Reve, Slauerhoff & de Friezen

Er schuilt een merkwaardige spanning in de verhouding van Gerard Reve tot Friesland. Enerzijds was er zijn verlangen naar afzondering, stilte en overzichtelijkheid, anderzijds zijn diepe wantrouwen jegens precies die eigenschappen wanneer zij omslaan in zelfgenoegzame nuchterheid. Zijn uitspraak uit 1969 — dat hij de Friezen alle goeds gunde, maar niet tegen hun nuchterheid kon omdat die “het demonische” ontkende — raakt aan een kernmotief dat niet alleen zijn eigen werk beheerst, maar ook dat van Jan Slauerhoff. Bij beiden gaat het uiteindelijk om de weigering zich neer te leggen bij een wereld die uitsluitend helder, praktisch en beheersbaar wil zijn. De mens is voor hen niet alleen een redelijk wezen, maar ook een verscheurd wezen, bezeten door verlangens die zich niet laten ordenen door moraal, religie of gezond verstand.

Juist daarom is de verwantschap tussen Reve en Slauerhoff zo opvallend. Beiden werden aangetrokken door het zwerven, niet zozeer als romantisch avontuur, maar als bestaansvorm van de ontwortelde mens. Het verlangen naar elders was bij hen geen toeristische nieuwsgierigheid, maar een symptoom van een dieper onvermogen om thuis te raken in de werkelijkheid. De mens leeft niet waar hij is. Hij leeft altijd in een gemis, in een herinnering of in een verwachting. Bij Slauerhoff werd dat gemis geprojecteerd op verre havensteden, op Chinese bordelen, op vrouwen die opdoemen en verdwijnen als fata morgana’s. Bij Reve kreeg datzelfde verlangen een religieuze, erotische en tegelijk melancholische lading. Zijn “Meedogenloze Jongen” is even onbereikbaar als Slauerhoffs Larrios.

Het is verleidelijk om dit alles louter psychologisch te verklaren, zoals de Franse literatuurwetenschapper Louis J. E. Fessard deed in zijn studie over Slauerhoff. Fessard las Slauerhoff vanuit de psychoanalyse en vooral vanuit de ideeën van Carl Gustav Jung. Volgens Jung draagt ieder mens een schaduwzijde in zich mee: verdrongen verlangens, angsten en impulsen die niet verdwijnen maar ondergronds blijven voortbestaan. Een mens wordt pas werkelijk heel wanneer hij die schaduw onder ogen durft te zien. Precies daarin schuilt wellicht Reves irritatie over de Friese nuchterheid. Want nuchterheid kan een deugd zijn, maar ook een afweermechanisme. Achter de ontkenning van het demonische gaat vaak angst schuil voor wat niet beheerst kan worden.

Voor Reve was het demonische geen exotische curiositeit, maar een fundamentele menselijke ervaring. Zijn werk is doortrokken van doodsverlangen, religieuze extase, seksuele obsessie en schuldgevoel. Tegelijkertijd wordt dat alles voortdurend ondergraven door ironie en humor. Hij wist dat de moderne mens niet meer onbevangen kon geloven, maar evenmin zonder geloof kon leven. Dat maakt hem tot een typisch schrijver van de twintigste eeuw: iemand die heimwee heeft naar transcendentie terwijl hij weet dat God mogelijk voorgoed uit de wereld verdwenen is. 

Bij Slauerhoff krijgt dat heimwee een andere vorm. Zijn personages dolen over zeeën en continenten alsof zij hopen zichzelf ergens te verliezen. Maar juist dat verlies van zichzelf wordt hun identiteit. De zwerver wil nergens aankomen, omdat iedere aankomst een ontgoocheling betekent. In die zin was Slauerhoff een laat-romantische figuur die de ervaring van de moderne metropool meenam naar de oceanen. Wat Charles Baudelaire ontdekte op de Parijse boulevards — de roes van de menigte, de erotische schok van de vluchtige ontmoeting — herhaalde zich bij Slauerhoff in de havensteden van het Verre Oosten.

De moderne mens leeft in een toestand van aanhoudende prikkels. Dat inzicht werd later scherp geanalyseerd door Walter Benjamin, die de flaneur beschreef als de wandelaar die doelloos door de stad dwaalt en tegelijk opgaat in haar droomwereld. De moderne ervaring is vluchtig geworden. Alles verschijnt en verdwijnt onmiddellijk weer. De liefde wordt een voorbijgaande blik, de herinnering een flits. Slauerhoff voelde die ervaring goed aan. Zijn personages worden getroffen door vrouwen die nauwelijks werkelijk bestaan. Zij zijn projecties van verlangen, dragers van een onbereikbaar ideaal.

Daarmee raken we aan het merkwaardige motief van de vrouw als tegelijk madonna en hoer, dat zowel bij Slauerhoff als Reve telkens terugkeert. In Slauerhoffs verhaal “Larrios” verschijnt de geliefde als een bijna heilige prostituee: een publieke vrouw die tegelijk iets onaantastbaars bezit. Zij belichaamt het verlangen naar zuiverheid binnen een wereld van verval. Ook Reve kende dat dubbelbeeld. Zijn erotiek is nooit alleen lichamelijk; zij draagt altijd een religieuze ondertoon. De begeerde jongen wordt een sacrale figuur, een object van aanbidding. Het katholieke universum van Reve is bevolkt met lichamen die tegelijk profaan en heilig zijn.

Daarom is zijn bekering tot het katholicisme ook minder paradoxaal dan vaak wordt gedacht. Het  betekende allerminst een vlucht uit de moderniteit, maar juist een antwoord daarop. Reve zocht een symbolische orde waarin schuld, verlangen, dood en liefde nog een plaats konden krijgen. Het katholicisme bood hem de rituelen, beelden en archetypen die in de protestantse nuchterheid van Nederland grotendeels verdwenen waren. De Madonna, de moederfiguur, de lijdende Christus — het zijn beelden waarin persoonlijke trauma’s samenvloeien met collectieve mythes.

De dood van zijn moeder in 1959 vormde daarbij een beslissend keerpunt. Reve heeft later gezegd dat dit de zwaarste schok van zijn leven was. In psychoanalytische termen zou men kunnen zeggen dat vanaf dat moment de moederfiguur zich vermengde met het religieuze beeld van Maria. Het persoonlijke verlies kreeg een metafysische dimensie. De moeder werd tegelijk aardse vrouw en hemelse moeder. Ook hier sluit Reve aan bij Slauerhoff, bij wie de vrouw vaak verschijnt als een verre, lijdende figuur die tegelijk troost biedt en onbereikbaar blijft.

Maar de verwantschap tussen Slauerhoff en Reve reikt verder dan hun erotiek of melancholie. Beiden drukken een historisch gevoel uit: het onvermogen om werkelijk in hun eigen tijd te leven. Dat gevoel werd in de jaren zestig plotseling massaal herkenbaar. Een hele generatie keerde zich af van de burgerlijke orde van de wederopbouw. Jongeren wilden niet langer de wereld van hun ouders voortzetten. Zij zochten authenticiteit, extase, vrijheid en ontsnapping. In zekere zin werd de puberale gevoeligheid van Slauerhoff toen een collectieve mentaliteit.

Reve stond ambivalent tegenover die revolte. Enerzijds hoorde hij bij de bevrijdingsgolf van de jaren zestig. Hij profiteerde van de seksuele en culturele emancipatie van die tijd en werd een icoon van homoseksuele zichtbaarheid. Anderzijds verafschuwde hij het simplistische vooruitgangsgeloof dat met die revolte gepaard ging. Hij zag hoe de afbraak van tradities niet automatisch tot geestelijke vrijheid leidde, maar ook tot leegte en narcisme. Zijn spot met de “ongewassen apen” die protesterend het verkeer versperden, verraadt tegelijk irritatie en herkenning.

Want Reve was zelf misschien wel de ultieme exponent van de verlate puberteit die de jaren zestig kenmerkte. Zijn werk draait om het verlangen om de volwassenheid uit te stellen, om de weigering zich definitief te voegen naar de eisen van de werkelijkheid. Dat verklaart ook zijn fascinatie voor jonge mannen, voor jongensachtigheid en de eeuwige adolescentie. De romantische opstand tegen de burgerlijke wereld mondt bij hem uiteindelijk uit in een religieuze restauratie. Maar die restauratie blijft dubbelzinnig. Achter zijn katholieke orthodoxie schuilt altijd ironie, theater en verlangen naar ontregeling.

Wellicht is hier ook de reden te vinden waarom Friesland hem uiteindelijk benauwde. Friesland vertegenwoordigde voor Reve niet alleen rust en ruimte, maar ook een cultuur van zelfbeheersing waarin het demonische geen taal en uitdrukkingsvormen meer had. Het was een landschap waarin men zich staande hield door niet te veel woorden vuil te maken aan innerlijke verscheurdheid. Voor een schrijver als Reve, die juist leefde van excessen, ambiguïteit en geestelijke ontregeling, moest dat uiteindelijk een verstikkend klimaat worden.

Toch is het opvallend dat hij zich aanvankelijk juist tot Friesland aangetrokken voelde. Misschien omdat Friesland nog iets bezat van de periferie, van de rand van de beschaving. Net als Slauerhoff voelde Reve zich aangetrokken tot plaatsen waar de tijd trager leek te verlopen. Maar zodra zo’n plaats een definitieve woonplaats dreigt te worden, slaat het verlangen om in onrust. Dan moet de zwerver verder. De romantische ziel leeft bij gratie van het onbereikbare.

In dat opzicht vormen Slauerhoff en Reve twee varianten van hetzelfde lot van het modernisme. Beiden belichamen de mens die niet meer kan geloven in vooruitgang, maar evenmin terug kan keren naar een verloren religieuze zekerheid. Hun werk speelt zich af in het niemandsland tussen heimwee en ironie, tussen extase en wanhoop. De wereld is onttoverd geraakt, maar juist daardoor groeit het verlangen naar nieuwe vormen van bezieling.

Daarmee raken zij ook aan een bredere ontwikkeling in de twintigste eeuw. De secularisering betekende niet eenvoudigweg het verdwijnen van religie, maar eerder haar transformatie. Ideeën van Jung, existentialisme, psychoanalyse en moderne theologie liepen na de oorlog door elkaar heen in een zoektocht naar een nieuw mensbeeld. Religie moest opnieuw worden uitgevonden, niet langer als dogma, maar als innerlijke ervaring. In Nederland waren denkers als Simon Vestdijk (De toekomst der religie, 1947) en Fokke Sierksma (De religieuze projectie, 1956) belangrijke vertolkers van die trend. Zij zochten naar een vorm van spiritualiteit voorbij het traditionele godsbeeld.

Reve stond midden in die ontwikkeling, al verhulde hij dat vaak achter spot en provocatie. Zijn katholicisme was geen terugkeer naar een ongeschonden verleden, maar een moderne constructie, geboren uit verlies, ironie en verlangen. Zoals Slauerhoff bleef verlangen naar een horizon die steeds verder weg schoof, zo bleef Reve verlangen naar een God die tegelijk aanwezig en afwezig was.

Mogelijk verklaart dat uiteindelijk ook zijn ongemak met de Friese nuchterheid. Niet omdat nuchterheid op zichzelf verkeerd zou zijn, maar omdat zij het gevaar in zich draagt het menselijke tekort te vergeten. Reve wist dat de mens niet leeft van helderheid alleen. Onder de oppervlakte van het alledaagse bestaan bewegen zich verlangens, angsten en dromen die zich niet laten wegredeneren. Het demonische verdwijnt niet door het te ontkennen. Het keert alleen in andere gedaanten terug.