De onmogelijkheid van de tijd

De ervaring van tijd is voor mij altijd iets ongemakkelijks geweest. Anderen dragen een horloge; ik werd gedragen dóór het horloge. Of beter gezegd: door een reeks slecht op elkaar afgestemde innerlijke klokken, waarvan er minstens één permanent op wintertijd stond en een andere vermoedelijk rechtstreeks verbonden was met de wederkomst van Christus. Terwijl de meeste mensen hun afspraken in een agenda noteren, had ik de neiging om verleden, heden en toekomst tegelijk in mijn hoofd te parkeren, waarna alles uiteraard onmiddellijk zoekraakte.

Er wordt gezegd dat tijd objectief meetbaar is. Seconden tikken weg, kalenders bladeren om, treinen vertrekken meestal te laat. Maar ik begon al vroeg het vermoeden te krijgen dat tijd in werkelijkheid een collectieve afspraak is, bedacht door mensen die bang waren dat anders alles door elkaar zou lopen. Tijdens mijn psychose bleek dat vermoeden opeens niet alleen filosofisch verantwoord, maar ook praktisch uitvoerbaar. Heden en verleden begonnen zich als dronken familieleden op een bruiloft met elkaar te bemoeien. Oorzaak en gevolg gingen scheiden en leefden daarna ieder hun eigen leven.

Ik verkeerde plotseling in een toestand waarin de tijd niet langer een keurige rechte lijn vormde, maar meer leek op een bord spaghetti dat door Einstein tegen de muur was gegooid. Het verleden kwam niet alleen terug, het kwam terug met nieuwe commentaren, verbeterde dialogen en verborgen betekenissen die speciaal voor mij leken achtergelaten door een kosmische scenarioschrijver met te veel vrije tijd.

Schopenhauer schreef ooit: “Vóór Kant waren we in de tijd, sinds Kant is de tijd in ons.” Bij mij was de tijd kennelijk zo diep naar binnen geslagen dat hij onderweg de bedrading had geraakt. Ik liep door Amsterdam alsof ik tegelijk deelnam aan een processie, een natuurkundig experiment en een auditie voor het Laatste Oordeel. Alles hing met alles samen. Straatlantaarns knipoogden betekenisvol. Trams reden niet meer volgens een dienstregeling, maar volgens een verborgen eschatologisch schema dat alleen voor ingewijden zichtbaar was — en helaas was ik op dat moment de enige ingewijde.

De Grieken maakten ooit onderscheid tussen chronos en kairos. Chronos is de gewone kloktijd: saai, degelijk, geschikt voor belastingaangiften en tandartsafspraken. Kairos daarentegen is het beslissende ogenblik waarop de sluier van de werkelijkheid even opzij schuift. Tijdens mijn psychose verkeerde ik permanent in een toestand van kairos. Elk moment was beslissend. Elke voorbijganger kon een engel zijn. Elke duif een boodschapper van het Absolute. Zelfs een stoplicht had iets profetisch. Vooral rood.

Het merkwaardige was dat ik mij daarbij vaak volstrekt logisch voelde. Niet gewoon logisch, maar hyper-logisch. Ik verkeerde in de overtuiging dat eindelijk alles op zijn plaats viel. Dat de geschiedenis, de kosmos, mijn jeugd, de Bijbel, de Spaanse mystiek, Gerard Reve, quantummechanica en de dienstregeling van lijn 3 samen één groot openbaringssysteem vormden. Ik hoefde het alleen nog maar even uit te leggen aan de rest van de mensheid, mits die bereid was aandachtig te luisteren naar iemand die al drie nachten niet had geslapen en eruitzag als een ontsnapte figurant uit een expressionistische film.

Een psychose is in dat opzicht een wonderlijke ervaring. Je verliest niet de betekenis van de dingen; je krijgt er juist veel te veel van. Alles wordt symbolisch overbelicht. De wereld verandert in een kosmisch prikbord waarop God, Jung, Einstein en de omroepvereniging MAX tegelijkertijd geheime boodschappen hebben achtergelaten. Een scheur in het trottoir verwijst naar de Apocalyps. Een klokslag bevestigt een metafysisch vermoeden. Een toevallige ontmoeting op straat blijkt onderdeel van een plan dat al vóór de schepping in werking is gezet.

Achteraf bezien was ik vermoedelijk minder een profeet dan een slecht afgestelde antenne die plotseling alle zenders tegelijk ontving. Toch bleef die ervaring filosofisch intrigerend. Want wat gebeurt er eigenlijk wanneer de normale ordening van tijd uiteenvalt? Misschien is de werkelijkheid veel minder stabiel dan wij denken. Einstein had de ruimte al kromgetrokken; ik deed hetzelfde met de tijd, zij het zonder subsidie of academische aanstelling. Terwijl natuurkundigen speculeren over zwarte gaten en parallelle universa, liep ik door de Ferdinand Bolstraat in de stellige overtuiging dat ik tegelijk dood, onsterfelijk én onderweg naar het paradijs was.

De theorie van Hugh Everett over parallelle werelden sprak mij dan ook onmiddellijk aan. Volgens Everett splitst het universum zich voortdurend in talloze mogelijke werkelijkheden. Dat verklaarde eindelijk waarom ik mij soms voelde alsof er meerdere versies van mijzelf tegelijk actief waren: één die filosofeerde, één die gered moest worden en één die waarschijnlijk ergens op een bankje in het Vondelpark zat te wachten op een teken van boven. In een parallel universum ben ik vermoedelijk alsnog paus geworden, terwijl ik in een ander universum gewoon tandartsassistente ben in Drachten.

Het absurde is dat zulke theorieën tegenwoordig serieus genomen worden door natuurkundigen. Zodra iemand een witte jas aantrekt en moeilijke formules gebruikt, heet waanzin opeens kosmologie. Als ik beweer dat tijd niet bestaat en alles tegelijk gebeurt, belt men een psychiater. Als een natuurkundige hetzelfde zegt in Princeton, krijgt hij een onderzoeksbeurs.

Tijdens mijn psychose kreeg ik bovendien sterk het gevoel dat ik al dood was. Niet symbolisch dood, maar administratief dood. Alsof ik per ongeluk was doorgelopen na het einde van mijn bestaan. Ik verkeerde in een soort metafysisch tussenstation: half hiernamaals, half Amsterdam-Zuid. Dat klinkt dramatisch, maar het had ook praktische voordelen. Wie denkt dat hij onsterfelijk is, steekt met opvallend veel vertrouwen een drukke straat over.

Achteraf zie ik daarin vooral een ontsporing van het tijdsbesef. De toekomst was verdwenen, het verleden opgelost, en het heden had zich opgeblazen tot kosmische proporties. Alles gebeurde tegelijk. Ik leefde niet meer in de tijd; de tijd leefde in mij als een overspannen binnenhuisarchitect die voortdurend muren aan het verplaatsen was.

Augustinus wist al hoe raadselachtig tijd eigenlijk is. Zodra je probeert het heden vast te houden, is het alweer verdwenen. Husserl noemde het bewustzijn een “Fluss”, een stroom. Bij mij was die stroom tijdelijk veranderd in een doorgebroken stuwmeer. De dijken van het gezonde verstand begaven het en de symboliek stroomde de straten op. De moderne psychiatrie verklaart zoiets doorgaans met dopamine. Dat is ongetwijfeld waar, maar ook een beetje teleurstellend. Het voelt toch wat onbevredigend om een complete metafysische crisis teruggebracht te zien tot een chemisch probleem in de synapsen. Alsof Dante’s Inferno uiteindelijk veroorzaakt bleek door een magnesiumtekort.

En toch blijft er iets fascinerends aan die ervaring. Niet omdat een psychose een hogere waarheid zou onthullen — meestal onthult zij vooral dat je dringend slaap nodig hebt — maar omdat zij zichtbaar maakt hoe broos onze werkelijkheid is. De gewone wereld blijkt slechts overeind te blijven dankzij een fragiel evenwicht van tijd, taal en betekenis. Zodra één schroefje losraakt, verandert het universum in een spiegelpaleis waarin alles naar alles verwijst.

Dat is tegelijk ook de diepste ironie van het bestaan: dat een mens wanhopig probeert orde te scheppen in een werkelijkheid die vermoedelijk fundamenteel chaotisch is. We kopen agenda’s, bouwen kalenders, spreken af om kwart over drie, terwijl ergens diep onder ons bewustzijn de oerstroom van de tijd onverstoorbaar verder kolkt.

En soms, heel soms, breekt die stroom weer even door de vloer heen. Dan staat iemand als ik plotseling midden in de nacht op een brug boven de Amstel, overtuigd dat de hemel openzwaait en dat het heelal persoonlijk contact zoekt. Dat is tragisch, ontregelend en gevaarlijk, maar eerlijk gezegd ook ietwat komisch. Want uiteindelijk blijft een mens, zelfs in zijn meest verheven waanzin, toch vooral een verward zoogdier dat betekenis probeert te geven aan een universum dat vermoedelijk heel ergens anders mee bezig is. Het mysterie van de wereld is de onmogelijkheid van de tijd.

.