In de spiegel van de dood

Bovenstaande foto is gemaakt in Rome in 1966. Ik fotografeer een klasgenoot, die tegelijkertijd mij fotografeert. Twee jongens die elkaar vastleggen in een fractie van een seconde, alsof wij toen al vermoedden dat de tijd een roofdier is dat alles uiteindelijk opslokt. Het wonderlijke is dat die klasgenoot inmiddels niet meer leeft. Hij kon goed tekenen en ook heel mooi kalligraferen. Samen illustreerden wij het schoolblad De Harpoen van 1964 tot 1966. Jaren geleden hoorde ik dat hij was overleden bij een tragisch ongeval. Bij het boren in een betonnen vloer stuitte hij op een elektrische kabel en was op slag dood. En toch staat hij hier nog altijd tegenover mij, gevangen in korrelig zwart-wit, ergens tussen lichtval en zilvernitraat. Ik kijk hier in de spiegel van de dood, en dat in Rome.

Rome was in die jaren voor katholieken nog altijd een bestemming met een zweem van het eeuwige. Iedere zichzelf respecterende gelovige wilde er ooit heen, al was het maar om met eigen ogen te zien waar tweeduizend jaar geschiedenis als gruis over de stad lag uitgeslagen. Bertus Aafjes had zelfs een voetreis gemaakt naar de heilige stad. Dat deed je toen nog. Tegenwoordig neemt men een goedkope vlucht en zet onmiddellijk na aankomst een selfie op internet. Maar destijds was de lange reis naar Rome nog een pelgrimstocht van de ziel. Een ontdekkingstocht naar het binnenste van het geheugen van een gedeelde cultuur die in archeologische lagen al eeuwenlang lag opgestapeld, als vergeten serviesgoed op de zolder van de geschiedenis.

Het meest eigene van Rome is misschien wel die gelaagdheid van de stad. Elk tijdperk bouwt onbekommerd zijn nieuwe monumenten bovenop de ruïnes van een verleden dat langzaam wegzakt in de grond. Het heden heeft daar geen schuldgevoel over. Integendeel, men zet rustig een parkeerplaats bovenop een tempel van Jupiter en drinkt vervolgens een cappuccino op een terras waaronder vermoedelijk nog drie pausen, een paar veldheren en een onbekende martelaar begraven liggen. Die eigenaardigheid heeft Rome gemeen met oude begraafplaatsen. Ik heb mij eens laten vertellen dat op Père Lachaise in Parijs wel tien lagen graven onder elkaar liggen. Het verleden zakt eenvoudigweg weg en het heden begraaft zijn doden erbovenop, alsof de geschiedenis een overvolle linnenkast is waarin men telkens nog één laken probeert te proppen.

Dat is eigen aan cultuur. Maar misschien nog meer aan de mens. Want ook herinneringen zakken weg. Eerst langzaam, daarna sneller. Namen verdwijnen het eerst, daarna stemmen, daarna de gezichten. Uiteindelijk blijft alleen een vaag soort atmosfeer over, een geur bijna, zoals de geur van oude boeken of natte jassen in een kerkportaal.

Ook de dood is eigen aan de mens. De dood houdt de mens een spiegel voor: speculum mortis. Een angstaanjagende aanblik. Alleen leven wij tegenwoordig in een tijd die geen angst meer lijkt te kennen voor de dood, omdat de dood eenvoudigweg wordt ontkend. Men spreekt liever over ‘heengaan’. De dood zelf mag tegenwoordig niet meer binnenkomen zonder afspraak. Hij moet eerst langs de receptie van de psychologie.Dat gaat natuurlijk goed, zolang het duurt. Maar vroeg of laat slaat het noodlot toe. Soms zachtjes, soms met veel misbaar.

Vannacht droomde ik dat ik een vergadering bijwoonde. Er stonden hapjes op tafel: een bakje met kaasblokjes en een bakje met worst. De bakjes stonden in een houten dienblaadje waarop prominent het jaartal 1966 stond gegraveerd. Daarnaast las ik in sierlijke krulletters: Roma… Amor… Speculum Mortis.Aan de muur hingen grote sheets waarop met rode viltstift plaatsen in West-Europa waren aangegeven waar tijdens de Koude Oorlog uitkijkposten hadden gestaan vanwaar men de Russen in de gaten hield. Achter elke plaats stonden bedragen genoteerd, pijlen, uitroeptekens en onleesbare afkortingen.

Het bleek het storyboard voor een tentoonstelling. De Koude Oorlog was geschiedenis geworden, zo werd mij uitgelegd. Mijn gedachten dwaalden af. Over honderd jaar, zo dacht ik, zijn wij allemaal dood. Ook de voorzitter van deze vergadering, ook degene die nu nog een blokje kaas in cocktailsaus stond te dopen alsof daarmee het einde der tijden kon worden afgewend. Ik moest denken aan Jules Deelder, die ooit een vergadering verstoorde met de historische uitroep: ‘Call the police, we all gonna die!’ Ik wilde gaan gillen, maar ik hield mij in.

In de jaren zeventig had je de primal scream therapy van Arthur Janov. Hij ging ervan uit dat ieder mens gekweld wordt door onbestemde angsten die voortkomen uit de kinderjaren en die tot op hoge leeftijd blijven rondspoken als verdwaalde geesten op een station. Veel van die angsten hebben uiteindelijk betrekking op de dood. Ook John Lennon ging bij Janov in therapie en componeerde daarna songs waarin hij meer schreeuwde dan zong. Alsof hij met zijn stem een gat probeerde te slaan in het plafond van het bestaan. De dood vraagt erom overschreeuwd te worden. Misschien zijn alle wereldreligies uiteindelijk niets anders dan fraai georkestreerde varianten van één langdurige oerschreeuw.

Ik bedacht mij hoe het zou zijn als ik nu werkelijk ging gillen. Midden in die vergadering. Tussen de kaas en de worst. Lang, hard en zonder ophouden. Misschien zou niemand verbaasd opkijken. Misschien zouden ze alleen noteren dat ik ‘emotioneel procesgedrag’ vertoonde. En opeens herinnerde ik mij dat ik wakker werd… in mijn droom.

Ik stond voor een groot meer dat gevuld was met alle tranen van de wereld. Het was volle maan. Haar bleke gestalte weerspiegelde zich in het water. Geen briesje wind. Doodstil. Zelfs de stilte leek gestorven. Diep in mijzelf hoorde ik de oude, vertrouwde stem van mijn moeder. Ze sprak over religie. Toen ze nog leefde heb ik haar daar nooit zo over horen spreken. Misschien kunnen de doden beter formuleren dan de levenden. Ze zei:

‘Religie is niet wat de mensen ervan maken. Het is geen leer, geen dogma, geen waarheid waarin je kunt geloven of niet geloven. Religie is een houding tegenover het onmetelijke, tegenover het geheim en het heilige. Religie is waar je nu staat, aan de oever van dit meer. Alles komt goed. Daar moet je op vertrouwen.’

Ik was ontroerd en liet mijn tranen de vrije loop. Zelfs het meer werd beroerd en nam nu ook al mijn tranen in zich op. Alsof verdriet nooit verloren gaat, maar eeuwig blijft rondcirkelen in een verborgen waterbekken ergens diep onder Rome, tussen de graven, de ruïnes en de schaduwen van twee jongens die ooit tegelijk naar elkaar hebben gekeken door een camera.