Rijk, maar helaas niet in geld

Op bovenstaande foto, die ik gisteren nam in het Kafee De Gouden Leeuw van Tresoar, staat de Friese schrijver Durk van der Ploeg achter het spreekgestoelte. Zojuist heeft hij het nieuwste boek van Louw Dijkstra in ontvangst genomen: Rijk, maar niet in geld, vijftig jaar Friese uitgevers, 1929-1970. Het is een dikke pil van 535 pagina’s, gebonden, met in een fraai door Gert Jan Slagter vormgegeven band. Daarvoor had Jelle Krol een verhaal gehouden over Douwe Kalma en zijn uitgevers. Doeke Sijens sprak over Trinus Riemersma als schrijver, uitgever en boekjesmaker. Tenslotte kwam Louw Dijkstra zelf aan het woord die het eerste examplaar van zijn boek uitreikte aan Durk van de Ploeg.

Deze 93 jarige (!) nestor van de Friese literatuur vertelde daarna tot ieders verbazing geheel uit het hoofd een verhaal dat ging over eerste boek dat hij in zijn jeugd had gekocht. Het bleek een boek van Douwe Kalma te zijn, gekocht bij een boekhandel in Dokkum. Daarna vertelde Arjen Dijkstra, directeur van Tresoar welk boek hij als eerste in zijn jeugd had aangeschaft. Dat bleek een boek over Rotterdam te zijn, dat ik niet kende en waarvan de titel me ontschoten is. Dat bracht mij aan het denken welk boek ik ooit als eerste in een boekwinkel heb gekocht. En ineens realiseerde ik mij dat ik hier ooit een verhaal aan heb gewijd, dat in in 2001 is verschenen in het Friese literaire tijdschrift Trotwaer. Een passage daaruit ging als volgt.

Het is woensdagmiddag, ergens in 1965, als ik met twee rijksdaalders op zak de Brunawinkel in de Kalverstraat binnenstap, waar ik na een worsteling met mijn geweten de verleiding weersta om voor het eerst van mijn leven een Playboy te kopen, waarin ik  – buiten het blikveld van een streng rondziende caissière –  heel eventjes had zitten bladeren om zo in een flits de ontblote borsten te zien van een schaakspelende dame op een hoogpolig tapijt, uiteindelijk stuit op een klein, onooglijk boekje. Het was nummer achtenzeventig in de pocketreeks van Meulenhoff, getiteld Telemachus in het dorp.

De illustratie op het omslag had me even doen denken aan een verhaal van Don Camillo. Drie figuren op de voorgrond staken wat knullig af tegen een mosgroen fond met op het tweede plan een dorpsgezicht in mozaïek. Twee gekleed in driedelig pak keken mij aan, de derde getooid in een pastoorspij hield de ogen dicht. Ze stonden daar frontaal naast elkaar alsof ze zojuist door Herman Emmink waren voorgesteld in een nieuwe aflevering van Wie van de drie: “Mijn naam is…” Een zekere nieuwsgierigheid kon ik niet weerstaan. Wie waren die gestalten? Het leken was Harlekijnen voor aan de wand of van die papieren paspoppen die je naar keuze kon aankleden als een ideaalbeeld van jezelf. Opeens schoot het door mijn hoofd: Laat mijn ware ik opstaan! 

Zo zie je maar weer, koop een goed boek en je ware ik wordt geboren. Veel later in mijn leven ben ik zelf boeken gaan schrijven, maar ook daarvoor geldt – althans voor wat mij betreft:

‘Je wordt rijk, maar helaas niet in geld.’

Reageer

In het spoor van Françoise Hardy 

Als ik terugkijk in mijn herinnering,
zie ik ‘t huis waar ik nog kind was
in een straat die tot aan de spoorbaan liep,
vredig en stil, alsof de wereld nog sliep.
Familie Kolkman beneden, Dijkstra ernaast.
De Vries, Van Herk en verderop….

Mevrouw Roosnek, ze hing zich op in een strop.
In het weiland ervoor hadden koeien gegraasd.
Ik hoor heimachines, herrie en volop geraas.
In een droom duikt dat alles telkens weer op.

Hier speelde ik met Robbie en Hugo
indiaantje en diefje zonder verlos.
Ik rooms, Hugo griffo en Robbie de klos,
want hij ging niet naar de hemel en zo.
Samen keken we naar ’t honkbal bij OVVO.
We droomden van homeruns en Hannie Urbanus.

Die tijd ging voorbij, ik ging hier vandaan.
De wereld ontdekken, niet stil blijven staan.
Ik wilde ’t zien, maar wat ik ook zag
was een stad die slaapt, een land zonder lach.

Zo heb ik die buurt ooit achtergelaten,
maar de dromen die gingen er nooit vandaan.
Alsof de tijd in slaap viel en stil bleef staan.
Nu zie ik mezelf, ik kom om de hoek,
een gat in de knie, een scheur in de broek.
Het is of ik een kind in mezelf hoor zeggen:

‘Wat zou ik hier graag weer thuis willen komen 
en ooit weer die indiaan willen zijn.
Op een ochtend neem ik de eerste trein
op weg naar dat huis uit mijn stille dromen.’

Onlangs kwam ik er weer voor te staan.
Ik voelde de deurknop, ’t verlangen werd sterker,
ik hoorde de bel en wat ik niet durfde hopen…
ik zag ‘t touw waarmee werd opengedaan,
de trap waarlangs je naar boven kon lopen,
het licht van ’t glas in lood in de erker.

Mijn vader en moeder, ik zie ze weer,
heel gewoon, alsof ze er altijd al zijn.
In de verte rijdt nog een goederentrein.

Maar ’t huis uit mijn dromen is er niet meer.

*

(Vrije bewerking van het chanson La maison où j’ai grandi van Françoise Hardy, 1944-2024). 

Reageer

Walging door een teveel aan denken

‘Ik keek onrustig om mij heen: er was het aanwezige, niets dan 
het aanwezige. Gemakkelijke en solide meubelen, ingesloten door hun aanwezigheid, een tafel, een bed, een spiegelkast en ikzelf. 
De ware aard van het aanwezige onthulde zich: het was het bestaande en wat niet aanwezig was bestond niet. Het verleden bestond niet. In het geheel niet. In de dingen noch in mijn gedachten.
 Ongetwijfeld had ik sedert lang begrepen, dat het mijne mij ontsnapt was. Maar ik geloofde, tot dat ogenblik, dat het zich eenvoudig buiten mijn bereik teruggetrokken had. Voor mij was het
verleden slechts een in afzondering gaan; een andere manier van bestaan, een toestand van vakantie en werkeloosheid; wanneer haar rol uitgespeeld was, rangschikte elke gebeurtenis zich vanzelf op een verstandige wijze in een kist en werd een gebeurtenis honoris 
causa: wat heeft men een moeite zich het niets voor te stellen.
 Maar nu wist ik het; de dingen zijn geheel zoals zij ons verschijnen – en achter hen is niets.’

Dit is een van de meest beklemmende passages uit de roman Walging (1938) van Jean-Paul Sartre. Roquentin wordt zich opeens bewust van ‘het niets’, de grote leegte in de tijd. Of beter gezegd, hij valt uit de tijd, die veilige stroom van opeenvolgende momenten, waarin het heden voortdurend wegglijdt in het verleden. Maar wat is dat ‘niets’? Zonder de ervaring van ‘het niets’ zou de mens veilig zijn ondergedompeld in de voortdurend stroom van de tijd. Zoals een dier zou hij dan leven een permanent heden. Zonder ‘het niets’ zou er geen verleden kunnen bestaan. Door ‘het niets’ kunnen wij ons niet alleen bewust worden van het verleden, maar ook het ene moment in het verleden onderscheiden van het andere.

Maar als die ervaring van ‘het niets’ de overhand neemt, dan valt het hele verleden opeens achter je weg en blijft alleen het kale ‘nu’ over als een ijzingwekkende ervaring van het tegenwoordige. Dan ontstaat opeens het bewustzijn van het zijn als zodanig, de ervaring van het kale bestaan, de pure existentie. De mens is dan slechts een ‘meltpot’ van krioelende atomen die in een bepaalde constellaties gedachten voortbrengen, een stroom van gedachten zelfs, waar niet aan te ontsnappen valt. Je bent ooit in die stroom geworpen zonder dat je daar zeggenschap over had. En die stroom is niet te stoppen. Hij gaat door en door en door….

Het bewustzijn waardoor ‘het niets’ in de wereld komt is een ‘val’ (‘une chute‘), heeft Sartre ooit beweerd. Waar het vandaan komt kan niemand zeggen. Opeens is het er. Je bent buiten de wereld en binnenin tegelijk. Vanaf dat moment ontstaat de angst voor de leegte. De angst voor het grote ‘niets’. Roquentin, de ik-figuur in het boek Walging, verwoordt het even verderop als volgt:

‘Rook . . . niet denken. . . Ik wil niet denken . . . Ik denk, dat ik 
niet wil denken. Ik moet niet denken, dat ik niet wil denken; om
dat dit weer een gedachte is. Zal men er dus nooit mee ophouden? Mijn gedachte ben ik: daarom kan ik niet ophouden met bestaan. Ik besta, door wat ik denk … en ik kan mijzelf niet beletten 
om te denken. Indien ik zelfs op dit ogenblik besta, besta ik – het is vreselijk! – omdat ik een afschuw heb om te bestaan. Ik ben 
het, ik, die mijzelf uit het niets trek, waar ik naar haak: de haat, de tegenzin om te bestaan zijn evenzovele manieren om mij te doen
 bestaan en mij in mijn bestaan te doen doordringen. De gedachten 
worden achter mij geboren als een duizeling, ik voel hen achter 
mijn hoofd ontstaan … wanneer ik een beetje voorover hel, ontstaan zij tussen mijn ogen – en ik hel altijd een beetje voorover, 
de gedachte wordt groter, groter en zie, daar is de onmetelijkheid,
 die me volkomen vervult en mijn bestaan hernieuwt. ‘

Toen Walging in 1938 verscheen, sloeg het boek in als een bom. Het was het debuut van Sartre, een droomdebuut. In één keer had hij zijn  naam gevestigd in het literaire circuit van Frankrijk, bijna op dezelfde manier zoals Gerard Kornelis van het Reve dat negen jaar later in Nederland zou doen met zijn debuut De avonden. De auteur vertolkte een nieuw geluid, een nieuw levensgevoel. En tegelijk vatte zijn boek alles samen wat eerder door anderen ook al was verwoord. Er was iets mis, maar één keer moest het gezegd worden op een manier waarop het voor eens en altijd duidelijk was. Walging vertolkte iets wat in de lucht hing en Sartre wist het te vangen. Zijn stem werd gehoord, want de kritiek was uiterst lovend. In haar Sartre-biografie vat Annie Cohen-Solal de receptie van Walging als volgt samen:

Walging: ‘Een van de. opmerkelijkste literaire debuten van de laatste 
jaren … ‘; ‘hij verenigt verscheidene stromingen in de hedendaagse literatuur… Kafka, Joyce, Rabelais, Dostojevski, Flaubert, Céline, Proust, Nietzsche in zich .. .’; ‘een fantastische onderneming … een aangrijpende ervaring … bestaan zonder te zijn… [in] een contact niet met de dingen, maar 
met hun bestaan .. .’ – Maurice Blanchot; ‘een volstrekt oorspronkelijke 
geest’; ‘een ware dichter. .. ‘; ‘één van de zuiverste kunstenaars; een onbarmhartig strikte kritische geest … een glorieuze toekomst … ‘- Jean Cassou; ‘de 
eerste roman van een schrijver van wie we heel veel mogen verwachten .., 
een bijzondere en sterke geest … wij wachten met ongeduld op zijn toekomstige werken en lessen … ‘ – Albert Camus; ‘Een filosofische roman, een echte … heeft aan de dingen hun maximum aan bestaan teruggegeven … ‘; ‘Sartre 
heeft het aangedurfd nieuwe terreinen toe te voegen aan de sensibiliteit van 
de twintigste eeuw. .. ‘ – Claude- Edmonde Magny. Alleen Céline had misschien, een paar jaar tevoren met zijn eerste boek, Reis naar het einde van 
de nacht, zo’n storm van belangstelling teweeggebracht.’

Roquentin in het stadsperk, kijkend naar een boomwortel, werd een iconische scene die stond voor de ‘zijnsverlatenheid’ en de ‘lot-loosheid’ van de moderne mens. Wanneer een hiërarchische ordening van het leven ontbreekt, kan men alleen nog maar als een fenomenoloog de zinloosheid observeren en beschrijven. Precies dát had Sartre gedaan, vanuit een alziend oog dat het diepste van zijn ziel hinderlijk volgde. Als een spiegelbeeld, een schaduw, die het origineel de levensruimte ontnam.  Zoals ook waanzinnigen altijd een alziend oog tekenen dat voortdurend alles observeert dat opduikt in het bewustzijn. Het was iets verstikkends.

Uit die gesloten cirkel van de horizontale observatie was geen ontsnapping meer mogelijk. De mens was gedoemd tot zinloosheid. Soit. Hij moest zich neerleggen bij de absurditeit, de contingentie van het naakte bestaan. Zo niet, dan wachtte alleen nog de waanzin, zoals ook Frits van Egters in De avonden uiteindelijk voor dit laatste dilemma was komen te staan. De euforische slotpassage van De avonden was wat dat betreft slechts een schijnverlossing. ‘Konijn, ik ben levend, ik adem, en ik beweeg, dus ik leef. Is dat duidelijk? Welke beproevingen ook komen.’ Maar er wàs geen verlossing. Er was alleen maar walging.

Die walging was ontstaan door en teveel aan denken, het voortdurend spiegelen van jezelf. Je zou dit een vorm van  ‘hyper-denken’ kunnen noemen, een overschot aan bewustzijn, een geestestoestand die grenst aan de waanzin, of misschien die grens al overschreden is. Zo heeft Louis Sass dit ook benoemd in zijn boek  Madness and Modernism: Insanity in the Light of Modern Art, Literature, and Thought (1994). Daarin besteedt hij veel aandacht aan het boek Walging van Sartre. Sartre heeft in de figuur van Roquentin – volgens Sass het alter-ego van Sartre zelf – de overeenkomst blootgelegd tussen schizofrenie en het moderne bewustzijn. Zo schrijft Sass:

And with the progressive disintegration of normal perceptual reality, Roquentin goes through virtually all of the modernist experiences I have described: objects loose their normal functional meanings: they begin to seam absurdly substantial; they fragment into parts; they take on curious meanings. Everything that usuallly links us with our embodied selves, all the emotions of desire, love, hate and fear, and all the memories and channeled expectations that normally connect us to the social and practical world – all this seems to have disappeared, reducing the protagonist to a state of ontological anxiety, a sort of abstract nausea in the face of the sheer existence of things. ‘

Maar is dat ook zo? Klopt de analyse van Sass? Om zijn stelling te bewijzen vergelijkt Sass de beschrijvingen die Sartre geeft van de geestestoestand van Roquentin met verslagen van patiënten die lijden aan schizofrenie of in een psychose zijn beland. Die overeenkomsten zijn opvallend, maar het verschil is natuurlijk wel dat Sartre niet psychotisch of schizofreen was toen hij dit boek schreef. Hij was eerder lucide, te lucide misschien wel. Wie de voortgang van zijn eigen bewustzijn zo exact gaat beschrijven zoals Sartre dat doet, belandt misschien vanzelf wel in een staat van waanzin.

Toch maakt het verschil, lijkt mij, of je daarbij de controle over je eigen gedachten kwijtraakt, of – zoals Sartre – die controle tot het eind toe volledig blijft behouden. Ooit heb ik Henk van Ulsen het solo-toneelstuk Dagboek van een gek van Gogol zien spelen. Dat was een adembenemend schouwspel, maar niemand in de zaal had ook maar één ogenblik de indruk dat Henk van Ulsen zelf gek aan het worden was. Hij spéélde hoe je gek wordt, en dat is heel wat anders.

Maar ook Sass zal niet gedacht hebben dat Sartre zelf een beetje gek werd toen hij zijn boek Walging schreef. Het gaat Sass om de overeenkomst tussen de staat van het bewustzijn, zoals die in dit soort modernistische romans tot uiting komt, en het ziektebeeld schizofrenie. Het proces van modernisering zou gepaard gaan met een doorgeschoten bewustwording, een vervreemding van het onbewuste, een teveel aan reflectie. In samenhang daarmee zijn tendensen te herkennen naar extreme instrumentalisering, conceptualisering en zelfs virtualisering.

Wat in dit alles grondig mis gaat is niet alleen een teveel aan analytisch denken, maar vooral ook een tekort aan een gevoel voor het geheel. Er breekt iets los dat zijn eigen weg gaat en geen boodschap meer heeft aan welke vorm van terugkoppeling dan ook. Sass spreekt over ‘hyperreflectie, een vorm van denken dat tegelijk waarnemen en scheppen is, representatie en presentatie, weerspiegelen en gebeuren tegelijk. Het modernisme heeft de neiging om alles tot een gebeuren te maken dat tegelijk voor eeuwig stilstaat.

Het voortdurend spiegelend bewustzijn breekt als het ware door de spiegel heen en gaat geheel op in de stroom van het levende heden. De ervaring van het niets, het ‘nietigen’ slaat door in een onmogelijkheid om ooit nog toegang te hebben het domein, waar het ‘nietigen’ doorgaans de sleutel voor heeft. Het denkbeeldige klapt dan dicht en alles wordt werkelijk, al te werkelijk. Zelfs de verbeelding wordt werkelijk. Het imaginaire wordt realiteit.

De tijd is vloeibaar en stroomt, maar in het modernisme is alles stroom aan het worden, terwijl het bewustzijn stilvalt en verstijft in een soort katatonie die grenst aan de mystiek. Het natuurlijke ‘nietigen’ dat noodzakelijk is voor het bewustzijn om überhaupt tot bewustzijn te komen, slaat dan als het ware op hol. Het ‘niets’ gaat zichzelf bevestigen en kan dan zelfs demonisch worden, compleet losgeslagen van goed en kwaad. Zo liggen in die doorgeschoten ervaring van het ‘niets’ wellicht de kiemen verborgen van het fascisme en de terreur. Beide zijn vormen van waanzin, waarvan de bacillen sluimeren in het moderne bewustzijn. In de angst voor de leegte wordt niet alleen walging geboren, maar gaat ook een obscuur verlangen schuil, een verlangen naar vernietiging.

Het destructieve verlangen is in feite een wanhopige poging om aan de zinloosheid van het bestaan te ontkomen door volledig op te gaan in de euforie van de terreur. Omdat een mens niet in staat is om de totale zinloosheid te verdragen, vindt hij een paradoxale zin in de vernietiging, een drang die herinnert aan de doodsdrift van Freud: ‘Ik ben niets – en daarom kan niets mij nog kwetsen. Kom zoete pijn, kom zoete dood’ – dat is de sadomasochistische mantra van de terreur die in de moderne tijd is ontstaan. De kracht van het modernisme tegenover welke religie dan ook is de leegte, de angst voor het grote ‘niets’, die niet alleen walging, maar ook waanzin kan voortbrengen.

Reageer

Het vanzelf gaan in de waan (2de versie)

‘Met dit mechanisme, de autocreatie, de zelfschepping, waarbij ik zelf als een kunstmens in de retort van een verhaal zou verschijnen, heb ik mij bezighouden zo lang ik schrijf. In één van de allereerste verhalen, ik was niet ouder dan achttien jaar, liet ik een groep personen een spiritistische seance houden: langs de rand van een ronde tafel had het medium de letters van het alfabet geprikt, in het midden stond een omgekeerd glas, daarop legde iedereen een vinger en occult gleed het glas van letter naar. Letter. Toen het medium ten slotte naar de naam van de boodschapper uit zijn Jenseits vroeg, kwam daar de letter h-a-r-r-y-m-u-l-i-s-c-h uit en voor het eerst  in de literatuurgeschiedenis was een schrijver in contact met zijn personen getreden.’

Dat schreef Mulisch in zijn boek De toekomst van gisteren over een spiritistische seance, waarover hij al in 1946 een (ongepubliceerd) verhaal had geschreven. In die seance zouden de oproepen geesten de naam van Mulisch hebben laten spellen met de letters van het ouijabord. Volgens Mulisch had hij hieraan zoiets als een ‘artistieke wereldbeschouwing’ overgehouden. Er zat een cirkel in zijn beleving van de werkelijkheid, wat zijn weerslag had op de romanpersonages die hij creëerde, die tegelijk ook hemzelf als auteur creëerden.

Dat hield in dat ‘bewustzijn’ van de literaire personages identiek zou zijn met het ‘onderbewustzijn’ van de schrijver, en dat omgekeerd het ‘bewustzijn’ van de schrijver identiek zou zijn met het ‘onderbewustzijn’ van zijn personages. Een spiegelbeeldig universum dus. De geesten waren het spiegelbeeld van de levenden en omgekeerd, zoals de personages in de verhalen en het onderbewustzijn van de schrijver elkaars spiegelbeeld waren, en omgekeerd etcetera. Hoe dan ook, in dit universum gingen de dingen vanzelf, niet alleen in de spiritistische seance maar ook in het schrijfproces. 

Zo’n vorm van autocreatie – het vanzelf gaan – vertoont gelijkenis met de ervaringen van iemand tijdens een psychose, waarin hij zichzelf als een almachtige Schepper ziet: ‘de oneindige God’. Deze vorm van ‘zelf-schepping’ suggereert immers een breuk met de realiteit en een vervaging van de grenzen tussen de innerlijke verbeeldingswereld en de externe realiteit.

archibald strohalm was het literaire debuut van Harry Mulisch en verscheen in 1951. Deze roman kan niet alleen gezien worden als een weergave van het absurde levensgevoel dat in het midden van de vorige eeuw ten tijde van het existentialisme was ontstaan, maar ook als een literaire weergave van een psychose. De hoofdpersoon woont aan een plein waarop iedere zaterdag een poppenkast spel wordt opgevoerd door een zekere ‘Ouwe Opa’.  Het is niet moeilijk in de naam ‘Ouwe Opa’ een toespeling te zien op ‘God’. 

Archibald Strohalm ergert zich mateloos aan dit kinderachtige poppenkastspel omdat het uitgaat van een paar achterlijke, zogenaamde waarheden, bijvoorbeeld het hiernamaals. Twee vragen worden in het verloop van het verhaal tegen elkaar uitgespeeld: ‘Bestaat er een hiernamaals? tegenover:  ‘Bestaat er een ‘hiervoormaals’. Volgens Ouwe Opa is de door hem gekozen weg van het hiernamaals de enige weg vroeger, nu en in alle toekomst. Volgens Strohalm mocht  at dan misschien in de Middeleeuwen waar zijn geweest, maar nu niet meer.  

Om zijn gelijk te bewijzen gaat  Strohalm met Ouwe Opa een weddenschap aan. Hij zal een spel schrijven dat wél overtuigt en de duisternis en ernst van Ouwe Opa ver achter zich zal laten. Het poppenkastspel van de hoofdpersoon wordt gaandeweg het verhaal een metafoor voor de menselijke existentie. De handen van de poppenkast-speler zijn het leidend beginsel voor de poppen die het publiek te zien krijgt. Maar wie leidt de handen van de poppenkast-speler? Bij de repetitie voor zijn grote opvoering kan de hoofdfiguur het spel van zijn eigen poppen zien door een spiegel die hij voor de kast heeft geplaatst. Twee gaatjes in de kast geven hem van binnenuit zicht op de resultaten van zijn eigen spel. 

De explosie die zich gaandeweg aandient in de geest van Strohalm aandient kan volgens de verteller van het verhaal het best worden weerspiegeld in een kleine verandering van de naam :’Archibald Strohalm’ wordt voortaan ‘archivald strohalm’.. Die sprong uit de naam werd al in het begin van het verhaal aangekondigd in de volgende on: ‘En hij dacht: de sprong uit de naam, daar is het om te doen, de sprong in een nieuw en hoger veld van mogelijkheden: in een nieuwe naam.’‘

Deze splitsing was niet nieuw,’ schrijft Mulisch, ‘archibald strohalm zijn en Archibald Strohalm zien. Toch kon hij zich niet voorstellen dat de poppen die hij in de spiegel zag buigen en draaien, gebaren, opkomen en afgaan, zijn handen waren, die speelden; dat die hogen lage, prettige en onwelluidende stemmen die hij hoorde, zijn stem was, die sprak.’ Hij stond letterlijk buiten zichzelf en tegelijk in zichzelf. 

Daarmee werd het existentialisme in scene gezet in de metafoor van het poppenspel. De menselijke existentie was – zoals het woord zelf ook aangeeft – een vorm zijn van ‘uit-staan buiten zichzelf’. Maar deze excentriciteit was niet de inhoud van de vervreemding die het absurde levensgevoel teweeg bracht. De vervreemding realiseert zich in de tijd, maar de de menselijke excentriciteit als zodanig zwijgt over de tijd. 

In de hoogtijdagen van het existentialisme, de tijd waarin Mulisch deze roman schreef, was er ogenschijnlijk iets geknapt in de band die van oudsher had bestaan tussen het innerlijk van de mens en de grote zingevingssystemen van de traditie. Er bestond ook geen begaanbare weg meer die vanuit de buitenwereld leidde naar de geheimen van de binnenwereld. Die crisis in de existentialisme werd door Mulisch ten tonele gevoerd, niet alleen in het poppenspel van Archibald Strohalm, maar ook in de psychose die diens geest naar de ondergang leidde, een proces dat Mulisch als schrijver zelf tot redding diende tijdens het schrijven van deze roman 

Aan het slot neemt  Mulisch – als verteller van de roman – zelf het woord: ‘Ik heb het gevoel dat ik nu op je schouders zit ( kijk maar verbaasd naar boven) en je de grond in ga drukken, zodat alleen ik nog te zien ben, – of ook: alleen jij. Wij zijn samen één schizofreen.’ En even verderop: ‘Iets dat in mij gek is worden, heb ik in jou uitgekotst’ (…)  ’Je hebt me beter gemaakt, daardoor hou ik van je.’ 

Het schrijven dat Mulisch tot redding diende, was een schrijven achteraf, een excorcistisch ritueel  toen de storm in zijn hoofd al enigszins was gaan liggen. Er was een ‘tweede ik’ ontstaan dat ‘het psychotische ik’ uiteindelijk de grond in kon drukken. Maar dat zou geen afscheid voor eeuwig worden. ‘In zekere zin zal ik je weer ontmoeten, schrijft Mulisch, ‘dat weet ik nu al. Nog is dit geen natuurlijk einde. Alles zal dan, goddank, anders zijn dan nu. Ik zal je niet hoeven te trappen, maar daarvoor moesten we eerst hier doorheen gaan. Misschien zullen we wenend in elkaars armen vallen.…’ 

Tot slot daalt van alles neer op de aarde. Het verhaal eindigt met een wonderlijk beeld dat aan de stal van Bethlehem doet denken. Bij een pasgeboren kind staan witte koeien te dromen.

Ieder die ooit het wonderlijke voorrecht heeft gekend om zelf een psychose te ondergaan (en te boven te komen), begrijpt wat hier wordt bedoeld: een psychose is geen verarming, maar een verrijking van je leven. Bij Mulisch kwam er zelfs een heel literair oeuvre uit voort. Het schrijven voorafgaande, tijdens of bij het verdwijnen van een psychose, zijn drie verschillende processen. Veel van mijn eigen psychose-verslagen zijn na afloop ontstaan, de meeste zelfs toen mijn psychose al decennialang uit mijn leven was verdwenen.

Wat ik in de aanloop van mijn psychose heb geschreven bestaat niet meer. Het was een tegenbetoog, een betoog gericht tegen het absurde levensgevoel van het existentialisme, zoals het poppenspel van Archibald Strohalm op enigszins vergelijkbare wijze een tegenbetoog was tegen het christendom, dat in deze roman eerder werd vertolkt in het poppenspel van Ouwe Opa. 

Het poppenspel van archibald strohalm eindigt in een stuntelige verbeelding van de mythe van Sisyphus, uitgevoerd door Hans Worst en Pierlala. Het absurde levensgevoel, zoals verwoord in het gelijknamige boek van Albert Camus uit 1942 wordt in dit poppenspel getoond in het vergeefs omhoogtrekken van een blok hout op een plank. Er verschijnen levende handen naast de poppen, en uiteindelijk ook het hoofd van Archibald zelf, die voorafgaande aan zijn ondergang wartaal begint uit te slaan: 

‘Geloof je, riep Archibald door de zich snel verhevigende onrust, zonder zijn ogen van Hansworst  af te wenden, – maar bij de rest brak zijn stem bij ieder woord verder in elkaar, ‘dat het zinloos is wat je doet aiolos’ zoon zou je weten dat het zinloos is wat je wat doet wat je doet zinloos steeds weer en zinloos zinloos zo je doet zinloos wat doe je zoonlis linzoos doen we inzolos en solozin is wat je doet sisufos je doet wat is wat je doet is…’ 

Wartaal dus. Maar wat is wartaal als er een methode in zit?  Het toeval wil, dat ik in de week voorafgaande aan mijn eigen psychose – in januari 1966 – twee bladzijden heb gescheurd uit mijn exemplaar van Camus’ boek De mythe van Sisyphus. Ze ontbreken daarin nog altijd. Het waren de pagina’s 94 en 95 uit de Nederlandse vertaling, de reuzenpocket van De Bezige Bij, uitgegeven in 1963. Het betrof het hoofdstukje over het ‘Het toneel’, beginnend met een citaat uit Hamlet: ‘Het toneelspel is de strik waarin ik het geweten van de koning vangen kan.’ 

Zo voelde ik het precies in die dagen. Ik wilde als Hamlet toneel gaan spelen, en zo God ter verantwoording roepen voor het kwaad in de wereld. Daarnaast wilde ik  afzien van de eeuwige roem of een leven in het hiernamaals. Een acteur regeert immers in een vergankelijk rijk, maar ook een rijk waarin de roem telkens weer terugkeert. Een acteur krijgt onmiddellijke erkenning, of niet. 

Een schrijver daarentegen blijft altijd hoop koesteren, zelfs als hij wordt miskend. Zo speelt de acteur met zijn telkens terugkerend toneelspel de absurde mens. Hij is de Sisyphus bij uitstek. De leegte van zijn bestaan is juist een volheid voor hem. Of, zoals Camus wel eens zei: ’Avec le vide les pleins pouvoirs’. De leegte als een volheid. Dat was de ultieme paradox. In feite was het een antireligieuze sprong in een leegte, een sprong die juist in zijn radicaal antireligieuze intentie een bijna spiritueel karakter kreeg. 

De psychotische omkering van de religie in een absurde wereld vol antipoden van het christendom, dat heeft Mulisch beproefd in zijn romandebuut archibald strohalm. De Heilige Mis wordt in die roman een kermis, de liturgie een poppenkast. De verlossende Messias gaat ten onder in zijn eigen waanwereld. Onderbewustzijn wordt bewustzijn en omgekeerd. De auteur schept zijn personages, door wie hij ook zelf mede wordt gevormd. En bovendien, er gaat iets tollen in de taal zelf. Alles draait om het Zelf en dat wordt steeds groter, onontkoombaar zoals in een psychose. 

In een psychose kan soms een gevoel van grandiositeit worden ervaren waarbij het idee ontstaat dat je zelf de architect bent van je  eigen werkelijkheid, of dat je een buitengewone kracht of controle kunt uitoefenen over je eigen gedachten en omgeving. Dit kan dan ongemerkt leiden tot een geestestoestand waarin je ervan overtuigd raakt dat je  Schepper bent van een verhaal waarin je zelf de hoofdrol speelt. De ontwikkelingsgang van Archibald strohalm zou je kunnen zien als de manifestatie van een waanwereld die gepaard gaat met het fenomeen autocreatie. Kortom, je bent de God geworden van je eigen gedachten die de wereld kunnen herscheppen, waar je zelf in rondloopt. Het resultaat is een soort Möbiusring die oneindig voortkronkelt in tijd en ruimte. 

In een van zijn gesprekken met. Bronislaw zegt Strohalm het volgende: 

’Ik ben van plan een verhaal te schrijven, waarin een vent bezig is een verhaal te schrijven. En in het verhaal, dat die tweede vent schrijft, is ook een vent bezig een verhaal te schrijven. En in het verhaal weer, dat die vent schrijft, is weer een vent een verhaal aan het schrijven….en zo tot in het oneindige. En weet je wie nu die vent is, die het verhaal schrijft in het verhaal van de oneindigste vent? …Ik.

Boris Bronislaw grijnsde scheef. ‘Mijn grootje,’ zei hij, ‘zou die Oneindige Vent God noemen.’

Reageer

Het raadsel van de tijd (2de versie)

Ik weet niet of Mulisch zich wel eens met spiritistische seances heeft beziggehouden. Hij heeft er in ieder geval wel over geschreven in een van zijn allereerste verhalen, die kort na de oorlog ontstonden, zoals hij laat weten in De toekomst van gisteren. In zijn boek over het spiritisme behandelt Tenhaeff het zogeheten Dunne-effect, een theorie die door John William Dunne (1975-1949) werd uiteengezet in het boek An Experiment with Time, dat in 1927 verscheen. Dunne was tijdens de Eerste Wereldoorlog hoofdofficier in het Engelse leger en uitvinder van belangrijke verbeteringen aan oorlogsvliegtuigen. Maar hij streefde ook naar een kruisbestuiving van esoterische kennis en harde wetenschap, zoals dat in de eerste decennia van de vorige eeuw wel meer voorkwam. In die opwindende jaren van natuurkundige ontdekkingen waren occultisme en wetenschap nog niet zo streng gescheiden als tegenwoordig.

Zo raakte Dunne gefascineerd door het fenomeen dat dromen een voorspellende inhoud kunnen hebben. Hij zocht naar een verklaring en vond die in een hogere dimensie. Tijd behoorde volgens hem tot een hogere dimensie waartoe het normale bewustzijn geen toegang heeft. In feite bedstaat er niet zoiets als het ‘fenomeen mens’ zoals wij dat menen te kennen, maar wel een mens als ‘een uitgebreidheid in de tijdruimte’. In die tijdruimte ziet de mens slechts een beperkt deel van de werkelijkheid, zoals die zich aandient in de dimensies waar hijzelf in verkeert en voortgaat in de tijd. Die beperkte tijdruimte, waarin het bewustzijn zich voortbeweegt, is op zichzelf weer object van een ‘imaginaire waarnemer’ in een hogere dimensie.

Zo ontstaat een reeks van steeds hogere tijddimensies, met daarin hogere subjecten van waarneming, eindigend in een absolute tijd met een absolute, denkbeeldige waarnemer. Ons ‘bewustzijnsveld’ is dus uiterst beperkt. In een droom kunnen we af en toe aan deze beperkingen ontsnappen en ‘schouwen’ in de hogere dimensies van de tijd. Zo zien we onszelf in het verleden of zelfs in de toekomst. Dromen zijn in feite een mix van flarden uit heden en verleden en soms ook met een vleugje toekomst. Ieder mens heeft dat vermogen om in een droom verder te kijken dan het hier en nu. Volgens Dunne is zelfs mogelijk om die gave bij een wakend bewustzijn te ontplooien. Wij zijn in feite een kern van bewustzijn die zijn diepste anker vindt in de allerhoogste dimensie van de tijd, waar een absolute waarnemer alles ziet en weet.

Met die hoogste waarnemer kunnen wij ons nooit verenigen, om de simpele reden dat we daarmee al verenigd zijn in het hier en nu. We leven niet alleen in het hier en nu, maar ook in het verleden en de toekomst. Dunne beweerde dat wij moeten leven te om komen tot begrip en beheersing van onze vermogens. Het gaat erom het fundamentele inzicht van onze beperking te aanvaarden. Wij moeten aanvaarden dat we mogelijk gevangen zitten in een eindeloos universum van tijddimensies.

Het boek An Experiment with Time verscheen in het jaar van Mulisch’ geboorte. Dat is ook wat Mulisch zelf – gevoelig ls hij was voor de betekenis van de gelijktijdigheid – opmerkt in zijn verhaal Anekdoten  rondom de dood (1966). Het boek van Dunne had volgens hem destijds enig opzien kunnen baren omdat het tenminste zelf niet tot de spiritistische onderwereld behoort, waardoor men er na al die jaren alsnog over kon spreken. Maar de seriële tijd die Dunne gecreëerd had met zijn oneindig aantal dimensies en zijn oneindig aantal subjecten, om zo het voorspellen van de toekomst te kunnen verklaren, kon de goedkeuring van Mulisch niet wegdragen  Het was volgens hem een voorbeeld van ‘oneindige regressie’. Toekomstige gebeurtenissen waarvan men voorkennis bezit, zouden tegelijkertijd bestaan en niet bestaan: 

‘Het zijn de hoge sprongen van een rat in nood. Om contact met de toekomst te  krijgen, wordt de toekomst van haar toekomstig karakter ontdaan en versteend tot een tweede verleden, waardoor de mens het aanzien krijgt van van de man op de film, wiens toekomst al aanwezig is als het volgende plaatjes op de spoel in de kabine.’

Ik ben van 1947, dus die waanzinnige twintigste eeuw zit voor de helft ook in mijn eigen brein. De jaren vijftig, toen Mulisch begon met publiceren, zijn in mijn herinnering de tijd van de open horizon, de uitgestrektheid van het landschap, de tijd van lege snelwegen en nieuwe buitenwijken in Amsterdam, waar de nieuwe ruimte werd volgebouwd met betonnen flats. Het was een vlucht vooruit in de ruimte en in de tijd, een ervaring van de uitgestrektheid van het opgespoten bouwland met het doffe gedreun van heimachines, dat het oor altijd iets later bereikte dan het moment waarop oog het blok op de paal zag vallen. Er was misschien wel te veel betekenis in die tijd, te veel diepgang, te veel toekomst ook. 

Mijn leven begon in een vacuüm van hoop. De eindeloze jaren vijftig waren een toekomst zonder geheugen. Maar het was tegelijk ook de tijd van de koude oorlog. In zijn boek De. Toekomst van gisteren (1972) schrijft Mulisch:’  

‘Het is moeilijk zich die donkerste dagen van de koude oorlog nu nog voor de geest te halen. Het is of alles was versteend, zelfs de vogels stonden tussen de bomen stil in de lucht. Iedere ontwikkeling werd tegengehouden, de wereldgeschiedenis was volstrekt in het slop geraakt.’

De verstening van de tijd zou een belangrijk thema worden in de verhalen die Mulisch schreef in de loop van de jaren vijftig. Dat is de conclusie van Kralt in zijn boek De tuin der spiegels, romans en verhalen van Harry Mulisch (1992). Maar ook al in archibald strohalm was er een gedachtestroom losgebroken, die uiteindelijk versteende als in de stolling van een lavastroom. Zo laat Mulisch Strohalm zeggen, dat de kunst de modder van het onbewuste verhardt tot basalt. De tijdervaring in de jaren vijftig leek niet alleen in de verhalen van Mulisch, maar ook in de tijdgeest zelf – als er al zoiets als ‘tijd-geest’ bestaat -, synchroon te lopen met de verstarringen en deformaties van de tijd, die zich kunnen voordien in een psychose. Tijd wordt dan een gevangenis maar tegelijk ook een oceaan van oneindigheid. 

Tussen die twee uitersten, die blijkbaar in de psychose volmaakt kunnen samenvallen, tasten wij nog altijd in het duister over de ware aard van de tijd. Mijn intuïtie blijft zeggen, dat er meer is tussen hemel en aarde, waar wij niets van weten. Niet alleen door mijn psychose ben ik tot dat vermoeden gekomen, het is een diepere intuïtie die zich baseert op een gewaarwording die onverklaarbaar en onverwoordbaar is in taal. Wij kijken in een donkere spiegel, en wat de aard van de tijd betreft zijn wij al existerend gevangen in duisternis. We moeten die last van de gevangenschap op ons nemen en een leven aanvaarden dat eindig is. We moeten ‘een gelukkige Sisyphus’ worden die zich verzoent met het tragiek van de eindigheid van de tijd.

Dat is de les die niet alleen Sisyphus, maar ook de psychose, en in wezen alle religiestichters ons leren, maar die door de religies zelf nog al eens verwaarloosd wordt. Het is ook een les die in de natuurkunde van de twintigste eeuw verborgen ligt. Als een natuurkundige gaat nadenken over de tijd, is het eind letterlijk zoek. Tijd is niet te vatten, zoals ook onze eigen eindigheid in de tijd in wezen niet in woorden is weer te geven. Al wordt die raadselachtige realiteit, die eigen is deze tragedie, vaak misverstaan of verminkt door esoterische ideeën over hoe het nu werkelijk zit met dat vreemde, vluchtige fluïdum dat wij ‘tijd’ noemen. 

 ‘Wie zijn toekomst vóór zich heeft en zijn verleden achter zich, die doet trouwens op nog aan ander manier iets onbegrijpelijks. Het houdt in, dat voor hem de gebeurtenissen op een of ander manier als aanwezig zijn in de toekomst, op zeker ogenblik het heden bereiken, om tenslotte tot rust te komen in het verleden. Maar er is niets in de toekomst, zij is leeg, het volgende moment kan men sterven, zodat zo iemand dus met zijn gezicht naar niets gekeerd staat, terwijl nu juist achter hem iets te zien is: het verleden, zoals bewaard in het geheugen.’

Dat schrijft Mulisch in het laatste deel van zijn boek De aanslag (1982). Het is een opvatting over de tijd die hij ook in andere boeken heeft geuit. Voorafgaande aan deze passage had hij zijn verwondering uitgesproken over het verstrijken van de tijd. Hoe gaat dat? Is dat verstrijken soms een beweging? Maar als tijd een beweging is, dan moet zij ‘in de tijd’ bewegen, zoals een schip het water van de zee doorklieft. Maar wat is dan het water? Is dat dan ook tijd, en beweegt die tijd dan ook? Zo ontstaat een oneindig aantal tijden. Mulisch ziet dat als…’een tafereel van een soort dat denkers pleegt te mishagen; maar de voorstellingen van het gevoel trekken zich nu eenmaal niet veel aan van het verstand.’

Terecht maakt Mulisch in dit verband een vergelijking met de tijdsopvatting van de oude Grieken, die dachten dat de toekomst achter ons lag en het verleden vóór ons. Maar hij vergeet daarbij te vermelden  – wat mij al in mijn gymnasiumtijd al werd bijgebracht -, dat de Grieken roeiers waren, en roeien doe je niet alleen met de riemen die je hebt, maar ook met je rug gewend naar waar je naartoe roeit, en met het verleden dus vóór je. Wij zijn allang geen roeiers meer, maar het is wel waar wat Mulisch suggereert dat onze voorstelling van de tijd in feite voorstellingen zijn van het gevoel, die zich nu eenmaal weinig aantrekken van het verstand. 

Toch ben ik er niet zo zeker van dat de toekomst – of die nu vóór of achter ons ligt – leeg is. Hoe verklaar je anders dat er ondanks de kromme redeneringen van Dunne, toch voorspellende gaven bestaan, zoiets als telepathie, het kunnen vooruitzien in de tijd? Je kunt zeggen dat profeten in feite een lucide inzicht in het heden hadden, en daarom de toekomst konden voorspellen, zoals ze dat mogelijk ook in de tijd van het Oude Testament hebben gedaan. Maar ik doel op het daadwerkelijk kunnen vooruitzien in de tijd. Dat kan alleen, als de toekomst niet leeg is of ‘ongeleefd’. ‘Ik kan niet dood zijn’, schreef Mulisch. Dat is waar, want als je dood bent is er geen tijd meer, en kun je dus ook niet ‘zijn’ op wat voor manier dan ook. Zijn is tijd. Maar wat zegt dat, als we nog steeds niet weten wat de tijd werkelijk is? De psychotische ervaring lijkt het raadsel van de tijd alleen maar te vergroten. 

Telkens weer wilde Mulisch zich onttrekken aan de dodelijke volgorde van de tijd. Een roman biedt daar alle mogelijkheden toe, bijvoorbeeld door het toepassen van flashbacks, maar ook verschillende tijdsperioden samen te laten vallen, zoals de Tweede Wereldoorlog en de Klassieke Oudheid, zoals in Het stenen bruidsbed waar de vernietiging van het bombardement samenvalt met de ultieme vereniging van de liefdesdaad. Het verleden van de  oorlog schemert steeds weer door in het heden van de herinnering. Dat gebeurt ook in het levenslange integratieproces van de psychose. De mogelijkheid om aan de tijd te ontsnappen heeft de romancier met de psychoticus gemeen, en Mulisch maakte van die mogelijkheid volop gebruik.

Ook al ontkende hij het zelf ten stelligste, het heeft er alle schijn van dat Mulisch wat bijgelovig was, zeker als het gaat om extreme toevalligheden die zich kunnen voordoen in de tijd. Hij geloofde stellig in het bestaan van ‘het betekenisvolle toeval’, zoals Jung dat heeft aangeduid met het begrip ‘synchroniciteit’. Toen hij schreef over.het bombardement in Dresden in zijn roman Het stenen bruidsbed (1959) was het plafond van zijn schrijfkamer naar beneden gekomen, zodat hij ternauwernood aan de dood ontsnapte.

Toen hij op 2 januari 1990 begon aan zijn roman De ontdekking van de hemel, werd tegelijk ook begonnen met de sloop van het Huis van Bewaring naast zijn woning aan de Leidsekade in Amsterdam. De gevangenis moest plaatsmaken voor een casino, een bouwproces dat tweeëneenhalf jaar zou gaan duren. Mulisch nam zich voor om zijn roman precies in dat tijdsbestek te voltooien. Toen uiteindelijk op 29 juli 1992 de vlag op het voltooide casino wapperde, scheef hij zijn laatste zin van de roman die 65 hoofdstukken telde. Dat was op de dag dat hij zelf hij 65 jaar werd. In zijn logboek schreef hij: ‘Daarom is het ook volkomen in orde, dat op de plek van de oude stadsgevangenis nu een casino staat: de Tempel van het Toeval.’

Zelf ben ik – voor zover ik weet – niet erg bijgelovig. Of ik gelovig ben weet ik niet. Hoe dan ook, ik ben nooit een atheïst geworden, want atheïsme is volgens mij ook een geloof, een anti-geloof. De atheïst ontkent het bestaan van God bij voorbaat, en ziet de dood als een absoluut einde van het leven. Daarmee wordt de dood in zekere zin van zijn onbegrensdheid ontdaan. De dood als een onbegrensde modaliteit die eigen is aan het leven zelf, wordt op deze wijze evenzeer ontkend als in de levensontkenning van de gelovigen, die de eindigheid van het leven ontkennen door het koesteren van hun godsgeloof. 

Schrijven is voor mij een eindig gevecht met de tijd, een voortdurende worsteling die een verbond heeft gesloten met de oneindigheid van het sterven, en niet met het ‘niet-zijn’ van de dood. Schrijven is een reis naar het sterven. En het sterven als zodanig is wellicht een terugkeer naar de oorsprong, het tijdloos afwezig zijn van de tijd. Op vergelijkbare wijze is dit boek een terugkeer naar mijn psychose. Dat is een thuiskomst die beantwoordt aan mijn verlangen naar het irenische en tegelijk ook tijdloze bestaan in de moederschoot, waar ik voor de buitenwacht een maand te lang verbleef, maar waar voor mijzelf nog niet zoiets als tijd bestond.

De harmonia matricis keerde bij mij ooit terug, zij het voor even, in de hemelse euforie van een psychose. De term ‘harmonia matricis’ is geen bestaande uitdrukking, maar een concept dat Mulisch heeft bedacht voor zijn boek De compositie van de wereld (1980). ‘De twee-eenheid van foetus en vrouw – uitgedrukt in de systematische octaviteit van het individu ab ovo’– , dat noemde hij de harmonia matricis. De foetale dromen in deze octaviteit waren volgens hem ‘echo’s van het geestesleven van de aanstaande moeder’. Ook na de geboorte blijven dit soort dromen volgens Mulisch in aanleg moederlijk, zowel bij mannen als bij vrouwen.

Dit fenomeen zou volgens hem bevestigd worden door de mannelijke erectie bij het begin van de REM-periode van de slaap. De onbeschrijfelijke en onbegrijpelijke droomachtigheid in deze foetale dromen gaat verloren bij elke psychologische – al dan niet oedipale – verklaring in taal en betekenissen. Zo wordt de navelstreng in feite nooit doorgeknipt, een gegeven waar Mulisch een opmerkelijke conclusie aan verbindt:

‘Pas hiervandaan wordt het begrijpelijk, dat psychotische verschijnselen die optreden bij deprivatie van dromen – door de slaper systematisch bij het begin van REM-perioden te wekken – hetzelfde beeld vertonen als de deprivatie van de moeder bij zuigelingen.’

Deze woorden roepen het beeld in herinnering dat Vasalis oproept in haar beroemde gedicht De idioot in het bad. Het is het heimwee naar de moederschoot waardoor de idioot telkens weer zachtjes moet huilen als hij uit bad wordt gehaald. Dat gedicht heeft mij altijd aangesproken. Al geloof ik dan niet in een hiernamaals, ik geloof wel in een altijd aanwezig ‘hiervoormaals’, om in Mulisch’ termen te blijven spreken. Ook ben ik stellig van mening dat er zoiets als paranormale verschijnselen bestaan, maar dat is iets anders dan een godsgeloof of bijgeloof.

Mijn moeder was nogal bijgelovig en als het over zaken van levensgevaar of de dood ging, was ze zelfs lichtelijk paranormaal begaafd. De laatste jaren merk ik dat ik met diezelfde gave soms ook een beetje behept ben. ‘Behept’ zeg ik, en niet ‘begiftigd’, want het is niet altijd aangenaam om dingen voor je ogen te zien gebeuren waar je in wezen geen weet hebt. Als iemand gestorven is, kan ik achteraf vaak het moment van overlijden exact traceren in de tijd, omdat ik op dat ogenblik aan hem of haar moest denken, of iets zag in mijn omgeving wat daar aanleiding toe gaf.

Spiritisten gaan er van uit er een punt bestaat vanwaaruit alles in het verleden oproepbaar en herhaalbaar is. Zoiets als ‘Uitzending gemist”. Maar ook de menselijke geest heeft een knop ‘Uitzending gemist’. Die knop blijft jammerlijk vastzitten bij het het eindeloos herhalen van een traumatische gebeurtenis uit het  verleden. Mulisch bleef telkens weer schrijven over de oorlog. ‘Zolang mensen over de Tweede Wereldoorlog blijven schrijven, wordt de kans op een Derde Wereldoorlog minder,’ heeft Wim Hazeu ooit eens beweerd. Mulisch’ reactie daarop was, dat na een Derde Wereldoorlog, de verwerking van de Tweede Wereldoorlog voorgoed voorbij zou zijn, omdat er dan helemaal geen verleden meer zou bestaan. Een toekomst trouwens ook niet.’

Wat zouden psychiaters doen met een patiënt die anno 2024 na het kijken van het NOS-journaal in een psychose is geraakt en bij hoog en bij laag beweert dat de Derde Wereldoorlog in aantocht is? De diagnose kan dan moeilijk luiden dat de patiënt de essentie van het nieuws heeft gemist. Spiritisten beweerden dat er een vast punt bestaat vanwaaruit alles in het verleden oproepbaar en herhaalbaar is. Zoiets als ‘Uitzending gemist’. Maar ook de menselijke geest heeft wellicht zo’n knop ‘Uitzending gemist’. Die knop blijft in ieder geval jammerlijk vastzitten bij het het eindeloos herhalen van een traumatische gebeurtenis uit het  verleden.

Mulisch bleef telkens weer schrijven over de oorlog. ‘Zolang mensen over de Tweede Wereldoorlog blijven schrijven, wordt de kans op een Derde Wereldoorlog minder,’ heeft Wim Hazeu ooit eens beweerd. Mulisch’ reactie daarop was, dat na een Derde Wereldoorlog, de verwerking van de Tweede Wereldoorlog voorgoed voorbij zou zijn, omdat er dan helemaal geen verleden meer zou bestaan. Een toekomst trouwens ook niet.

Reageer