De oudste lagen van de ziel

‘Van de schoonheid en gevoelsintensiteit die de visioenen vergezelden, 
kan men zich geen voorstelling maken. Zij waren het meest overweldigende, dat ik ooit heb beleefd. En dan de grote tegenstelling: de dag! Ik 
voelde me dan gefolterd; mijn zenuwen waren volkomen op. Alles irriteerde mij. Alles was te stoffelijk, te grof, te zwaarwichtig, ruimtelijk en 
geestdijk beperkt, tot onbegrijpelijke, doeleinden kunstmatig versnipperd, 
en toch bezat dat alles een soort hypnotische kracht, die geloof afdwong als was het waarlijk de werkelijkheid, terwijl men toch haar onbelangrijkheid duidelijk had doorzien. Welbeschouwd ben ik sindsdien, hoewel 
mijn geloof aan het bestaande zich herstelde, nooit meer geheel ontkomen 
aan de indruk, dat het ‘leven’ slechts een existentie-fragment is, dat zich
 in een daartoe bestemd driedimensionaal wereldstelsel afspeelt.’

Aldus schrijft C.G. Jung in zijn autobiografie Herinneringen, dromen, gedachten. Deze passage is gelicht uit een beschrijving van een visioen dat Jung heeft gehad bij een ziekenhuisopname in 1944. Wat Jung dan beweert komt neer op het volgende. Wij ervaren het leven slechts in drie dimensies, met de tijd als een andersoortige uitgestrektheid, die zich in het bewustzijn formeert, of andersom: die door het bewustzijn zelf wordt gegenereerd. Maar is er niet meer tussen hemel en aarde? Vaak wordt beweerd dat bij spiritistische verschijnselen geen enkele andere geest wordt opgeroepen dan die in het eigen onderbewuste. Bij een spiritistisch medium zou sprake zijn van een dramatische splitsing van de persoonlijkheid die zijn bestaan te danken heeft aan verschijnselen als suggestie of autosuggestie.

Daarmee zou het pleit zijn beslecht. De terugkerende geesten van de overledenen zijn schijngestalten van de eigen geest. Ik vrees dat dit vaak het geval is bij een spiritistische seance en niet zelden zal er sprake zijn geweest van bedrog. Maar is dat ook altijd zo? De redenering die de onmogelijkheid van dit soort verschijnselen wil aantonen gaat uit van de gedachte dat alles wat zich schuilhoudt in het onderbewuste slechts schijn is. Maar er is een andere stroming in de psychologie, die uitgaat van – wat Jung heeft genoemd: ‘de werkelijkheid van de ziel.’ De bodem van de menselijke ziel zou volgens Jung bestaan uit versteende lagen die zich buiten de tijd en de ruimte bevinden.

Is de ziel soms een sturend beginsel dat in een levend organisme besloten ligt? Is de ziel een ‘vorm’ die de materie een richting geeft? Aristoteles dacht van wel. Als zoon van een arts was Aristoteles een biologisch denker. Hij ontwikkelde  als eerste een biologisch model van de ziel. Elk levend organisme heeft een doel waarnaar het wordt voortgedreven. Er zou in de ziel zoiets bestaan als een constituerende structuur, een grondlaag die blijft bestaan ook na de dood van het organisme, een fundament, een bodem van steen die eeuwig is. Maar wat is eeuwig in vergelijking met een steen?

Als op de rots van Gibraltar elk jaar een vogeltje neerstrijkt dat zijn snaveltje slijpt aan de rots, dan wordt die rots elk jaar enkele moleculen kleiner en zal hij ooit in zijn geheel weggesleten zijn. Maar dat is dan pas het begin van wat eeuwigheid in werkelijkheid is. Steen is een metafoor bij gebrek aan beter. Zelfs graniet is aan slijtage onderhevig. ‘De stenen grondlaag van de ziel’ is slechts een opeenvolging van woorden. Maar elk woord is per definitie tijdelijk, vergankelijk, een teken dat verwijst. Datgene waar het woord eeuwig naar verwijst is onbevattelijk voor een mens die door zijn sterfelijkheid een grens heeft in zijn vermogen tot verbeelding.

Als metafoor wordt het woord ‘steen’ dan ook zelden of nooit met het woord ‘ziel’ in verband gebracht. Toch is er een verbinding, al was het maar in de oppositie. Christus zat op ‘de koude steen’ in de Hof van Olijven, toen hij in het diepst van zijn ziel zijn eigen lijden en dood onder ogen zag. Het lijden leidt tot het inzicht dat het leven eindig is en hard, soms ook als een steen. Maar de steen kan ook tot wijsheid leiden. De stenen piramide van de Egyptenaren was het instrument bij uitstek, waardoor de ziel van de dode koning ten hemel kon stijgen op weg naar de zonnegod. Ziel en steen zijn twee uitersten die elkaar van oudsher konden ontmoeten.

Maar in onze tijd is het verbond tussen de ziel en de steen uit elkaar gevallen. Ons wereldbeeld wordt steeds meer bepaald door filosofisch materialisme of anders wel een energetisch monisme. Daarbij wordt stilzwijgend voorbij gegaan aan het feit dat ook dit slechts metafysische stelsels zijn die geen absolute waarde kunnen hebben. Een religieus wereldbeeld heeft doorgaans veel minder moeite met de spiritistische hypothese, al moet gezegd dat het katholicisme hier altijd veel opener tegenover heeft gestaan dan het protestantisme.

Het spiritisme biedt een hoopvol perspectief, omdat het leven hierdoor zijn eindigheid zou verliezen. De angst voor de grote leegte wordt geweerd. Er zou zoiets als een ‘natuurlijk hiernamaals’ bestaan zonder oordeel of verdoemenis. Hoewel ik geneigd ben om enig geloof te hechten aan deze laatste strohalm, realiseer ik mij dat juist de hoop die er in schuilgaat moet wijzen op een illusie. Ook al blijft iets van twijfel bij mij nog altijd bestaan.

Mijn fascinatie voor het spiritisme dateert al uit mijn jeugd, maar kreeg wel een stevige knauw toen ik jaren geleden, op een onnozele zondagochtend op de begraafplaats Père Lachaise in Parijs opeens stuitte op het praalgraf van Allan Kardec, de Franse grondlegger van het spiritisme. Het was een protserig, haast prehistorisch graf met zuilen van ruwe steen, waar een schare van prevelende vrouwen van middelbare leeftijd mij angst inboezemde.

Hier leek een grens te zijn weggevaagd. Sterker nog, hier leek een muur te zijn omgevallen die doorgaans staat tussen twee volstrekt gescheiden werelden: het leven de de dood. Ik liep snel door want op zo’n enge plak wil je niet dood gevonden worden. Dood is dood, wat wil je nog meer? Er hing een macabere sfeer rond die buste van Kardec. Maar ook een sfeer die mij bleef fascineren. Hier leek ik iets te herkennen van wat ooit Vasalis noemde: ‘de oudste lagen van mijn ziel, waar hij van stenen is gemaakt’.

In de oudste lagen van mijn ziel,
waar hij van stenen is gemaakt,
bloeit als een gaaf ontkleurd fossiel,
de stenen bloem van uw gelaat.

Ik kan mij niet van U bevrijden,
er bloeit niets in mijn steen dan Gij,
de oude weelden zijn voorbij.
Maar niets kan mij meer van U scheiden.

Reageer

The mother and child reunion

Daar lag tegen een duin, vlakbij de kust
een vrouw, groot als een godenbeeld,
maar gaaf, het was een beeld van rust.
Zij lag bewegingloos, haar ogen stonden open
en wat geruis leek van de zee of van de wind
bleek fluisteren te zijn, waarnaar zij scheen te luisteren.

O laat mij vrij, fluisterde zij naar boven,
o laat mij vrij, desnoods om kwaad te doen.
Laat mij luid spreken, ook al zou ik liegen,
geef mij te eten, drinken, ook al zou ik spugen,
liefhebben, zelfs al zou ik ontrouw zijn.
Ik vast te lang en haat de geur der heiligheid,
ik ben op slot en haat de veiligheid.
Ik lig als Gulliver gebonden
door duizend levende, niet zichtbare en taaie draden.
Maar mogen deze groet voeten niet weer waden
en mijn plat uitgestrekte, open handen
nooit weer eist grijpen, stelen? Dode landen.
Laat mij we vrij. Ik wil weer rechtop staan
en ga opzij. Dan doe ik minder kwaad,
dan als ik lig gebonden, met die diepe haat
der machtelozen, die alleen maar ogen zijn,
gladde geruisloze, opalen kannibalen.

Dit naamloze gedicht vorm de derde op rij in een reeks van vijf fragmenten in de bundel Vergezichten en gezichten (1954), De reeks sluit inhoudelijk op elkaar aan. Een vrouw (‘zij’) maakt een wandeling langs het strand en wat ze onderweg beleeft zie je voor je ogen gebeuren. Eerst gaat ze zitten op een donkerblauwe Pier. Dat zal wel Scheveningen zijn, denk je dan. Maar dat mag je natuurlijk niet denken. De ‘zij’ in het gedicht is niet noodzakelijkerwijs de ‘zij’ die het gedicht geschreven heeft. Trouwens wat doet de intentie van de dichter er eigenlijk toe? Je leest wat je leest  ‘Je est un autre‘, zei Rimbaud. Maar dat niet alleen: ‘La femme, c’est l’avenir de la poesie. ‘De toekomst dat is een dichteres! Wat heet…dat ik een pik heb, heeft niets met poëzie te maken.

Intential phallacy heet zoiets met een moeilijk woord. Anders gezegd: de intentie van de fallus. Interpreteren mag, als het maar binnen de tekst blijft. Ik zeg altijd maar zo: poëzie is een vrouw en interpreteren is mannelijk. Interpreteren is penetreren. Je moet met poëzie een beetje vrijen, meer niet. Vanille-seks, zo noemden we dat vroeger. Lezen is een lust, meer niet. Hoe dan ook, eerst was de ‘zij’ van dit gedicht de minnares van een onttroonde koning, maar nu loopt ze daar maar wat te dwalen. Ze probeert een beetje te wennen aan iets wat zij ooit ‘diep gekend heeft’ maar nu kennelijk vergeten is. Het lijkt net alsof ze opnieuw moet leren spreken. Kennelijk doet ze het geluid van de golven na, maar dat staat er niet.

En dan gebeurt er iets raars. Ze legt haar hand ‘als een doofstomme op de keel van ‘t strand’. Die keel, dat zal de zee wel zijn. maar hoe kun je je hand nu op de zee leggen. Misschien optisch vertekend, als je één oog dicht doet. Moet kunnen. Het was alsof ze leerde spreken. Dus ze moet iets leren van de zee. Ze wil van de zee opnieuw het spreken leren. De taal van de zee wil ze niet alleen kunnen verstaan, maar zelf ook als klanken uit haar mond laten klinken. Het doet denken aan het slot van een verhaal van Jack Kerouac, als hij een gedicht laat horen dat letterlijk de ‘keelklanken van de zee’ nabootst . . Maar bij deze wandelaarster langs het strand komt geen geluid uit haar strot. Het ‘noemen’ blijft uit, zo krijgen we in het gedicht te horen. Ja, wat wil je ook, de zee kent geen namen of woorden. De zee kent alleen het ruisen van de golven: ‘Szzzoooaaahhhh. Szzzoooaaahh…. etcetera, etcetera….’. Zo wordt de zee een onomatopee.

En dan het tweede fragment. Het moet donker worden, zegt ze, anders kan ze niet ‘herboren’ worden en ‘vochtig en klein’ worden. Kennelijk wil ze veranderd worden in iets wat in de zee past, een zeepaardje of zo. Of misschien een kleine zeemeermin. Afijn, ze loopt door. Het blijft nog licht en de regen laat op zich wachten. En zie, zij komt een wonder tegen. Voorwaar, voorwaar, wat zien we daar? Een lam, dat net een tijger heeft gedronken, een vogel die een slang verzwolgen heeft. Ze zitten verdwaasd elkaar aan te kijken en ze hoort van de vogel dat ze per abuis door de achterdeur van het paradijs het verkeerde land zijn binnengegaan.

Het zal je toch maar gebeuren, daar in filmstudio van de Hof van Eden, of Hollywood, waar het ook wezen mag. Je trekt opeens een achterdeur open en je staat zomaar in de omgekeerde wereld. Jakkes, het is altijd weer de slang die het gedaan heeft, want hij heeft met ‘haar’ (is een slang vrouwelijk?) lange staart, waarin  zij het ergste gif bewaart, de achterdeur opengebroken. Kortom, het is weer zover. We zitten weer midden in het paradijsverhaal. Genesis in motion. Dit is het afvalputje van de poëzie. Alles komt er uiteindelijk in terecht. Hoe dan ook, de cirkel is nu voorgoed gesloten. Of – zoals Bob Dylan zingt:

The line it is drawn
The curse it is cast
The slow one now
Will later be fast

Peripetie heet zoiets. De omkering. Anders gezegd… er komen andere tijden, de wereld staat helemaal op zijn kop. Nu is het lam gevlekt met bloed. De vogel zingt met een gespleten tong en ‘de zachte heeft de moordenaar in ‘t bloed’. Jezus, het lijkt de Bijbel wel. Het verhaal van alle verhalen. The never ending story. Eigenlijk is dit geen utopie, maar een dystopie. Maar dat was Gullivers Reizen ook. Zijn reis ging immers niet naar Utopia, maar naar het Lilliputta, het eiland ban de lilliputters. Met dit gedicht kan het dus niet goed gaan, en dat gebeurt dan ook. In het derde fragment ziet de eenzame wandelaarster inderdaad Gullivera tegen de duinen ligt. Daar ligt ze dan een vrouw groot als een godenbeeld, bewegingloos met open ogen. Ze luistert naar het fluisteren van de zee en dan begint ze opeens te praten.

Kennelijk kan de eenzame wandelaarster haar wèl verstaan. Deze verstomde – en toch pratende – Gullivera wil vrijgelaten worden. Ze wil spreken, eten, drinken en liefhebben. Wie zou dat zijn, dat rare beeld ‘Gullivera’? Stiefmoeder aarde? Gaia? De Oergodin die ooit door de mens, of beter gezegd de ‘man’  tot zwijgen is gebracht. ‘Mens’ en ‘man‘, dat is in het Engels is dat hetzelfde. Zoiets heet een homofoon, maar het is ook een homoniem, maar ik dwaal af.

De vraag waar alles omdraait is deze: is die ‘Gullivera’ of ‘Gaia’ soms gekneveld in dode religie? Ja hoor. Ze is gekneveld door de dode religie. Luister maar naar wat ze zegt: ‘Ik vast te lang en haat de geur van heiligheid.’ Het is dus een aanklacht tegen de religie die uit haar mond oprijst. Ze spreekt van het oude moederverbond, wat heet ‘het oude maandverband’, het verband van de maangodin. De banden tussen moederbloed en kluiten aarde zijn verstrikt geraakt. Moeder aarde ligt hier maar wat te suffen aan zee. Tegenwoordig heb je daar een museum dat heet Beelden aan zee, maar dat is wéér een ander verhaal.

Toen zweeg het beeld
en aan de wimpers kwamen tranen,
die snel verdampten en als wierook stegen.
‘t Gezicht bleef droog en stil, de keel
slikte en een brede hand lag open op het witte zand.

Afijn, zo gaat het nog even door. In het vierde fragment is opeens ‘een bloot gevoel’ aan het woord. Open liggend gevoel dus, dat zo open ligt dat het zelf gaat spreken. Het gevoel heeft geen mond meer nodig. Het spreekt voor zichzelf. Het gevoel wordt wat je noemt ‘mondig’. Het gevoel heeft ooit haar voeten verwond. Kennelijk was het gevoel ooit een zeemeermin en is aan lager wal geraakt. Ze kon niet wegvliegen van de kale grond. De eenzame wandelaarster vraagt of het gevoel misschien ook wat drinken wil. Dat krijg je dorst van, al dat liggen in dat droge zand. Maar het gevoel schudt van nee. Het knikkebolt nog wat maar schrikt dan weer wakker. Het lijkt er nu op dat het gevoel ooit een zeemeermin is geweest, want zij kan alleen door drank weer tot leven komen. En dan komt er opeens een rare zin.

Toen zij ging liggen als een heuvelrug

Je kunt niet als een heuvelrug gaan liggen, merkte Willem Frederik Hermans ooit op naar aanleiding van dit gedicht. Jawel, zij de taalkundige mevrouw Balk-Smit Duyzentkunst. Je kunt immers wel degelijk als (dat wil zeggen: zoals) een heuvelrug gaan liggen. Je kunt alleen niet ‘als een bos wortelen’ gaan liggen. Tenminste, dat lijkt me wat moeilijk. Ach die mevrouw Balk-Smit Duyzentkunst. Ik heb ooit nog een jaar colleges bij haar gelopen in de Oudemannenhuispoort. Ze had het altijd over la langue en la parole van De Saussure, en niet te vergeten over het boek De God Denkbaar Denkbaar de God van diezelfde Willem Frederik Hermans, maar dat is een ander verhaal, dat elders op dit weblog te lezen valt. Hier namelijk. Nee: hier !

Het gedicht wordt nu wel opeens wel heel eng (‘Mama dit is toch niet echt? Nee dat dromen ze schat’). ‘Het’ (haar gevoel dus) komt dichterbij en zoekt een warm plekje op. ‘Het’ dringt zich tussen de armen van de eenzame wandelaarster en scheurt met zijn nageltjes haar borst open. Getver! Het lijkt wel Dracula! Er vallen toch geen dooien! Het gevoel drinkt haar bloed en ‘bekleedde’ zich met rood. Ofwel – wat ingewikkelder gezegd: het gevoel ‘incarneert’. Het wordt mens. Het gevoel is vlees geworden en gaat onder ons gewone stervelingen wonen. Eigenlijk is het gevoel dus de ware zeemeermin die in het land der mensen komt wonen. Toen het gevoel voor het eerst zijn ogen sloot bleef ‘zijn gestilde mond’ wat open staan.

Dat woord ‘gestilde’ is mooi gezegd. De bloeddorst van het gevoel is kennelijk voorbij en het wordt nu letterlijk stil aan het strand. De zon is onder en de maan is gaan schijnen. En hoor… de heuvelen lijken te gaan fluisteren, ‘of in de plooien die zich openden iets zachts bewoog’. Zou het beeld dat daar nog altijd tegen de duinen ligt soms langzaam wakker worden? Hoe dan ook, de lucht wordt nevelig en de sterren gaan wat lager aan de hemel staan. De harde grond wordt droog ‘als een koortshuid’ en begint ‘geurend te zweten’. Ja, ja… zie je wel: Gullivera wordt wakker! Gaia ontwaakt!  Hallo Aarde. Hallo Aarde…! Een zoute wind krult de droge haren van het slapend kind. Moeder en kind. We zijn weer terug bij af .. ‘and the mother and child reunion is only a motion away….’

In het laatste fragment gebeurt er niet zoveel meer:

De zee was springende tot aan de horizon
met wilde, frisse kudden grijze golven,
die’t schuimend haar al botsend in elkaar bedolven
en van de grootse vloed was niets te zien dan fijne lijnen
bijna onzichtbaar uitgetande kant,
hoog op het stoere strand.
En tederder dan ‘t wuiven van een lange kinderhand
boog zich de vochtig-blauwe, knipperende kustlijn om

Dit zag zij, toen zij’t ochtendlijk duin beklom

Reageer

Een misverstand om in te geloven

Confetti

Ik zoek een misverstand om in te geloven.
Al mijn gedachten zitten binnen
En met hun voorhoofd aan de ruit
Van al mijn ramen, van onderen tot boven
Gedrongen, kijken zijn mismoedig uit.

De oudste hebben kindergezichten,
Ze dansen en fluisteren met elkaar,
De jongste hebben rimpels, grijzend haar.
Ik wou dat het vreselijk ging waaien,
Zodat het volle, stille huis ging zwaaien
En dat de ramen openvlogen en de gedachten alle,
Geel, roze, wit, geluidloos als ze zijn
Op straat – er hoeft geen held te zijn,
Waarvoor ze het doen. Good afternoon.

M. Vasalis, Vergezichten en gezichten (1954)

Wat was het misverstand om in te geloven, waar Vasalis naar op zoek was? Léon Hanssen ontleende aan deze dichtregel van Vasalis de titel van zijn boek Een misverstand om in te geloven, de poëzie van M. Vasalis (2006) dat ik momenteel aan het lezen ben.  Hanssen haalt veel overhoop, maar ik hou wel van dat soort boeken. Topzware interpretaties. Het gedicht als microkosmos waar een hele cultuur zich in weerspiegelt. Of beter gezegd: een cultuurcrisis. Want Vasalis leed aan de cultuur van de moderniteit, een tijd zonder mystiek, zonder transcendentie, zonder geheim. Maar was dat ‘poëtisch lijden’ van Vasalis ook authentiek? Charlotte Mutsaers vond van niet. Zij schreef in een artikel genaamd De lust tot lijden (1983). Het is de meest vernietigende kritiek die ooit op de poëzie van Vasalis geuit is:

‘In tegenstelling tot wat zij beweren verwonderen moderne mysticae zich helemaal niet over de geheimen van het leven. Hun aanname van allerlei geestelijke entiteiten en hun behoefte aan spokerijen verhindert dat. Keer op keer haalt Vasalis het geheim uit haar eigen gedichten door ze eenduidig af te ronden. Steeds weer begaat ze de vergissing om dieren en kinderen op te vatten als afspiegeling van iets ongerepts en zuivers.’

En zo gaat het maar door. Er blijft geen spaan van heel. Maar vanwaar die hoge toon? Waarom roept het zoeken naar, ja zelfs het missen van een geheim zoveel verbaal vuurwerk op? Dit was geen kritiek meer, maar de een moordaanslag op een bepaald type dichter: ‘de dichter als geheimzoeker’. Léon Janssen vergelijkt Vasalis met de Oostenrijkse dichter en schrijver Ingeborg Bachmann. Beiden zeiden de poëzie in de jaren vijftig vaarwel. Het was een tijd waarin poëtische woorden hol begonnen te klinken. De Duitser Hans Magnus Enzenberger sprak over ‘schrijven zonder risico, het afsluiten van een verzekering met een literatuur die niet uitbetaalt.’ Vasalis stopte met dichten omdat zij vond dat haar haar eigen lot volkomen onbeduidend was geworden. Haar commentaar was voortaan overbodig.

Dat gold niet alleen voor de wereld zoals hij na de oorlog was ontstaan, maar ook voor het bestaan op zichzelf. ‘Als er maar één eiwitmolecuul kromstaat in een chromosoom, leeft een kind leeft zijn leven lang ongelukkig’. Vasalis vond dat het geen zin meer had haar ‘lucifertje bij de brand af te strijken’. Adorno schreef over het bankroet van ‘het idealistisch plan van de geschiedenis waarin alles ooit in een positiviteit zou opgaan’. De metafysica was kapot. De romantiek was kapot. Dat was voor de oorlog al zo, maar na Auschwitz was zelfs het schrijven van een gedicht volgens Adorno een daad van barbaarsheid geworden. Een nieuwe generatie van denkers en dichters betoonden zich ‘alleen nog solidair met een metafysica in het ogenblik van haar val’. Of zoals Reve in De avonden schreef: ‘Het graf gaapt, de tijd zoemt en nergens is redding.’

Dat mag allemaal zo wezen, het gedicht Confetti roept bij mij de meest wonderlijke associaties op. Het opgesloten zijn in je eigen gedachten, het gemis van wat de dichter Marsman ooit ‘een bezield verband’ heeft genoemd. Het zoeken naar dat verband, bijna tegen beter weten in. En dan, je gedachten die als een explosie naar buiten vliegen en als confetti neerdwarrelen in de straat. Ik zie een heldenontvangst met een tickertape parade (doen ze dat nog wel eens in New York?). Maar ook een explosie van rondvliegende gedachten die de ruimte opnieuw in bezit willen nemen als een vacuüm dat al te lang leeg heeft gestaan. Vooral dat beeld van die ramen, die plotseling open vliegen na een enorme windvlaag, intrigeert mij.

Mijn moeder vertelde ooit van een voorval dat zich in de jaren vijftig bij ons thuis in Amsterdam heeft afgespeeld. Twee van mijn zussen waren op een mooie zomerdag aan het zeilen op het Sneekermeer. Plotseling vlogen alle ramen en balkondeuren tegelijk open, zonder dat er buiten een vleugje wind te bekennen was. Mijn moeder was nogal bijgelovig van aard. Ze had als kind thuis vreemde dingen meegemaakt. Haar vader was begin vorige eeuw bakker in Arnhem en bracht altijd het brood rond met paard en wagen. Dat paard stond een keer compleet bezweet in de stal. Hij leek als door de duivel bezeten. De volgende dag, nadat mijn grootvader een crucifix in de stal had gehangen, stond het paard andersom met zijn kont naar het kruis gekeerd. Ook bleef in haar ouderlijk huis ooit eens de klok stilstaan, precies op het moment – zo bleek later – dat een ver familielid plotseling overleden was.

Het simultaan openvliegen van alle ramen en deuren bracht mijn moeder dan ook onmiddellijk met onraad in verband. Was er soms iets met haar twee dochters gebeurd op het Sneekermeer? Later bleek dat inderdaad het geval te zijn. Hun zeilboot was omgeslagen in een plotseling opstekende storm. Ternauwernood hadden ze al zwemmend de vaste wal kunnen bereiken. Het tijdstip van het ongeval klopte exact met het openvliegen van de ramen en de balkondeuren.

In de huidige hersenwetenschap is sprake van een benadering van onderop, die samenhangt met het reductionistische principe van de harde wetenschap. Dat leidde al in de negentiende eeuw tot de conclusie Ohne Kohlstoff, keine Gedanken. Maar is dat wel zo? ik krijg steeds meer de indruk dat de conclusie al in de aannames vooraf zit verpakt. De filosoof Kuhn heeft erop gewezen dat alle bevindingen die niet passen in het heersende paradigma van de wetenschap doorgaans meteen terzijde worden gelegd, omdat zij de fundamenten van het paradigma onderuit zouden halen als ze serieus worden genomen.

Waarom worden de ontdekkingen van parapsychologie nooit betrokken in het geest-materie-debat? Waarom niet de bevindingen die zijn opgedaan bij bijna-dood-ervaringen? Iedereen, die een ervaring die hij niet kan verklaren meteen reduceert tot een reeds bekend mechanisme in de werking van de hersenen, behoort tot de groep die Rupert Sheldrake de ‘nothing butters’ heeft genoemd. Alles wordt meteen herleid tot…’O maar dat is niet anders dan… en dan volgt een bekende riedel. Niet dat ik voor alles, wat Sheldrake beweert, mijn hand in het vuur wil steken, maar ik vind deze typering wel tot nadenken stemmen.

Ook Turing ging in zijn definitie van kunstmatige intelligentie er vanuit dat de machine die als een menselijke intelligentie herkend zou worden ook over paranormale gaven zou moeten beschikken of daar op zijn minst blijk van moeten geven. Dat is dus een opvatting van het bewustzijn, waarin fenomenen zich aan kunnen dienen die zich onttrekken aan de beperkingen van ruimte en tijd. Als het bewustzijn samenhangt met een kwantumproces, dan is dat ook zo gek nog niet. Veel kwantumprocessen onttrekken zich aan de newtoniaanse beperkingen van ruimte en tijd. De samenhang van geest en materie is volgens mij evident, maar dat die samenhang op een andere manier in elkaar zit dan wij binnen de huidige stand wetenschap kunnen vatten lijkt me ook evident. Er bestaan tegenstellingen die onoverbrugbaar zijn. En toch.

‘Ik zoek een misverstand om in te geloven.’

Reageer

Door Hem, met Hem en in Hem

Volgens Hannah Arendt zijn totalitaire bewegingen massaorganisaties van geatomiseerde, geïsoleerde individuen. Daarbij wordt volledige loyaliteit van het individu aan de leider geëist. Zo’n volledige loyaliteit was alleen mogelijk bij een volledig gesoleerd mens dat alle banden met familie, vrienden, kameraden en kennissen had doorgesneden. Zo had Hitler een middel gevonden om mensen van binnenuit te overheersen en te terroriseren. Hij en de massa, zo stelt Arendt, waren volledig van elkaar afhankelijk. In een toespraak aan de SA had Hitler deze wederzijdse afhankelijkheid ooit als volgt verwoord: ‘Alles wat jullie zijn, zijn jullie door mij; alles wat ik ben, ben ik alleen door jullie.’

Voor mij als goed opgevoede ex-katholiek komen deze woorden bekend voor. Op het altaar van de parochiekerk van mijn jeugd stond in grote letters het volgende te lezen: ‘Door Hem, met Hem en in Hem.’  Het was een verkorte versie van wat Paulus had geschreven in een brief aan de Romeinen: ‘Want uit Hem en door Hem en tot Hem zijn alle dingen: Hem zij de heerlijkheid tot in eeuwigheid! Amen.’ (Romeinen 11:36) En als het over het verbreken van alle banden met familie, vrienden, kameraden en kennissen gaat, had Jezus van Nazareth vergelijkbare woorden gebruikt als Hitler. ‘Die vader of moeder liefheeft boven mij is mij niet waardig en die zoon of dochter liefheeft boven mij is mij niet waardig’ (Matheus 10: 35-37).’ 

Ook van vredelievendheid was bij Jezus van Nazareth in wezen weinig te bespeuren geweest, getuige alleen al de volgende woorden: ‘Denk niet dat ik gekomen ben om op aarde vrede te brengen. Ik ben niet gekomen om vrede te brengen, maar het zwaard.’ (Matteüs 10:34), Evenals Hitler was Jezus in maatschappelijk opzicht vooral een onruststoker en wat het gezin betreft een tweedrachtzaaier. Jezus had meer weg van Marx, Bakoenin, Lenin of Trotzky, en uiteindelijk zelfs van Hitler, dan van een zoetsappige herder die zijn schapen telt, zoals hij in de christelijke traditie vaak is afgebeeld. In die zin vertoont de opkomst van het christendom een opvallende overeenkomst met de verschijning van de radicale sociale bewegingen in de negentiende eeuw en van de totalitaire bewegingen in twintigste eeuw.  

Wat dat laatste betreft is er nog een treffende overeenkomst en die heeft betrekking op het creëren van een transcendente waanwereld. Op lange termijn bezien was met de verschijning van het christendom een tweeslachtig idee ontstaan over de verhouding tussen het natuurlijke en het bovennatuurlijke. Het katholicisme had de God vermenselijkt met zijn incarnatie-begrip en triniteitsleer. Er was een zijnscontinuüm geschapen tussen het zichtbare en het onzichtbare, tussen de wereld van het ‘hier en nu’ en de transcendentie van de tijdloze eeuwigheid. Dat grondpatroon zou in de twintigste eeuw de katholieke ‘oermal’ worden voor de pseudo-religieuze versmelting van het geatomiseerde individu en een charismatisch uiterst begaafde, totalitaire leider zoals Hitler dat van nature was. De patronen lagen voor hem klaar in zijn katholieke opvoeding. Alleen de polen tussen goed en kwaad moesten alleen nog worden omgekeerd, maar de strakke scheiding lag er al.

Die strakke scheiding tussen goed en kwaad was in feite de manicheïsche erfenis, die het christendom weliswaar had geïncorporeerd, maar die incorporatie kon slechts slagen op kosten van een blijvende discrepantie die in deze  geloofseer was blijven voortbestaan. Zoiets had ook Carl Gustav Jung beweerd, die weliswaar een grote bewondering had voor het katholicisme, omdat deze geloofsleer al het goede van de heidense religies in zich leek te verenigen, maar volgens hem ook een religie van de buitenkant was gebleven. Het zicht op de duistere afgrond van de ziel was met de komst van het christendom verdonkeremaand. Die duistere afgrond werd verdrongen, maar al het verdrongen keert vroeg of laat terug aan het oppervlak. Als de nachtzijde van de ziel niet langer wordt erkend,  kan de duisternis vroeg of laat een eigen leven gaan leiden in de waan of in hang naar vernietiging. 

Om die reden was volgens Jung het christendom in het Westen in feite altijd een zaak van de buitenkant gebleven. Met de theorie van de corpus mysticum  waarin alle mensenzielen verenigd waren had het christendom de muren tussen alle mensen afgebroken, maar tegelijk bleef het christendom vasthouden aan een dualistisch onderscheid tussen goed en kwaad. Zo had de ziel van de christen geen gelijke tred kunnen houden met de uiterlijke ontwikkeling van de christelijke cultuur. ‘Uiterlijk is alles aanwezig in woord en beeld, in kerk en Bijbel,’ zo schreef Jung in zijn boek Psychologie und Alchemie (1943) , ‘maar binnenin de ziel heersen nog altijd de archaïsche goden.’ De grote gebeurtenissen in onze wereld, die door mensen zijn teweeggebracht, zouden niet de geest ademen van het christendom, maar van een onverbloemde heidendom.

In haar boek over het totalitarisme zegt Hannah Arendt het niet met zoveel woorden, maar voor wie tussen de regels door leest komt ook uit haar analyses een ongemakkelijke waarheid aan het licht. De heidense kern van het katholicisme kwam in het totalitaire systeem van de nazi’s open en bloot te liggen. Er werd een geheiligde band gesmeed tussen der Führer, die als Verlosser optrad, en een massa van geatomiseerde, geïsoleerde individuen. Door de muren, die zo werden geslecht, was voortaan zelfs het onmogelijke mogelijk geworden. De manische obsessie om juist dat te willen bewijzen lag aan de basis van Hitlers waanwereld. Maar precies zo’n manische obsessie om het onmogelijke mogelijk te maken had ook aan de basis gelegen van de waan waarin Jezus van Nazareth was beland.

Reageer

Een woord vooraf

‘De waarheid is dat de totalitaire leiders er weliswaar van overtuigd zijn dat ze consistent de fictie moeten volgen alsook de regels van de fictieve wereld die ze gedurende hun strijd voor de macht hebben opgesteld, maar dat ze slechts geleidelijk de volledige implicaties van deze fictieve wereld en zijn regels ontdekken. ‘

Dat schrijft Hannah Arendt in haar boek Totalitarisme (1951). Hoewel ze de woorden ‘waan’ of ‘waanzin’ in dit verband niet gebruikt, is het duidelijk dat de ‘ficties’ en de ‘fictieve wereld’, die totalitaire leiders voor zichzelf hebben gecreëerd, niet overeenkomen met wat het menselijk verstand doorgaans onder de werkelijkheid verstaat. De totalitaire leiders, waar Arendt op doelde, hadden  zoiets als een nieuwe werkelijkheid gecreëerd op basis van regels van een fictieve wereld. In zo’n fictieve wereld van eigen fabricaat was er ruimte ontstaan voor een geloof in menselijke almacht. Door dit geloof konden de nazi’s tot de overtuiging komen dat letterlijk alles mogelijk was geworden.  Zo leidde deze fictieve wereld volgens Arendt tot experimenten die ‘weliswaar aan de menselijke verbeelding kunnen ontspruiten, maar die nog nooit eerder werden uitgevoerd.’ 

Volgens Arendt waren deze afschuwelijke ontdekkingen in het rijk van het mogelijke geïnspireerd door een ideologische wetenschappelijkheid, die niet gehinderd werd door redelijke tegenargumenten en zich eerder voegde naar de wildste fantasieën van pre-wetenschappelijke en pre-filosofische speculatie dan naar feiten die voor iedereen controleerbaar zijn. Er werden geheime genootschappen opgericht en een geheime politie. Kortom, er was sprake van ‘een samenzwering op klaarlichte dag’. Onder de ogen van iedereen was een fictieve wereld ontstaan die gesitueerd was voorbij goed en kwaad. 

In deze tijd van complottheorieën en viruswaanzin, een tijd ook van gekoesterde waandenkbeelden en voor het gezonde verstand onnavolgbare radicaliseringsprocessen die uit kunnen lopen in massaal geweld, zijn er nog altijd  – of wederom –  mensen die worden meegevoerd  in ‘fictieve werelden die zich vormen volgens fictieve regels’. Met dat actuele gegeven voor ogen klinken de bovenstaande woorden van Arendt opvallend actueel. Wat waren die regels van een fictieve wereld waar zij destijds over sprak toen ze de totalitaire leiders van haar eigen tijd voor ogen had? En als die regels te achterhalen zijn, hebben zij dan ook iets te maken met de regels die bepalend zijn voor het ontstaan van een waan of een waanwereld in het algemeen?  Anders gezegd, wat is het algoritme van de waan? Wie dat algoritme kan achterhalen heeft misschien wel de sleutel in handen om het oudste probleem te kunnen oplossen. Waarom bestaat er zoiets ongerijmds als  het  kwaad in de wereld? Die aloude vraag wordt door het fenomeen Adolf Hitler op scherp gesteld, misschien wel juist omdat hij zich steeds meer verwijdert in de tijd. 

Mensen kunnen bereid zijn om de meest waanzinnige dingen te geloven, niet alleen als het gaat om een politieke religie, maar ook als het gaat om de religie zelf. Maar wat is een waan en wat is geloof? Op die vraag heb ik nooit een bevredigend antwoord kunnen vinden sinds het geloof in een goede God voor mij op een onoverkomelijk obstakel is gestuit: het ultieme kwaad in de wereld. Sindsdien kan ik een vorm van godsgeloof niet meer wezenlijk onderscheiden van een waan, zeker niet in deze tijd van complot-theorieën. Geloof en waan zijn wellicht twee systemen die nauw aan elkaar verwant zijn, omdat beide systemen beelden creëren die niet met het gezonde verstand te rijmen zijn en toch bevrediging bieden voor een sterk levende behoefte. Die verwarring tussen waan en werkelijkheid, tussen geloof en ongeloof, is voor mij niet los te zien van mijn vreemde herinneringen aan mijn pubertijd, toen ik zelf van de ene op de ander dag in een waanwereld belandde. Sindsdien is die herinnering toetssteen geworden van al mijn gedachten over de aard van het bestaan in een goddeloze wereld.    

De snelle secularisatie van de jaren zestig is een thema dat me al meer dan tien jaar bezig houdt. Ik schreef er boeken over, niet alleen aan de hand van mijn eigen ervaringen als psychiatrisch patiënt in de jaren zestig, maar ook als spiegelbeeld van Gerard Reve die zich in 1966 bekeerde tot het katholieke geloof, terwijl ik in die tijd dat geloof juist verloor. De herinneringen aan mijn eigen waanwereld vormden ook het vertrekpunt voor mijn eerdere beschouwing over de vervagende grens tussen psychose en radicalisering, maar ook over rouw en depressie na de dood van God. 

Psychiatrie, filosofie en theologie zijn de terreinen die mijn belangstelling trekken en het heeft enige tijd moeten duren alvorens ik besefte dat in het centrum van die belangstelling de historische figuur van Adolf Hitler staat. Ik raakte gefascineerd door de vragen die hij oproept, maar ook door de impact die hij achteraf beschouwd op mijn leven heeft gehad. Niet alleen op het verloop ervan, maar zelfs op het feit dat ik überhaupt besta. Het is de vraag of ik ook op de wereld was gekomen als Hitler de oorlog gewonnen had. 

In dit boek wil ik een poging wagen om wat dichterbij te komen bij het probleem dat aan al mijn fascinaties voorafgaat: wat is de oorsprong van het kwaad? Met het verdwijnen van transcendentie lijkt het onmogelijk geworden om een afdoende verklaring te vinden het kwaad in de wereld. Daarmee verdween voor mij ook de mogelijkheid om mij met het kwaad te verzoenen. De psychotische waan, die mij op mijn achttiende jaar overviel, had alles te maken met een revolte tegen deze beklemmende status quo van de seculiere mens. Hoe kun je leven met het kwaad, als er geen God meer is die je op het kwaad kunt aanspreken? Die vraag stond aan de basis van mijn psychotische waan. Geldt dat verband tussen het kwaad en de waan alleen voor mijn eigen waanwereld van destijds of bestaat er ook een verband in een breder perspectief? Kortom, wat heeft de waan met het kwaad van doen? Wat is het algoritme van de waan?

Een algoritme is volgens het woordenboek een reeks bij elkaar horende instructies om vanuit een gegeven begintoestand tot de oplossing van een probleem te komen. Het woord algoritme heeft een kwalijke klank gekregen sinds complexe computersystemen met behulp van algoritmen het gedrag van grote groepen mensen kunnen analyseren en beïnvloeden. Algoritmes stellen werkgevers in staat om werknemers te surveilleren. De overheid maakt gebruik van algoritmen op belastingfraudeurs op te sporen. Door algoritmen kunnen gebruikers van sociale media in een fuik desinformatie en nep-nieuws belanden waardoor complot-theorieën kunnen ontstaan. 

Dit is technocratische schaduwkant van het algoritme die haaks staat op de subjectiviteit van het individu. Mijn belangstelling richt zich op subjectiviteit zelf, de imaginaire kracht van de geest die aan de waan ten grondslag ligt en wellicht ook een eigen algoritme kent. Wat zijn de achtereenvolgende stappen waardoor het gezonde verstand uiteindelijk in een waanwereld belandt? Is dit stappenplan soms een basisvoorwaarde van de geest om zich staande te houden? Is er een gezonde geest denkbaar die niet gepredisponeerd is voor de waan? Kortom, zit er een systeem de waan zelf,een algoritme, a method in madness?

Als je een probleem niet in één keer kunt ontrafelen, dan moet je het uitsplitsen in deelproblemen die je achter elkaar kunt zetten of uitspreiden in de tijd. Zo ontstond bij mij het idee om Hitler als casus te nemen voor de oplossing van dit probleem. Hoe is het met de beeldvorming van Hitler vergaan in de tijd dat God uit de wereld verdween? Dat is een veranderend inzicht geweest dat niet noodzakelijkerwijs ook een voortschrijdend inzicht hoeft te zijn. Integendeel, de naoorlogse secularisering zou het zicht op de, op het oog ‘demonische persoonlijkheid’ van Hitler ook belemmerd kunnen hebben. Hoe dan ook, die tijd van de secularisering was de tijd van mijn generatie: de babyboomers. 

Babyboomers zijn te laat geboren en droomden daarom hun leven lang alsnog de held te kunnen worden die ze van de geschiedenis niet mochten zijn. Maar bij het aanbreken van een nieuw millennium, hadden de babyboomers hun beste tijd wel zo’n beetje gehad. De ‘linkse elite’ (wat dat ook zijn mocht) kwam in de beklaagdenbank te staan toen het populisme overal de kop op stak, niet alleen in Nederland maar ook elders. Pim Fortuyn was wellicht de laatste babyboomer die in 2002 de revolutie predikte, maar wel door het morele faillissement uit te roepen van zijn eigen generatie die er in zijn optiek een puinhoop van gemaakt had. Wat had de revolutie van the sixties nu eigenlijk opgeleverd?

Ook met die vraag voor ogen ben ik zoek gegaan naar de sporen van Hitler in mijn eigen leven. Hitler en de babyboomers, ze lijken elkaars tegenpolen, maar ze hadden ook iets gemeen. Er zat een religieuze kern in de koortsdroom van the sixties, zoals het nationaal-socialisme wellicht een politiek substituut was voor een verdwijnend christendom, maar dan met een radicale ompoling van goed en kwaad. Als de hemel verdwijnt ontstaat het verlangen om een hemel op aarde te creëren. Zo kruipt de waan waar hij niet gaan kan.  Het verlangen naar transcendentie lijkt onuitroeibaar te zijn, ook in de wereld van vandaag, al is het voor velen ondenkbaar geworden dat er meer is tussen hemel en aarde dan de wetenschap ons laat zien. De condities voor een fictieve wereld met zijn fictieve regels zijn nog altijd aanwezig misschien wel meer dan ooit. 

Als Hitler er niet was geweest, zou God wellicht niet uit Jorwerd zijn verdwenen. Omgekeerd, als Hitler de oorlog had gewonnen, waren er geen babyboomers gekomen. De oorlog van de babyboomers begon toen de oorlog voorbij was. Het is de tragiek van elke generatie dat het de fouten van haar voorgangers herhaalt, maar dan in een andere vorm. Maar was het Hitler niet ook zo vergaan? Kwam zijn waan voort uit een verziekte tijd die aan hem voorafging? Of was er meer aan de hand? Wilde Hitler een nieuwe religie stichten in een goddeloos geworden tijd? 

Hoe meer Hitler zich in de tijd verwijdert, hoe meer hij de kleur aanneemt van de twintigste eeuw. Dat was een eeuw van waandenkbeelden en massamoorden. Een eeuw van modernisme en vooruitgang, maar ook van heftig verzet daartegen. Maar waren vooruitgang en verzet niet keerzijden van dezelfde medaille? Hoe modern was Hitler zelf? Zat er een methode in zijn vorm van waanzin? 

Kortom, wat is het algoritme van de waan in alle betekenissen die deze vraag kan hebben? Het woord algoritme kan immers ook betrekking hebben op de waan zelf. Wat is het stappenplan in het ontstaan van een waanidee, een waanwereld, een irrationele wereldbeschouwing, een geloof in een andere of hogere werkelijkheid of het opduiken van een complottheorie. Deze op het oog zeer uiteenlopende trajecten die geest kan doorlopen hebben wellicht iets gemeen. Naar die mogelijk grootste gemene deler ben ik opzoek gegaan, terwijl ik mij gaandeweg realiseerde dat om dit verband werkelijk te kunnen doorgronden een sprong naar een andere modus van de geest wellicht nodig zou zijn, een Gestaltsprong, die tegelijk een sprong in de afgrond van het kwaad zou kunnen zijn. Wie de poorten van de waan wil openen, kan niet alleen in hemel, maar ook in de hel belanden.  

Wat is het basale patroon van de waan? Die vraag duikt in dit boek telkens weer op. De achtereenvolgende hoofdstukken van dit boek vertonen de chronologie van mijn eigen leven, maar bieden tegelijk ook een terugblik op de veranderende beeldvorming van Hitler. Daarbij voeren verschillende zienswijzen achtereenvolgens de boventoon zonder hun samenhang te verliezen: de psychiatrie, de theologie, de kunstgeschiedenis en de filosofie. Zo biedt dit boek een terugblik op de naoorlogse periode in de spiegel van Hitler, een zoektocht naar de aard van het kwaad in het algoritme van de waan.

Reageer