijding van een monnik. 
De laatste dag zou dit alles zijn afsluiting krijgen. Toen ik om drie uur kwam kijken 
kreeg ik voor ik het wist, een draagbare stelling in mijn handen gedrukt. Het was 
zwaar en ik stond aan het ene uiteinde.

scan1120001

Toelichting Geert Duintjer bij zijn project in Leeuwarden, september 1978

In het midden zat een spiegel en boven mijn hoofd hingen dode vogels. We liepen over de Voorstreek. Op de Brol stond het zwart van de mensen die zich in een wijde kring om ons heen schaarden. Voor 
mijn gevoel duurde het uren. Ik kon stap meer verzetten. Mijn polsen gingen 
pijn doen en wat erger was, bloed en kadavervocht druppelden langzaam in mijn 
mouw. En plotseling was alles afgelopen. Op het juiste moment brak de spiegel en 
viel de stellage in duigen. Vogels werden losgelaten en vlogen weg boven de Brol. Het 
gevoel van bevrijding dat zich toen in het publiek ontlaadde was voor mij een fysieke ervaring.

Zo zullen er talloze herinneringen zijn. Kleine voorvallen die ook andere mensen zijn bijgebleven. Voor mij zijn die herinneringen nog steeds een echo als ik aan de beeldende kunst in Friesland denk. Patronen liggen niet vast. Het waren de kunstenaars die met vernieuwingen kwamen en het was aan ons om daar voor open te staan.

Eén herinnering tenslotte is me nog bijgebleven die misschien typerend is voor 
die hele manifestatie in september 1978. Het was ook bij de afsluiting, maar nu ‘s avonds om acht 
uur. Oei Tjen Sit zou op de Brol zijn project met krantenproppen in brand steken. Weken tevoren al hadden de organisatoren geaarzeld. Was dit als afsluiting niet tè 
magisch, een bijna olympisch ritueel. Wat zou de politie ervan denken, en de 
brandweer? Hoe het verder gelopen is weet ik niet meer, maar de brand die kwam 
er precies om acht uur.

Er hing een stemming van balorigheid en euforie. Alles 
was afgelopen en het slotfeest stond op het punt te beginnen. Iemand gooide de vogels in het vuur. En toen was er dat moment van verwarring. Even sloegen de vlammen te hoog en de naburige huizen leken bedreigd. De gedachte die toen door me heen ging had me al een tijdje beziggehouden, maar drong nu met een schok tot me door. Is dit de beeldende kunst in Friesland op de drempel van een nieuwe tijd of een stel kwajongens die op het punt staan om weg te hollen? Was het spel of was het ernst?

De doos van Pandora is dicht gebleven in dat jaar van de swingende sultans. Alleen de herinneringen zijn gebleven, als vogels die soms zomaar opvliegen in een ruimte waar we geen weten van hebben.

1 Reactie