Heimwee naar het echte leven

Er was een tijd waarin mensen nog dachten dat schoonheid iets onschuldigs was. Een landschap bij zonsondergang, een goed gecomponeerd schilderij, een vrouw met een parel, een man met een pijp, een kat op een vensterbank. Men keek ernaar, zuchtte even en ging daarna weer aardappelen schillen of oorlog voeren. Tegenwoordig ligt dat ingewikkelder. Schoonheid is nu een logistiek proces geworden. Zij wordt opgeslagen in datacentra, rondgepompt door glasvezelkabels, geoptimaliseerd door algoritmen en gemeten in klik-ratio’s. Zelfs de melancholie heeft inmiddels een link op internet.

Dat was ongeveer de gedachte die mij overviel toen ik op een ochtend drie uur lang naar filmpjes keek van mensen die hun boekenkast opnieuw ordenden op kleur. Niet op auteur, onderwerp of alfabet, maar op kleur. Eerst alle rode ruggen, dan de gele, dan de blauwe. Een vrouw in Oregon had haar complete bibliotheek gerangschikt volgens het verloop van de regenboog en sprak daarbij met de ernstige stem van een hartchirurg. “Books,” zei ze, “should spark joy.” Vervolgens schoof ze een exemplaar van De fatale strategieën van Jean Baudrillard tussen twee pastelgroene kookboeken. Ik voelde onmiddellijk dat de westerse beschaving een beslissend stadium had bereikt.

Ik kreeg opeens heimwee naar het echte leven. Weg met al dat geouwehoer over kunst en zo. Weg met de esthetica! Misschien had Benjamin Buchloh gelijk toen hij beweerde dat onze esthetische verlangens de geheimste instrumenten van de ideologie zijn. Dat klinkt zwaarwichtig, maar in feite bedoelde hij iets heel eenvoudigs: wij denken dat wij vrijwillig genieten van mooie dingen, terwijl die mooie dingen ons ondertussen opvoeden, disciplineren en verdoven. Het esthetische genoegen is geen ontsnapping aan het systeem, maar juist het kussentje waarmee het systeem onze schedel ondersteunt terwijl het langzaam onze hersenen archiveert.

De moderne mens leeft niet meer in een samenleving van verboden, maar in een samenleving van smaak. Niemand zegt nog: “Gij zult niet.” Men zegt: “Dit past beter bij wie jij bent.” Zelfs opstandigheid is een lifestyle geworden. Er bestaan tegenwoordig revolutionaire koffiebekers met minimalistisch design. De rebellie wordt thuisbezorgd in recyclebare verpakking.

Intussen blijft internet beelden produceren alsof het een zenuwzieke God is die zichzelf voortdurend opnieuw probeert te bewijzen. Iedere minuut verschijnen er miljoenen foto’s van cappuccino’s, zonsondergangen, sportschoenen, katten, buikspieren, quinoa-salades en half ontblote mensen die in spiegels kijken alsof zij zojuist de zin van het bestaan hebben ontdekt in een fitnessruimte in Almere. Niemand weet precies waarom dit gebeurt, maar het gebeurt onafgebroken. Het internet is een kosmische diarree van beelden geworden.

Toch schuilt daarin iets ontroerends. De mens wil blijkbaar gezien worden. Niet alleen door andere mensen, maar vooral door het systeem zelf. Wij willen bestaan in de ogen van het netwerk. “Ik post dus ik ben.” Descartes had het kunnen schrijven als hij toegang had gehad tot Instagram.

Vroeger trok men zich terug in een klooster om God te vinden. Tegenwoordig trekt men zich terug in een tiny house met een keramische waterkoker en een traag afspelende lp van Erik Satie om zichzelf te vinden. Maar ondertussen maakt men daar wel dagelijks vijftien foto’s van voor sociale media. De moderne ascese verlangt publiek. Zelfs de stilte moet tegenwoordig gedeeld worden.

Het absurde is dat iedereen tegelijkertijd uniek wil zijn én exact op elkaar wil lijken. Men wil een authentiek individu zijn binnen een vooraf goedgekeurde esthetische sjabloon. Daarom lopen tegenwoordig miljoenen mensen rond alsof zij figuranten zijn in dezelfde Scandinavische televisieserie over relationele trauma’s en zuurdesembrood.

De kunstenaar had ooit de taak de werkelijkheid open te breken. Nu moet hij concurreren met een twaalfjarige jongen die op TikTok een filmpje monteert waarin Napoleon wordt afgebeeld als een robot die filosofische quotes van Slavoj Žižek uitspreekt boven een technobeat. En eerlijk gezegd wint die jongen meestal.

Dat verklaart wellicht waarom zoveel hedendaagse kunst eruitziet alsof zij zich schaamt om nog kunst te zijn. Het kunstwerk wil tegenwoordig liever een installatie, een proces, een interventie, een platform of een “kritische ruimte” zijn. Niemand durft nog gewoon een schilderij te maken van een peer. Terwijl een goede peer misschien revolutionairder zou zijn dan duizend theoretische teksten over discursieve machtsstructuren.

De kunstenaar is intussen veranderd in een curator van restmateriaal. Hij sampelt beelden, mixt stijlen, recycleert symbolen en monteert fragmenten van fragmenten van fragmenten. Soms lijkt het alsof de gehele cultuur bestaat uit mensen die elkaars tweedehands herinneringen opnieuw uploaden. Gilles Deleuze zou dat waarschijnlijk prachtig hebben gevonden. Alles stroomt, alles verbindt zich, alles besmet alles. Het internet is het ultieme rizoom: een wortelstelsel zonder centrum. Maar soms vraag ik me af of een rizoom uiteindelijk niet gewoon een bijzonder ingewikkelde vorm van spaghetti is.

Daarbij komt nog iets anders. Hoe meer beelden er verschijnen, hoe minder werkelijk ze lijken te worden. Een foto is geen bewijs meer. Een video evenmin. Zelfs de menselijke stem kan inmiddels synthetisch worden nagemaakt. Binnenkort zullen we waarschijnlijk nostalgisch terugverlangen naar de eenvoudige tijd waarin alleen politici logen.

En toch blijft de mens hopen op echtheid. Dat is misschien het tragikomische van onze tijd. Iedereen vermoedt dat alles geconstrueerd is, maar tegelijkertijd blijft iedereen koortsachtig zoeken naar “het echte leven”. Dat echte leven bevindt zich volgens influencers meestal op Bali, tussen twee hangplanten en een laptop. Het wonderlijke is dat internet tegelijk paranoia en mystiek voortbrengt. Dezelfde technologie die iemand leert hoe je risotto maakt, kan iemand anders ervan overtuigen dat de maanlanding is gefilmd in een Belgische parkeergarage. De eindeloze ruimte van internet is zowel kathedraal als wachtkamer van het gesticht

Ik herinner me nog de eerste computer waarop ik schreef. Het apparaat maakte een geluid alsof ergens diep binnenin een zenuwachtige kever met metalen poten rondrende. Wanneer het scherm oplichtte, voelde ik een eigenaardige opwinding. Alsof er een deur open ging naar een ruimte die nog niet bestond. Dat gevoel hebben miljoenen mensen gehad. Internet was aanvankelijk geen techniek maar een belofte. Een elektronische variant van het hemelse Jeruzalem.

Wellicht geloven we dat nog steeds een beetje. Waarom zouden mensen anders vrijwillig hun complete leven uploaden? Alleen religieuze wezens doen zoiets. Alleen mensen met een metafysisch tekort fotograferen hun lunch vanuit drie hoeken. Ondertussen wordt de levenskunst driftig gepromoot als vervanging van religie. Nu God verdwenen is, moeten wij onszelf vormgeven als esthetisch project. Iemand die bij de tijd wil blijven, optimaliseert zijn voeding, slaapritme,, hardloopschema en interieur alsof men een Zwitserse designstoel is die voortdurend onderhoud behoeft.

Maar levenskunst heeft iets vermoeiends gekregen. De hedendaagse mens moet niet alleen leven, maar ook permanent laten zien dat hij goed leeft. Hij moet zichtbaar gelukkig zijn. Het ongeluk zelf is nog slechts toegestaan als stijlmiddel, bij voorkeur in zwart-wit gefotografeerd. Camus schreef ooit dat wij ons Sisyphus gelukkig moeten voorstellen. Tegenwoordig zouden marketingbureaus onmiddellijk een podcast-serie rond hem ontwikkelen: Rolling Your Rock – Ancient Wisdom for Modern Productivity. Daarna volgt een samenwerking met een sportmerk. Dat is dan de definitieve overwinning van de esthetica: zelfs de absurditeit is verkoopbaar geworden.

Toch geloof ik niet dat alles verloren is. Soms verschijnt er nog een beeld dat weerstand biedt. Een beeld dat niet glad is, niet onmiddellijk consumeerbaar, niet ontworpen voor maximale zichtbaarheid. Een beeld dat blijft haken als een visgraat in het bewustzijn. Dat zijn de zeldzame momenten waarop kunst nog iets kan betekenen. Niet omdat zij de waarheid toont — niemand weet nog wat waarheid is — maar omdat zij een hapering in de machinerie zichtbaar maakt. Kunst is tegenwoordig geen venster meer op de werkelijkheid, maar een kleine kortsluiting in het systeem van permanente zichtbaarheid.

Dat is mogelijk ook de laatste taak van de kunst: het veroorzaken van een seconde paniek in de eindeloze stroom van esthetisch comfort. Een storing in het paradijs van de beelden. Een pixel die weigert mee te werken. Of gewoon iemand die plotseling zijn telefoon dichtklapt, uit het raam kijkt en tot zijn schrik ontdekt dat het onmerkbare moment, waarover Elias Canetti ooit scheef – het moment waarop de geschiedenis ophield werkelijk te zijn en de mensheid geruisloos de realiteit verliet, al lang geleden verstreken is. Sindsdien leven wij verder tussen perfect afgewerkte simulaties, zonder precies te weten wanneer de vervalsing begon.

De taak van de kunst is het dan om dat verloren breukvlak zichtbaar te maken — al is het slechts voor één verontrustende seconde waarin iemand vermoedt dat de wereld buiten het scherm nog altijd echter is dan alles wat erin verschijnt.