‘Wat willen wij van onze woning?’ vroeg architect Jo Vegter zich af in het voorjaar van 1966 af tijdens een studiebijeenkomst in het katholieke vormingscentrum Vinea Domini in Witmarsum. Het was een vraag die ogenschijnlijk over architectuur ging, maar in werkelijkheid een veel bredere onrust verwoordde. Voor Vegter was een woning niet louter een functionele eenheid, geen optelsom van technische normen en minimale eisen, maar een geestelijke ruimte: een plaats waar de mens zich terugtrekt, werkt, droomt en zijn wereld vormgeeft. Zijn woorden verraadden een diep wantrouwen tegenover de toenemende rationalisering van het moderne bestaan. De woning dreigde te worden gereduceerd tot een efficiënt product, terwijl juist het “geestelijk minimum” van de mens op het spel stond. Wat Vegter formuleerde in termen van architectuur, speelde zich in diezelfde jaren ook af op religieus, cultureel en existentieel terrein. Juist daarom krijgt die bijeenkomst in Witmarsum achteraf een bijna symbolische betekenis. In hetzelfde Vinea Domini waar Vegter waarschuwde voor de verschraling van de menselijke leefwereld, voltrok zich namelijk ook een crisis van het geloof en van de moderniteit zelf.
Witmarsum is in de geschiedenis van Gerard Reve altijd een wat schimmige plaats gebleven, overschaduwd door het nabijgelegen Greonterp met zijn mythische Huize Het Gras, Teigetje en Woelrat, de ezel en de wonderpen. Maar juist in Witmarsum kwamen in de jaren zestig de grote spanningen van die tijd samen. Daar ontmoetten architectuur, religie, modernisering en mystiek elkaar op een manier die achteraf bezien profetisch aandoet. Vinea Domini — letterlijk ‘de wijngaard des heren’ — was in die jaren een centrum van katholieke vernieuwing, een Friese echo van het Tweede Vaticaans Concilie. Priesters, intellectuelen, kunstenaars en bestuurders discussieerden er over de toekomst van Kerk en samenleving. Men sprak over openheid, democratisering, engagement en modernisering. Het geloof moest “bij de tijd” worden gebracht. Maar juist op die plek werd ook zichtbaar wat er verloren dreigde te gaan wanneer de moderniteit uitsluitend nog in termen van functionaliteit, rationaliteit en maatschappelijke bruikbaarheid werd gedacht.
De woorden van Vegter sluiten daardoor wonderlijk aan bij de crisis die Reve in dezelfde jaren begon te ervaren. Ook Reve zag hoe een geestelijk minimum dreigde te verdwijnen. Alleen ging het hem niet om woningen, maar om het katholicisme zelf. Terwijl progressieve katholieken enthousiast spraken over vernieuwing, ervoer Reve steeds sterker dat het sacrale oploste in sociologie, welzijnswerk en politiek engagement. De Kerk verloor voor hem haar geheimzinnige kern. Wat ooit een “tovertuin” was geweest, dreigde een kale bedoening te worden. De parallellen met Vegters kritiek op de woningbouw zijn opvallend. Beiden voelden dat de moderne rationaliteit iets essentieels uitwiste: de symbolische ruimte waarin de mens meer kan zijn dan een functionerend individu.
Dat verklaart ook waarom Reve zich aanvankelijk zo aangetrokken voelde tot de vernieuwingsbewegingen binnen het katholicisme. In Vinea Domini leek ruimte te ontstaan voor een geloof dat niet verstard was, maar levend, zoekend en experimenteel. Toen Reve daar in 1966 een lezing hield, zagen veel aanwezigen in hem de ideale vertegenwoordiger van een nieuw soort katholicisme: artistiek, modern en mystiek tegelijk. Zijn provocerende humor werkte bevrijdend. Wanneer hij opmerkte dat hij van “die Jezus aan de deur nog geen veter of vatenborstel zou kopen”, schokte hij oudere gelovigen, maar tegelijk doorbrak hij verstarde vroomheid en conventioneel taalgebruik. Reve leek de kunstenaar die het geloof opnieuw van existentiële urgentie kon voorzien.
Maar juist hier begon ook zijn verwijdering van het progressieve katholicisme. Want hoe enthousiaster de Kerk zich aanpaste aan de moderne tijd, des te sterker groeide bij Reve het verlangen naar het tegendeel: naar mysterie, ritueel en sacrale vervoering. De modernisering die voor velen bevrijdend werkte, ervoer hij steeds vaker als onttovering. De paradox is dat Reve aanvankelijk zelf nog een modern godsbeeld had verdedigd. In zijn beroemde pleidooi tijdens het Ezelproces sprak hij juist over een God die niet boven de wereld stond, maar in de mens aanwezig was. Toch sloeg die visie binnen enkele jaren om in een verlangen naar transcendentie en traditie. Alsof hij intuïtief aanvoelde dat een volledig gemoderniseerd geloof uiteindelijk zichzelf zou opheffen.
In dat opzicht vormt Witmarsum een bijna emblematische plek. Daar kwamen twee bewegingen samen die elkaar uiteindelijk zouden uitsluiten. Enerzijds was er het optimistische geloof in vooruitgang, modernisering en maatschappelijke vernieuwing. Anderzijds groeide juist binnen die moderniteit een heimwee naar het sacrale, naar symbolische diepte en geestelijke geborgenheid. Vegter verwoordde dat heimwee in architectonische termen. Een woning moest méér zijn dan een efficiënt onderkomen; zij moest een “nieuw middelpunt van deze wereld” kunnen worden. Reve formuleerde hetzelfde verlangen religieus en existentieel. Ook voor hem moest het geloof méér zijn dan maatschappelijk engagement of humanitaire ethiek. Het moest toegang bieden tot een werkelijkheid die de menselijke orde overstijgt.
Achteraf bezien is het opvallend hoe nauw de secularisering verbonden was met een bepaald soort functioneel denken. Niet alleen de architectuur veranderde in de jaren zestig ingrijpend; ook het religieuze bewustzijn werd steeds pragmatischer. Kerken werden ontdaan van ornamenten, liturgieën vereenvoudigd, dogma’s gerelativeerd. Alles moest begrijpelijk, eigentijds en bruikbaar worden. Maar juist daardoor ging iets verloren wat moeilijk benoembaar is: het besef dat de mens leeft van symbolen, rituelen en geheimen. Reve voelde dat verlies misschien scherper aan dan de meeste van zijn tijdgenoten. In zijn werk draaide alles om antinomie: de botsing van tegenstrijdigheden die tegelijk waar kunnen zijn. In de blasfemie zocht hij het heilige, in het obscene de extase, in de schennis een vorm van transcendentie. Juist daarom kon hij onmogelijk tevreden zijn met een geloof dat geheel samenviel met menselijke solidariteit of maatschappelijk engagement.
De tragiek van Witmarsum ligt misschien juist daarin besloten. Wat daar nog werd beleefd als bevrijding en vernieuwing, bleek achteraf ook het begin van een snelle ontkerkelijking. De poging om het katholicisme modern en toegankelijk te maken leidde paradoxaal genoeg tot het verdwijnen van precies datgene wat het geloof zijn aantrekkingskracht gaf. Zodra het sacrale volledig werd opgelost in menselijke betrokkenheid, bleef uiteindelijk een leegte over die door geen enkel maatschappelijk ideaal kon worden gevuld. Reve zag die ontwikkeling met groeiende ontzetting aan. Terwijl Nederland opschoof naar links en de Kerk zich steeds sterker verbond met progressieve idealen, ontwikkelde hij een recalcitrante hang naar restauratie en traditie. Hij werd later smalend afgeschilderd als een reactionair, maar die typering miskent de dieperliggende kwestie. Wat hem dreef was niet nostalgie alleen, maar een existentieel besef dat de mens niet kan leven zonder mysterie.
Juist daarom is de verbinding tussen Vegter en Reve zo intrigerend. Op het eerste gezicht lijken architectuur en religie hier los van elkaar te staan, maar in werkelijkheid raken zij aan dezelfde vraag: hoe behoudt de moderne mens een geestelijke ruimte binnen een steeds verder gerationaliseerde wereld? Vegter zag hoe woningen dreigden te veranderen in functionele machines voor bewoning. Reve zag hoe de Kerk dreigde te veranderen in een instrument van maatschappelijk welzijn. Beiden verzetten zich tegen een cultuur waarin het meetbare en bruikbare uiteindelijk alles overheerst. Hun kritiek was niet reactionair in simpele zin, maar eerder een waarschuwing tegen een moderniteit die haar eigen symbolische fundamenten vernietigt.
Dat maakt Witmarsum tot meer dan een voetnoot in de Friese geschiedenis. In dat dorp werd zichtbaar hoe de modernisering van de jaren zestig niet alleen bevrijding bracht, maar ook een diep gevoel van verlies veroorzaakte. De woning werd efficiënter, maar misschien minder bezield. Het geloof werd menselijker, maar misschien ook leger. De oude zekerheden verdwenen, maar wat ervoor in de plaats kwam bleek vaak verrassend kwetsbaar. Wat resteert, is een merkwaardig dubbel gevoel: bewondering voor de moed van die vernieuwers én melancholie om wat daarbij verloren ging.
Misschien verklaart dat ook waarom de herinnering aan plaatsen als Vinea Domini vandaag zo geladen blijft. Zij roepen een moment op waarop alles nog open leek te liggen: geloof en moderniteit, mystiek en engagement, vernieuwing en traditie. Maar juist daarom markeren zij ook het punt waarop die wegen definitief uiteen begonnen te lopen. Toen Hans Keller in 1969 aan Reve vroeg of hij niet het gevoel had “een paar jaar te laat” katholiek te zijn geworden, raakte hij precies de kern van de tragedie. Reve had zich bekeerd tot een wereld die op het punt stond te verdwijnen. De tovertuin werd ontruimd terwijl hij er juist zijn intrek had genomen.
En misschien geldt hetzelfde, in bredere zin, voor de cultuur van de jaren zestig zelf. De droom van modernisering en bevrijding bracht een wereld voort waarin veel oude dwang verdween, maar waarin tegelijk een nieuw soort leegte ontstond. De geestelijke ruimte waar Vegter voor pleitte en waar Reve wanhopig naar bleef zoeken, laat zich niet eenvoudig vervangen door efficiëntie, welzijn of vooruitgang. De mens verlangt blijkbaar niet alleen naar comfort en rationaliteit, maar ook naar betovering, symboliek en transcendentie. Juist in Witmarsum werd zichtbaar hoe moeilijk het is die twee werkelijk met elkaar te verzoenen.
