Huizen van lucht en algoritmen 

Alleen op internet kan ik wonen — en als ik het dan toch niemand naar de zin kan maken, kan ik er net zo goed zelf een prettig onderkomen van bouwen. Het is zo’n zin die tegelijk klinkt als een grap, een wanhoopskreet en een vastgoed-advertentie uit de nabije toekomst. Alsof iemand heeft vastgesteld dat de tastbare wereld vol tocht, huurverhogingen en burengerucht zit, en daarom verhuist naar een mondiaal netwerk van kabels, wachtwoorden en updates. Maar ook alsof hij begrijpt dat deze woning uit lucht bestaat: uit signalen, schermlicht, data en zorgvuldig vormgegeven illusies. De hedendaagse mens woont steeds vaker in zulke panden. Niet van steen, maar van verbindingen. En inmiddels is daar een nieuwe etage bijgekomen, met automatische deuren en een vriendelijke stem uit het plafond: de kunstmatige intelligentie.

Toen de radio opkwam, moet dat voor velen pure tovenarij zijn geweest. Een stem die uit een kast sprak, een orkest dat opdook zonder muzikanten, nieuws dat door muren heen vloog en zich in de huiskamer nestelde. Men hoefde alleen nog een knop om te draaien en het onzichtbare meldde zich beleefd aan. Geen wonder dat schrijvers en dromers gefascineerd raakten. Elk nieuw medium belooft immers iets wat vroeger aan heiligen, geesten of goochelaars was voorbehouden: aanwezigheid zonder lichaam, invloed zonder nabijheid, contact zonder aanraking.

Maar elk medium brengt ook zijn schaduw mee, vaak gratis meegeleverd in de doos. De radio werd niet alleen het instrument van muziek en informatie, maar ook van massale betovering. Zonder radio was het totalitaire pathos van de twintigste eeuw moeilijk voorstelbaar geweest. De stem van de leider kon miljoenen tegelijk bereiken, hun emoties dirigeren en een collectieve roes verzorgen op vaste tijden. Technologie democratiseert niet vanzelf; zij vergroot vooral wat al aanwezig is: nieuwsgierigheid, angst, verlangen, gehoorzaamheid en hysterie. Zij werkt daarin opvallend neutraal en dus uiterst effectief.

Daarna kwam de televisie, vervolgens internet, en daarna de sociale media. Steeds opnieuw werd beloofd dat nu eindelijk de mens vrij zou worden. Iedereen zou spreken. Iedereen zou kennis bezitten. Hiërarchieën zouden oplossen als suiker in lauwe thee. Grenzen zouden verdwijnen. En inderdaad: er is veel gewonnen. Kennis is overvloediger dan ooit. Afstanden zijn gekrompen. Een onbekende stem kan overal gehoord worden. Een eenzame geest kan verwanten vinden, of op zijn minst gelijkgestemden met dezelfde boosheid.

Toch bleek ook hier de schaduw stipt aanwezig. Sociale media brachten niet alleen verbindingen, maar ook verslaving, kuddevorming en permanente opwinding. De tijd zelf veranderde van karakter. Vroeger miste men een uitzending en dat was jammer, maar definitief. Nu is vrijwel alles terug te zien, terug te lezen en terug te halen. Het merkwaardige gevolg is dat nu niets meer verloren gaat, het heden zelf aan waarde verliest. Wat nú gebeurt, blijft immers beschikbaar. Het moment is minder kostbaar zodra het eindeloos reproduceerbaar wordt en later nog zeven keer kan worden gedeeld.

Daardoor krijgt de ervaring van tijd iets absurds. Alles gebeurt tegelijk, maar zelden gezamenlijk. Iedereen kijkt, leest en reageert op zijn eigen uur, in zijn eigen cocon, onder zijn eigen algoritmische weersomstandigheden. De samenleving deelt minder vaak één synchroon moment en bestaat steeds meer uit parallelle werkelijkheden. Ieder heeft zijn eigen feed, zijn eigen bronnen, zijn eigen verontwaardigingen, zijn eigen waarheid en desgewenst een particuliere complottheorie met premiumfuncties. De wereld versplintert en verbindt tegelijk. Dat is de paradox van deze tijd, en vermoedelijk ook het businessmodel.

Met kunstmatige intelligentie wordt deze paradox nog radicaler. AI is niet slechts een nieuw kanaal zoals radio of televisie. Het is een medium dat terugpraat, soms beleefd, soms overijverig, soms met het zelfvertrouwen van iemand die net iets heeft verzonnen. Het ordent informatie, vat samen, schrijft teksten, maakt beelden, simuleert stemmen, programmeert code, voorspelt voorkeuren en voert gesprekken zonder ooit koffie te vragen. Voor het eerst staat de mens massaal tegenover systemen die niet alleen doorgeven, maar ook zelf produceren. De machine is niet langer een instrument, maar een collega die nooit slaapt.

Daarmee verandert ook onze verhouding tot kennis. Een zoektocht was ooit een expeditie in het onbekende. Men moest bladeren, vergelijken, verdwalen en af en toe hardnekkig ongelijk hebben. Nu verschijnt steeds vaker meteen een antwoord. Dat antwoord kan briljant zijn, efficiënt en behulpzaam. Maar het kan ook ten koste gaan van iets onzichtbaars: de omweg waarin begrip ontstaat. Weten is immers niet hetzelfde als informatie ontvangen. Weten veronderstelt worsteling, selectie, twijfel en een geheugen dat af en toe protesteert.

AI dreigt daarom een nieuwe black box te worden. Wij voeren woorden in, er komt iets bruikbaars uit, maar wat zich binnenin afspeelt blijft voor de meesten even mysterieus als de inhoud van een hotelminibar. Zoals de gebruiker van een camera de optiek niet begrijpt en de automobilist zelden weet wat zich onder de motorkap afspeelt, zo gebruikt menigeen nu algoritmische systemen zonder inzicht in hun werking. Dat hoeft niet rampzalig te zijn, zolang er zoiets bestaat als controle, transparantie en keuzevrijheid. Maar juist die zaken blijken vaak ergens diep in de algemene voorwaarden verstopt.

Wie bepaalt welke informatie zichtbaar wordt? Wie stuurt aanbevelingen? Wie vormt reputaties? Welke vooroordelen sluipen mee in datasets? Welke stemmen worden versterkt en welke verdwijnen geruisloos in de digitale berm? De macht van AI manifesteert zich zelden dramatisch. Zij werkt stil, frictieloos en efficiënt. Precies daarom is zij zo moeilijk waar te nemen. Een coup met zachte interface blijft ook een coup.

Daar komt nog iets bij. AI versterkt onze oude neiging om representaties van de werkelijkheid voor de werkelijkheid zelf te houden. Een overtuigend beeld lijkt waar, een vloeiende tekst lijkt deskundig, een vriendelijke stem lijkt betrouwbaar. Maar generatieve systemen kunnen moeiteloos plausibiliteit produceren zonder echtheid te garanderen. Het gevaar schuilt niet alleen in de leugen, maar in de steeds geloofwaardiger wordende benadering van de waarheid. De simulatie krijgt betere manieren dan het origineel.

Dat zien we al bij deepfakes, synthetische nieuwsberichten, automatisch gegenereerde propaganda en hyperpersoonlijke advertenties die u beter lijken te kennen dan sommige familieleden. Verkiezingen, markten en reputaties worden kwetsbaarder zodra vervalsing voor iedereen beschikbaar komt. Tegelijk ontstaan nieuwe economische machtsblokken: slechts enkele bedrijven beschikken over de rekenkracht, data en infrastructuur om de toekomst van AI vorm te geven. De oude droom van decentralisatie krijgt zo een verrassend monopolistisch vervolg. Het internet begon als een plein en eindigt soms als een winkelcentrum.

En toch zou het te eenvoudig zijn alleen somberheid te zien. AI opent werkelijk nieuwe mogelijkheden. In de geneeskunde versnelt zij diagnoses en onderzoek. In het onderwijs kan zij begeleiden en differentiëren. Voor mensen met beperkingen biedt zij hulpmiddelen die eerder ondenkbaar waren. Voor schrijvers, ontwerpers en onderzoekers kan zij een sparringpartner zijn die nooit zegt dat hij nu even geen tijd heeft. Zoals elke techniek is zij geen noodlot, maar een veld van kansen, keuzes en onverwachte bugs.

De beslissende vraag luidt dus niet of AI goed of slecht is. De vraag is welk mensbeeld wij erin leggen en welk mensbeeld wij eruit terugkrijgen. Zien wij de mens als dataprofiel, consument of voorspelbaar gedragspatroon? Of als een wezen met waardigheid, traagheid, grilligheid en het recht om ondoorgrondelijk te blijven? Niet alles wat inefficiënt is, is waardeloos. Niet alles wat meetbaar is, is betekenisvol. Niet alles wat geoptimaliseerd wordt, wordt beter — soms alleen sneller.

Juist dat recht op traagheid staat onder druk. AI belooft onmiddellijke antwoorden, onmiddellijke productie en onmiddellijke optimalisatie. Maar een mens groeit vaak door vertraging. Door niet-weten. Door de tijd die nodig is om een gedachte te laten rijpen of een verlies te verwerken. Een samenleving die alleen snelheid waardeert, verliest uiteindelijk het vermogen tot bezinning en begint zenuwachtig op zichzelf te lijken.

We zullen opnieuw moeten leren om buiten het netwerk te wonen, juist nu het netwerk overal aanwezig is. Niet door technologie af te zweren, maar door grenzen te stellen. Door zones te behouden waarin geen systeem voorspelt wat er gebeuren gaat. Door onderwijs dat niet alleen digitale vaardigheid leert, maar ook aandacht, geheugen en kritisch onderscheidingsvermogen. En misschien af en toe door een wandeling zonder notificaties, wat tegenwoordig al bijna als burgerlijke ongehoorzaamheid geldt.

Alleen op internet kan ik wonen, luidde de openingszin. Men kan haar ook omkeren: alleen buiten internet kan ik werkelijk wonen. Online kun je verblijven, communiceren, handelen, spelen en werken. Maar wonen veronderstelt belichaming, herinnering, kwetsbaarheid, geur, toeval en nabijheid. Een woning is niet alleen een plek waar signalen binnenkomen, maar ook waar stilte mogelijk is en de wifi soms uitvalt zonder existentiële gevolgen.

AI zal blijven groeien. Dat lijkt onvermijdelijk. Maar of zij een dienaar wordt of een beklemmende atmosfeer, hangt af van de keuzes die nu gemaakt worden. De toekomst vraagt niet om technofobie en evenmin om nieuwe vormen van technoreligie. Zij vraagt een cultuur die weerstand biedt, desnoods met trage middelen. De vraag is uiteindelijk niet of machines slimmer worden. De vraag is of mensen wijs genoeg blijven om af en toe de stekker eruit te trekken.

Ondertussen ga ik zelf elke dag weer gewoon door met waar ik mee bezig was – de stekker blijft erin. Je kunt het niet iedereen naar de zin maken, dus probeer ik dat maar gewoon zelf te doen in huizen van lucht en algoritmen.