Gerard Reve raadde iedere beginnende schrijver aan toch vooral over zichzelf te schrijven. Over kleine, nutteloze zaken bijvoorbeeld: wat je aantrekt, wat je eet, of je spruitjes lust of juist met diepe existentiële walging terzijde schuift. Dat soort dingen willen de mensen weten. En omdat ik vandaag werkelijk niets van belang te melden heb — geen wereldschokkende inzichten, geen spirituele openbaringen en zelfs geen lichte verkeersongelukken — grijp ik maar weer eens terug op een oude foto van mezelf. IJdelheid der ijdelheden, het is allemaal al voorspeld. Neem nu deze foto hierboven.
Ik steek een sigaret aan voor mijn partner. Of probeer dat althans. Zo’n gebaar vereist een zekere achteloze elegantie, alsof je je hele leven niets anders hebt gedaan dan vrouwen vuur geven in halfduistere hotelbars, terwijl op de achtergrond een jazztrio “Autumn Leaves” speelt. Bij mij oogt het eerder alsof ik bezig ben een gaslek te veroorzaken. Mijn hand staat gespannen als die van iemand die zojuist voor het eerst een aansteker heeft gezien.
Het is zaterdag 11 september 1971. We bevinden ons in de diepzeebar van het Apollo Hotel in Amsterdam. Alleen die naam al: diepzeebar. Alsof Jacques Cousteau elk moment uit een aquarium kon opduiken met een octopus onder de arm. Mijn aanstaande schoonouders vierden daar hun zilveren huwelijksfeest. Een gebeurtenis waarbij men geacht werd zich enigszins volwassen te gedragen, wat in mijn geval vooral betekende dat ik probeerde zo min mogelijk wijn over mijn colbert te morsen.
Let vooral op dat pak. Strak getailleerd, brede revers, schoudervullingen waar een middelgrote havik op had kunnen landen. Volkomen in de geest van Carnaby Street, al kwam het gewoon van de Heiligeweg in Amsterdam. Ik kocht het in 1969 en tegen 1971 begon het al licht tragische trekken te vertonen. De ellebogen waren dun geworden, de stof glom hier en daar van overmatig cafébezoek, maar ik droeg het alsof ik rechtstreeks uit Londen kwam overgevlogen. In werkelijkheid kwam ik meestal uit een studentenkamer waar de afwas zich opstapelde tot een sociologisch experiment.
Toen was ik nog een dedicated follower of fashion. Dat klinkt indrukwekkender dan het was. Het betekende vooral dat ik veel geld uitgaf aan kleding die drie maanden later alweer hopeloos belachelijk bleek. Ik droeg halfhoge Spaanse laarzen, gekocht op Mallorca, waar ik vermoedelijk meer indruk maakte op mezelf dan op wie dan ook. Mijn bril kwam van brillenboetiek Oogappel — alleen de naam al gaf je het gevoel dat je tot een artistieke voorhoede behoorde. Brillen waren trouwens het enige modeverschijnsel dat ik decennialang trouw bleef. Pas na mijn staaroperatie verdween dat intellectuele pantser van mijn neus. Sindsdien kijk ik de wereld ongefilterd aan, wat eerlijk gezegd nogal tegenvalt.
Mijn lange haren verkeerden op deze foto overigens al in hun terminale fase. Twee jaar lang heb ik gedacht dat een overvloedige haardos mij iets bohèmiens verleende, iets van een dichter, een revolutionair of desnoods een obscure bassist van een progressieve rockgroep. In werkelijkheid leek ik vaak op een verlopen Duitse student die te lang op een camping had gezeten. In 1972 ging het haar eraf. Waarschijnlijk tot opluchting van de mensheid.
Eigenlijk waren de vroege jaren zeventig de absolute hoogtijdagen van de modewaan. Vrouwen droegen Laura Ashley-jurken, plateauzolen en hotpants. Dat laatste kledingstuk had ongeveer de omvang van een royaal uitgevallen zakdoek. Het was mode die voortdurend balanceerde tussen bevrijding en fysiotherapie. Daarna kwamen de tuinbroeken en de broekpakken. Ik heb me daar verre van gehouden, deels uit esthetisch besef, deels omdat ik er onmiddellijk uitzag als een overspannen kleuterleider.
Wel kocht ik ooit op de Nieuwendijk een rode leren ceintuur van zeker tien centimeter breed. Waarom? Geen idee. Vermoedelijk verkeerde ik in de waan dat ik daarmee iets mediterrane allure kreeg. In werkelijkheid leek ik op een failliete flamencodanser. Nog erger waren de appliqué’s op spijkerbroeken. Ik heb daadwerkelijk enige tijd met aardbeien op mijn achterwerk rondgelopen. Dat leek vrolijk en artistiek totdat onbekenden achter mij suggestieve plukbewegingen begonnen te maken. Vanaf dat moment verloor de aardbei voorgoed haar onschuld.
Broeken met wijde pijpen heb ik altijd verafschuwd. Je verdween erin als in een mobiele gordijnpartij. De broek van dit pak kon nog net door de beugel. Nee, dan die stropdas: breed, Kashmir-motief, geheel volgens de laatste mode. Die das had iets ambitieus. Alsof hij mij wilde overtuigen dat ik een man van de wereld was, terwijl ik innerlijk vooral bezig was met de vraag of ik nog geld had voor een broodje kroket op het Leidseplein.
Modebewustzijn is uiteindelijk een poging om een identiteit bijeen te houden met textiel, leer en tijdelijke illusies. Je trekt een colbert aan en denkt: ziezo, nu besta ik. Een week later verandert de mode en besta je ineens niet meer. Zo wreed kan de geschiedenis zijn. Toch is er niets mis mee, zolang je maar beseft dat een mens niet samenvalt met zijn schoenen, zijn haarlengte of zijn ceintuur. Al helpt het soms wel als die schoenen enigszins toonbaar zijn.
Met het klimmen der jaren veranderde ik langzaam in een sloddervos die ongevoelig werd voor elke nieuwe trend. Niet langer dedicated. Nauwelijks nog een follower. Eerder iemand die ’s morgens denkt: ligt er nog iets schoons op die stoel? Maar eerlijk is eerlijk: in die jaren zeventig mocht ik er best wezen. Tenminste, zolang het licht gedempt bleef en niemand te kritisch naar die aardbeien keek.
Ach kom, doet u maar alsof u niets gehoord hebt. Neem nog een borrel. Nee hoor, die gorilla naast mij bijt niet. En trouwens, al zou hij bijten — uiteindelijk probeert ook hij alleen maar een beetje modieus door het leven te komen
