Alles komt weer goed

We leven in een tijd waarin de grens tussen echt en onecht niet verdwijnt, maar met opvallend fanatisme wordt heronderhandeld door systemen die zelf ook niet meer precies weten wat ze aan het doen zijn. Dat klinkt abstract, maar het is inmiddels dagelijkse praktijk: We kijken naar een foto en kunnen niet meer met zekerheid aannemen dat die een representatie van de werkelijkheid is. We lezen een bericht en voeren stilzwijgend een kleine innerlijke test uit: mens, machine, of een mens die zich al een beetje als machine is gaan gedragen?

We horen een stem die vertrouwd klinkt, en beseffen dat vertrouwen hier vooral een esthetische categorie is geworden. Wat ooit heldere onderscheidingen waren – origineel en kopie, waarheid en vervalsing, werkelijkheid en simulatie – zijn niet verdwenen maar vloeibaar gemaakt, als een begrip dat per ongeluk in de was is beland en is gaan krimpen. En precies in die nieuwe gedaante zie je twee ogenschijnlijk tegengestelde verschijnselen opbloeien : kunstmatige intelligentie en complotdenken. Het ene als technologie van synthese, het andere als technologie van verdenking.

Die samenhang wordt vaak verkeerd begrepen. Alsof AI het complotdenken “veroorzaakt”, of alsof complotdenkers simpelweg nog niet gewend zijn aan nieuwe software. Maar beide zijn eerder symptomen van een dieper onbehagen in de cultuur : het langzaam verdampende vertrouwen dat de werkelijkheid nog zonder tussenkomst van interpretatie, mediatie of algoritme als werkelijkheid toegankelijk is. Of korter gezegd: het idee dat er nog iets is dat gewoon “is”, zonder dat het meteen door iemand of iets is  bewerkt of gesimuleerd.

Lange tijd geloofde men in het Westen in echtheid als een moreel ankerpunt. Het authentieke individu, de oprechte ervaring, de oorspronkelijke stem, het ongefilterde feit. Het waren geen beschrijvingen maar morele verplichtingen. Men moest zichzelf zijn, de feiten volgen, de waarheid spreken. Alsof ergens een kern lag die zuiver was, en die je alleen maar niet te veel moest aanraken om haar te behouden. De romantische kunstenaar, de onafhankelijke burger, de objectieve journalist, de vrome christen – het waren variaties op hetzelfde geloof in een onaangetaste werkelijkheid die zich, mits goed benaderd, zou prijsgeven.

Dat geloof brokkelt niet af door cynisme, maar door de voortschtijdende techniek die iets vervelends doet: ze laat zien dat echtheid altijd al reproduceerbaar was. De tekst was intentie, totdat hij door een chatbot geproduceerd kon zijn, zoals wellicht ook deze tekst die u nu leest. En identiteit- ooit de laatste toevlucht van het authentieke – is inmiddels een zorgvuldig samengestelde interface geworden: een profiel, een avatar, een persona, een pakket van collectieve voorkeuren. We ontdekken niet zozeer dat alles nep is, maar dat de kwaliteit “echt” een bijzonder goed bedachte marketingtruc is. Echt scoort, vooral als het nep is. 

En precies daar ontstaat de paradox. Hoe beter systemen het echte kunnen imiteren, hoe hongeriger wij worden naar het ‘echte’ echte. Maar die honger is gevaarlijk: hij vraagt om een snelle verzadiging. En snelle verzadiging leidt zelden tot nuance, eerder tot een vorm van waarheidsdiarree, een permanente buikloop door een verstopping in het maagdarmkanaal van de realiteitservaring. En precies op dat punt begint het complotdenken.

Het complot biedt namelijk iets wat de hedendaagse werkelijkheid steeds minder kan leveren: een geruststellend helder onderscheid tussen schijn en wezen. Niets is toevallig, alles is met alles verbonden, en vooral: alles heeft een verborgen bedoeling. Achter de ruis zit een script, achter het toeval een geheime regie, achter de chaos de handtekening van een demon. Wat ingewikkeld is wordt niet uitgelegd maar ontmaskerd. En in juist die ontmaskering ligt de troost: de wereld die zo door de argwaan ontsloten wordt mag dan slecht zijn, maar tenminste niet dom. De complotdenker is ook allesbehalve dom.

Het is belangrijk om dat niet te snel weg te zetten als irrationaliteit. Complotdenken is ook een vorm van cognitieve zelfzorg. Een manier om een overbelaste werkelijkheid weer verteerbaar te maken. Want wie dagelijks geconfronteerd wordt met tegenstrijdige informatie, eindeloze datastromen en een algoritmisch geselecteerde werkelijkheid, ontwikkelt vroeg of laat de behoefte aan een narratieve vorm van verdichting. Het complot is dan geen afwijking van het denken, maar een vorm van samenvatting met een dramatische flair. Comlplotdenkers zijn de lefgozers van de huidige wereld.

Opmerkelijk genoeg doet kunstmatige intelligentie iets vergelijkbaars, maar dan zonder die dramatische flair. Ook AI reduceert complexiteit tot patronen, alleen noemt zij dat geen “plan” maar een correlatie. Waar de complotdenker een achtyerliggende bedoeling ziet, ziet het model een onderliggende waarschijnlijkheid. Waar de een een verborgen elite vermoedt, herkent de ander een statistische cluster. Maar de onderliggende impuls is verwant: de veronderstelling dat achter de wirwar iets bestaat dat nog een eigen orde heeft, en dat die orde zichtbaar gemaakt kan worden als je maar genoeg zoekt en wantrouwt.

Die moderne verwarring begint wanneer we technologie gaan behandelen alsof zij een nieuwe soort wil heeft ontwikkeld. Alsof oorlogen, verkiezingen of crises “door AI” worden veroorzaakt, zoals men vroeger zei “door het lot” of “door de Geest van de geschiedenis”. Dat is een elegante verschuiving van verantwoordelijkheid: van handelende mensen naar mysterieuze systemen. Het is ook een comfortabele verschuiving, want systemen kunnen niet ter verantwoording worden geroepen.

Zo krijgt de technologie iets orakelachtigs. Men vreest haar alsof ze bewust handelt, en vertrouwt haar alsof ze wijzer is dan wijzelf. Beide reacties zijn even irrationeel, en vooral: spiegelbeelden van dezelfde behoefte om het menselijk aandeel te minimaliseren. Geen model begint een oorlog. Maar een model kan wel de illusie versterken dat de wereld vanzelf ergens naartoe beweegt, alsof niemand meer hoeft te kiezen, alleen nog hoeft te volgen.

Toch verandert AI wel degelijk iets fundamenteels: niet wat er gebeurt, maar hoe het verschijnt. Eeuwenlang leefden we met representaties van de werkelijkheid die nog een herkomst hadden: schilderijen verwezen naar modellen, foto’s naar situaties, teksten naar auteurs. Nu verschijnen overal representaties zonder oorsprong. Een gegenereerd gezicht heeft nooit iemand als drager gehad. Een synthetische stem heeft nooit gezwegen. Een tekst heeft geen moment van aarzeling gekend. De kopie is niet langer afgeleid, ze is autonoom geworden in haar overtuigingskracht.

Daarmee verschuift de vraag ongemerkt van “is dit echt?” naar “werkt dit als echt?” En dat is een vraag die veel glibberiger is. Want ‘werken als echt’ is precies hoe sociale werkelijkheid altijd al functioneerde: geld, reputatie, grenzen, instituties—het zijn allemaal ficties die slechts bestaan omdat genoeg mensen zich gedragen alsof ze bestaan. Het ongemak van AI is dus niet dat ze fictie introduceert, maar dat ze laat zien hoe diep wij al in een wereld van ficties berokken waren.

Dat inzicht kan verhelderend zijn, maar ook destructief. Want wie geen verschil meer ervaart tussen constructie en manipulatie, of tussen representatie en misleiding, raakt vatbaar voor een allesdoordringend wantrouwen. Dan wordt elke rationele verklaring een vorm van propaganda, elke instantie bij voorbaat verdacht, elke tegenstem onderdeel van het alomtegenwoordige script van het wantrouwen. Het complotdenken vindt hier zijn ideale klimaat: niet in onwetendheid, maar in overflow van informatie zonder enig houvast.

En toch is het misleidend om te verlangen naar een tijd waarin dat houvast zogenaamd nog vanzelf sprak. Die tijd was grotendeels een zorgvuldig geromantiseerde reconstructie. Ook vroeger werd waarheid geënsceneerd, werden beelden geregisseerd, en werden identiteiten met enige toewijding kunstmatig opgebouwd. Alleen waren de middelen trager, de schaal kleiner, en de illusie van controle groter.

De opgave is dus niet om terug te keren naar een verloren staat van echtheid, maar om te leren leven met een andere vraagstelling. Niet: is dit echt of onecht? Maar: onder welke voorwaarden is dit betrouwbaar genoeg om mee te leven, te handelen of in te geloven? Dat is minder romantisch, maar wel eerlijker.

Dat in eerste instantie om een bescheidener mensbeeld. Veel onrust rond AI komt voort uit het idee dat denken, spreken en creëren de laatste bastions van menselijke uniciteit zijn. Zodra machines dat beginnen te imiteren, voelt dat als een pijnlijk verlies. Maar wat verloren gaat is niet menselijkheid, maar een bepaalde vorm van exclusiviteit. Een taalmodel kan zeer overtuigende zinnen produceren. Het kan er alleen niets bij voelen. Zo blijft gelukkig nog één verschil bestaan dat niet technologisch oplosbaar is, hoe goed de imitatie ook wordt. Maar voor hoe lang nog? 

De toekomst zal ons daarom dwingen om minder obsessief te vragen of iets echt is, en meer of iets verantwoord is. Complotdenken zal daarmee niet verdwijnen. De verleiding van een totale verklaring is oud en hardnekkig. Maar zij kan alleen worden getemperd wanneer we opnieuw leren verdragen dat de werkelijkheid grotendeels ondoorzichtig en vaak onbevredigend is. 

AI zal evenmin verdwijnen. Zij zal normaal gaan worden, zoals dat ook bij eerder technologische innovaties is gebeurd.  Wat nu magisch lijkt, wordt ooit weer alledaags. Maar het complotdenken zal opnieuw de kieren van het systeem opzoeken, want de behoefte aan het complot is onverwoestbaar, zoals ook onze behoefte aan troost. Want hoe gek het in de wereld ook mag gaan, alles komt weer goed.