Schrijven om demonen uit te drijven

Ooit heb ik wel eens boeken verbrand, mijn eigen dagboeken, als een rituele vorm van demonuitdrijving. Het klinkt dramatischer dan het misschien was, maar de intentie was oprecht: een poging om greep te krijgen op wat zich in mij had opgehoopt. Waarom schrijven mensen eigenlijk dagboeken? Waarom schrijf ik dit weblog? Het dagelijks neerschrijven van wat er door je geest trekt, is een merkwaardige vorm van exorcisme, maar tegelijk ook een investering voor later, wanneer het geheugen gaten begint te vertonen en het denken zijn vanzelfsprekendheid verliest. Alsof je alvast sporen uitzet in een landschap dat je later opnieuw zult moeten doorkruisen, maar dan als een vreemdeling. En misschien is dat wel de diepste logica: dat wat je zoekt nooit iets anders is geweest dan het spoor dat je al dwalend achter je hebt gelaten.

Ik moet dan denken aan de oneindige bibliotheek die ergens alle mogelijke boeken bevat, inclusief dat ene boek waarin alles verklaard wordt, zelfs het bestaan van dat boek zelf. Een duizelingwekkend idee: dat betekenis verscholen ligt in een oceaan van ogenschijnlijk zinloze teksten. Mijn weblog voegt daar dagelijks nog wat zinloosheid aan toe. Maar ergens, zo wil de gedachte, moet er zoiets als samenhang zijn. De vraag is alleen: hoe vind je die? Hoe bereik je die ongrijpbare kern, die steen der wijzen, dat fundament onder tijd en geschiedenis waar alles op rust? Ik heb mijn leven lang gezocht en weinig gevonden. Misschien is dat juist het probleem: dat zoeken zelf. Misschien is alles er al en kijk ik er voortdurend overheen, verblind door mijn geloof in boeken en woorden, terwijl de vogels buiten hun routes vliegen zonder zich ook maar iets aan te trekken van zoiets absurds als betekenis of bestemming.

Toch schrijf ik. Stilte. Klap. Opname. Actie. Het ritueel herhaalt zich, elke dag opnieuw.

Soms is het lastig om een weblog te hebben. Als iemand zegt dat hij het elke dag leest, sta ik even met mijn mond vol tanden. Wat weet diegene inmiddels allemaal van mij? Het antwoord is simpel: alles wat ik zelf heb prijsgegeven. En toch voelt het vreemd. Je schrijft in de onmogelijke veronderstelling van een soort anonimiteit, maar je wordt gelezen door onbekenden die je intussen beter kennen dan je lief is. Of erger nog: door mensen die je kennen en zwijgen, totdat je merkt dat een verhaal dat jij voor nieuw houdt al lang bekend is. Dan word je geconfronteerd met het feit dat je, al schrijvend uitgeleverd bent aan iets wat je deep down misschien helemaal niet wil.

Hou er dan me op ! Waarom doe je het dan? Die vraag blijft terugkomen. Bloggen is onmiskenbaar een mengsel van ijdelheid en exhibitionisme, maar dat is niet het hele verhaal. Er zit ook een hardnekkige drang achter om jezelf te positioneren in de tijd, om niet zomaar te verdwijnen. Schrijven is een manier om weerstand te bieden aan het onvermijdelijke verval dat ons allen te wachten staat. Wie schrijft, probeert te blijven. Maar tegelijk schuilt daar een paradox in: schrijven helpt niet om te onthouden, maar juist om te vergeten. Zodra iets op papier staat, lijkt het uit het hoofd te verdwijnen. Het schrift neemt het over en het geheugen wordt ontlast. Onderwijl blijft niets. Alles verdwijnt.

Dat is waarschijnlijk ook dat ook de oorsprong van het schrift. Het schrijven is niet uitgevonden als hulpmiddel om iets te bewaren, maar als techniek om iets kwijt te raken. De eerste tekens waren geen neutrale dragers van betekenis, maar rituele handelingen, bezweringen, uitdrijvingen van iets wat gandeweg ondraaglijk was geworden. In het teken werd iets van de geest naar buiten geworpen. Schrijven als extase, als uitstoting. De geest die uit de fles ontsnapt. Het woord dat de wereld behekst. In die zin is elk geschreven woord een vergeefse daad van magie, een hopeloze vorm van tovenarij.

Dat verklaart misschien ook waarom boeken altijd iets dubbelzinnigs hebben. Ze zijn tegelijk bron van kennis maar ook van vervreemding. Ze beloven wijsheid, maar kunnen ook een schijn van inzicht creëren die vooral misleidend is. Het oude wantrouwen tegenover het schrift, zoals verwoord door Socrates, is nog altijd van kracht: wie vertrouwt op teksten, verliest het vermogen om zelf te herinneren. Het schrift biedt geen geheugen, maar slechts een herinnering aan een herinnering. Veel lezen maakt je nog geen wijze, hooguit een veelweter. Geletterdheid is een wezen een verlies van intuïtief inzicht.

En toch blijven we schrijven en lezen, zij het in veranderde vorm. Het boek maakt langzaam plaats voor een eindeloos digitaal netwerk van teksten, waarin iedereen kan publiceren en iedereen kan lezen. Het weblog is daar een exponent van: een persoonlijk notitieboek dat tegelijk openbaar is. Het is geen dagboek in de klassieke zin, geen intieme biecht, maar eerder een verzameling fragmenten, gedachten, citaten, observaties. In die zin lijkt het sterk op wat in de oudheid werd bijgehouden als oefening in levenskunst: een verzameling van wat men gelezen, gehoord en gedacht had, bedoeld om zichzelf te vormen.

Daar zit misschien de kern. Schrijven als vorming, als arbeid aan het zelf. Niet om een verborgen waarheid bloot te leggen, maar om jezelf te construeren uit wat er al is. Het weblog als werkplaats, als ruwe grondstof voor latere ordening. Als middel ook om breuklijnen te overbruggen, om samenhang te suggereren waar die misschien ontbreekt. Door te schrijven maak je van je leven een verhaal, en daarmee – al is het maar tijdelijk – een geheel.

En ondertussen schrijdt de tijd voort. Het geheugen laat het soms afweten, het lichaam begint te protesteren. De gewrichten worden stijver, het gehoor minder scherp. Er komen hulpmiddelen bij: een gehoorapparaat, een reeks pillen die dagelijks moeten worden ingenomen. Het zijn tekenen van verval, maar ze vormen geen reden tot berusting. Integendeel. Er is nog altijd de overtuiging – of misschien de illusie – dat het beste nog moet komen. Dat erkenning nog in het verschiet ligt. Dat het leven, zelfs op hoge leeftijd, nog kan openbreken.

Misschien is dat wel de meest hardnekkige motor achter het schrijven: de weigering om af te sluiten. De behoefte om door te gaan, om nog iets te zeggen te hebben, al is het maar tegen beter weten in. Want vaak is er helemaal niets te melden. Dan is het schrijven zelf het enige onderwerp dat overblijft. Het lege blad dat gevuld moet worden, niet omdat er iets dringends te zeggen is, maar omdat de handeling niet kan worden nagelaten.

Er zit iets dwangmatigs in. De vraag of ik nog zonder weblog zou kunnen leven, duikt geregeld op. Het voornemen om te stoppen zodra het een verslaving wordt, klinkt rationeel, maar is in feite onuitvoerbaar. Want het schrijven heeft zich al genesteld in het dagelijks ritme. Het is een gewoonte geworden, misschien zelfs een noodzaak. Niet omdat de wereld wacht op wat ik te zeggen heb, maar omdat ik zelf wacht op wat er zal verschijnen zodra ik begin te schrijven.

En dus ga ik door. Schrijven over mezelf, over kleine en grote dingen, over wat er is en wat er ontbreekt. Het kan triviaal lijken, zelfs narcistisch. Maar misschien ligt juist daarin de aantrekkingskracht: in het kleine verschil, in het ogenschijnlijk onbeduidende detail dat toch iets onthult. Het leven als schouwtoneel, waarop de schrijver tegelijk acteur en toeschouwer is. Het stuk gaat door, ook als het publiek al vertrokken is, ook als de lichten aangaan en de decors worden afgebroken.

Want ergens, in die eindeloze bibliotheek van woorden, moet alles al aanwezig zijn. Ook dit. Ook dat ene zinnetje dat alles verklaart. Maar zelfs als ik het ooit zou vinden, zou ik waarschijnlijk gewoon doorgaan met schrijven. Uit gewoonte. Uit koppigheid. Of simpelweg omdat stilte, hoe aantrekkelijk ook, nooit lang standhoudt. Met de tijd verdwijnt alles, de stilte, maar ook al mijn woorden die ik al schrijvend denk achter te laten.

Dat is uiteindelijk mijn voornaamste reden om te blijven schrijven: niet om herinneringen veilig te stellen, niet om betekenis te vinden, niet eens om gelezen te worden, maar om demonen uit te drijven. Om iets wat van binnen blijft rondspoken naar buiten te verplaatsen, in woorden, zinnen, beelden…. Alsof de onrust pas draaglijk wordt zodra zij vorm krijgt op papier. Het schrijven als bezwering, als ritueel, als tijdelijke uittocht van de geest uit zichzelf. Daarom houdt het nooit op, want de demonen verdwijnen niet. Ze veranderen alleen van gedaante.

Stilte. Klap. Opname. Actie.