Het is al weer meer dan een jaar geleden dat ik te horen kreeg dat mijn manuscript De waan van het schrijven, Harry Mulisch en de creatieve psychose bekroond was met de Van Helsdingen-prijs. Een hele eer, natuurlijk, al bestaat het boek – opmerkelijk genoeg – nog altijd niet in druk. Sterker nog, het bestaat eigenlijk niet meer. Of misschien nooit echt. Het is intussen meerdere keren herschreven, elke versie als een nieuwe metafoor voor de vergankelijkheid van het boek zelf. De tweede verse richtte zich minder op mezelf en meer op Mulisch. Daarna volgden nog versies waarin Mulisch langzaam werd vervangen door kunstmatige intelligentie, digitale revoluties. Zo werd een metamorfose zichtbaar van een manuscript in een metafoor van vergankelijkheid.
Steeds legde ik de nieuwe versie voor aan een uitgever, maar steeds volgde een vriendelijke afwijzing, waarna ik weer aan met frisse moed begon aan het herschrijven. Schrijven is herschrijven, zo heb ik altijd geleerd. Raak schieten doe ik ook meestal niet in één keer. Het was ook al de zesde keer dat ik aan de tweejaarlijkse Van Helsdingen-prijsvraag deelnam. Het heeft ook zestig jaar in mijn leven moeten duren voordat in 2008 mijn eerste boek verscheen. Daarna mochten er toch nog zo’n stuk of acht het licht zien. Ik ben niet alleen een laatbloeier, maar ook een volhouder. Tot de dood ons scheidt, zeg ik altijd maar.
Hoe dan ook, de meest recente — en hopelijk definitieve — versie van mijn tekst berust inmiddels bij een uitgever wiens naam ik liever onvermeld laat: deels om het mysterie te bewaren, deels uit een licht bijgelovige vrees dat mijn manuscript anders alsnog ten prooi valt aan een alchemistisch experiment, opgelost in een broeierig mengsel van chemicaliën en gist, zoals ooit door een avant-gardistische kunstenaar werd beproefd.
Die kunstenaar was John Latham, die in 1966 een nogal radicale kijk had op wat een boek kan zijn. In zijn Londense huis nodigde hij een select gezelschap uit om het boek Art and Culture van Clement Greenberg te consumeren – letterlijk. Het boek moest pagina voor pagina worden gekauwd en uitgespuugd. De restanten werden ondergedompeld in een chemische oplossing, waaraan – bij wijze van nieuwe cultuur – gist werd toegevoegd. Maanden later begon het mengsel te borrelen en kon het uiteindelijk in een stopfles met etiket naar de bibliotheek worden teruggebracht.
Deze happening is achteraf beschouwd bijna een metafoor, niet alleen voor de afsluiting van het tijdperk van het boek, maar ook voor de osmose van oude en nieuwe vormen van communicatie. Het kan geen toeval zijn dat de opkomst van de conceptuele kunst (waarin woord en beeld samenvloeien) in de laatste decennia gelijke tred heeft gehouden met de explosieve groei van nieuwe media. De digitale revolutie heeft niet alleen de productie van het boek ingrijpend veranderd en zelfs binnen het particuliere bereik gebracht, maar ook geheel nieuwe vormen van ‘geletterde beeldcultuur’ voorgebracht, en nieuwe vormen van schrijven in combinatie met beelden gecreëerd, zoals de videoclip, en de eindeloze blog-teksten op het internet. Neem en lees. Dit is mijn blog !
En toch, hoop doet leven. Maar het boek-kauw-experiment van John Latham heeft mij uiteindelijk ook doen twijfelen: wat is het boek tegenwoordig nog? Een verzameling bedrukte vellen in een band, zoals het woordenboek zegt? Of een reliek van een voorbijgestreefd tijdperk, zoals Marinetti in 1916 voorspelde, toen hij schreef dat boeken, kathedralen, torens en pacifistische idealen allemaal gedoemd waren te verdwijnen? Misschien is het boek, dat ooit de Gutenberg-bijbel en de sierlijk gesneden letters van Garamond huisvestte, nu gewoon een opstapje naar een nieuwe vorm van communicatie: geluid, beeld, internet, videoclips, e-mails – of wie weet, een holografische roman die je leest terwijl je op een eenwieler door je woonkamer rijdt.
Waar begint een boek een ‘boek’ te zijn? Met vier pagina’s in een oplage van twee? Moet je een boek ook echt kunnen lezen? In de jaren zestig maakte de Amerikaanse kunstenaar Keith Godard een boek getiteld ‘Sounds’. Het was niet meer dan een bundeling van een paar vellen papier van verschillende grootte, dikte en buigzaamheid, zodat de gebruiker bij het omslaan van elke pagina zich bewust kon worden van verschillende geluiden en tast-ervaringen.
Was dat nog een boek, een sculptuur of alleen maar een idee? Hoe dan ook, van een lezer kon je hier nauwelijks meer spreken, van een beschouwer trouwens ook niet. Het boek was hier in feite een uitdrukkingsmiddel op zichzelf geworden. Het boek is dus geen vaststaand en eeuwig fenomeen. Het boek heeft ook geen wezen of essentie. Het gedrukte boek is een middel dat eigen is (was) aan een historisch en daarmee ook eindig tijdperk.
Ikzelf ben vergroeid met het boek, en toch is mijn liefde doordrenkt met scepsis. Het boek heeft machtige elites gecreëerd die altijd alles beter weten, het boek heeft door zijn verfilmingen heel wat Oscars gewonnen zonder ooit een scherm te betreden, en het boek weegt zwaarder dan een tablet…. maar het is doodop. De digitale revolutie geeft een nieuw ritme, nieuwe vormen van geletterde beeldcultuur, nieuwe vormen van schrijven ook. Het boek wordt een verzamelobject, papierpulp voor boekenwurmen, kortom, een museumstuk.
Misschien is het tijd dat ik mijn manuscript ook loslaat: dat ik het hooguit nog eenmaal herschrijf voor bij het boek, of het boek voorbij. Het manuscript als idee, als lucht, als code, als spel van geluiden en beelden, waarin de lezer, beschouwer of gebruiker helemaal vrij is, dat wil zeggen: vrij van een lineaire narratieve slavernij dat het lezen van een boek nu eenmaal is …en blijft.
De absurditeit neemt toe als je beseft dat een boek prijzen wint terwijl het nergens is, dat ik het blijf herschrijven terwijl de wereld mijn woorden al heeft ingehaald door pixels, piepjes en algoritmen. Misschien is dit het echte verdienmodel van een schrijver van het “voorbij-het-boek”: niets drukken, alles laten bestaan, en de lezer meenemen in een spel waar de grenzen tussen boek, kunstwerk en idee volledig oplossen. Het boek voorbij, de schrijver voorbij, zelfs de schrijver die denkt dat hij schrijft voorbij.
Het zou mij niet verbazen als de lineaire structuur van het boek een vorm van domheid creëert in een wereld die steeds meer door non-lineaire structuren wordt bepaald. Het boek is ook een hoogst autoritair medium. Er is immers geen wederzijdse communicatie mogelijk tussen schrijver en lezer, hooguit tussen lezers onderling, maar dan moet je wel liefhebber zijn van zo’n belegen leesclub voor zich belezen voelende lezers. Of anders nog altijd kijken naar zo’n gedateerd boekenprogramma van de VPRO, dat geen schim meer is van wat het ooit was in de tijd van Adriaan van Dis, Michaël Zeeman of Wim Brands.
Nieuwe media creëren nu de condities voor een meer open vorm communicatie en een optimale uitwisseling en spreiding van kennis en macht. Verknochtheid aan het boek is geen argument vóór het boek. De intimiteit, die in het materiële karakter van het boek besloten ligt, weegt mogelijk niet op tegen de voordelen die nieuwe media te bieden hebben. Wellicht zal het boek verdwijnen zoals ook al zijn voorgangers verdwenen zijn: het tablet, de boekrol, de codex… Het boek is misschien wel ten dode opgeschreven, alleen de sterfdatum staat nog niet vast.
