Ergens tussen het Grote-Ideeën-Huis van Plato en de fietsenstalling van het Stedelijk Museum bevindt zich het museum van de eeuwige schoonheid. Het is een gebouw zonder adres, zonder nooduitgang en zonder brandveiligheidsvoorschriften. Men betreedt het via een draaideur die tegelijk een kalender is. Bij elke omwenteling verdwijnt een eeuw. De suppoosten dragen sandalen van Michelangelo en fluorescerende hesjes van de Gamma. Shakespeare controleert de tickets met een perforator uit 1958, terwijl Goethe in Café Eckermann cappuccino serveert aan een groep Japanse toeristen die menen dat hij een hologram is. Niemand weet of hij werkelijk Goethe is. Zelf ontkent hij het hardnekkig, maar alleen in hexameters.
In de centrale hal hangt Titiaans Danae. Tenminste, dat denkt men. In werkelijkheid blijkt het schilderij sinds 1973 vervangen door een uiterst geslaagde reproductie, maar omdat iedereen ontroerd blijft kijken, heeft niemand de moeite genomen het origineel terug te hangen. De gouden regen van Zeus valt nog altijd over Danae neer, al blijkt bij nadere inspectie dat het goud langzaam verandert in bitcoins, muntjes van winkelwagentjes en parkeerbonnen uit Venetië. Danae zelf ligt achterover alsof zij al eeuwen wacht op een vertraagde trein. Soms beweegt zij heel even. Dan steekt ze een sigaret op en vraagt aan de bezoekers of iemand vuur heeft. Daarna verstijft zij weer in eeuwige schoonheid.
Het vreemde van dit museum is dat alle kunstwerken elkaar voortdurend beïnvloeden. De marmeren David van Michelangelo krijgt op regenachtige dagen eczeem van de expressionistenzaal. Een landschap van Turner veroorzaakt zeeziekte bij de kubisten. Een stilleven van Chardin ruikt sinds kort naar terpentine en uiensoep. Niemand begrijpt waarom. Alleen André Malraux beweert tijdens zijn wekelijkse lezing dat alle kunstwerken in feite droomresten zijn van één en dezelfde slapeloze beschaving. Daarna valt hij meestal van het podium, waarop Pierre Janssen ontroerd begint te fluisteren terwijl op de achtergrond de dans van de gezegende geesten van Gluck klinkt. Altijd die muziek. Altijd die trillende handen. Zelfs de brandmeldinstallatie werkt op Gluck.
Boven de ingang van het museum staat in marmer gebeiteld: “Gij zult de vergankelijkheid niet parkeren op het plein.” Niemand begrijpt die spreuk, maar men vindt haar diepzinnig. Dat is de essentie van eeuwige schoonheid: men begrijpt haar niet, maar men vermoedt dat men haar vroeger begrepen heeft, ergens rond 1482, vlak vóór de lunch.
In een zijvleugel bevindt zich de afdeling Sublieme Vergezichten. Daar beklimt Petrarca eindeloos de Mont Ventoux op een hometrainer. Zijn gezicht staat strak van existentiële paniek. Voor hem hangt een enorm videoscherm waarop hetzelfde landschap voortdurend opnieuw verschijnt, maar steeds in een hogere resolutie. Zodra Petrarca de top bereikt, krijgt hij een melding: “Buffering…” Dan verdwijnt het uitzicht. Hij slaat vertwijfeld Augustinus open, maar de bladzijden zijn vervangen door toeristische folders van de Provence. Afstanden krimpen er nog steeds aan de horizon. Lyon en Marseille liggen vlak naast elkaar als vergeten koffers op een luchthaven. De tijd zelf lijkt er opgevouwen als een landkaart die nooit meer netjes dicht wil.
Eenmaal per uur trekt een stoet bezoekers door de eregalerij van de humaniteit. Ze dragen koptelefoons waarop een audiotour klinkt, ingesproken door Hegel. “De Geest,” bromt hij plechtig, “verwerkelijkt zich in de geschiedenis.” Maar telkens wanneer hij het woord “verwerkelijkt” uitspreekt, wordt de opname onderbroken door reclame voor mineraalwater. Kinderen rennen ondertussen langs Rembrandt en selfies maken met een sarcofaag uit de derde dynastie. Niemand kijkt nog echt. Men kijkt vooral naar zichzelf terwijl men kijkt. De ervaring is vervangen door de herinnering aan een toekomstige foto van de ervaring.
Op de tweede verdieping ligt het Departement van de Eeuwige Ontroering. Daar zit Pierre Janssen in een fauteuil onder een zachtgele lamp. Hij probeert al vijftig jaar hetzelfde woord uit te spreken. Soms lijkt het “menselijkheid”, soms “transcendentie”, soms gewoon “mozzarella”. Niemand weet het zeker. Zodra hij begint te stamelen, zoomt een denkbeeldige camera langzaam in op zijn handen. De bezoekers worden onmiddellijk emotioneel. Sommigen huilen al vóór hij iets heeft gezegd. Dat komt door de muziek van Gluck, die verborgen uit ventilatieroosters opstijgt als een verdovingsgas van het humanisme.
Verderop staat een moderne sculptuur opgebouwd uit hout, draad, piepschuim, lood en een kapotte stofzuiger. Volgens het bordje stelt het werk “de desintegratie van het cartesiaanse subject binnen de posthistorische ruimte” voor. De schoonmaker denkt dat het grofvuil is en zet het elke dinsdag buiten. Daarna wordt het ceremonieel terug naar binnen gedragen door een curator uit Bologna, die roept dat de fragiliteit van het lichaam zichtbaar moet blijven. Het kunstwerk zelf weigert commentaar.
In een donker kabinet hangt een bordje: HIER VERDWEEN DE ZIEL OMSTREEKS 1637. Daaronder staat een vitrine met enkele overgebleven exemplaren van de menselijke binnenwereld. Een vergeelde droom. Een half sentiment. Een stukje melancholie uit 1912. Verder niets. Sinds Descartes is de geest namelijk zoekgeraakt in de garderobe van de moderniteit. Men vermoedt dat hij per ongeluk is meegegeven aan een Duits echtpaar uit Heidelberg.
Toch blijft iedereen verlangen naar bezieling. Dat is het tragische en komische tegelijk. De bezoekers lopen rusteloos rond alsof zij iets kwijt zijn geraakt dat zij nooit werkelijk hebben bezeten. Men staart naar Titiaan alsof er achter de verf nog een opening schuilt naar een hogere werkelijkheid. Men hoopt dat de marmeren lichamen van de klassieken plotseling gaan ademen. Men verlangt naar een aanraking tussen geest en materie, maar raakt meestal slechts de nooduitgang aan.
Intussen is het museum allang digitaal geworden. Sinds enige jaren bestaat het volledig online. Het pantheon van de eeuwige schoonheid is nu een app met abonnementskosten. Je kunt door tweeduizend jaar kunstgeschiedenis scrollen terwijl je wacht op de tandarts. De Sixtijnse Kapel verschijnt als pop-upreclame tussen twee kattenfilmpjes. Danae krijgt automatisch gerelateerde advertenties voor goudhandel en wellness-arrangementen. De Nachtwacht is voorzien van een zoomfunctie waarmee je de roos op de laars van een figurant tot op moleculair niveau kunt bekijken, maar niemand weet nog waarom Rembrandt hem eigenlijk schilderde.
De virtuele rondleidingen zijn spectaculair. Met één klik wandel je van Chartres naar Versailles, van Giotto naar Jeff Koons, van de kruisiging naar een online museumshop waar men koelkastmagneten verkoopt met daarop de tekst: “Eeuwige schoonheid – nu 20% korting.” Zelfs de dood is inmiddels interactief gemaakt. In de afdeling Vanitas kun je jezelf laten inscannen als vergankelijk stilleven. Daarna ontvang je een certificaat per mail.
En toch, ondanks alle ironie, ondanks alle schermen, alle reproducties, alle trillende handen en opgeblazen theorieën, blijft er iets merkwaardigs overeind. Soms gebeurt het namelijk dat een bezoeker plotseling stil blijft staan. Voor een schilderij. Een beeld. Een stuk verweerd hout met draad eromheen. Dan valt er heel even een stilte in het museum. De ventilatie zwijgt. Gluck stokt midden in een maat. Zelfs Goethe stopt met koffieschenken. Het lijkt alsof de tijd zich kort terugtrekt uit de wereld.
Niemand weet precies wat er op zo’n moment gebeurt. Misschien niets. Misschien alleen een storing in het elektrische systeem. Maar de bezoeker voelt plotseling dat hij tegelijk materie en herinnering is, tegelijk lichaam en droom. Alsof ergens achter de zichtbare dingen een vergeten samenhang schuilgaat die zich niet laat meten, reproduceren of uploaden.
En juist dan verschijnt meestal de directeur van het museum, hoewel het museum officieel geen directeur heeft. Het is een kleine man met een regenjas en een goudvis in een plastic zakje. Hij fluistert altijd dezelfde zin: “De eeuwige schoonheid bestaat niet, maar wij kunnen haar niet missen.” Daarna verdwijnt hij weer in een lift die nergens heen gaat.
Buiten regent het intussen zachtjes boven de parkeerplaats van de geschiedenis. De gouden regen van Zeus vermengt zich met motregen, neonlicht en het stof van afbrokkelende beschavingen. Petrarca fietst de Mont Ventoux af met een lekke band. Augustinus zoekt wifi. Hegel verkoopt ansichtkaarten. Pierre Janssen heft trillend zijn handen naar de hemel terwijl Gluck opnieuw aanzwelt uit onzichtbare luidsprekers.
En ergens diep in het virtuele pantheon van de mensheid ligt Danae nog altijd achterovergeleund te wachten, niet op een god misschien, maar op één enkel ogenblik waarop de mens vergeet dat hij sterfelijk is. Dat ogenblik duurt meestal niet langer dan een paar seconden. Maar het herhaalt zich al eeuwen als een ophanden zijnde onthulling die zich niet voltrekt. Dat is de eeuwige schoonheid.
En nu muziek! De dans van de gezegende geesten.
.
