Lost in translation

O tovenaar, o kracht, waar zijn de vogels toch gebleven,
de kleine, warme, met hun ritselende veren,
die zich van takjes stortten met een dikke keel;
de twijgjes die zich verende herstelden
van ’t licht gewicht, dat het zo sierelijk verliet?
Het waren toch zo vele?
Wanneer ik sterven moet, wil ik bij kleine vogels sterven
en water horen en de oortjes van het gras
zien spitsen en de losse aarde voelen.

M. Vasalis. Uit: Vergezichten en gezichten (1954)

Nog niet zo lang geleden kwam er een mus bijna bij mij binnen vliegen. Hij bleef zitten op de knop van het raam en keek naar binnen met die snelle, glanzende oogjes van zijn soort, alsof hij op het punt stond een groot filosofisch besluit te nemen. Misschien vroeg hij zich af wat daar aan de andere kant zat: een mens, een meubelstuk, een bedreiging of iets nog raadselachtigers. Misschien dacht hij: daar woont geen mus, maar een Mous. En wat is dat eigenlijk, een Mous?

Ik heb hem in mijn beste mussentaal toegesproken. Wees toch verstandig, zei ik. Mous zijn is ook niet alles. Het is vermoedelijk een vergissing van de Schepper, een typefout in de administratie. Mus en Mous schelen maar één letter. Jij hebt veren, snelheid en richtinggevoel. Ik heb papieren, herinneringen en rugpijn. Vlieg liever op zolang je nog springlevend bent, want straks ben je dood.

De mus luisterde niet. Hij bleef zitten, aarzelend tussen binnen en buiten, tussen de zekerheid van de tak en het avontuur van de kamer. Misschien dacht hij niets. Dat leek me benijdenswaardig. Niets denken, wat zou ik dat graag eens kunnen. Mijn hoofd is een volière waarin voortdurend iets fladdert: halve gedachten, oude zinnen, vergeten gezichten, melodieën die nergens vandaan komen. Herinneringen slaan met hun vleugels tegen de tralies van mijn schedel. Jij mus hebt daar geen last van, zittend op die grens van twee werelden.

Opeens bedacht ik bij mezelf dat ook dit de plek is waar een mens woont: op een vensterbank tussen twee werkelijkheden. Wij leven niet alleen in de wereld van dingen, maar ook in de wereld van betekenissen. Een mus hoeft niet te weten wat een mus is. Een mens vraagt zich eindeloos af wat een mens betekent. Wij bestaan niet alleen, wij vertalen ons bestaan voortdurend in woorden, beelden, verhalen en herinneringen. En in die vertaling gaat altijd iets verloren.

Dat verlies begint al in de taal. Augustinus schreef aan het begin van zijn Confessiones de beroemde zin dat ons hart rusteloos blijft totdat het rust vindt in God. Maar wie verschillende vertalingen naast elkaar legt, merkt hoe elk woord verschuift. Is de mens gemaakt naar God, tot God, voor God? Elke vertaler kiest een richting, een nuance, een verborgen accent. Het Latijn blijft staan als een oude bron, maar het water dat eruit stroomt verandert van bedding. Zo gaat het met vrijwel alles wat uit het verleden in vertaling tot ons komt. Wat ooit als openbaring klonk, bereikt ons als een echo van het origineel.

In feite is heel de cultuur één groot proces van doorvertellen en verkeerd verstaan. Verhalen worden overgeleverd, geciteerd, bewerkt, samengevat, aangepast aan de tijdgeest, herschreven voor een nieuw publiek. Wat ooit vuur was, wordt later licht, en later nog slechts warmte. Soms blijft alleen de as over. Toch zitten wij om die as heen alsof er nog altijd een vlam in gloeit.

Ook religie is zo’n geschiedenis van vertaling. Men probeerde de boodschap van eeuwen geleden verstaanbaar te maken voor moderne mensen. Men verving dogma’s door psychologie, wonderen door symboliek, hemel door zingeving, zonde door vervreemding. Dat leek verstandig. Maar onderweg verdween misschien niet alleen de verpakking, maar ook de inhoud. Wie alles vertaalt in de taal van het heden, ontdekt soms te laat dat het heden zelf geen moedertaal bezit.

Daarom zoeken mensen nieuwe vormen van transcendentie. Wat vroeger boven ons werd gedacht, verschijnt nu om ons heen. De hemel is niet verdwenen; hij heeft glasvezel gekregen. Wij leven onder een net van schermen, signalen, profielen en permanente bereikbaarheid. Het oude baldakijn van sterren en engelen is vervangen door satellieten en servers. Ergens onderweg werd de wolk van God de cloud van de techniek.

Op sociale media tonen wij onszelf, of althans een versie van onszelf. Wij posten, liken, reageren, herdenken, feliciteren, rouwen en verdwalen. Een mens kan daar troost vinden. Wie verdriet heeft en schrijft, ordent iets van de chaos. Een boodschap van een onbekende kan meer warmte geven dan een zwijgende kamer. Maar tegelijk verandert degene die schrijft. Wie dagelijks zijn leven online zet, wordt langzaam auteur van een personage dat zijn eigen naam draagt. Men maakt van zichzelf een vertaling.

Dat geldt misschien wel voor iedereen. Wij denken vaak dat wij een vaste identiteit bezitten, maar wie terugleest wat hij jaren geleden schreef, ontmoet soms een vreemdeling. De woorden zijn van jou, maar de stem klinkt anders. De zorgen, de verlangens, de overtuigingen – ze behoren tot iemand die jij ooit was en die nu verdwenen is. Toch blijft hij aanwezig, opgeslagen in digitale herinneringen die zich onaangekondigd melden. Het verleden verschijnt op je scherm als een spookgestalte.

Herinneringen zelf zijn ook vertalingen. Wat gebeurd is, keert nooit terug zoals het was. Het komt terug als beeld, geur, melodie, een flard van het zonlicht, een straat waar regenplassen lagen, een liedje in een auto met open ramen. zoals die herinnering aan een zomerdag in 1979, met op de autoradio opeensThe Sultans of Swing. Eén akkoord van dat lied en een hele zomer vliegt op. Muziek nestelt zich in de tijd zoals zwaluwen onder een dakgoot. Jaren later vinden ze blindelings dezelfde plaats terug.

Ik heb altijd vermoed dat de ziel minder lijkt op een onsterfelijke substantie dan op een geheugen dat niet ophoudt met het verleden te herschrijven. Wat ons ontroert, blijft niet bewaard als object, maar als vorm. Een glimlach van een gestorvene, de schaduw van de bomen op een middag uit je jeugd, de manier waarop iemand je naam uitsprak – zulke dingen leven voort in een tijdloze gedaante. Niet letterlijk, maar des te hardnekkiger. Zij zijn verloren in het verleden en toch nog aanwezig in het heden.

Daarom kan een oude scene uit een film ons dieper raken dan een actuele gebeurtenis. Een scene uit een film van Ingmar Bergman: een grijzende man kijkt terug op zijn leven en ziet ineens zijn ouders aan de waterkant. Een vrouw zwaait in het gras. Een ogenblik schuiven heden en verleden over elkaar heen. Op zijn gezicht verschijnt iets dat op geluk lijkt, maar misschien is het herkenning: daar was ooit iets volmaakt eenvoudigs, en ik heb het pas te laat begrepen.

Mogelijk wordt dit bedoeld als er gesproken wordt over zoiets ongrijpbaars als eeuwigheid. Niet een eindeloze tijd ná de dood, maar een plotselinge opheffing van tijd ín het leven. Een moment waarop iets dat voorbij is zich opnieuw toont zonder enige patina van de verloren tijd. Een epifanie van het gewone. Het gras dat beweegt in de wind, een takje dat terugveert nadat een vogel is opgevlogen.

De existentialisten hebben beweerd dat wij onder een lege hemel het leven zelf betekenis moet creëren. De zin van het leven is de zin in het leven. Daarin hadden zij wellicht gelijk. Maar misschien is de hemel nooit bedoeld geweest als een plaats boven ons. Misschien was hij altijd al een vermogen in ons zelf: de mogelijkheid om in het eindige iets oneindigs te ervaren.

De mus op mijn vensterbank wist daar vermoedelijk niets van. Hij kende geen metafysica, geen identiteitscrisis, geen nostalgie van de naderende ouderdom. Hij kende alleen de spanning van dat ene ogenblik: naar binnen vliegen of wegschieten.

Ook de poëzie van Vasalis heeft mij dat geleerd. Niemand schreef zo over tijd en stilte als zij. In haar gedichten lijkt het heden soms stilgezet, alsof een vogel in volle vlucht ineens blijft hangen in de lucht. En dan de ritselende wezens die zich van takjes storten en het twijgje achterlaten dat verend terugschiet. Toen mijn moeder stierf, herinnerde mijn zus zich precies dat beeld. Niet de dood zelf, maar het takje dat zich herstelt van het lichte gewicht dat het verliet.

Ik keek de mus nog eens aan en realiseerde mij dat hij wellicht meer thuis was in de werkelijkheid dan ik. Hij viel volledig samen met wat hij deed. Ik val zelden samen met wat ik doe. Er zit altijd taal tussen, herinnering, verwachting, uitleg. Ik ben een wezen dat voortdurend vertaald wordt, al was het maar door de tijd.

Toen vloog hij op. Weg was de mus. Geen drama, geen symbolisch gebaar, alleen een korte beweging en verdwenen was hij. De lucht sloot zich achter hem alsof er niets gebeurd was. Maar natuurlijk was er wel iets gebeurd. Een mus had mij even herinnerd aan de grens waarop ik zelf leef. Hij gaf me de wonderlijke troost dat niet alles wat verdwijnt werkelijk weg is. Sommige dingen blijven bestaan juist doordat ze niet meer tastbaar zijn. Wij raken alles kwijt, en toch blijft er iets over. Niet ongeschonden, niet letterlijk, niet zuiver, maar omgevormd, verschoven, vertaald…

Lost in translation – en juist daardoor gered.