Waar ligt het Stalingrad van Poetin?

“Net zoals Hitler met een korte verrassingsaanval dacht de Sovjet-Unie te kunnen verslaan, zo dacht Poetin met een snelle, agressieve aanval Oekraïne tot overgave te kunnen dwingen, aldus Freedman. “Beiden hebben de tegenstander onderschat. En beiden lijden als gevolg daarvan.”Het mislukken van Hitlers invasie van de Sovjet-Unie was het begin van de ondergang van nazi-Duitsland. Nu zullen de Oekraïense troepen Moskou waarschijnlijk niet bereiken, maar “een nederlaag kan Poetins regime alsnog in gevaar brengen” 

Dat verklaarde de militair historicus Sir Lawrence Freedman gisteren in een interview. Hij voorspelt dat Poetins oorlog in Oekraïne zal vastlopen en uiteindelijk door Poetin en de Russen als een fiasco zal worden ervaren. Een wonderlijk optimistisch geluid in deze donkere dagen. Er zijn immers nog meer overeenkomsten tussen Poetin en Hitler, waar hij aan voorbijgaat. Ten eerste kun je van Poetin zeggen dat hij – net als Hitlers destijds – geestelijk niet in balans is. Beiden hebben een traumatisch patroon in hun eigen psyche geprojecteerd op een hun eigen volk en natie, met alle (mogelijk) fatale gevolgen van dien.

Bovendien lijdt Poetin – net als Hitler destijds – aan zoiets als een Verlossers- of Messias-syndroom. Je zou het ook een roepingswaan kunnen noemen. Wie daarmee behept is, denkt steeds meer in zwart-wit en gaat daarbij tot het uiterste, al zou hij daarmee uiteindelijk een martelaar van het eigen volk moeten worden. Dat proces passeert op een gegeven moment een point of no return. Voor Hitler was dat de zogeheten ‘Nacht van de lange messen’ in 1934. Voor Poetin is dat wellicht de moord op oppositieleider Navalny geweest.  

‘Adolf Hitler was een Jeanne d’Arc, een heilige. Hij was een martelaar. Zoals veel martelaren had hij extreme opvattingen.’

Dat verklaarde de Amerikaanse dichter Ezra Pound (1885-1972) in een interview met Ed Johnson op 8 mei 1945, de dag dat Duitsland capituleerde. Al ver voor de oorlog was Pound naar Italië vetrokken, waar hij onder de indruk raakte van het fascisme van Mussolini. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd hij een bevlogen aanhanger van Hitler. Talloze malen getuigde hij daarvan in ‘gesproken brieven’ voor Italiaanse radiostations. 

Op 28 april, een week voordat Pound de vergelijking maakte tussen Hitler en Jeanne d’Arc, was Mussolini geëxecuteerd door communistische opstandelingen. Vijf dagen later werd Pound gearresteerd en uitgeleverd aan de Amrikaanse, militaire autoriteiten, die hem als landverrader gevangenzetten in Pisa. Later dat jaar werd hij overgebracht naar de Verenigde Staten, waar hij ontoerekeningsvatbaar werd verklaard, en vervolgens jarenlang – tot aan zijn vrijlating in 1958 – doorbracht op de gesloten afdeling van een aantal psychiatrische ziekenhuizen. In 1972 stierf hij eenzaam en vergeten in een hospitaal in Venetië. 

De mateloze bewondering voor Hitler was bij Pound stilaan overgegaan in een ziekelijke waan. Maar zijn woorden over de gelijkenis tussen Jeanne d’Arc en Hitler zouden school maken. Deze woorden gelden nog altijd als een ongemakkelijk statement, dat niettemin staat als een huis. Jeanne d’Arc en Adolf Hitler hadden iets gemeen. De een werd een martelaar en schutspatroon voor haar vaderland, de ander werd geen martelaar, maar na zijn nederlaag gedumpt op de schroothoop van de geschiedenis. Beiden hadden niet alleen extreme opvattingen gehad, maar ook een roepingswaan. Bij de een werd die waan uiteindelijk gezien als een ziekelijke ontsporing, bij de ander als een reddende ingreep van God om het vaderland te redden. Alles herhaalt zich in het algoritme van de waan, alleen de schutkleur van de tijd krijgt andere schakeringen. 

In mei ’68 hingen op de muren van Parijs affiches waarop het kruis van Lotharingen van De Gaulle was omgevormd tot het hakenkruis van Hitler. Het kruis van Lotharingen was ook het kruis geweest van Jeanne d’Arc. Ik weet niet of De Gaulle zich ooit gerealiseerd heeft dat Jeanne d’Arc in een waan heeft geleefd die door de waan van de late middeleeuwen onzichtbaar werd, zoals ook de waan van Hitler onzichtbaar werd door de waan van zijn eigen tijd.

Waren de stemmen van Jeanne d’Arc het symptoom van een geestesziekte of was er iets anders aan de hand? Menig onderzoeker heeft geprobeerd haar stemmen te verklaren in psychiatrische of neurologische termen, zonder daarbij veel acht te slaan op de historische context. Zo is gewezen op epilepsie, migraine, tuberculose en schizofrenie als mogelijke verklaring. Maar er bestaat geen consensus over deze kwestie. 

Hoewel hallucinaties en extreme religieuze gedrevenheid als symptomen kunnen gelden van allerlei psychiatrische ziektebeelden, zijn er toch ook andere aspecten van het leven van Jeanne d’Arc die daar strijdig mee zijn. Het zijn niet zozeer de gewijzigde opvattingen over geestelijke gezondheid, als wel haar uitzonderlijke militaire prestaties die de blokkade vormen om haar geestestoestand in eigentijdse psychiatrische termen te definiëren.

Jeanne d’Arc had een stem in haar hoofd gehoord die haar bevolen had dat ze haar land moest redden. Hitler hoorde geen stem in zijn hoofd, maar had wel een wonderlijke relatie met zijn eigen lichaam. Tijdens zijn toespraken viel hij gemiddeld twee kilo af, zo meldt zijn biograaf Kershaw, en als compensatie zorgden zijn medewerkers ervoor dat er altijd twintig flesjes mineraalwater naast zijn lessenaar stonden als hij stond te oreren.

Anderzijds kreeg hij steeds meer last van trillingen en wordt er wel beweerd dat hij leed aan een vorm van Post-encephalitsiche Parkinson, die hij – evenals zijn tijdelijke blindheid – had opgelopen bij een gasaanval in de loopgraven van de Eerste Wereldoorlog. Ook is wel gesuggereerd dat hij geleden heeft aan post-encephalitische vorm van sociopathie. Anders gezegd: een virale ontsteking van de hersenen die ook wel geconstateerd werd bij oorlogsveteranen en een diepgaande verandering in de persoonlijkheid teweegbracht, zoals het structureel onvermogen om goed en kwaad te kunnen onderscheiden.

Zo bezien waren het hakenkruis en het kruis van Lotharingen beide tekenen geweest die verwezen naar een vreemde wereld, voorbij het verstand. Maar het verwijst ook naar een ervaring die diep in mijzelf herinneringen oproept aan mijn eigen roepingsgwaan. Ik ben in de verste verte geen Hitler, Poetin, laat staan een Jezus in een nieuwe gedaante. Maar in het boek Tegen de tijdgeest schreef ik het volgende:

‘Ik had het syndroom van Jeanne d’Arc. Of je nu daadwerkelijk stemmen hoort of niet, als je direct gehoor geeft aan de stem van God of andere demonen, beland je in het gekkenhuis of op het slagveld. In het laatste geval kunnen sommige mensen in extreem afwijkende mentale condities het kennelijk heel ver schoppen, zo bedacht ik bij mezelf. ’

Jeanne d’Arc voelde zich geroepen om de rol van Verlosser van haar volk op zich te nemen. Ze hoorde stemmen van hogerhand. In haar geval waren die stemmen niet direct afkomstig van God, maar van de aartsengel Michaël. Evenals Hitler, die in 1918 na zijn hysterische gasverwonding zijn ‘Jeanne d’Arc-achtige stemmen’ hoorde, had ik de opdracht gekregen om mijn moederland te redden. Het Heilige Roomse Rijk was voor mij de Rooms-Katholieke Kerk, die in de hoogtijdagen van de secularisering ten onder dreigde te gaan. 

In zijn boek Filosofie van de waanzin stelt Wouter Kusters ook mijn psychotische waan uit 1966 aan de orde, zoals ik die beschreven heb in mijn bijdrage in het boek Tegen de tijdgeest, terugzien op een psychose (2011). Kusters behandelt mijn waan in een betoog dat handelt over ‘de profetenwaan’. Zo wijst hij erop dat het vaak moeilijk is om vast te stellen wanneer het zogeheten ‘omslagpunt’ zich voltrekt tussen inspiratie en waanzin. Bij een profetenwaan is dat extra gecompliceerd omdat een profeet, wil hij door zijn omgeving worden begrepen, zich moet bedienen van een taal die voor ieder- een toegankelijk is. ‘Profetische psychopatici’ zijn volgens Kusters minder concreet, stellig en vastomlijnd over wat zij ervaren dan doorgaans wordt verondersteld. 

Over mijn waan stelt Kusters: ‘Mous geloofde allicht – op zeker moment, in zekere zin – dat hij God of diens profeet was, maar het is onzinnig om een dergelijk moment uit de context te halen en er een bewijs in te zien dat Mous foutieve gedachten of ‘wanen’ had.’ Deze zin licht ik nu uit zijn context en ik voeg er voor alle duidelijkheid aan toe, dat ik destijds wel degelijk in een waanwereld verkeerde, al had ik tegenover niemand zullen erkennen dat ik dit zelf ook als zodanig ervoer. Ik verkeerde in een fictieve wereld, die in mijn brein gekopi- eerd werd uit brokstukken van literatuur. Ik werd een profeet omdat ik te veel over profeten gelezen had. En te veel ook over schuld. 

Je kunt je afvragen hoe Jezus van Nazareth het zelf ervaren moet hebben dat hij de Messias was. Dat is een vraag die ook de nazi-ideoloog Alfred Rosenberg heeft gesteld in zijn boek Der Mythus der XX. Jahrhunderts (1930). Rosenberg verwijst daarbij naar een passage in het evangelie van Marcus (Markus 8. 28-31), waar Jezus aan zijn discipelen vraagt wie zij denken dat hij is, en Petrus ant- woordt dat hij de Messias is. Vervolgens gebiedt Jezus hen het woord ‘Messias’ nooit in de mond te nemen en spreekt dan over het lot dat hem te wachten staat.

Onderweg vroeg Hij aan zijn leerlingen: “Wie ben Ik volgens de mensen?” Ze antwoordden Hem: “Sommige mensen zeggen dat U Johannes de Doper bent. Anderen dat U de profeet Elia bent. Weer andere mensen zeggen dat U één van de profeten bent.” Hij vroeg hun: “En jullie? Wie ben Ik volgens jullie?” Petrus antwoordde Hem: “U bent de Messias.” En Hij verbood hun streng om dit tegen andere mensen te zeggen. Jezus begon hun uit te leggen dat de Mensenzoon veel zou moeten lijden. Dat Hij niet geloofd zou worden door de leiders van het volk, de leiders van de priesters en de wetgeleerden. Dat Hij zelfs zou worden gedood. Maar ook dat Hij op de derde dag uit de dood zou opstaan. 

Rosenberg zag in deze passage het bewijs dat Jezus zichzelf niet als Messias heeft gezien, waarbij hij de mogelijkheid onbesproken liet dat Jezus slechts bedoelde dat hij nooit als Messias aangesproken wilde worden, gezien de zware last die nog op zijn schouders lag. 

Maar hoe zat het dan met Hitler? De ervaring dat je van hogerhand een buitengewone opdracht hebt ontvangen, kun je in een waan opdoen, maar je kunt die ervaring ook regisseren in een uitgekiende vorm van propaganda. Dat laatste is de mening van een aantal historici die zich met Hitler hebben beziggehouden. Je zou dit de seculiere interpretatie kunnen noemen. De messias-mythe van Hitler zou dan in feite geregisseerde propaganda zijn geweest, en daar zijn ook aanwijzingen voor. In 1943 liet Hitler een protocol voor een nieuw zelfbeeld ontwerpen, waarbij werd vastgesteld:

‘Directe en onvoorwaardelijke afschaffing van alle geloofsovertuigingen na de Endsieg… onder gelijktijdige proclamatie van Adolf Hitler als nieuwe messias….De Führer zal daarbij een positie bekleden die het midden houdt tussen verlosser en bevrijder – in ieder geval als gezant van God, die goddelijk eerbetoon toekomt. De aanwezige kerken, kapellen, tempels en heiligdommen van verschillende geloofs- overtuigingen moeten worden omgedoopt in Adolf Hitler Heiligdom.’

Onder het voorstel schreef Hitler: ‘Het eerste bruikbare ontwerp! Ter bewerking naar dr. Goebbels.’Pure propaganda dus. Maar was dat alles? In dat geval wordt voorbijgegaan aan de mogelijkheid dat het één het ander niet uitsluit. Misschien had Hitler wel degelijk een messiaswaan en liet hij dit fenomeen door zijn propagandamachine op perfecte wijze uitbuiten. Voor een messias heb je niet alleen een massa gelovigen nodig, maar ook zendelingen. Zoals Hitler zijn Goebbels had om het geloof te verkondigen in propaganda, zo had Jezus van Nazareth zijn Paulus. 

Patronen veranderen, maar het algoritme van de waan blijft gelijk. Kusters bespreekt in hetzelfde hoofdstuk waarin hij mijn waan (‘Plan’) behandelt, de waan van een patiënt (geval 53) die Conrad behandelt in zijn boek over de beginnende schizofrenie. Deze pati- ent, die eind jaren dertig psychotisch was geraakt, werd opgeroepen als soldaat in het Duitse leger en kwam uiteindelijk (waarschijnlijk) aan zijn eind in het euthanasie-programma, dat Hitler in oktober 1939 had uitgevaardigd.

Kusters schrijft over hem het volgende: ‘Net als bij Mous is er in het Plan van geval 53 een grote medespeler of adressant van de boodschappen. Terwijl Mous met zijn neo-katholieke geschriften naar de paus wilde, draait het bij geval 53 om adviezen en wijsheden voor Hitler.’

De paus of Hitler, wat is hier het verschil? Niets. Of beter gezegd: alles. In de waan herhaalt zich alles, tot in het oneindige, totdat alles verdwijnt in het niets… of totdat een nieuwe religie begint en de wereld gaat veroveren. Mijn roepinswaan werd gesmoord in een gesticht. Maar Poetin en Hitler gingen door op het slagveld, in het wenkend perspectief van een heilige oorlog. Wie behept is met een roepingswaan weet van geen ophouden. Geen nederlaag zal hem kunnen stoppen. En geen enkele overwinning is voor hem genoeg.

De roepingswaan verdwijnt pas na de laatste misrekening, waarna het paleis van de waan definitief in elkaar stort. Hitler kende zijn Stalingrad, maar waar ligt het Stalingrad van Poetin? Mocht hij daar ooit nog eens echt op stuiten, dan ligt de wereld om hem heen al lang in puin.

Reageer

Ontwaken in een goddeloze wereld

Europa heeft ongeveer de wil verloren om te leven. Je ziet het aan allerlei dingen. Het geboortecijfer is historisch laag, iets boven de anderhalve kind per vrouw. De gemiddelde leeftijd is historisch hoog. In Duitsland is dat nu 47 jaar. Maar met oude mensen kun je niet ten strijde trekken. Het feminisme is deels schuldig aan deze ontwikkeling.

Een van mijn boeken heet Seeing into the future. Het begint bij de Bijbel en eindigt in het heden. Hoe kan de mens de toekomst begrijpen? Tot 1700 moest je daarvoor uit het gewone leven stappen en je wijden aan hemelse inspiratie. Aan religie, meditatie. Daarna kwam de Verlichting en gebruikte je je hersens, je ratio. Tegenwoordig kijken we naar trends. We bestuderen het verleden en het heden en zeggen: als deze trend doorzet, kunnen we dit of dat verwachten. Een voorbeeld: de Long Peace waar ik het net over had. We hebben onszelf ervan overtuigd dat dit de trend was. Dat die zou doorgaan. Dus zou er geen oorlog komen. Nu is dat ineens niet zo duidelijk meer.”

Jullie hebben met je kop in de wolken gezeten. En gedacht dat alles draait om een moreel kompas. Zo naïef. Als ik nog één boek zou schrijven, dan zou het gaan over dingen die nooit zijn veranderd in de geschiedenis. Eén van die dingen is, helaas, barbarij.

Dit zijn enkele citaten uit een interview met de militair historicus Martin van Creveld in de NRC van gisteren (zie hier). Barbarij is blijkbaar weer terug in de wereld. Of beter gezegd, die barbarij is nooit weggeweest, al hebben we in Europa tachtig jaar zitten dromen over een eeuwigdurende vrede in het tijdperk van de babyboomers. Dat is de generatie die geboren werd na een wereldoorlog die de laatste zou zijn geweest. De mensheid had er immers van geleerd dat het nooit meer zijn menselijkheid zou moeten verliezen, en die dus ook niet meer zóu verliezen. 

Als het gaat om het verlies van menselijkheid waren alle ogen tot voor kort gericht op de moslim-fundamentalisten met hun hang naar terrorisme. Sinds de inval in Oekraïne zijn de ogen gericht op Poetin en zijn kompanen als het om verlies van menselijkheid gaat. Nog slechts enkele decennia geleden waren het de nazi’s die hun menselijkheid verloren. Wat zijn hier de verschillen en wat is de overeenkomst? Kan het soms zo zijn dat het verlies van menselijkheid zich aandient als het vermoeden gaat dagen dat het bestaande wereldbeeld geen stand zal houden? Anders gezegd, als het vermoeden gaat dagen dat er geen afgezonderd domein meer bestaat voor een geloof of een wereldbeschouwing. Als het angstige vermoeden gaat knagen dat men als laatste gelovige van een religie of laatste aanhanger van een verdwijnende ideologie zal worden weggevaagd in de storm van de geschiedenis? 

De nazi’s begrepen voor het eerst de uiterste consequentie van Nietzsches boodschap dat ‘menselijke waarden’ slechts de schaduw zijn van het christendom, dat zijn transcendente fundering verloren had. De humanitaire doelen van het christendom waren blijven voortbestaan, maar de grondoorzaak was in de geschiedenis achter- gelaten. Die leemte schiep ruimte voor een nieuwe schaduwmoraal in de storm die plotseling was opgestoken. 

De theologisch vragen die Auschwitz heeft opgeroepen zijn bepalend geweest voor het naoorlogse denken over God en moraal. ‘De eclips van God in Auschwitz’, zoals Martin Buber het noemde, heeft de mens teruggeworpen op zichzelf. Christenen hadden tweeduizend jaar lang gepredikt dat Christus zijn kruis ook voor alle stervelingen – in casu christenen – gedragen had. Daarmee zou hun verlossing reeds zijn volbracht, terwijl de Verlosser toch duidelijk had aangegeven, dat iedereen zijn eigen kruis op zich moet nemen. Door die theologische misvatting waren de Joden ‘godsmoordenaars’ geworden, een banvloek die zelfs na de dood van God zou blijven voortbestaan. Zo luidde in de kern de conclusie van Ignaz Maybaum in zijn boek The Face of God after Auschwitz (1965). Maar daarmee was het probleem van het kwaad er niet minder op geworden, integendeel. 

Bestaat er een verband tussen secularisering en nieuwe vormen van waan, waarin ook het kwaad zich kan manifesteren? Deze vraag loopt parallel met de vraag of de opkomst van het nationaalsocialisme in laatste instantie een gevolg is geweest van de door Nietzsche aangekondigde dood van God. Of je het nu een Ersatzreligion noemt, een gedegenereerd substituut voor het christendom of zelfs een terugkeer van een vorm van gnosis met een radicale ompoling van goed en kwaad, telkens is het verdwijnen en verschijnen van de religie de zaak waar het om draait. 

Zoals gezegd, naarmate de secularisatie verder om zich heen grijpt, blijkt dat de meeste mensen heel goed zonder religie kunnen leven. Ze hebben er geen last van, laat staan dat ze psychische kwalen ontwikkelen. Je zou hooguit kunnen stellen, dat een al te snelle ontstijging aan een religieus wereldbeeld in sommige gevallen een geestesziekte kan veroorzaken. Zoiets zou je een ‘metafysische caissonziekte’ kunnen noemen. Dat geldt overigens niet alleen voor het te snel verdwijnen van religieuze wereldbeelden, maar voor elke ideologie of sociale biotoop.

Secularisatie is meer dan alleen een afscheid van de religie. In wezen is het een proces van ontworteling en het genezen van zo’n geestelijke breuk heeft tijd nodig. Hitler was voor alles een ontworteld mens, zoals ook Erich Fromm concludeerde: ‘…niet zozeer omdat hij een Oostenrijker was die zich uitgaf voor Duitser, maar omdat hij niet geworteld was in een sociale klasse. Niet alleen psychologisch, ook sociaal was hij een eenzaam mens. Hij kende geen andere wortels dan de meest archaïsche, die van ras en bodem.’ 

Hitlers waanwereld is kunnen ontstaan door een te snelle ontstij- ging aan een wereld met een veilige en vertrouwde Weltanschauung. Maar er is ook een ander aspect van religie dat in deze redenering niet tot uiting komt. Religie, zo wordt wel beweerd, beantwoordt aan een menselijke behoefte om een domein van het gewone leven af te zonderen voor wat als ‘heilig’ wordt ervaren. Dat domein wordt in de religie gereserveerd voor datgene wat onbegrijpelijk is en boven alles uitgaat. Noem het het mythische, het geheimzinnige, het ontzagwekkende of numineuze.

Dat afgezonderde domein wordt gevuld met vaststaande rituelen. Het wordt geconsacreerd als een gebied waar alles anders is dan anders. Kortom, het wordt een gedoogzone voor een gelegitimeerde, collectieve waan. Je mag er alles van denken, voor zover het in de Heilige Boeken voorkomt of in Gods openbaring is onthuld. Zo wordt het domein van de waan in de religie in quarantaine genomen. Of – in de redenering van Freud: de neurose van de religieuze projectie heeft velen behoed voor ernstiger vormen van geestelijke ontsporing. 

Je zou je ook de kunst zo’n domein van quarantaine voor de waan kunnen noemen, een afgezonderde collectieve enclave, waar waar het onbevattelijke een geheiligde plaats krijgt om het leven aan te kunnen. ‘We hebben de kunst uitgevonden, om niet aan de waarheid te hoeven sterven,’ zei Nietzsche. Met het verdwijnen van de religie lijkt de kunst ook steeds meer de functie van de religie over te nemen, zeker nu de kunst een geheim verbond is aangegaan met de cultuurindustrie en de allesbepalende krachten van de economie. Het heilige wordt opnieuw afgeschermd als ‘de wereld van de kunst’, een afgesloten domein dat andermaal gevuld wordt met esoterische rituelen. 

Maar ook de rituelen van de kunst verliezen gaandeweg hun kracht. In de afgelopen decennia is kunst steeds autonomer geworden en daarmee steeds meer in een maatschappelijk isolement ge- raakt. Kunst is geen voertuig meer van een revolutie of de belofte van een betere wereld, maar grotendeels ingekapseld in de wereld van het spektakel. Je kunt als kunstenaar alleen nog ontsnappen aan het systeem door voor jezelf de illusie in stand te houden dat een ontsnapping mogelijk is, bijvoorbeeld door in het hart van systeem zelf te infiltreren. Het autonoom worden van de kunst is een hardnekkig proces van zelfbegoocheling en zelfverloochening, want zelfs de vermeende ontsnapping in het hart van het systeem is een autonoom procédé en daarmee gestoeld op een waanidee. Zo’n proces van zelfbegoocheling en zelfverloochening is eigen aan de waan en ook typisch menselijk. Een mens heeft wanen nodig. 

Kan een mens in moreel opzicht volledig op zichzelf vertrouwen, los van welke religie dan ook? Die vraag heeft het nazisme gesteld en die vraag is voor velen nog altijd niet beantwoord. De ontzetting over een ‘God na Auschwitz’ die in de eerste decennia na de oorlog bij theologen te bespeuren was, bestaat niet meer. Maar het is een misvatting te denken dat de leemte die God na Auschwitz heeft achtergelaten voorgoed is gedicht. Het beeld van een transcendente God is versleten geraakt in onze westerse wereld, of beter gezegd in het wereldbeeld dat in het Westen is ontstaan. 

Dat slijtageproces was al ver voor de oorlog op gang gekomen, maar kwam na 1945 in een stroomversnelling. De vraag is dan: is er iets mis met die God, of is er iets mis met dit wereldbeeld? Maar die vraag wordt nog maar zelden gesteld. Er is een blinde vlek ontstaan voor de kern van de zaak. Dat wil zeggen: voor het herkennen van zin en betekenis in het lijden van de mens, maar vooral ook in het herkennen van een betekenis in het kwaad. Het kwaad hoort bij de natuur, dat is alles wat er tegenwoordig nog over te zeggen valt. Maar zei Hitler dat ook al niet? Juist door deze fatalistische veronderstelling over de aard van het kwaad kunnen problemen ontstaan die buiten de orde vallen, zelfs buiten de wet. 

Hitler misbruikte de apocalyptische taal van het christendom omdat hij een politieke religie van start wilde laten gaan. Maar die politieke religie kreeg zijn beslag in een sfeer van materialisme en paganisme, waarin geen enkele ruimte meer was voor iets dat het leven of de natuur te boven of te buiten ging. Het ging om de strijd om het bestaan als zodanig, een strijd die het meest eigen zou zijn aan de natuur zelf. Al in Mein Kampf had Hitler de nieuwe natuur- wet van de moraal verwoord.

Als de mens een poging zou ondernemen om te vechten tegen de ijzeren logica van de natuur, dan zou hij in conflict komen met de basisprincipes waaraan hij zijn bestaan als mens te danken had. Hitler schreef: ’Een sterker geslacht zal de zwakken verjagen, omdat de drang tot leven in de ultieme vorm alle belachelijke boeien van een zogenaamde humaniteit van het individu altijd weer zal verbreken, om de plek ervan te laten innemen door de humaniteit van de natuur die de zwakke vernietigt om plaats voor het sterke te maken.’

Het genadeloze recht van de sterkste was dus een nieuwe vorm van ‘humaniteit’. Er ontstond zelfs een nieuw soort vroomheid, waarmee deze heilige wet van de natuur werd omarmd. De natuur was niet alleen humaan, maar ook almachtig en tegelijk heilig ge- worden, dat wil zeggen: bezield met de macht van de Almachtige, wiens wetten onderworpen zijn aan een onveranderlijke wil die niet kan worden beïnvloed. Daarom was het noodzakelijk deze wetten te erkennen en klakkeloos te gehoorzamen. Er was geen waarom meer. Wie die vraag stelde kreeg als antwoord: waarom denk je dat je geboren bent? De moraal werd een gebeuren. De dingen gingen voortaan vanzelf. Ze toonden zich in het worden van de werkelijkheid. Elk besluit was een noodlot. 

Het verschijnsel kwaad werd zo volledig afhankelijk van een betekenis in het lexicon van de natuur. Maar de natuur zelf heeft geen lexicon, laat staan een lemma over goed en kwaad. De natuur is een grote leegte die op dit soort vragen geen antwoord geeft. De natuur is een diepe put waar alleen de echo’s van onze eigen woorden in opklinken. En wat voor de natuur geldt, gaat eens te meer op voor het collectieve verleden dat het individu overstijgt. De geschiedenis is ongrijpbaar, het is je eigen echo die je terughoort vanuit de put waarin je roept, zoals E.H. Kossmann heeft beweerd. 

Wat hier is gaan schuiven is het verschijnsel transcendentie. In de Romantiek werd de ‘God van de bovenwereld’ vervangen door ‘een wordende god’ die zich manifesteert in de natuur en de geschiedenis. Het evolutie-idee kwam in de plaats van de God die met zijn openbaring inbrak in de geschiedenis. De verticale as tussen hemel en aarde werd vervangen door een horizontale as tussen verleden en toekomst. Dat was het begin van een proces dat uiteindelijk naar Hitler zou leiden. Want waar was het kwaad gebleven? Het kwaad werd een woord als alle andere woorden en dat proces van devaluatie is nog altijd gaande, waarbij telkens weer beladen begrippen uit het verleden van een nieuw lading worden voorzien. 

Na 9/11 – en vooral na de moorden op Pim Fortuyn en Theo van Gogh – kreeg Nederland een probleem met de puinhopen van de multiculturele samenleving. In een televisiedebat met Fortuyn in 2002 moest Joost Zwagerman zich verantwoorden voor zijn bewering dat Fortuyn ‘de bruinhemden’ in de kaart had gespeeld. Daarbij wist Zwagerman zich nauwelijks staande te houden. Zeven jaar later – toen zijn essaybundel met als titel Hitler in de polder & vrij van God (2009) inmiddels was verschenen – nam Zwagerman stelling tegen de mensen die Geert Wilders voor het gerecht hadden gedaagd omdat Wilders de islam met de nazi-ideologie had vergeleken. Er werd met twee maten gemeten, zo luidde Zwagermans conclusie.        

Zelf was hij in alle vrijheid van zijn katholieke geloof kunnen vallen en dat moesten moslims in Nederland ook kunnen, zo beweerde hij. In de laatste decennia ging er in Nederland telkens weer iets mis zodra de religie in het geding kwam in relatie tot het kwaad van de nazi’s. Zwagermans standpunten in dit soort kwesties waren lang niet altijd even consequent. Hij bewoog zich in een mijnenveld of een niemandsland. Religie en mystiek waren in Nederland uit het discours van de culturele elite verdwenen. Achteraf bezien moet je Zwagerman nageven dat hij meerdere malen op dit pijnlijk gemis heeft gewezen, waarbij hij bovendien de moed had om een vergelijking te maken met de tijd toen Hitler aan de macht kwam. 

Reageer

De duivel in het gewaad van de waan

‘Poetins beeld had de publieke ruimte doeltreffend vernietigd. Het internet had zich de voorgaande tien jaar net zo ontwikkeld als in andere landen, maar het nam de eigenaardige gedaante aan van een reeks informatiebubbels. Amerikaanse onderzoekers die de blogosferen van de wereld ‘in kaart brachten’, stelden vast dat de Russische blogosferen in tegenstelling tot de Amerikaanse – of bijvoorbeeld de Iraanse – die een reeks overlappende cirkels vormde, uit afzonderlijke, niet met elkaar verbonden cirkels bestond. Het was een dystopie van het informatietijdperk: een oneindig aantal echokamers. Dat gold bovendien niet alleen voor het internet. Het Kremlin keek naar zijn eigen televisie, de grote zakenwereld las haar eigen kranten, de intelligentsia volgde haar eigen blogs. Geen van die groepen was zich bewust van de werkelijkheid van de andere groepen, waardoor elk soort massademonstratie onwaarschijnlijk was.’ 

Dat schreef Masha Gessen zo’n tien jaar geleden in haar boek De man zonder gezicht, de macht van Vladimir Poetin. Het zijn herkenbare zinnen over de informatiefuiken van het internet die door een autocratisch regime volledig worden gemanipuleerd, gecontroleerd en voor de massale onderonderdrukking van het volk worden ingezet. In wezen zitten wij in het Westen met onze groeiende ‘informatiefuiken in een vergelijkbaar schuitje, maar hier heb je gelukkig nog geen overheid die alles in de gaten houdt en voor zijn eigen kar spant. Zoals Hitler zijn radio had om het Duitse volk te hersenspoelen, zo gebruikt Poetin het internet. Zo ontstaat een giftig mengsel van absolute macht in handen van een gestoorde geest, en de collectieve waanwereld van een heel volk. De duivel verhult zich in het gewaad van de waan.

Midden in de coronapandemie verscheen het boek van Roel van Duijn, Het echte complot, de waarheid achter de wanen (2021). Het ‘echte complot’ zou volgens hem een kongsi zijn van rechtse partijen in het Westen en dictatoriale staten in het Oosten, Rusland voorop. Van Duijn zag zelfs een Derde Wereldoorlog opdoemen, waarin niet meer gevochten wordt met wapens, maar met digitale en psychologische wapens en valse-vlag-operaties. Het zou volgens hem een even smerige oorlog worden als de vorige. Toen ik dit las, leek het mij toe dat Van Duijn de juiste maat uit het oog had verloren, zodat ik zelfs even dacht dat hij met zijn denken over complottheorieën zelf het slachtoffer was worden van de kwaal die hij beschreef. Een paar maanden na het verschijnen van dit boek besloot Poetin om een oorlog te beginnen tegen Oekraïne. De woorden van Van Duijn klonken opeens eens stuk minder paranoïde. 

In mijn boek Het algoritme van de waan ben ik op zoek gegaan naar de algoritmes van wanen, niet alleen in de tijd van het nationaalsocialisme, maar ook in de naoorlogse periode, in de tijd van de wederopbouw toen het godsbeeld van het christendom wat sleets begon te worden, en vervolgens in de jaren zestig, toen de babyboomers het heden heilig verklaarden en ik zelf als babyboomer in een psychose belandde. Maar ook in de tijd van het postmodernisme, toen de waarheid en uiteindelijk zelfs Hitler een fabel werd. En tenslotte, in het hedendaagse complotdenken, dat wonderlijk genoeg soms een nieuwe verschijningsvorm van de religie lijkt te zijn, een pseudo-religie in tijden van goddeloosheid. 

Maar ook demogelijk ‘helende kracht’ van de waan wil ik nader bezien in het licht van het brede betekenisveld dat het woord ‘waan’ kan hebben: van waanidee tot waanwereld, van religieus geloof tot het geloof in een totalitair leiderschap of zelfs een complottheorie. Bestaat er soms een basisstructuur die al deze vormen van waan met elkaar verbindt? 

Als je de feiten uit de recente geschiedenis opnieuw wilt ordenen binnen het chronologisch stramien van je eigen leven, stuit je vroeg of laat op een probleem. Wat ontbreekt is het onderliggend verband, het grote verhaal. Het weergeven van de geschiedenis ont- komt niet aan interpretatie, dat wil zeggen: weglaten, benadrukken, uitvergroten en minimaliseren. Wie een verhaal vertelt over wat hemzelf is overkomen, vertelt een geschiedenis van feiten, die in feite beschreven worden als fictie, en niet een exacte chronologie van de feiten, want dat zou niet te lezen zijn. Vaak wordt voorbijgegaan aan het gegeven dat een fictie meer is dan alleen maar een verzinsel, een fictie is ook een maaksel, en in die zin een product van een creatieve daad. Voor de geschiedenis is een creatief verzinsel zelfs noodzakelijk. Wij manipuleren voortdurend de tijd door er een andere volgorde aan te geven. Schrijven is dan ook primair een spel met de tijd. 

Jaren geleden ontstond in de muziekwereld enige ophef over een merkwaardige fenomeen dat backmasking werd genoemd. In sommige muzieknummers zou een satanische boodschap zijn verstopt, die je alleen te horen kreeg als je de muziek achterstevoren zou aspelen. Toen ik mijn boek Het algoritme van de waan voltooid had, heb ik even overwogen om met deze complottheorie in gedachten alle zinnen van dit boek in omgekeerde volgorde achter elkaar te zetten. Misschien zou op deze wijze de satanische code onthuld kunnen wo den die de waan verbindt met het ultieme kwaad. Maar deze waangedachte heb ik terzijde geschoven. Ik ben geen complotdenker. Wel heb ik het principe van de omkering toegepast op de volgorde van de hoofdstukken en heb ik de tijd achteruit laten lopen.

In 2020, in de hoogtijdagen van de eerste corona-golf verscheen The Hitler Conspiracies van Richard J. Evans. Zijn boek handelt over de vraag hoe de paranoïde waan verbonden is geweest met Hitler en de nazi’s. Evans onderzoekt dit aan de hand van aantal complottheorieën die in het Derde Rijk de kop op staken, zoals bijvoorbeeld de vraag of de Protocollen van de Wijzen van Zion voor de nazi’s een legitimatie hebben gevormd voor de vervolging van de Joden of de vraag of de ‘de dolkstoot-legende’ een feitelijke basis basis had in de realiteit?

De Protocollen van de Wijzen van Zion was een fictief verslag van een vergadering van Joodse leiders die in 1897 zou hebben plaatsgevonden, waarbij plannen zouden zijn gesmeed voor een Joodse wereldheerschappij. De Dolkstoot-legende was een complot- theorie die na de Eerste Wereldoorlog in Duitsland leefde en inhield dat de oorlog verloren werd doordat linkse revolutionairen het land hadden ondermijnd. 

Door dit soort complottheorieën opnieuw te bekijken met de kennis die recent onderzoek heeft opgeleverd vond Evans een nieuw kader, waardoor hij conclusies kon trekken over wat complottheorieën nu eigenlijk gemeen hebben. Een gemeenschappelijk aspect is volgens Evans een vaak voorkomende neiging om de wereld in goed en kwaad te verdelen. Zo geredeneerd zijn complottheorieën waanideeën over het kwaad. In die zin lijken zij een nieuwe verschijningsvorm of substituut van de religie te zijn. Ook de nazi-periode als geheel was wellicht zo’n nieuwe verschijningsvorm, maar dan een substituut-religie die een totale omkering liet zien van goed en kwaad. 

Wat is het algoritme van de waan? Wie die vraag kan beantwoorden heeft misschien wel de sleutel in handen om het oudste probleem op te lossen. Waar komt het kwaad in de wereld vandaan? Bestaat er een algoritme om dat probleem op te lossen? Een algoritme is volgens het woordenboek een reeks bij elkaar behorende instructies om vanuit een gegeven begintoestand tot de oplossing van een probleem te komen. Het is dus een rationeel geformuleerd pro- cédé dat gericht is op een oplossing. Ik wil de waan niet primair zien als een stapsgewijze ontsporing van het gezonde verstand of de rationaliteit, maar primair als een poging van de geest om een uitweg te vinden in een situatie die als onhoudbaar wordt ervaren.

Mijn vraag is of het stappenplan van de waan in geabstraheerde termen te formuleren is, zodat wellicht een grootste gemene deler zichtbaar wordt die een andere of ruimere definitie van het fenomeen waan mogelijk maakt. Dat is mijn vertrekpunt. Daarna pas komt de vraag of in de mateloze ‘oplossing’ van de waan alsnog iets waardevols te vinden is. 

Als je een probleem niet in één keer kunt oplossen, dan moet je het opsplitsen in deelproblemen die je achter elkaar kunt zetten of uitspreiden in de tijd. Zo ontstond bij mij het idee om met Hitler te beginnen. De vraag betekende in dit geval: hoe is het met de beeldvorming van Hitler vergaan in de jaren dat God uit de wereld verdween? Dat is een veranderend inzicht geweest dat niet noodzakelijkerwijs ook een voortschrijdend inzicht hoeft te zijn. De naoorlogse secularisering zou het zicht op de waanwereld van Hitler ook belemmerd kunnen hebben. 

Wie gedesoriënteerd of ontworteld raakt, wie zijn toekomst verliest of zijn geloof is niet direct geneigd om de toevalligheid te er- kennen die de werkelijkheid in al zijn registers doordringt. Men gaat dan op zoek naar een wetmatigheid die houvast kan bieden en die het ‘toeval van de werkelijkheid’ misschien enigszins kan elimineren. Als die wetmatigheid niet direct voorhanden is, kan in de patstelling die dan voor de geest dreigt te ontstaan ook de illusie van almacht opdoemen.

Maar voor die almacht moet men dan wel zijn toevlucht nemen tot het rijk van de fictie. En wie zijn eigen fictie als werkelijkheid kan aantonen, zal er uiteindelijk naar streven om de hele wereld onder controle te krijgen. Eenmaal op het pad van de waan komt men dan letterlijk van kwaad tot erger. De waan staat uiteindelijk voor de keuze tussen alles of niets. En met de keuze voor het alles is de waan ‘totalitair’ te noemen. De waan neemt de werkelijkheid dan letterlijk ‘in zijn totaliteit’ in bezit. 

Zo ongeveer zou het stappenplan van de waan eruit kunnen zien: de waan als vertrekpunt voor het totalitaire. Zo ook heeft Hannah Arendt dit proces in haar boek Totalitarisme in grote lijnen beschreven toen ze de ontvankelijkheid analyseerde van het geatomiseerde massa-individu in een situatie van spirituele en sociale ontworteling. De totalitaire macht vernietigt het publieke domein en vervolgens ook het privé-leven. Wat dan uiteindelijk ontstaat is in feite een diepe gewaarwording van eenzaamheid, van de ervaring niet meer tot deze wereld te behoren, wat een van de meest radicale en wanhopige ervaringen is van de mens.

Deze analyse van de totalitaire macht werd overigens later aangevochten door Daniel Goldhagen die stelde: ‘In tegenstelling tot Arendts veronderstellingen waren de daders niet zulke versplinterde eenzame wezens. Ze behoorden beslist tot hun wereld en hadden massa’s mogelijkheden die ze duidelijk gebruikten om hun exploten te bespreken en te overpeinzen.’  

Wie er nu gelijk had of niet, Arendt of Goldhagen, de vraag die onbeantwoord blijft is deze: hoe ontstaat een waanidee, een waanwereld, een irrationele of totalitaire wereldbeschouwing? Hoe duikt een complottheorie op of het geloof in een andere of hogere werkelijkheid? De analyse van de totalitaire systemen die door Arendt is ontwikkeld vormde voor mij een belangrijke inspiratiebron voor het schrijven van dit boek. Hoe kan het ultieme kwaad zich aandienen zonder dat het als zodanig wordt herkend.

In wat voor een waanwereld ben je dan beland? Wat waren de regels van de waan, waar Arendt op doelde toen ze de totalitaire leiders van haar tijd voor ogen had? Als die regels te achterhalen zijn, hebben zij dan iets te maken met de regels die bepalend zijn voor het ontstaan van een waan in het algemeen?  Het antwoord op die vraag is van wezenlijk belang. Nogmaals, de duivel verhult zich in het gewaad van de waan.

Reageer

De rest is stilte

Op 28 februari a.s. is het precies een jaar geleden dat ik in Tresoar in Leeuwarden mijn nieuwe boek mocht presenteren: Het algoritme van de waan, naoorlogse geschiedenis in de ogen van een babybomer. ( zie hier) Van alle boeken die ik geschreven heb – dat zijn er inmiddels zo’n stuk of zeven – ben ik met dit boek achteraf bezien het minst tevreden.

Het onderwerp was te groot. Ik heb me er aan vertild. Bovendien is het boek slecht geredigeerd. Ik zou het dan ook graag opnieuw willen schrijven, maar dat kan helaas niet. Toch is er iets raars aan de hand. De afgelopen tijd krijg ik steeds meer het gevoel, dat er in de wereld dingen gebeuren die ik in dit boek heb voorspeld. 

Op 24 februari a.s. is het twee jaar geleden dat Poetin begon met zijn zogeheten ‘militaire operatie’ in  Oekraïne. Inmiddels gaan er steeds meer stemmen op van militaire deskundigen die zeggen dat we met alles rekening moeten houden, zelf met het met meest ondenkbare. Als dat gebeurt is ‘de naoorlogse geschiedenis van de babyboomer’ echt geschiedenis geworden. Dan hoeft mijn boek ook niet meer te worden herschreven.

De rest is stilte.  Zo luidde ook de laatste zin van het laatste hoofdstuk. Dat ging zo.

***

De onweerstaanbare verleiding van het sublieme heeft de waan als geen andere geestestoestand te bieden. Dat is ook wat de waan van wrede despoten ons leert, van Caligula tot Hitler. En wellicht van Hitler tot Poetin. Er lijkt zich een cirkel zich te sluiten die de waanwereld van Hitler verbindt met de hedendaagse lijders aan viruswaan en complotdenken, met als sluitstuk de parallelwereld, waarin Poetin mogelijk is beland. Ook al is de geestestoestand van Poetin minder makkelijk tot een stoornis te herleiden, zeker is dat hij voor zichzelf een fictieve werkelijkheid heeft gecreëerd, met een eigen waarheid en een eigen fatale logica. In haar biografie van Poetin beweert Masha Gessen dat Poetin lijdt aan pleonexia: een stoornis die zich uit in het onverzadigbare verlangen te willen hebben wat anderen toekomt. Poetins besluit om Oekraïne binnen te vallen werd in sommige commentaren vergeleken met de Hitlers inval in maart 1938 in Tsjechoslowakije, een kantelmoment in de aanloop naar de Tweede Wereldoorlog.

Een waan is gevaarlijk omdat degene die er onder gebukt gaat, de werkelijkheid consequent gaat ontkennen. En als hij daarbij in zijn omgeving op weerstand stuit, gaat hij de werkelijkheid vernietigen. De waan duldt geen andere realiteit naast zich. De belangrijkste eigenschap van het gezonde verstand is wellicht dat het de mogelijkheid tolereert van alternatieve waarheden en werkelijkheden. Maar de werkelijkheid kan zo absurd zijn geworden dat alleen de waan een uitweg biedt. De waan kan zelfs een dekmantel zijn om de absurditeit van het kwaad af te weren of op zijn minst leefbaar te maken. Hitler voegde daar nog een nieuwe hoedanigheid aan toe: de mateloosheid van de waan, die leidt tot de mateloosheid van het kwaad. Dit kwaad had geen bodem en geen plafond, geen hel en geen hemel. Maar het was ook niet ‘het nietigende Niets’, dat Harry Mulisch meende te ontwaren in de geest van Hitler. 

Wat zijn waan ook is geweest, Hitler was niet psychotisch. De psychotische waan levert doorgaans slechts wartaal op, pure nonsens die alleen maar kan duiden op een verlies van elk redelijk verband en uiteindelijk zelfs op het verlies van elk moreel verband. Maar ook wartaal kan een ratio hebben. De wartaal die Hamlet uitsloeg had nog altijd zoiets als een objectief kader dat de organisatie van het leven lijkt over te nemen op het moment dat de ziel zichzelf verliest. De omlijsting neemt dan de leiding, het medium wordt de boodschap. Het objectieve kader van een onbegrijpelijke inhoud wordt het algoritme van de waan als dat kader een eigen leven gaat leiden en gaat rondzingen in zichzelf. 

Hitler heeft de waan wellicht voorgoed veranderd omdat bij hem de waan een intrinsiek verbond heeft gesloten met het kwaad. Na Auschwitz is in ieder geval het kwaad van gedaante veranderd doordat het is opgeschaald naar een voorheen ondenkbaar register van de werkelijkheid. Of je de tijd nu als cyclisch of lineair ziet, of je het kwaad opvat als een eeuwige wederkeer of als een verdwijnend fenomeen in het zicht van een toekomstige heilstaat of een eeuwig leven in een hiernamaals, dat alles klinkt nu hol en leeg. De traditie van het dualisme van goed en kwaad is ooit verbonden geweest met de opvatting dat de tijd in cirkels ronddraait.

Volgens Susan Neiman, die het boek schreef Het kwaad in het moderne denken, vraagt Auschwitz door zijn absurde onmogelijkheid die toch mogelijk bleek, zelfs om een wederopleving van transcendentie. Als dat zo is, dan hebben ook de opstandige gedachten van Nietzsche voorgoed afgedaan. In de goddeloze woestenij voorbij goed en kwaad beland je in een macaber niemandsland. De rampen die de totalitaire staat teweeg kan brengen zijn zonder de aanname van een transcendente werkelijkheid niet meer te rechtvaardigen. Maar is met de terugkeer van de transcendentie het probleem van het ultieme kwaad ook daadwerkelijk opgelost? 

Wie gaat nadenken over het kwaad komt vroeg laat voor de verleiding te staan om een abstractie tot een zelfstandigheid te verheffen. Het kwaad wordt dan zoiets als een schaduw, een afgrond, een demonische onderlaag van de ziel. Maar daarmee verwijdert het denken zich van de zaak waar het hier werkelijk om gaat, omdat een sterfelijk mens nu eenmaal niet over zijn eigen schaduw heen kan springen. Alleen een God zou dat misschien kunnen, maar die is er niet meer. En dan nog, goden filosoferen niet. Dat zei Plato al: ’Zij zijn verzadigd van weten; zij zijn de tijdgenoten van het begin en alleen zij kennen het ‘hoe’ van de wereld; zij zijn er de makers van en weten het ‘waarom’.

De illusoire uitweg die waan te bieden heeft, wijst de weg terug naar het onaanvaardbare, het ongerijmde, naar iets wat onbevattelijk is, vreemd en door het gezonde verstand vaak wordt ontkend, of waar al te gemakkelijk aan voorbij wordt gegaan. Zo kan de waan de geest meevoeren naar de afgrond van het bestaan, waar ‘het niets’ kan opduiken als een diepste bodem, misschien wel de grond van de natuur of de kosmos, alsof er een uiterste duisternis bestaat waar geen enkele zin of betekenis er mee toe doet en een verschrikkelijk geheim verborgen ligt. Agamben spreekt in dit verband over ‘de goden van de chtonische laag’, de dode onderlaag van de natuur, die de Grieken nog onderscheiden hadden van de godenwereld van de levende bovenlaag: de Gaia. In de moderne tijd zou deze onderlaag van de natuur, deze binnenste bodem van het universum, in vergetelheid zijn geraakt. 

Maar je moet oppassen met dit soort hypothesen. Voor je het weet ga je dan ook spreken over ‘een onderziel’, zoals Edmund Forster dat deed, de psychiater in Pasewalk die de onderziel van Hitler door hypnose zou hebben losgemaakt, waardoor het hek van de dam was. Overigens spraken ook de nazi’s graag over ‘een chtonische onderlaag’ in de menselijke geest. Het zou een duister gebied van de geest zijn, waar de tellurische krachten van de aarde en de onderwereld schuil gaan. Volgens Alfred Rosenberg waren het de mythische figuren van Zeus en Hercules geweest die deze tellurische krachten in de Griekse cultuur aan banden hadden gelegd. In de Germaanse mythologie zou deze strijd tussen natuur en ‘ondernatuur’ veel minder sterk aanwezig zijn. In het wereldbeeld van Rosenberg, zoals verwoord zijn. Der Mythus der XX. Jahrhunderts (1930), was de Teutoonse ziel van het Arische ras minder belast met de erfenis van religieuze systemen van andere, inferieure of onzuivere rassen. 

Zo redenerend verval je dus ongewild van kwaad tot erger. Al verzinnen we keer op keer onze eigen werkelijkheid in onze eigen waan, onze geest is zodanig gestructureerd dat de grond voor onszelf verborgen blijft. Omgekeerd, als de maalstroom van de waan eenmaal is ontketend, is er geen houden meer aan. De waan kan blind zijn, net als de mateloze liefde en de mateloze haat. Maar ook uit het inferno dat dan geopend wordt, valt een les te trekken. Soms – maar helaas lang niet altijd – kan de verblindende luciditeit die de waan aan de geest kan meegeven, achteraf ook een zegen zijn geweest

Een waan kan veel weg hebben van een openbaring, een plotseling doorbrekend verhelderend inzicht, bijvoorbeeld in het pijnlijk gemis van een geestelijk eenheidsbesef dat tot dan toe in het bewustzijn had bestaan. Alle dingen in de wereld lijken dan ineens op hun plaats te vallen, alsof ze nu pas in hun wezenlijke betekenis worden herkend, als een bewustwording van een reeds lang bestaand geheel, een intrinsieke harmonie van mateloosheid, in alles, zowel in de geest als daarbuiten – als er al van een scheidslijn tussen die twee sprake is -, kortom: een universeel en bezield verband dat tot dan toe niet werd ervaren, maar nu alleen nog als een volledige eenheid kan worden gezien. 

Naast alle rampspoed die de waan kan brengen, lijkt hij soms ook ‘een gave van elders’ te zijn, omdat in de fictieve waarheid van de waan een vergeten of verdrongen waarheid schuil kan gaan. Die waarheid kan zoiets zijn als een verloren gegane modus van het bewustzijn, een magische verbondenheid met het gehele universum of een gewaarwording van een tegenwoordigheid van iets wat als heilig of goddelijk wordt ervaren. De waan kan zelfs een boodschap bevatten die we liever niet willen horen, of die door de waan van de dag of de waan van een wereldbeeld is verstomd. 

De waan komt voort uit een proces van ontworteling, zo wordt wel beweerd, uit het losraken van je diepste grond. ‘Word, die je bent’, staat zo bezien als adagium haaks op wat de waan aan ‘ont-aarding’ teweegbrengt. Maar het tegendeel kan ook waar zijn. De waan kan ook de diepste bodem zichtbaar maken door iets te onthullen wat stilaan geheel uit het zicht was verdwenen. Dat hernieuwde inzicht kan een schok of zelfs een ervaring van afschuw teweegbrengen, omdat er iets mis blijkt te zijn aan de basis. Als een steek die los zit in de schepping, een programmeerfout in het universum, of gewoon iets wat aan het rotten is in de wortels van de natuur, en wat je machteloos moet aanzien, al was het maar omdat jezelf daar een onlosmakelijk deel van bent. 

Ik had het voorrecht om na de oorlog geboren te worden in een nieuwe wereld met een open horizon en ogenschijnlijk zonder enige ballast van het verleden. Een onuitgesproken verwachting lag aan de basis van dat nieuwe begin. En vooral in dat onuitgesprokene ging iets schuil wat niet helemaal klopte. Die hoop en verwachting deden de gedachte opkomen dat de wereld maakbaar was. Dat de verbeelding aan de macht kon komen. Dat de mens van nature goed zou zijn. Dat het kwaad op zichzelf niet bestond. Maar er be- stond geen nieuwe wereld. En of de mens van nature goed is, is nog maar de vraag. Na Hitler zou ik mijn hand daarvoor niet in het vuur durven steken. En wat de goedheid van God betreft – mocht Hij alsnog bestaan – al helemaal niet. Als het gaat om de grens tussen goed en kwaad, is die grens vaak even moeilijk te trekken als die tussen werkelijkheid en waan, of tussen feit en fictie. 

Na de dood van God moet een mens vanuit zichzelf telkens weer een vluchtweg zoeken voor de vertwijfeling die de eindigheid van het leven kan oproepen. Ontkenning van de dood is van levensbelang, en daarmee krijgt de waan bestaansrecht in het leven. ‘Ik ben gelukkig’ wil zeggen: ik versta de kunst om mezelf een rad voor ogen te draaien. Geluk is het illusoire gevolg van een dwangmatige aanpassing aan de eindigheid van het leven. We leren blind te zijn voor de dood. Zelfs van nature verstaan we die kunst. Dat is de soms fatale, maar vaak heilzame strategie van de ‘gezonde’ waan. 

Ontkenning is het wezenskenmerk van de waan, en misschien keert juist daarom het kwaad altijd weer terug, en bij voorkeur in de waan. Elke waan ontkent uit alle macht de wereld zelf en zet daarmee een proces in werking waarin het kwaad in de wereld tevoorschijn kan komen. Juist door die structurele ontkenning wordt de waan een zichzelf vervullende illusie. De ontkenning is evenals de waan eigen aan het leven zelf, zoals er geen leven mogelijk is zonder de ontkenning van de dood. Maar de dood doet ook leven en lief- hebben. Juist de eindigheid van het leven geeft het leven kracht en brengt ontroering teweeg. In een eindeloos leven zou de liefde langzaam wegsterven en uiteindelijk zelfs onmogelijk zijn. Niemand is onsterfelijk, zoals Simone de Beauvoir ooit uiteen heeft gezet in haar gelijknamige roman. Gelukkig maar. De waan houdt een mens in leven. Met de dood sterft ook de waan. 

Misschien is het alleen nog de waan die een schel licht op de wereld doet vallen. Wie haar te lang aankijkt verandert in een stenen beeld, zoals het oog van Medusa dat deed. Een mens heeft misschien wel de waan nodig om definitief te beseffen dat er iets grondig mis is. Als er dan toch zoiets als een God zou zijn, dan is het niet ondenkbaar dat Zijn schaduw met al zijn verschrikkingen alleen nog in de waan kan worden waargenomen. Het normale leven kent die verblinding niet meer, of in ieder geval veel minder. Vanuit de waan bezien is dit leven niet echt en stelt het ook niet zoveel voor. Voor wie die waarheid werkelijk tot zich door laat dringen, wordt de waan een bewijs voor de stelling dat de menselijke geest mateloos is en uiteindelijk alles te buiten gaat. 

“… hij…hij…hij is hier…” Daarna niets meer. 

Zo eindigt de roman Siegfried van Mulisch. Die ‘hij’ zou Hitler zelf zijn, die in een nachtmerrie verschijnt aan de hoofdpersoon. Of was het soms de duivel in hoogsteigen persoon? Ook Hitler zou ooit door de duivel zijn bezocht, als we Rauschning mogen geloven die in zijn Gesprekken met Hitler een faustiaanse scène beschrijft die waar gebeurd moet zijn. ‘Hij! Hij! Hij is hier geweest!’ zo schreeuwde Hitler toen, met blauwe lippen en helemaal drijfnat van het zweet. Hij had wartaal uitgeslagen en getallen gepreveld. Het had afschuwelijk geklonken. Mulisch moet van dit voorval geweten hebben. Hoe dan ook, voor Mulisch was Hitler heel even weer terug. Dat had hij in de fictie van zijn roman voor elkaar gekregen. Ook als het gaat om de psychotische waan leidt de ervaring van de waan uiteindelijk tot een gewaarwording van iets uit het ongerijmde, maar meer ook niet. Iets geheimzinnigs wellicht, noem het voor mijn part het numineuze. 

De rest is stilte. Daarna niets meer. 

Reageer

Taal en verlangen

Postmoderne filosofen hebben de neiging om concepten uit de exacte wetenschap uit hun verband te rukken en alleen metaforisch te gebruiken. Vooral de Franse postmodernisten hebben hier een handje van. Dergelijke praktijken werden genadeloos ontmaskerd door twee natuurkundigen, Alan Sokal en Jean Bricmont, die – door close reading toe te passen op een aantal teksten van postmoderne Franse filosofen – lieten zien hoe deze meesterdenkers van de beeldspraak exacte concepten misbruiken voor hun eigen duistere redeneringen.

Hun boek Intellectueel bedrog, postmodernisme, wetenschap en anti-wetenschap (1999) is nog altijd een ontluisterend voorbeeld van hoe je filosofische onzin door kunt prikken. De postmoderne Franse filosofie werd hierin geportretteerd als het ‘Columbia van het het hedendaagse denken’. Het gedachtegoed van Derrida en Lacan zou een soort nieuwe drugshandel zijn. In plaats van crack en heroïne is het exportartikel: ‘Derridium’ en ‘Lacanium’.

Met name Jacques Lacan moest het in hun kritiek ontgelden. Lacan probeerde de psychoanalyse te ‘mathematiseren’, maar zijn analogieën tussen psychoanalyse en wiskunde zouden willekeurig zijn gekozen en geen enkele empirische grond hebben. Lacan pronkt met oppervlakkige eruditie op het terrein van de exacte wetenschap door de lezer voortdurend geleerde woorden naar het hoofd te slingeren, maar wat hij op deze manier wil verduidelijken wordt alleen maar duisterder. Laat staan dat hij zelf een duidelijk beeld heeft van de theorieën waarnaar hij verwijst. Zo zou hij van de getallenleer, de optica, de verzamelingenleer of de topologie zelf geen bal begrepen hebben.

De latere teksten van Lacan worden steeds cryptischer, maar voor veel hedendaagse kunstbeschouwers geldt Lacan nog altijd als een onaantastbare goeroe. Discipelen schrijven aandachtige exegeses van alles wat hij heeft bedacht. Je kunt je met recht afvragen, zo concluderen Sokal en Bricmont, of hier niet sprake is van een nieuwe religie die dolende gelovigen aantrekt buiten de traditionele religieuze instituties. Lacan zou een vorm van ‘leken-mystiek’ bedrijven, omdat zijn teksten mentale effecten willen sorteren ‘die niet puur esthetisch zijn, maar zich ook niet tot de rede richten’.

Ik heb het boek Intellectueel bedrog destijds met aandacht gelezen en raakte behoorlijk onder de indruk van deze kritiek. Het gaf voer aan iedereen die beweert dat het postmodernisme een vergissing zou zijn geweest. Zo blijven veel redeneringen van Lacan niet overeind als je ze langs de meetlat van de harde wetenschap legt. Toch vind ik achteraf bezien de kritiek van Sokal en Bricmont niet in alle gevallen terecht.

Ten eerste maken de beide auteurs op geen enkele wijze duidelijk wat Lacan nu eigenlijk wilde aantonen. Stel dat al zijn analogieën tussen de psychoanalyse en de exacte wetenschap mank gaan, maar zijn hypotheses over de structuur van de menselijke psyche op zich zelf genomen juist zijn, dan staat het weer gelijk. Lacan gaat een stap verder dan Freud. Hij is geen wetenschapper, maar een soort zielkundig ingenieur. Gewone wetenschap moet het bij feiten houden en probeert de fictie doorgaans zo veel mogelijk buiten de deur te houden. De psychoanalyse onderzoekt geen feiten maar ficties en probeert de verbeelding daarbij juist zo veel mogelijk vrij spel te geven. Met al zijn hocus pocus brengt Lacan wel iets wezenlijks aan het licht  dat betrekking heeft op het ‘zien en gezien worden.’ Esse est percipi. Daarover had ik het gisteren in mijn blog en ik besloot met de verzuchting dat ik er misschien beter aan zou doen om met dit weblog te stoppen.

Welnu, dat doe ik niet. En waarom niet? Laat ik beginnen met een verhaal dat ik ooit bij Lacan heb gelezen.

Het is een waar verhaal. Ik was vroeg in de twintig en in die tijd wilde ik als jonge intellectueel wanhopig ontsnappen aan de sleur van alledag. Ik wilde iets nieuws zien. Ik wilde me storten in een of andere praktische bezigheid, iets fysieks op het platteland bijvoorbeeld of op zee. Op een dag voer ik op een kleine boot, met enkele vissers, die allen behoorden tot één familie, afkomstig uit een kleine haven. In die tijd was Engeland nog niet zo geïndustrialiseerd als het nu is. Er waren geen gemotoriseerde boten. De vissers voeren uit in een kleine zeilboot op eigen risico. Het was juist dat risico, dat gevaar, dat ik met hen wilde delen. Maar het was niet allemaal gevaar en opwinding wat de klok sloeg, er waren ook plezierige dagen. Op een dag dat wij wachten op het moment dat de netten ingehaald moesten worden, wees een jongen die ‘Kleine Jan’ werd genoemd – zoals heel zijn familie stierf hij jong aan tuberculose die in die tijd een constante bedreiging vormde voor die hele sociale klasse – deze Kleine Jan wees mij op iets dat dreef op het oppervlak van de golven. Het was een klein blikje. Een sardineblikje. Het dreef daar in de zon, als getuige van de blik-industrie, die wij als vissers in feite verondersteld werden te bedienen. Het schitterde in de zon. En Kleine Jan zei tegen mij; ‘Kun je dat blikje zien? Zie je het? Wel, het ziet jou niet!

Deze autobiografische gebeurtenis beschrijft  Lacan in zijn boek The four fundamental concepts of psycho-analysis. Het lijkt een onbeduidend voorval, maar dat is het niet. De als grap bedoelde vraag van Kleine Jan heeft Lacan destijds heel serieus genomen. Hij was er niet zo zeker van, dat de conclusie van de jongen wel klopte. Is het inderdaad wel zo, dat als ik naar een blikje kijk, dat in het water drijft, dit blikje tegelijk niét naar mij kijkt? Volgens Lacan moet je onderscheid maken tussen twee optica’s: een ‘cartesiaanse optica’ en een ‘psychoanalytische optica’. Bij de cartesiaanse optica is sprake van het ideaal subject van het cogito (het ‘ik denk’) dat iets waarneemt. Bij deze bewuste vorm van kijken gelden niet alleen in letterlijke zin de wetten van de optica van Newton, maar wordt in figuurlijke zin ook uitgegaan van een vertrekpunt van de waarneming dat in deze optische beeldspraak een denkbeeldig punt is achter het oog. Lacan echter ontwerpt ook een andere – psychoanalytische – optica, waarbij niet uitsluitend sprake is van bewust kijken vanuit een ideaal punt achter het oog, maar ook van een ‘onbewuste blik’. Deze ‘onbewuste blik’ (‘gaze‘) heeft zijn vertrekpunt niet in het ideale, optische subject, maar in datgene wat gezien wordt. Dus bij het blikje!

Het geziene werpt een blik naar het onbewuste, terwijl het ideale, optische subject (dat in feite een constructie is) ’terug-kijkt’ naar het geziene. Dit terugkijken is niet zozeer een gefocust kijken, zoals bij het fotograferen een foto wordt genomen, waarbij een beeld gefixeerd wordt in een donkere kamer (in casu: het oog, het brein). Nee, het is een afwerende beweging, een soort bezweren van de totaal-indruk van de blik die als werkelijkheid (het reële) dreigend op ons afkomt. Wat wij de zichtbare werkelijkheid noemen is datgene wat op ons scherm verschijnt, maar daarachter ligt ‘het reële’, waar het onbewuste verlangen structureel op gericht is. Wat wij ‘kijken’ noemen is in feite een ‘scherm van bewustzijn’ opwerpen, dat ons van het reële afscheidt. Dit scherm is de symbolische orde van taal en teken, die wij ons bij het ontstaan van ons cartesiaanse subject in de vroegste jeugd (het spiegelstadium) voor het eerst betreden hebben. Zien is dus ‘een gemiste ontmoeting met het reële’. In feite is het bewuste leven zelf een gemiste ontmoeting met het reële. Het bewustzijn kan de verslindende realiteit (het reële) niet aan. Het temporeel-libidinale bewustzijn komt steeds structureel te laat om het reële direct – één op één – te ontmoeten.

We kunnen het reële alleen ‘schuins bezien’ in de symbolische orde van taal en teken. We zien de werkelijkheid als in een anamorfose, nooit frontaal, maar altijd van opzij. Soms dringt de werkelijkheid in één keer door het scherm heen. Dan scheurt het scherm. Dan zien we achter ‘de geboorte van Venus’ op een schilderij van Botticelli opeens iets heel anders. Er ontstaat een trauma (een scheur) of een totale breuk, wanneer het brein zich in een psychose stort. Een psychose is volgens Lacan in feite de totale eenwording van het onbewuste met het reële. In de psychose is de symbolische orde van taal en teken zijn structuur kwijt geraakt en is ‘het scherm’, dat ons scheidt met de verslindende realiteit verdwenen. In feite is dit een tragische opvatting van het bewuste bestaan, een opvatting die zich baseert op de theorie van Freud. Lacan voorziet Freuds theorie van het onbewuste van een ‘optisch-talige’ symbolische orde, die ook het onbewuste als een taal structureert, en waardoor het subject als een illusoire constructie wordt ontmaskerd.

Mijn brein (voor zover de woorden ‘mijn brein’ enige zin kunnen hebben) heeft meerdere malen in een psychotische staat verkeerd. Ik ken uit eigen ervaring de ‘scherm-loze toestand’ van het brein, die Lacan beschrijft, een toestand waarin de symbolische orde verstoord is en waarin het onbewuste zich direct mengt met het reële. Ik weet wat het is om ondertitels op een tv-scherm te lezen en stellig te denken, dat deze ondertitels gecodeerde boodschappen bevatten die specifiek voor mij alleen bestemd zijn. Toch ben ik het niet helemaal eens met Lacan. De psychotische toestand van het brein, zoals hij die beschrijft, is in principe juist, maar deze ‘ont-schermde toestand’ verschilt niet wezenlijk van de normale – gezonde – ‘schermtoestand’ van het brein. De scheidslijn tussen bewust en onbewust is nooit absoluut aanwezig. Het scherm is eerder poreus. Juist door dat doorlaatbare karakter van het scherm is er een voortdurend proces van osmose mogelijk tussen binnen en buiten. In feite is er geen harde scheidslijn tussen binnen en buiten. De werkelijkheid heeft altijd iets weg van een droom.

In die zin gaat de metafoor van de optisch- cartesiaanse subject-opvatting niet op. Binnen en buiten zijn intrinsiek met elkaar verweven. Het brein is eerder – zoals Augustinus vermoedde – een spons die in het water drijft, terwijl het water zowel binnen als buiten is. Wij kunnen wel degelijk direct – één op één – deel hebben aan het reële, niet alleen in de traumatische schok of in de psychose, maar ook in gelukkige momenten wanneer – om met Lyotard te spreken – ‘de vliegende vissen springen tussen de gaten van het geheugen’. Lacan gebruikt de optische metafoor om Descartes’ cogito (ik denk) te deconstrueren vanuit Freud’s desiderio (ik verlang), maar zijn denken blijft vast zitten in de harde metaforen van de optica.

Maar er is nog iets anders wat Lacan heeft beweerd en dat was nieuw.  Volgens hem was het de taal die het onbewuste structureert en is dus de taal het eigenlijke subject. Augustinus werd voor postmoderne filosofen interessant, omdat zijn ‘taal van de ziel’ een bijzondere relatie zou hebben met de ‘taal van het lichaam’. Augustinus heeft het cogito en het desiderio voor het eerst in verband gebracht met de tijd. Hij heeft daarbij onderscheid gemaakt tussen twee categorieën: enerzijds het tijdelijke domein van de geest (animus) als zetel van het denken, en anderzijds het tijdloze domein van de ziel (anima) als een vermogen tot ontvankelijkheid.

Zo zou deze bedenker van het Middeleeuwse ‘mystieke lichaam’ al hebben ontdekt dat het denken nooit heeft gehad, nooit heeft en nooit zal hebben, waar het in diepste wezen naar verlangt, omdat de taal altijd te laat komt voor de flits van het tegenwoordige. Het visioen sterft weg in het gedruis van de mond. Maar wat de geest niet vermag, daartoe is de ziel wel in staat. Die kan als een verzadigde spons nog altijd deel hebben aan de onmetelijkheid van de oceaan. Lyotard parafraseert de betreffende tekst van Augustinus als volgt:

Het ware leven en het geluk springen als vissen in de gaten van het geheugen.

Het is het water dat in de spons zit en tegelijk ook niet. Vliegende vissen in de gaten van het geheugen. Een vis die als laatste het het water ontdekt waarin hij zwemt. Als metaforen tekort schieten, zou de tijdloze wereld van de ziel in het spoor van de taal op zijn minst zijn sporen kunnen nalaten. Maar dan stuit het denken op de uiterste grenzen van de taal, de grenzen die ons het meest nabij zijn. Met het onderzoek naar de ‘uit-drukbaarheid’ van het absolute in de taal werd door postmoderne filosofen in feite een ‘negatieve theologie van de tekst’ gecreëerd. Ook de taal zelf zou immers een fictie kunnen zijn. De taal is wellicht de laatste blinde vlek waarmee het denken is behept…. ‘behekst’ zou Wittgenstein zeggen.

Reageer