“Todo es una noche la mala posada.” (Alles is slechts één nacht in de slechte herberg).
Theresia van Avila, Camino de perfección (Weg van volmaaktheid)
Daar ik onmogelijk kan weten wanneer mijn laatste uur zal slaan, en omdat op gevorderde leeftijd elke nieuwe ochtend meer op uitstel dan op recht begint te lijken, lijkt het mij verstandig nog iets op papier te zetten zolang de vingers het toetsenbord weten te vinden. Niet uit ijdelheid, al helpt die oude motor altijd een handje mee, maar uit voorzorg. De dood is een notoire onderbreker. Hij komt zelden gelegen en laat nooit de drukproeven corrigeren.
Er zijn ervaringen uit het leven die niet met pensioen gaan. Ze blijven in een hoek van het geheugen zitten als familieleden die na een verjaardag weigeren naar huis te gaan. Voor mij is dat mijn geestelijke ontregeling in de winter van 1966. Een episode die altijd weer terugkeert in mijn gedachten, tot vervelens toe. Soms krijg ik wel eens het verwijt dat ik in heftige periode van mijn leven ben blijven hangen. ‘Kom je daar dan nooit van los?’, hoor ik dan. Maar het moet gezegd, ik hou ook niet van mensen die zichzelf voortdurend identificeren met de navel van de wereld, en die in hun jeugd altijd een aanleiding zien tot een drama of een voorwendsel voor leegloperij.
Hoe dan ook, ik was jong, nerveus, overgevoelig en in de stellige overtuiging dat de werkelijkheid meer verdiepingen telde dan men mij op school trachtte bij te brengen. Het fenomeen tijd speelde daarbij een hoofdrol. Ik heb altijd vermoed dat tijd minder een natuurverschijnsel is dan een afspraak. Een collectieve gewoonte, zoals handen schudden of belasting betalen. In gewone omstandigheden gehoorzamen we aan klok en kalender en doen alsof gisteren achter ons ligt en morgen voor ons uit. Maar in een ontregelde toestand van de geest wordt die keurige rangorde opgeheven. Dan loopt het verleden door het heden heen, krijgt de toekomst stemrecht en wordt het nu een soort draaideur waarin alles tegelijk binnenkomt.
Ik herinner mij hoe bepaalde gebeurtenissen uit mijn jeugd zich meldden met de urgentie van een alarmbel. Oude scènes kwamen terug, maar niet als herinnering: als actualiteit. Alsof het verleden niet voorbij was, maar slecht geadministreerd. Tegelijk hing er iets van voltooiing in de lucht, een gevoel dat alles ergens op uitliep en dat ik, zonder sollicitatieprocedure, was aangesteld als getuige daarvan. Wie zoiets meemaakt, begrijpt plotseling waarom profeten zelden ontspannen oogleden hebben. Profeten zijn de zenuwelijers bij uitstek.
Ik schreef in die dagen in een koortsachtig tempo. Niet omdat ik iets opnieuw wilde formuleren, maar omdat het schrijven zelf een gebeurtenis was geworden. Alsof taal niet langer een instrument was, maar een medium waarin iets anders zich voltrok. Zinnen dienden zich aan met een vanzelfsprekendheid die ik in nuchtere toestand nooit meer heb weten te bereiken, al probeer ik het nog zo vaak. Twijfel was geheel afwezig. Dat alleen al had een waarschuwing moeten zijn. Twijfel is normaal gesproken de trouwste huisgenoot van de denkende mens. Uit twijfel wordt niet alleen wijsheid geboren, maar ook de broodnodige prudentie om niet tot waanzin te vervallen.
Ik hoorde geen stemmen in de theatrale betekenis van het woord. Er sprak niets van buitenaf uit stopcontacten of gordijnen. Maar van binnen was er een autoriteit opgestaan die elk bezwaar overstemde. Alles hing samen. Elk detail verwees naar een ander detail. Elk getal had betekenis. Elk toeval was een boodschap van hogerhand die zich niet had weten te vermommen. De wereld was een tekst geworden en ik was, helaas voor de wereld, de enige die hem dacht te begrijpen. Ik voelde me een Neanderthaler die verdwaald was in de tijd, en eerlijk gezegd voel ik me dat nog steeds. Het leven is vreemd.
Dat zulke estreme toestanden van vervreemding uitsluitend chemisch worden verklaard, via dopamine, synapsen en andere huishoudelijke mededelingen uit het brein, lijkt mij tegelijk waar en onvoldoende. Natuurlijk gebeurt er iets in de hersenen. Waar anders? Maar daarmee is nog niet gezegd wat er beleefd wordt. Men kan een viool ontleden zonder daarmee een sonate te verklaren.
Wat mij het meest is bijgebleven, is niet de waan zelf, maar de ruimtelijkheid ervan. Alsof ik in een andere geometrie terechtkwam. Binnen en buiten wisselden van plaats. Nabijheid en verte verloren hun maat. Het ik was geen centrum meer, maar een doorgang naar een andere wereld. Die wereld leek zich alleen in mij te kunnen spiegelen – en ik in haar. Dat klinkt verheven, maar in de praktijk is het vooral een proces van uitputting. Alle energie die in je zit wordt verbruikt en er zijn uiteindelijk geen voorraden meer die je de winter door kunnen helpen. Die winter komt uiteindelijk dan ook als een Siberische koudegolf. De hele wereld bevriest en de tijd gaat stil staan.
Misschien daarom heb ik altijd met belangstelling gekeken naar kosmologen die beweren dat ruimte en tijd niet fundamenteel zijn, maar afgeleide verschijnselen. Ik begrijp nauwelijks de helft van wat zij zeggen, en van de andere helft wantrouw ik het grootste deel, maar toch oefenen hun theorieën op mij nog altijd een onweerstaanbare aantrekkingskracht uit. De gedachte dat de werkelijkheid dieper en vreemder is dan haar dagelijkse verpakking suggereert, blijft onweerstaanbaar.
Sommigen kosmologen spreken over parallelle werelden. Bij elke keuze zou de werkelijkheid zich vertakken in talloze versies. In één wereld drink ik koffie, in een andere thee, in weer een andere had ik beter leren zwijgen. Het is een absurde gedachte, maar dat geldt ook voor veel dingen die later stof uit het leerboek werden. Soms vermoed ik dat mijn geestelijke ontregeling een particuliere en onbruikbare ervaring was van zo’n vertakking: je voelt teveel mogelijkheden tegelijk en raakt verdwaald in het verkeer der werkelijkheden.
Na verloop van tijd greep de buitenwacht in. Men noemde het hulp, en dat zal het ook geweest zijn, zij het in de stijl van die jaren. Ik werd opgenomen, kreeg rust, toezicht en medicijnen met namen die klonken als Oost-Europese grensplaatsen. Sommige maakten slaperig, andere vlak, weer andere vermoedelijk beide tegelijk. Men wilde de storm bedaren en gebruikte daarvoor middelen die ook de zee zelf stil hadden kunnen zetten.
Of die opname mij gered heeft of beschadigd, weet ik nog altijd niet precies. Waarschijnlijk beide. Het leven is zelden zuiver in zijn transacties. Ik weet dat er gevaar dreigde, dat thuis de spanningen hoog waren, dat mijn vader ziek was en het gezin op zijn eigen manier wankelde. Ik weet ook dat mijn eigenlijke doorbraak kwam met het besef van de eindigheid van het leven, tussen pillen, witte jassen en nachtdiensten.
Jaren later mocht ik mijn dossier inzien. Een eigenaardige ervaring: jezelf lezen als een geval. Daar stond ik beschreven in handschrift en jargon. Mijn ouders verschenen als types in een sociaal-psychologische roman. Mijn vader: gesloten, zwijgzaam, afstandelijk. Mijn moeder: gevoelig, beweeglijk, beschermend. Ikzelf: laat geboren zoon tussen oudere zusters, katholieke verwachtingen, gevoelig temperament. Men had niet eens ongelijk, en toch voelde het niet juist. Een mens past slecht in observaties van derden, hoe professioneel ook genoteerd.
Mijn zus, die veel van die dagen van nabij had meegemaakt, zei ooit dat ik met heel veel woorden ontweek wat ik niet kon voelen. Dat oordeel trof mij harder dan welke diagnose ook. Zij kende mij te goed. Misschien was mijn extatische taal inderdaad deels een pantser tegen iets wat eenvoudig en moeilijk tegelijk was: verdriet, angst, gemis, liefde. Grote metafysica is soms vermomde emotionele onhandigheid.
Toch wil ik die ervaring niet reduceren tot een misverstand. Ze heeft mijn leven getekend, soms belast, maar ook verdiept. Sindsdien weet ik dat de menselijke geest geen nette burgerwoning is, maar een pand met geheime trappen, tochtige zolders en kamers die beter op slot kunnen blijven, al blijft men nieuwsgierig waar de sleutel zou kunnen liggen.
Ik leef sindsdien in twee loyaliteiten. Enerzijds aan de nuchterheid: feiten, gezond verstand, de zegen van gewone dagen. Anderzijds aan de erkenning dat er in het leven momenten bestaan waarop de werkelijkheid zich anders voordoet dan wij haar administreren. Niet noodzakelijk waarachtiger, zeker niet betrouwbaarder, maar intenser, ontregelender en soms onthullend als het gaat om onze diepste verlangens.
Bestaat deze wereld wel? Ja, vermoed ik. Maar zij bestaat minder stevig dan we doorgaans denken. Zij wordt voortdurend mede gebouwd door herinnering, verwachting, taal en angst. Misschien is dat de bescheiden waarheid die mijn ontsporing heeft nagelaten: dat de alledaagse wereld geen granieten fundament heeft, maar door een dagelijks onderhouden luchtbrug verbonden is met de verbeelding. Als het waar is dat het leven een droom is waaruit je ooit zult ontwaken, dan duurt dit leven niet langer dan één enkele nacht, zoals Theresia van Avila beweerde. Maar wel een nacht in een slechte herberg.
Het is een nacht die zomaar voorbijgaat. De tijd gaat niet voor niets steeds sneller naarmate je ouder wordt, als een wals die iedereen danst met steeds snellere passen. En terwijl ik dit schrijf, tikt ergens een klok alsof hij iets definitiefs meedeelt. Ik hoor hem beleefd aan. Klokken overschatten zichzelf. Tijd zit vermoedelijk nog altijd tussen de oren. Maar de dood helaas niet. Nogmaals, het leven is vreemd.
