Pinksteren is misschien wel het vreemdste feest van het christendom. Kerstmis laat zich nog begrijpen als een verhaal over geboorte, Pasen als een verhaal over dood en verrijzenis. Maar Pinksteren draait om iets ongrijpbaars: een windvlaag, een plotselinge bezieling, mensen die in vreemde talen spreken, vurige tongen die zich neerzetten op de hoofden van de discipelen. Het is een gebeuren dat zich afspeelt op de grens van taal en extase, van openbaring en ontregeling. Juist daarom roept het in onze tijd een ongemakkelijke vraag op. Hoe zouden wij tegenwoordig reageren als iemand beweert opeens in alle talen te kunnen spreken? Of dat er boven zijn hoofd een vurige tong bevindt? Waarschijnlijk niet met eerbied, maar met een verwijzing naar de psychiatrie. Mogelijk zou hij zelfs door mannen in witte jassen worden weggevoerd.
Dat spanningsveld tussen religieuze vervoering en geestelijke ontregeling is niet nieuw. De geschiedenis van het christendom zit vol met visioenen, hallucinaties, stemmen en extatische ervaringen. Wat ooit als goddelijke inspiratie gold, wordt tegenwoordig al snel opgevat als een psychisch symptoom. De vurige tongen van Pinksteren zijn daarmee niet verdwenen, maar van betekenis veranderd. Ze worden nu gelezen in het licht van de moderne psychologie, neurologie en psychiatrie. Toch blijft de vraag knagen of daarmee alles verklaard is.
Het wonderlijke is namelijk dat de taal van Pinksteren van meet af aan een taal op de rand van de waanzin is geweest. In het Bijbelboek Handelingen raken de discipelen in een toestand van geestdrift waarin zij plotseling allerlei talen spreken. Omstanders denken zelfs dat zij dronken zijn. Paulus moest later expliciet waarschuwen voor het al te zeer “in tongen spreken”, omdat de boodschap anders onverstaanbaar werd. Glossolalie – het spreken in klanktaal – was kennelijk een bekend verschijnsel in de eerste christelijke gemeenten. Tegenwoordig zouden psychiaters zulke taaluitbarstingen wellicht classificeren als dissociatie, manie of psychotische ontregeling. Maar in de oudheid zag men er een teken van goddelijke bezieling in.
Daarmee raken we aan een ongemakkelijke waarheid: religie en waanzin hebben altijd dicht bij elkaar gelegen. De profeet en de psychoticus spreken soms een verwante taal. Beiden kunnen overspoeld worden door beelden, stemmen en betekenissen die buiten de gewone orde van het verstand vallen. De Bijbel zelf staat vol met dergelijke ervaringen. Ezechiël zag vurige wagens aan de hemel. Johannes schreef zijn Apocalyps vol monsters, engelen en kosmische rampen. Elia voer ten hemel in een vurige wagen met vurige paarden. Het zijn beelden die zich nauwelijks nog laten vertalen in het nuchtere vocabulaire van de moderne tijd. Toch bezitten zij nog altijd een hypnotische kracht. Het is taal waarvoor je capituleert, juist omdat zij zich beweegt op de grens van betekenis en wartaal.
In de twintigste eeuw werd deze grens steeds vaker onderwerp van psychiatrisch onderzoek. Dat blijkt bijvoorbeeld uit de geschiedenis van de Amsterdamse Maria-verschijningen van Ida Peerdeman. Tussen 1945 en 1959 beweerde deze eenvoudige kantoorbediende tientallen malen verschijningen van Maria te hebben gezien. Voor velen waren het authentieke openbaringen; voor anderen symptomen van een psychische afwijking. De katholieke kerk aarzelde lange tijd. Psychiatrische experts werden ingeschakeld en hun oordeel was vernietigend: de verschijningen hadden geen bovennatuurlijke oorsprong.
Opmerkelijk genoeg speelde deze discussie zich af in een tijd waarin de psychiatrie zelf ingrijpend veranderde. In de jaren vijftig deden de eerste antipsychotica hun intrede. De waanzin werd niet langer gezien als demonische bezetenheid of moreel falen, maar als een chemische ontregeling van het brein. Daarmee leek een eeuwenoud mysterie eindelijk wetenschappelijk beheersbaar te worden. Visioenen werden hallucinaties. Extase werd manie. Profetische taal werd een symptoom van de waanzin.
Toch is daarmee niet alles gezegd. Want wat de moderne psychiatrie vaak vergeet, is dat religieuze vervoering niet alleen een afwijking is, maar ook een bron van betekenis. Carl Gustav Jung begreep dat beter dan de meeste psychiaters van zijn tijd. Volgens Jung drukken religieuze beelden archetypische structuren van de menselijke ziel uit. Visioenen en hallucinaties waren voor hem niet louter defecten van het brein, maar uitbarstingen van het onbewuste. Juist daarom zag hij overeenkomsten tussen de dogmatiek van het christendom en de waanwereld van psychotici.
Jung wees erop dat veel religieuze tradities ontstaan zijn uit ervaringen die tegenwoordig waarschijnlijk als pathologisch zouden worden bestempeld. Jezus zelf trok zich terug in de woestijn en worstelde daar met visioenen van Satan. Johannes schreef zijn Apocalyps in een stroom van beelden die elke psychiater bekend zouden voorkomen. Maar volgens Jung onderscheidt religieuze openbaring zich van pure psychose doordat de beelden een symbolische samenhang bezitten. Zij vormen een mythisch systeem waarin chaos wordt omgezet in betekenis.
Dat inzicht is vandaag relevanter dan ooit. In onze geseculariseerde wereld zijn de rituelen en symbolen verdwenen waarin zulke ervaringen vroeger werden opgevangen. De moderne mens beschikt nauwelijks nog over een taal voor extase, visioen of heilige waanzin. De mysticus is patiënt geworden. Het klooster werd een therapeutisch centrum, het gesticht een zorginstelling. Maar misschien is daarmee ook iets verloren gegaan. Want waar kunnen de vurige tongen nog neerdalen in een cultuur die alleen het meetbare serieus neemt?
Misschien verklaart dat waarom psychotische ervaringen vaak een religieus karakter aannemen. Mensen die een psychose doormaken, voelen zich niet zelden geroepen, uitverkoren of verbonden met kosmische machten. De taal van de waanzin grijpt instinctief terug op oeroude religieuze beelden. Dat is geen toeval. Zowel religie als psychose bewegen zich op de grens van het benoembare. Beide proberen betekenis te geven aan een werkelijkheid die groter is dan het rationele bewustzijn kan bevatten.
Ik weet dat niet alleen uit boeken. Ook mijn eigen ervaringen in een psychiatrische inrichting in de jaren zestig hebben mij geleerd hoe dicht vervoering en ontregeling bij elkaar kunnen liggen. Er zijn momenten waarop taal begint te vliegen, alsof niet langer jij spreekt, maar de taal zelf. Heidegger formuleerde het raadselachtig: “Die Sprache spricht.” In zo’n toestand ontstaat een merkwaardige ervaring van intensiteit en openbaring. Alles lijkt met alles verbonden. Woorden krijgen een magnetische kracht. Het bewustzijn raakt in vervoering. Maar dezelfde toestand kan omslaan in chaos en vernietiging. Een week later lig je onder een spanlaken in een isoleercel.
Dat dubbele gezicht van extase herkennen we ook in het symbool van het vuur. Vuur verlicht, maar het vernietigt ook. De vurige tongen van Pinksteren zijn daarom niet alleen een beeld van inspiratie, maar ook van gevaar. Wie werkelijk door geestdrift wordt gegrepen, verliest iets van zijn veilige rationaliteit. De Heilige Geest is geen keurige burgerman. Hij verschijnt in stormen, visioenen en ontwrichtingen. Misschien houdt hij zich wel op aan de rand van de waanzin.
Daarmee is niet gezegd dat iedere psychose een goddelijke openbaring zou zijn. Romantisering van geestesziekte is even misplaatst als reductionisme. Een psychose kan verwoestend zijn. Maar het omgekeerde geldt eveneens: een cultuur die iedere vorm van extase onmiddellijk medicaliseert, loopt het gevaar haar contact met het mysterie te verliezen. De mens leeft niet van ratio alleen. Er bestaat ook een behoefte aan vervoering, aan transcendentie, aan een taal die verder reikt dan het alledaagse communicatieve verkeer.
Juist daarom blijft Pinksteren een actueel feest. Het herinnert ons eraan dat taal meer kan zijn dan informatieoverdracht. Taal kan ontvlammen. Zij kan mensen buiten zichzelf brengen. Zij kan grenzen doorbreken tussen individuen, volken en werkelijkheden. In de moderne wereld is die ervaring grotendeels verdwenen. Woorden zijn functioneel geworden, instrumenteel, leeggepompt van hun rituele kracht. Maar soms gebeurt er nog iets onverwachts: in poëzie, muziek, verliefdheid, politieke bezieling of psychische crisis. Dan laait plotseling een oude kracht op in de taal zelf.
Misschien zijn de vurige tongen uiteindelijk geen bovennatuurlijk verschijnsel en ook geen psychiatrisch symptoom, maar een oeroude menselijke ervaring die beide domeinen raakt. Een ervaring waarin de mens zichzelf overschrijdt en even wordt meegesleept door iets dat groter is dan hijzelf. De religie noemde dat ooit de Heilige Geest. De psychiatrie spreekt van ‘altered states of consciousness‘. Maar geen van beide begrippen vat het geheel.
Want wat gebeurt er werkelijk wanneer woorden beginnen te branden? Wanneer iemand spreekt alsof hij bezield is door een macht die niet geheel de zijne is? Wanneer taal plotseling een vuurzee wordt die tegelijk verlicht en verblindt? Misschien is dat het geheim van Pinksteren: dat de mens niet alleen een rationeel wezen is, maar ook een vat vol beelden, verlangens, angsten en visioenen. Een wezen dat soms wordt aangeraakt door iets wat het gezonde verstand te boven gaat.
De vurige tongen zijn dan geen relikwie uit een ver verleden, maar een herinnering aan een mogelijkheid die nog altijd in ons sluimert. Onder het dunne oppervlak van de redelijkheid brandt nog steeds een oud vuur. Soms breekt het uit in kunst, soms in religie, soms in waanzin. De psychiatrie heeft het terrein betreden dat ooit door mystiek en theologie werd beheerd. Maar daarmee ontstaat ook een nieuwe vraag: waar eindigt de pathologie en waar begint de openbaring?
Juist op dat onzekere grensgebied bevindt zich wat je ‘de psychiatrie van de Heilige Geest’ zou kunnen noemen: een poging om ervaringen van vervoering en transcendentie niet onmiddellijk weg te verklaren, maar serieus te nemen in hun dubbelzinnige, soms gevaarlijke, maar mogelijk ook betekenisvolle kracht.
