Het overlijden van Nop Maas (1949-2026) roept herinneringen op aan zijn uitzonderlijke literair project: de bijna monomane poging om het leven van Gerard Reve tot in de kleinste details vast te leggen. Maas heeft zich decennialang aan Reve gewijd met een nauwgezetheid die in de Nederlandse literatuurgeschiedenis nauwelijks een equivalent kent. Zijn monumentale biografie is niet alleen een archief van een schrijversleven geworden, maar ook een document humain van een verdwenen tijdperk: het naoorlogse Nederland waarin communisme, katholicisme, homoseksualiteit, ironie en mystiek nog explosieve bestanddelen van één en dezelfde persoonlijkheid konden zijn.
Toch schuilt juist daarin ook de paradox van Maas’ werk. Hij was de ideale archivaris van Reve, maar misschien niet altijd degene die het diepst in zijn gedachtewereld wist af te dalen. Wie de drie delen van zijn biografie leest, wordt overweldigd door de hoeveelheid feitenmateriaal. Niets ontsnapt aan de aandacht: brieven, ruzies, financiële problemen, seksuele escapades, drankgelagen, verhuizingen, rechtszaken, interviews, katten, ezels, lakens en liefdesaffaires. Maas reconstrueerde het dagelijks leven van Reve met een bijna negentiende-eeuwse honger naar volledigheid. Hij deed dat met een bewonderenswaardige discipline en zonder zichtbare ijdelheid. Als biograaf bleef hij consequent op de achtergrond. Hij wilde registreren, niet imponeren.
Maar juist daardoor bleef een essentieel aspect van Reve soms onderbelicht: zijn religieuze obsessie. Niet het katholicisme als folklore of excentriciteit, maar als existentieel drama. Reve was immers geen bekeerling uit nostalgie alleen. Zijn fascinatie voor Maria, mystiek, symboliek en genade ontstond midden in de intellectuele en theologische aardverschuivingen van de jaren vijftig en zestig. De Franse nouvelle théologie, de invloed van denkers als Henri de Lubac en Carl Jung, de herwaardering van de kerkvaders, de verwevenheid van psychologie en religie — het waren allemaal ontwikkelingen waarvan Reve opmerkelijk goed op de hoogte was.
In de Reve-biografie van Maas verschijnt dit domein vaak slechts zijdelings in beeld, alsof religie uiteindelijk toch minder werkelijk is dan feiten die zich laten dateren, documenteren en controleren. Zijn instinct als biograaf was modernistisch: wantrouwig tegenover grote interpretaties en gericht op het concrete detail. In zekere zin stond hij daarmee dichter bij Susan Sontags Against Interpretation dan bij het symbolische universum waarin Reve zelf was gaan leven.
En toch was Maas geen reductionist. Zelf hoorde ik hem spreken in een interview met Geart de Vries in november 2012 bij boekhandel Van der Velde in Leeuwarden. En twee jaar later bij een lezing in Tresoar. Na afloop vroeg ik hem toen waaruit zijn wezenlijke fascinatie voor Reve bestond. Maas sprak toen over ‘de catharsis’ die het lezen van Reve voor hem nog altijd betekende. Reve lezen had iets therapeutisch voor hem. Maar waar bestond dat therapeutische nu eigenlijk uit? Er volgde een lang antwoord waarin hij sprak over de grote twijfels van Reve, zijn wankelen tussen geloof en ongeloof. Zijn idee dat God alleen door – en in de mens – kan bestaan en zonder de mens er niet zou zijn, een gedachte die Reve ontleend zou hebben aan de mysticus Angelus Silesius.
Nop Maas was twee jaar jonger dan ik. Hij werd geboren op 1 december 1949 op de dag af twee jaar nadat ik ter wereld kwam. Zijn voornamen voluit luidden als volgt: Norbert, Maria, Hubert. Katholieker kan het niet. Bovendien studeerde hij in de eerste helft van de jaren zeventig aan de Katholieke Universiteit van Nijmegen, in de tijd toen de heiligenbeelden daar plaatsmaakten voor de borstbeelden van Marx en Lenin. Die ontwikkeling moet hem wellicht mede hebben gevormd.
Toch merkte je uit alles zijn genegenheid voor Reve. Want achter zijn afstandelijke methode school wel degelijk een persoonlijke fascinatie. Maas begreep dat Reve méér was dan een provocateur of chroniqueur van homoseksueel verlangen. Misschien verklaart dat ook waarom Maas zich zo hardnekkig aan de feiten bleef vastklampen. Reve zelf had immers gewaarschuwd dat iedere interpretatie uiteindelijk de verkeerde zou zijn. De biograaf leek dat motto letterlijk te nemen. Hij wilde de lezer geen metafysische sleutel aanreiken, maar een onmetelijk bronnenboek waarin toekomstige generaties zelf konden zoeken.
Daarmee heeft Nop Maas iets unieks nagelaten. Zijn werk is niet de definitieve interpretatie van Reve geworden — zo’n interpretatie bestaat waarschijnlijk niet — maar een gigantisch reservoir van materiaal waaruit telkens nieuwe Reve-beelden kunnen ontstaan. Juist doordat Maas zo veel verzamelde, inclusief de banaliteiten en de obsessies, blijft Reve in beweging. Niet afgerond, niet heiligverklaard, niet psychologisch dichtgetimmerd. Misschien is dat uiteindelijk de grootste verdienste van Nop Maas geweest: dat hij het ‘probleem Reve’ niet heeft willen oplossen.
Voor Friesland blijft daarbij een bijzondere plaats weggelegd. Want hoewel Amsterdam inmiddels een bescheiden Reve-monument bezit, ontbreekt in Friesland nog altijd een werkelijk monument voor de schrijver die juist daar zijn grootste werk schreef. Maas heeft altijd erkend dat de Friese jaren van beslissende betekenis waren. In Greonterp ontstond niet alleen Nader tot U, maar ook de merkwaardige synthese van mystiek, ironie en lichamelijkheid die Reve uniek maakte in de Nederlandse literatuur. Het waren geen gelukkige jaren — daarvoor waren de conflicten, de eenzaamheid en de drank te nadrukkelijk aanwezig — maar misschien wel zijn vruchtbaarste. “Bijna gelukkig”, zoals eens treffend werd opgemerkt.
Nu Nop Maas overleden is, blijft zijn immense werk achter als een kathedraal van documentatie: gebouwd uit duizenden feiten, citaten, brieven en herinneringen. Maar zoals bij iedere kathedraal valt het licht uiteindelijk niet door de stenen naar binnen, maar door de open ruimtes ertussen: de gebrandschilderde vensters. Juist in wat Maas niet volledig verklaarde — het mysterie van Reve’s religieuze hartstocht — blijft Gerard Reve voortleven als raadsel. Het is niet ondenkbaar dat Reve zelf dat nog het mooiste gevonden zou hebben.
