Met een stelling die zichzelf in de staart bijt zou je kunnen beweren dat er twee soorten mensen bestaan: mensen die de wereld in twee soorten verdelen, en mensen die alles juist met alles in verband brengen. Met het formuleren van deze stelling schaar ik mij logischerwijs bij de eerste categorie — zelfs wanneer ik sympathie zou voelen voor de tweede. De uitspraak verraadt zichzelf dus tijdens het formuleren. Daar komt nog iets bij. De tweede categorie — “mensen die alles met alles in verband brengen” — verzet zich juist tegen scherpe categorieën. Maar door deze mensen als afzonderlijk type te benoemen, worden zij alsnog in een categorie opgesloten. Hun eigen principe wordt daardoor opgeheven. De charme van deze uitspraak zit juist in die absurditeit: ze demonstreert onmiddellijk het probleem dat ze benoemt. Sterker nog, het benoemen zelf wordt een probleem.
Toch behoor ik zelf ongetwijfeld tot die wonderlijke tweede categorie. Mijn ongeluk is alleen dat die neiging om “alles met alles in verband te brengen” in de loop der jaren steeds groteskere vormen is gaan aannemen. Ik zie verbanden tussen dingen die niets met elkaar te maken hebben: tussen een sneeuwstorm en Schopenhauer, tussen een gecastreerde kater en het neoliberalisme, tussen een depressie en de muziek van Kate Bush. Soms vermoed ik zelfs dat de hele werkelijkheid één groot, slecht geordend droomarchief is waarin gebeurtenissen, herinneringen en angsten achteloos door elkaar zijn gegooid. Misschien is een depressie uiteindelijk niets anders dan het tragische vermogen om dat archief – met al zijn tweedelingen – wat al te serieus te nemen.
Jarenlang heb ik geworsteld met depressies. Ze begonnen lang voordat ik begreep wat een depressie eigenlijk is. In het begin leek het vooral een afwijkende manier van kijken. Andere mensen wandelden door de wereld alsof alles vanzelfsprekend was: de huizen stonden op hun plaats, de bomen groeiden rustig verder, de dagen volgden elkaar op in een begrijpelijke orde. Ik daarentegen had voortdurend het gevoel dat er iets niet klopte, alsof achter het decor van de werkelijkheid een machinist zat te slapen. Vooral in de winter kreeg ik dat gevoel. Dan leek het licht boven Friesland niet afkomstig van de zon maar van een slecht afgestelde tl-buis die elk moment kon uitvallen.
Later kwamen daar de echte depressies bij, die diepe, loodzware stiltes waarin zelfs het optillen van een koffiekopje een metafysische inspanning werd. De wereld verloor dan niet alleen zijn kleur, maar ook zijn logica. Alles wat anderen vanzelfsprekend vonden — boodschappen doen, een afspraak maken, een telefoontje plegen — kreeg iets absurd ingewikkelds. Ik kon urenlang naar een stoel kijken zonder te begrijpen waarom iemand ooit op het idee was gekomen om daarop te gaan zitten. Toch bleef ik functioneren. Dat was misschien nog het vreemdste. Ik liep over straat, groette mensen, las boeken en schreef artikelen, terwijl ik intussen het gevoel had dat ik langzaam veranderde in een verlaten wachtkamer.
In die jaren begon ik obsessief mijn dromen op te schrijven. Niet omdat ik geloofde dat dromen verborgen waarheden bevatten, maar juist omdat ze zo volstrekt onbetrouwbaar waren. Dromen trokken zich niets aan van oorzaak en gevolg. Een huisarts kon plotseling veranderen in Arthur Schopenhauer, een concertzaal in een psychiatrische inrichting en een minister in een opgezette vogel. Toch zat er in die chaos een eigenaardige onderliggende logica, alsof het onbewuste voortdurend probeerde een geheim systeem zichtbaar te maken dat overdag zorgvuldig verborgen bleef. Hoe depressiever je bent, hoe intenser je droomt.
Zo droomde ik ooit van een tentoonstelling van opgezette paarden in de Beurs van Berlage. Waarom paarden? Vermoedelijk omdat ik de avond daarvoor een krankzinnig krantenbericht had gelezen over een Engelsman die gestorven was na een seksuele handeling met een paard. Een paard penetreren, zoiets blijft in je kop hangen. Zo’n droom verdwijnt niet maar zakt weg in het brein, waar hij zich gaat vermengen met filosofische theorieën, jeugdherinneringen en existentiële angsten. In dezelfde droom belandde ik plotseling bij de huisarts, die mij onderzocht zonder iets te vinden. Vervolgens zat ik in een wachtkamer vol Friese schrijvers en dode dichters. Iemand had een boek van Schopenhauer bij zich – jawel, alweer Schopenhauer. Buiten sneeuwde het. Een minister hield een lezing over nucleair terrorisme terwijl niemand luisterde. Toen ik wakker werd, bleef vooral de stemming hangen: een mengeling van dreiging, verveling en volstrekte zinloosheid.
Achteraf denk ik dat die droom een tamelijk nauwkeurige samenvatting van mijn sombere geestestoestand was. In die periode las ik veel boeken over depressie, wat ongeveer hetzelfde effect had als benzine gooien op een smeulend vuur. Ik las inderdaad ook boeken van Schopenhauer, die de mens beschreef als een schimmellaag op een afgekoelde planeet in een volstrekt betekenisloos heelal. Ik las ook een boek van Trudy Dehue, die beweerde dat de moderne samenleving geluk tot een morele plicht had gemaakt. Vooral dat laatste trof me. Overal zag ik mensen bezig zichzelf te optimaliseren. Men rende hard, volgde cursussen mindfulness, telde stappen, at vezels en sprak over “persoonlijke groei” alsof een mens een kamerplant.
Gaandeweg past een depressief aangelegd persoon niet meer in dat systeem. Hij is dan geen tragische figuur meer, maar een defect product, een ondernemer die onvoldoende rendement uit zichzelf weet te halen. Geen mentale cashflow, dan gaat hij psychisch failliet. Uiteindelijk wordt zelfs zijn melancholie uitbesteed aan een externe consultant, die na een grondige analyse concludeert dat zijn verdriet onvoldoende schaalbaar is binnen het puntensysteem van de zorgverzekering en dringend moet worden geoptimaliseerd via een abonnementsmodel voor persoonlijke zingeving. Sindsdien moet hij ieder kwartaal aantonen dat zijn wanhoop nog voldoende toekomstpotentieel bezit, terwijl een jonge beleidsmedewerker met een glimlach uitlegt dat chronische leegte tegenwoordig alleen nog wordt vergoed wanneer zij aantoonbaar afbreuk doet aan maatschappelijke cohesie. Verbinding heet zoiets.
Het absurde is dat ik dit soort analyses destijds volkomen overtuigend vond, en er tegelijkertijd alleen maar somberder van werd. Want zodra de depressie een technisch probleem wordt, verandert ook een mens in een technisch apparaat. Mijn huisarts sprak over “een chemische disbalans”, psychiaters hadden het over neurotransmitters en farmaceutische mogelijkheden, maar niemand stelde nog de vraag waarom een mens eigenlijk gelukkig zou móéten zijn. Alsof geluk een staatsverplichting was geworden, vergelijkbaar met het betalen van belasting, terwijl op het Ministerie van Welzijn inmiddels formulieren circuleerden waarop men in drievoud moest verklaren op welke dagen men zich dankbaar had gevoeld, waarna een ambtenaar met een vermoeide blik een stempel zette: onvoldoende levensvreugde aangetoond. Zeg maar ja tegen het leven, dat is overheidsbeleid.
Ik slikte pillen met namen die klonken als obscure Oost-Europese generaals. Soms hielpen ze een beetje, maar even vaak kreeg ik de indruk dat ze alleen de contouren van de wanhoop vervaagden zonder de wanhoop zelf aan te raken. De wereld bleef dezelfde wereld: een plek waar mensen zich dagelijks haasten tussen geboorte en dood, terwijl niemand precies weet waarom. Laurens ten Cate formuleerde dat ooit genadeloos scherp: “Wij doen allen wat wij moeten, omdat wij het moeten, zonder te weten waarom wij het moeten en wat er zou gebeuren als wij het niet deden.” Toen ik die zin voor het eerst las, voelde ik een bijna lichamelijke opluchting. Eindelijk iemand die toegaf dat de beschaving misschien helemaal niet gedragen wordt door inzicht, maar door een collectieve vorm van paniek die stelselmatig onderdrukt wordt.
Dat verklaart wellicht ook mijn fascinatie voor Wilhelm Reich, de ontspoorde psychoanalyticus die geloofde in kosmische energiestromen en machines waarmee regen kon worden opgewekt. Reich was natuurlijk een fantast, maar wel een grootse fantast. Zijn waanzin had tenminste nog zoiets als grandeur. Hij bouwde apparaten om de atmosfeer te beïnvloeden, alsof hij weigerde zich neer te leggen bij de banaliteit van de werkelijkheid. In sombere periodes fantaseerde ik soms over een vergelijkbare machine, niet om regen te maken maar om depressies weg te zuigen uit de lucht. Een soort melancholie-stofzuiger die boven Friesland zou zweven en alle zwaarmoedigheid uit de straten zou verwijderen. Maar waarschijnlijk zou zo’n machine onmiddellijk exploderen. Sommige vormen van verdriet zijn te diep verankerd om technisch opgelost te kunnen worden.
Bovendien begon ik gaandeweg te vermoeden dat een depressie niet alleen een ziekte is, maar ook een manier van waarnemen. De depressieve mens ziet verbanden die anderen ontgaan. Hij voelt haarfijn aan hoe dun het vernis van de normaliteit eigenlijk is. Achter elk opgewekt gesprek gaapt een afgrond. Achter elk succes schuilt paniek. Achter elke glimlach loert de dood als een slecht geklede boekhouder die geduldig op zijn beurt wacht. Dat inzicht maakte mij niet gelukkiger, maar soms wel opmerkelijk helder. Hoe dieper ik afdaalde in het inferno van mijn geest, hoe meer lucide ik de anatomie van een depressie begon te doorgronden. Ik zag eindeloze catacomben, de gewelven van Piranesi, de gehele onderwereld met al die schimmen die van geen wijken willen weten. De dood is eindeloos, want de dood is zelf het einde. Fin. Finish. Finaal. Veni, vidi, foetsie.
Toch waren er ook momenten waarop de zwaarte plotseling openscheurde. Muziek kon dat bewerkstelligen. Ik herinner me nog precies hoe ik in de winter van 1978 naar Kate Bush luisterde. Ik woonde net in Leeuwarden – in zo’n verschrikkelijke nieuwbouwwoning uit de jaren zeventig – en voelde mij verbannen naar een uithoek van het bestaan. De dagen waren grijs, de lucht hing laag boven de wijk en alles leek stilgevallen. Toen hoorde ik Wuthering Heights op de radio. Die stem sloeg in als een bliksemschicht in mijn ziel. Het was geen gewone zang meer maar een hysterische, hemelhoge klaagzang waarin verdriet en extase samenvielen. Ik begreep plotseling dat melancholie niet alleen vernietigend hoefde te zijn maar ook vervoerend. Alsof iemand een raam openzette in een kamer die jarenlang afgesloten was geweest.
Dat moment duurde misschien enkele minuten, maar het redde mij voorlopig van de ondergang. Daarna zakte de somberheid langzaam weer terug, maar nooit meer helemaal op dezelfde manier. Ik begon in te zien dat zelfs de diepste depressie iets absurds heeft. Niet alleen tragisch, maar ook grotesk. Een mens die op een minuscuul planeetje door een betekenisloos heelal zweeft en toch verwacht gelukkig te worden, dat het is een komische gedachte. Misschien is humor wel de laatste verdedigingslinie tegen de wanhoop.
Sindsdien kijk ik anders naar mijn eigen melancholie. Niet milder, maar met meer verbazing. Ik zie mezelf soms als een personage in een roman van Kafka die per ongeluk in Friesland terechtgekomen is. Een man die wakker wordt met een gevoel van een naderende catastrofe, vervolgens koffie zet, de planten water geeft en intussen filosofeert over de ondergang van de westerse beschaving. Iemand die op een voorjaarsdag naar buiten kijkt en in een passerende wolk een bewijs meent te zien voor het failliet van het neoliberalisme.
En toch gaat alles gewoon door. Dat is misschien nog het meest absurde van alles. De depressie beweert telkens dat de wereld ten einde loopt, maar ondertussen rijden de treinen gewoon volgens dienstregeling. Mensen kopen brood. Kinderen fietsen naar school. Er wordt belasting geheven. Er verschijnt een nieuwe misdaadroman van acht honderd pagina’s. Het leven heeft de onbeschaamdheid om gewoon door te gaan, zelfs wanneer niemand daar nog aanleiding toe ziet.
Daarin schuilt wellicht ook een eigenaardige vorm van troost. De wereld houdt geen rekening met onze wanhoop. Elk jaar wordt het weer voorjaar zonder filosofische verklaring. En zelfs een depressief mens kan op een ochtend wakker worden en plotseling merken dat het licht veranderd is. Heel even lijkt de lucht dan opener, alsof ergens diep in het universum een slecht functionerende machine onverwacht weer op gang gekomen is. Alsof de regen eindelijk weer weet waar hij werkelijk vallen moet, en niet langer zachtjes tegen het zolderraam van het bewustzijn tikt op het ritme van de eenzaamheid. O zalige eenzaamheid. O enige zaligheid.
.
