Een restant van absurde mist

Onlangs ontving ik een uitnodiging uit een merkwaardige uithoek van de werkelijkheid. Het bleek afkomstig te zijn van eetcafé De Kosmos aan de Wittenkade in Amsterdam, waar men kennelijk heeft vastgesteld dat Klas I B uit 1961 van het Ignatiuscollege nog altijd bestaat, zij het in enigszins verweerde toestand. Er zouden zelfs nog tafels beschikbaar zijn op zaterdag 19 september vanaf 14.00 uur.

Sindsdien bekruipt mij het gevoel dat wij langzaam veranderen in een geheim genootschap van overlevenden, die eens per jaar bijeenkomen om te controleren of de anderen niet inmiddels door de tijd zijn opgelost. Ik stelde mij voor hoe ergens in een vergeten archiefkast van het Ignatiuscollege nog altijd onze namen circuleren op vergeelde presentielijsten, terwijl een jezuïet met een stoffige bril fluistert: “Die jongens van I B… die moeten nog één keer terugkomen.” Die gedachte werkte vannacht door in mijn slaap.

Ik had een nachtmerrie en droomde dat ik weer op dat oude Ignatiuscollege rondliep, ergens tussen de Hobbemakade en het hiernamaals van onze jeugd. Het gebouw was allang gesloten, maar in mijn droom bestond het nog steeds: die eindeloze gangen met hun geur van boenwas, muffe soutanes en het angstzweet voor onverwachte overhoringen Grieks. Alleen was alles veranderd.

Op de muren hingen nu QR-codes voor digitale aflaten. Het beeld van Ignatius van Loyola had plaatsgemaakt voor een interactief scherm waarop voortdurend mijn actuele serotonine-peil verscheen. “U ervaart momenteel een existentiële leegte,” meldde het apparaat vriendelijk. “Wilt u hierover een tevredenheidsenquête invullen?”

In de oude kapel hing mist. Geen wierook, maar de koele damp uit airconditioners. Camera’s zwiepten door de ruimte als mechanische wierookvaten. Op het altaar stond een presentator van een actualiteitenprogramma met ontbloot bovenlijf. Hij interviewde een hersenwetenschapper over de neurobiologische betekenis van de Verrijzenis. “We zien verhoogde activiteit in de transcendentie-zone,” zei de man terwijl hij met een laserpointer op een PowerPoint wees. “Het wonder van Pasen blijkt vooral een kwestie van temporale kwab-stimulatie.”

Achter mij begon iemand zacht het oude schoollied te zingen, maar de melodie liep telkens vast in reclameleuzen. “De Mensenzoon komt op de wolken…” klonk het nog even, gevolgd door: “Nu tijdelijk met twintig procent extra genade.”

Ik liep verder naar de lange gang waar vroeger de paters hun brevier lazen. Achter glazen wanden zaten zij nu opgesteld alsof zij deel uitmaakten van een antropologisch museum: “De Laatste Jezuïeten van West-Europa.” Sommigen droegen rode pumps onder hun habijt. Eén pater rookte nerveus een elektronische sigaret terwijl hij biecht-gesprekken live-streamde voor betalende abonnees. Een ander lag uitgeput naast een fles cognac en een VR-bril. Op zijn nachtkastje stond een doodskop met bluetooth-verbinding.

Uit de oogkassen kropen insecten met iriserende vleugels. Ze bewogen in keurige geometrische patronen, alsof zelfs het verval inmiddels onder toezicht stond van een designbureau. Naast de schedel lag een slang te slapen. Op zijn schubben verschenen voortdurend advertenties voor farmaceutische middelen tegen existentiële angst. “Geef mij maar echte mystiek,” dacht ik nog.

Maar zelfs de mystiek bleek inmiddels geprivatiseerd. Teresa van Ávila was influencer geworden. Meister Eckhart gaf online masterclasses over innerlijke leegte als persoonlijk verdienmodel. God zelf was teruggekeerd als chatbot met premium-functionaliteiten en maandelijkse updates. Live a-humble, humble, humble yourselves, the bell’s done rung…

Toen begon plotseling alles te smelten. Een crucifix droop langzaam langs de muur als warme was. De schoolbel luidde, maar het geluid klonk digitaal gecomprimeerd, alsof zelfs de tijd zijn echtheid had verloren. Buiten liepen dronken mensen in cirkels over de cour terwijl zij hun hersenactiviteit live deelden met vrienden in de Gaza-strook.

Tot mijn verbazing zag ik opeens enkele oude klasgenoten voorbijlopen. Sommigen herkende ik direct, anderen leken veranderd in oudere versies van hun schoolfoto uit 1961. In de rimpels van hun gezicht zag ik brede rivieren traag door oneindig laagland gaan. Niemand sprak. Iedereen keek alleen nog naar een klein schermpje in zijn hand waarop voortdurend zijn eigen stemming werd bijgewerkt. “Lichte melancholie.” “Verborgen narcisme.” “Restschuld katholieke opvoeding.”

Een voddenjood trok voorbij met een winkelwagentje vol oude emoties. “Vodduuuh! Vodduuuh!” riep hij. Maar niemand begreep nog wat hij verkocht. Verdriet? Herinneringen? Tweedehands transcendentie?

Op dat moment voelde ik mijzelf oplossen in een vloeibare ruimte waarin niets meer een vaste betekenis had. Alsof de hele werkelijkheid veranderd was in een netwerk zonder centrum, zonder stilte en zonder buitenkant. Religie was geen mysterie meer, maar een neuro-chemisch managementprobleem. En de mens zelf? Een wandelende verzameling meetbare impulsen met een klantenkaart.

Toch gebeurt er soms nog iets onverwachts. Juist wanneer alles gereguleerd lijkt, breekt ergens een absurd detail door de controle heen. Een houtduif die roept: “Mijn opoe is dood!” Een dronken man die op straat huilt om een verloren schoenveter. Een kind dat met knikkers speelt op het strand terwijl de wereld vergaat. Tolle lege! Neem en lees….

Zulke momenten hebben geen economische waarde. Ze laten zich ook niet optimaliseren. Daarin schuilt wellicht nog een laatste rest van onze vrijheid als opkomende klasse die ooit door de jezuïeten werd klaargestoomd voor de volksopvoeding.

Hoe dan ook, ik in mijn droom hoe de paters Huub Oosterhuis en Jan van Kilsdonk in een half verduisterde kamer overlegden over de mystieke selectieprocedure voor toekomstige jezuïeten. Op tafel lag geen evangelie maar een soort onzichtbaar puntenklassement der zielen. Kandidaten werden gewogen op ernst, ascese en vermoedelijke frequentie van heimelijke zelfbevlekking. Wie in de biecht iets te enthousiast over zijn solitaire ontspanningsleven had gerapporteerd, verdween geruisloos uit de race voor het hogere priesterschap, alsof hij bij de hemelpoort al voortijdig op een zwarte lijst was beland.

Hoe de heren Van Kilsdonk en Oosterhuis deze administratieve doorstroming van intieme zonden precies wisten te verzoenen met het sacramentele biechtgeheim, blijft tot op de dag van vandaag enigszins in nevelen gehuld. Vermoedelijk beschikten de jezuïeten destijds over een theologische tussencategorie waarin de Heilige Geest fungeerde als een interne geheime dienst. Zeker is dat de jezuïeten toen al wisten dat een mens helemaal geen perfect gereguleerd brein wil zijn. Heimelijk verlangt hij naar verwarring, naar mislukking, naar de zwarte gaten in zijn bewustzijn. Naar een storing in het systeem. Een hik in het algoritme. Een smeltend crucifix in een verlaten schoolkapel.

En terwijl de hersenwetenschappers steeds nauwkeuriger verklaren waarom wij liefhebben, dromen, waarom wij blijven verlangen tegen beter weten in, blijft ergens diep in mij de hardnekkige onverklaarbaarheid bestaan van Groggelgijn, van de knierps die knalde in de blubs. Een restant van een absurde mist. Een echo in een lege gang van het Ignatiuscollege. Een stem die blijft zingen terwijl alle camera’s al zijn uitgezet. Als laatste een vrijplaats die ons rest. Ad Maiorem Dei Gloriam.

Om dit soort duistere redenen blijven bepaalde herinneringen voortbestaan als een particuliere legende van onze jeugd op het Ignatiuscollege, volstrekt onbelangrijk voor de wereldgeschiedenis maar van kosmische proporties voor degenen die erbij waren. Alsof de voorzienigheid zich niet openbaarde in Lourdes of Fátima, maar op een polderweg bij Loenen aan de Vecht, waar vier jongens zich schuin tegen windkracht tien in probeerden voort te bewegen. Zo groeide de barre fietsenrally van het voorjaar van 1961 langzaam uit tot een metafysisch evenement: een strijd tussen mens en natuur, geest en materie, katholieke discipline en de elementaire behoefte om geschiedenis te schrijven.

(v.l.n.r.: Carlo Kroon, Hugo van den Hombergh, ondergetekende, en George Maissan)

.

Vijfenzestig jaren na de fietsenrally

(naar de geest van “Testament” van Boudewijn de Groot)

Na vijfenzestig jaren na die barre tocht
denk ik nog vaak aan die verwaaide dag,
toen wij met stramme benen en een scheve lach
de storm trotseerden alsof hij ons niet mocht.

George vloekte op de tegenwind bij Loenen aan de Vecht,
Carlo kromgebogen als een oud locomotief,
Hugo zong iets strijdbaars, vals maar toch heel lief
alsof de hemel luisterde. Nee, het leven was niet slecht.

En ik — ik trapte zwijgend tussen angst en overmoed,
mijn das sloeg om mijn schouders als een klapperend gordijn,
de dijken stonden sidderend onder al die fietsers-pijn,
en ieder dorp leek verder dan de verste pelgrimstoet.

Wij kenden nog het leven, we zaten in de eerste klas,
geen volgauto, mecanicien, geen lauwerkrans of prijs,
alleen vier jonge jongens op een gammel fietskarkas
door storm en regen in een eindeloos decor van grijs.

Maar kijk ons nu eens zitten, vijfenzestig jaren later,
de haren uitgedund, de snelheid uit het lijf verdwenen,
de wereld is veranderd maar niemand heeft een kater,
al zit die ene tocht nog altijd volop in de benen.

Wat overblijft in het leven is niet de ernst en ook geen kolder,
niet al dat ouwehoeren, laat staan die vrome paters-praat,
maar een weg tussen de weilanden, een storm boven de polder,
en levenslust die ondanks tegenwind toch altijd verdergaat.

Dus hef ik nu het glas zoals dat bij ploeggenoten hoort,
als jongen die ik ooit was en die soms nog in mij schuilt,
want ergens op die landweg rijden wij nog voort,
terwijl de wind om onze oude jongensjaren huilt.

.