Op de avond van 4 mei 2013 mocht ik spreken in de ISVW, de Internationale School voor Wijsbegeerte in Leusden. Mijn lezing ging over de relatie tussen de Romantiek en de opkomst van het fascisme. Onvermijdelijk kwam ook de vermoedelijke geestesziekte van Adolf Hitler ter sprake. Ik weet nog dat ik toen terloops vertelde dat ik zelf ooit een psychose had doorgemaakt. Het was een bekentenis die ik niet had voorbereid; het gebeurde zoals dat gaat met dit soort dingen: plotseling, alsof iemand anders het woord nam in mijn plaats,
Ik bleef daar slapen op het landgoed en de volgende ochtend sprak een vrouw mij aan. Haar zoon was kort daarvoor ook psychotisch geworden. Ze zocht houvast, misschien zelfs een tegenbeeld van waar zij bang voor was. Ze vond het mooi om te zien dat iemand die zelf zoiets had meegemaakt hier mocht spreken op zo’n gedenkwaardige avond. In haar blik lag iets wat ik vaker heb gezien: de hoop dat er ergens een dubbelganger bestaat die het pad al heeft afgelegd waar je bang voor bent.
Die gedachte aan een dubbelganger was ook de avond daarvoor bij mij opgekomen. Niet alleen in de zin dat ik mij spiegelde aan een identiek persoon die de oorlog daadwerkelijk had meegemaakt, maar ook op een grotere schaal: hoe de geschiedenis zich gaat verdubbelen in de hoofden van anderen. In feite is dat de kern van wat we ‘herdenken’ noemen: dat het verleden niet verdwijnt, maar telkens opnieuw opduikt in een ander leven, alsof het dramatische gebeuren zich blijft vermenigvuldigen in de tijd. Wanneer houdt zoiets ooit op?
Mijn lezing zou om acht uur beginnen en werd voorafgegaan door de twee minuten stilte die op 4 mei gebruikelijk is. In die stilte vooraf kreeg alles wat ik daarna zou gaan vertellen een andere lading. Deze jaarlijkse stilte gedraagt zich inmiddels alsof zij een natuurwet is. Alsof ergens een onzichtbare schakelaar wordt omgezet en de tijd vervolgens gehoorzaamt. Gesprekken breken af, alleen de de vogels blijven gewoon doorfluiten.
Twee minuten lang bestaat er een afspraak met het verleden, en niemand weet precies wie die afspraak ooit heeft gemaakt of hoe lang hij nog geldig blijft. Want dat is de vraag die zich langzaam, bijna onfatsoenlijk, opdringt: hoe lang moet je nog herdenken? Een jaar? Tien jaar? Eenentachtig jaar, zoals nu, sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog en de Duitse bezetting van Nederland? Of is heeft het herdenken een soort houdbaarheidsdatum, waarna de herinnering verzuurt of simpelweg verdampt?
Stel dat iemand voorstelt om het herdenken te verlengen tot honderd jaar. Een mooi rond getal, overzichtelijk, een eeuw vol. Daarna stoppen we ermee. Maar waarom honderd? Waarom niet honderdvijftig, tweehonderd, driehonderd? Op welk moment wordt de stilte een automatisme, een ritueel dat alleen nog zichzelf herdenkt? Een stukje cultureel erfgoed, zoals alles tegenwoordig cultureel erfgoed wordt, zelfs het Bloemencorso van Zundert, de Molens van Kinderdijk, De Boxmeerse Vaart, Het palingtrekken van Harderwijk, de bruine kroeg en de Zwarte Piet-discussie.
Er zit iets licht absurds in de gedachte van een einddatum aan het herdenken, alsof je een stopwatch naast de geschiedenis legt. Alsof er ergens een commissie bestaat die beslist: dit leed verdient nog twintig jaar extra aandacht, dat leed mag worden afgebouwd. Misschien met een schema, een aflopende schaal van intensiteit. Twee minuten stilte in het begin, daarna anderhalve minuut, uiteindelijk nog slechts een paar seconden en dan een symbolische kuch.
En ondertussen schuift de tijd verder, onverschillig als altijd. De afschaffing van de slavernij ligt inmiddels verder achter ons dan de Tweede Wereldoorlog. Maar ook daar zijn inmiddels herdenkingen voor, discussies en debatten, emoties die nog altijd niet volledig zijn verwerkt. Op een gegeven moment zullen beide gebeurtenissen voor het historisch gevoel ongeveer even ver weg liggen in het verleden.
En dan komt de vraag die je eigenlijk niet wilt stellen, maar die toch gesteld wordt: wat was erger? De Holocaust of de slavernij? Het is een vraag die iets onmogelijks probeert: het tegen elkaar afmeten van menselijk leed . Alsof je twee afgronden naast elkaar zet en vraagt welke dieper is. Alsof je pijn en verdriet kunt optellen, vergelijken en rangschikken. Maar zodra je dat probeert, merk je dat het meetinstrument voor zoiets ontbreekt. Er is geen schaal, geen eenheid, geen nulpunt. Het meten van menselijk leed kan alleen met de natte vinger, zeker als het om het verre verleden gaat.
Wat wel zichtbaar wordt, is iets anders: dat elke poging tot vergelijking ook iets zegt over het heden. Over wie spreekt, vanuit welke positie, met welke behoefte aan erkenning of rechtvaardigheid. De vraag “wat was erger?” blijkt minder over het verleden te gaan dan over het nu, over wie gezien wil worden in het landschap van de herinnering. Dat is het moment waarop de absurditeit van het herdenken zich volledig toont. Niet als iets lachwekkends, maar als iets dat blijft schuren. We staan stil om de doden te herdenken, maar raken verstrikt in een discussie over de rangorde van hun dood. We zwijgen twee minuten, maar de stilte is gevuld met vragen die geen antwoord verdragen.
Soms stel ik me voor voor dat die twee minuten stilte zelf ook een soort dubbelganger heeft. Een eerste stilte, die oprecht is, geconcentreerd, een poging tot aandacht. En daarachter een tweede stilte, die meekijkt, die zich afvraagt wat hier eigenlijk gebeurt. Hoe lang nog? Waarom precies zo? Voor wie doen we dit?Die tweede stilte is minder comfortabel. Ze lijkt wat op de schaduwfiguur uit De donkere kamer van Damocles van Willem Frederik Hermans: altijd aanwezig, maar nooit volledig te grijpen. Je weet niet zeker of die tweede stilte werkelijk bestaat of alleen in je hoofd blijft figureren. Maar ze beïnvloedt wel wat je ziet.
In feite is het herdenken altijd zo’n dubbelspel. Aan de ene kant de oprechte poging om recht te doen aan wat gebeurd is. Aan de andere kant het besef dat die poging nooit voltooid kan worden, dat ze steeds opnieuw moet worden uitgevonden, aangepast en bevraagd. Dat is wellicht ook de reden waarom het nooit ophoudt. Niet omdat er een verplicht aantal jaren is afgesproken, maar omdat het verleden zich telkens opnieuw aandient in een andere gedaante. De gedachte dat we ooit “klaar” zouden zijn met herdenken is daarom de meest absurde van allemaal. Alsof herinnering een project is dat je kunt afronden, een dossier dat je kunt sluiten. We zijn er kaar mee, en nu over naar de orde van de dag.
Dat betekent niet dat alles op den duur inwisselbaar wordt, of dat elke gebeurtenis op dezelfde manier herdacht moet worden. De Holocaust en de trans-Atlantische slavernij zijn geen varianten van hetzelfde verhaal, maar verschillende vormen van ontmenselijking, elk met hun eigen geschiedenis, hun eigen doorwerking, hun eigen littekens en vooral hun eigen slachtoffers die zich nog altijd slachtoffer voelen . De neiging om ze tegen elkaar af te zetten, om te vragen “wat was erger?”, doet uiteindelijk geen recht aan slachtofferschap als zodanig. Het maakt van geschiedenis een wedstrijd, terwijl het eerder een tijdruimte is waarin verschillende vormen van geweld en verlies naast elkaar bestaan, zonder dat ze elkaar opheffen.
De vraag zou dus niet moeten zijn hoe lang we herdenken, maar hoe we het nog doen. Of beter nog: hoe we blijven omgaan met iets dat zich niet laat afronden. Vanavond, om acht uur precies, valt de stilte opnieuw. Misschien over tien jaar nog steeds, misschien over vijftig jaar in een andere vorm, of misschien ooit helemaal niet meer. Maar zelfs als het ritueel zou verdwijnen betekent dat niet dat het verleden verdwijnt. Het verandert alleen langzaam van gedaante, zoals alles.
Zoiets moet het zijn geweest wat er gebeurde, die avond op 4 mei 2013, toen ik begon te spreken over het verband tussen de Romantiek en het fascisme. Dat het niet alleen mijn eigen woorden waren, maar woorden die al eerder leken te zijn uitgesproken, door een ander, in andere tijden en in andere omstandigheden. Alsof de geschiedenis zelf even het woord nam, via mij, zonder dat ik precies wist waar mijn stem ophield en die van een ander begon, de stem van mijn dubbelganger in de tijd. Alsof er altijd ergens iemand is die opnieuw begint of die alles al eens eerder heeft meegemaakt.
