Boeken om mijzelf te beschermen

Nog altijd pak ik graag een boek H.C. Rümke uit de kast. Dat is niet alleen nostalgie, al speelt die zeker mee. Het is vooral herkenning. In zijn vaak sobere, heldere stijl beschrijft hij levensfasen, innerlijke crises en vormen van volwassenwording op een manier die mij telkens het gevoel geeft dat hij iets heeft begrepen wat ik zelf nauwelijks onder woorden kan brengen. Een mens wil begrepen worden. Ik ook. Misschien schrijf ik daarom: in de hoop op een ideale lezer die ooit verschijnt en begrijpt wat ik bedoel, ook wanneer ik het zelf nog niet helemaal weet.

Rümke (1893-1967) had een bijzondere belangstelling voor de levensloop van de man. Hij zag het bestaan niet als een rechte lijn, maar als een reeks overgangen, telkens met eigen spanningen en mogelijkheden. De jeugd stond voor kennismaking met de wereld en met zichzelf, de volwassenheid voor aanvaarding, de latere jaren voor bezinning, zoiets als de bloei van een herfsttij. Dat spreekt mij aan, omdat het leven inderdaad eerder uit seizoenen lijkt te bestaat dan uit een schema van getallen.

In een van zijn mooiste passages beschrijft hij de man op latere leeftijd: rustiger geworden, meer naar binnen gekeerd, ontvankelijk voor nieuwe interesses, aandachtiger voor de eenvoudige levens om hem heen, en – als het geluk hem gunstig gezind is – in staat tot een dieper gesprek met de vrouw die zijn leven deelt. Dat soort zinnen lees ik niet als psychologie, maar als troost. Ik sta in bloei, zo voelt het, ook al word ik mij allengs meer bewust van de tragedie van de eindigheid.

Misschien herken ik mij juist daarom in Rümke, omdat mijn eigen leven zo lang in het teken heeft gestaan van onrust, ontregeling en de vraag wat dit leven eigenlijk te betekenen heeft. In 1966 belandde ik in een psychiatrisch ziekenhuis. Mijn psychose hing samen met een abrupt afscheid van het katholicisme waarin ik was opgegroeid. Voor de buitenwereld leek het misschien een crisis van de geest, voor mij was het tegelijk een crisis van zin en betekenis. Er stortte niet alleen een geloof in, maar ook een wereldbeeld. Wat daarvoor vanzelfsprekend was geweest, verloor plotseling zijn vanzelfsprekendheid.

Mijn psychiater – die overigens een leerling was van Rümke – wilde destijds niet spreken over de inhoud van mijn psychotische waan. Die deed er, naar zijn inzicht, minder toe dan de vorm. Eerst moest ik uit het verwrongen stelsel van gedachten worden gehaald en weer leren normaal te functioneren. Daar zit een zekere wijsheid in. Toch heb ik later steeds sterker gevoeld dat ook de inhoud van de waan er toe doet. Een waan is niet alleen een defect mechanisme in de geest; het is ook een overspannen antwoord op een onderliggende vraag. In de war raken is een ontspoorde manier van vruchteloos zoeken, met als resultaat een lucide vorm van chaos.

Rümke wist dat beter dan velen van zijn tijdgenoten. Hij was geen reductionist. Hij nam de religieuze ervaring serieus, zonder haar kritiekloos heilig te verklaren. Hij erkende dat tijdens een psychische ontregeling ervaringen kunnen optreden die pathologisch zijn, maar toch voor degene die ze beleeft van diepe waarde kunnen blijven. Dat inzicht heeft mij vooral geholpen in de jaren daarna. Niet alles wat tijdens een crisis in de geest opdoemt, hoeft na het herstel als nutteloos afval te worden achtergelaten.

In mijn latere schrijven ben ik daar steeds op teruggekomen. Mijn boek Modernisme in Lourdes ontstond uit de behoefte om mijn psychose te begrijpen in relatie tot processen als secularisering, bekering en geloofsverlies. Ik vergeleek mijn abrupte afscheid van het katholicisme met het omgekeerde proces van Gerard Reve, die in dezelfde jaren juist naar het geloof toe bewoog en eveneens in aanraking kwam met de psychiatrie. Waar ligt de grens tussen mystiek en godsdienstwaan? Is die grens absoluut, of verschuift zij met de cultuur? In de jaren zestig veranderde Nederland zo snel dat ook de kaarten van normaal en afwijkend gedrag opnieuw werden getekend.

Rümke bewoog zich al eerder op dat terrein. In een lezing – die leidde tot zijn boek: Karakter en aanleg in verband met het ongeloof – stelde hij dat de mens vervreemd was geraakt van zichzelf, van anderen en van de grond van de dingen. Religie verloor steeds meer haar bindende kracht, terwijl nog niets haar bindende functie had overgenomen. Dat vond ik een scherp inzicht. De opkomst van de psychologie viel niet toevallig samen met het verdwijnen van religieuze zekerheden. Waar vroeger de biechtvader zat, verscheen later de therapeut. Het geestelijke werd psychisch. De ziel bleef bestaan, maar veranderde van loket.

Toch waarschuwde Rümke ook voor overschatting van de psychologie. Geen psychiater kan een mens een volmaakt leven voorschrijven. Theorieën zijn producten van hun tijd en dragen de problemen van hun tijd met zich mee. Freud verklaarde veel, maar sprak vanuit een wereld waarin religie al op zijn retour was en de mens steeds meer als natuurwezen werd opgevat. Rümke verzette zich daartegen. Voor hem bleef een mens ook een wezen met een innerlijke, niet volledig objectiveerbare werkelijkheid.

Dat maakt hem nu nog steeds leesbaar. Hij sprak over een ‘integratief vermogen’: de mogelijkheid van de mens om desintegrerende ervaringen opnieuw samen te brengen, om door een crisis heen tot een nieuwe samenhang te komen. Soms is desintegratie daarvoor zelfs noodzakelijk. Dat herken ik uit eigen ervaring. Mijn psychose was verwoestend, maar achteraf bezien ook een breuk waardoor iets anders mogelijk werd. Niet meteen, en zeker niet zonder schade, maar toch. Ik nam de lange weg naar huis.

Al vóór die crisis was ik bezig een burcht van illusies op te trekken. In mijn puberteit las ik veel. Het waren boeken om mij tegen de buitenwereld te beschermen. Later ging ik zelf schrijven. De middelen veranderden, de bedoeling bleef dezelfde. Ik wilde een ruimte scheppen waarin ik veilig was. Een thuis om om in te leven. Misschien is dat wat literatuur vaak is: geen vlucht uit de werkelijkheid, maar een bewoonbare versie ervan.

Ik moest vaak denken aan Pirandello’s toneelstuk Hendrik IV, dat ik kort voor mijn opname op televisie zag. Een man leeft jarenlang in de waan dat hij een middeleeuwse keizer is, om later te blijken dat hij allang genezen was en slechts deed alsof. Hij verkoos zijn fictieve identiteit boven de ontluisterende werkelijkheid. Dat stuk trof mij diep. Sindsdien weet ik niet meer zeker of mensen krankzinnig worden omdat zij de werkelijkheid verliezen, of juist omdat zij haar te scherp beginnen te zien. Bij mij lijkt dat laatste het geval te zijn geweest.

Soms denk ik zelfs dat wij allemaal nog steeds doen alsof. Wij spelen de rol van ons beroep, onze afkomst, onze naam en onze overtuigingen. Identiteit is vaak een decorstuk dat ons beschermt tegen een onleefbare leegte. Wie het decor wegtrekt, ziet hoe broos alles is. Daarom houden wij misschien ook zo hardnekkig vast aan gezond verstand: het is een collectieve afspraak die ons staande houdt. Ook het gezonde verstand is een gekoesterde illusie.

Rümke zou dat vermoedelijk niet helemaal ontkennen. Hij wist dat geestelijke gezondheid niet alleen een individuele zaak is, maar ook samenhangt met een gemeenschap, met zin, met het gevoel ergens in opgenomen te zijn. Een gezond mens, meende hij, voelt zich betekenisvol verbonden met ‘het geheel van het zijnde’, wat dat ook moge zijn. Dat klinkt plechtig, maar het raakt iets eenvoudigs: niemand kan uiteindelijk leven in volstrekte isolatie.

Dat de boeken van Rümke later in vergetelheid raakten, verbaast mij niet helemaal. Zijn fenomenologische stijl paste niet meer in een tijd van ‘meten is weten’. Hij stichtte geen school, liet geen modieuze methode na en schreef niet genoeg om een industrie op gang te houden. Hij dacht in nuances, en nuances verkopen slecht.

Toch lees ik hem nog. Niet omdat hij altijd gelijk had – zijn opvattingen over ongeloof en geloof waren vaak speculatief en tijdgebonden – maar omdat hij de moed had het verschijnsel mens niet te reduceren tot een mechanisme. Hij zag dat ook ongeloof dogmatisch kan worden, even verstard als geloof. Hij wist dat wetenschap en geloof verschillende registers zijn. En hij begreep dat een mens soms ziek wordt door het verloren gaan van betekenis.

Dat is dan ook uiteindelijk wat mij aan hem bindt. In een wereld die alles verklaart en weinig begrijpt, bleef Rümke zoeken naar de toon waarop een mens zichzelf kan verstaan. Ik lees hem zoals je een oude arts bezoekt die niet alles kan genezen, maar wel weet hoe hij moet luisteren. Ik lees hem nog altijd, al was het maar om mijzelf te beschermen, hoe protectionistisch dat ook mag klinken. Ik blijf hem lezen, om zelfs in mijn ongeloof te blijven geloven dat ook wie zich opsluit en verhardt, ooit opnieuw kan worden aangesproken.