Het pan-messianisme van Roel van Duijn

‘De bloedbroeders Trump en Poetin vallen Europa van beide kanten aan. Wij zijn in een onverklaarde oorlog beland, waaruit we Europa moeten zien te redden.Ik geef mijn antwoorden op de vragen die deze angstaanjagende fase voor Europa veroorzaakt. Wat verbindt de twee autocraten? Geo-strategie en ideeën, maar hoe? Europa staat voor een Herculestaak. Hoe kan het zich verdedigen? Ik ben woedend en doe een oproep. Om te helpen onze verdedegingsoorlog tegen Rusland en zijn Europese handlangers te winnen. En de Verenigde Staten van Europa op te richten, zodat Europa als grootmacht kan herrijzen, in de wanorde die aangericht is door de twee gemaskerde fascisten aan de top van Rusland en de VS.’

 Dat schrijft Roel van Duijn op zijn site over zijn nieuwe boek dat volgende week maandag verschijnt: De aanval op Europa, Tussen Trump en Poetin. Het denken van Roel van Duijn beweegt zich al decennia op het snijvlak van engagement, verbeelding en ontsporing. Midden in de corona-pandemie verscheen zijn boek Het echte complot, de waarheid achter de wanen (2021). Het echte complot zou volgens hem een kongsi zijn van rechtse partijen in het Westen en dictatoriale staten in het Oosten, Rusland voorop.

Van Duijn zag zelfs een Derde Wereldoorlog opdoemen waarin niet meer gevochten wordt met wapens, maar met digitale en psychologische wapens en valse vlag-operaties. Het zou volgens hem een even smerige oorlog worden als de vorige. Toen ik dit las leek het mij toe dat Van Duijn de juiste maat uit het oog had verloren, zodat ik zelfs even dacht dat hij met zijn denken over complottheorieën zelf het slachtoffer was worden de kwaal die hij beschreef. Een paar maanden na het verschijnen van dit boek besloot Poetin om een oorlog te beginnen tegen Oekraïne. De woorden van Van Duijn klonken toen opeens eens stuk minder paranoïde.

In zijn beschouwingen over complottheorieën probeerde Van Duijn een onderscheid te maken dat tegelijk geruststellend en verontrustend is: er bestaat wel degelijk zoiets als een “echt complot”, maar dat is van een geheel andere orde dan de fantasmatische constructies die vandaag de dag rondzingen. Hyperkapitalisten kunnen een bedreiging vormen voor de nationale staat, maar zij zijn geen almachtige regisseurs van een wereldtoneel. Daarmee positioneerde Van Duijn zich tegen het simplificerende wereldbeeld waarin een kleine, demonische elite de geschiedenis naar haar hand zet — een wereldbeeld dat al eerder opdook in de beruchte antisemitische ficties van de negentiende en twintigste eeuw. In die zin ziet hij hedendaagse complottheorieën als erfgenamen van een oudere, gevaarlijke traditie.

Opmerkelijk is dat Van Duijn deze analyse niet van buitenaf maakte, maar vanuit een persoonlijke betrokkenheid. Zijn polemiek met hedendaagse complotdenkers, onder wie politici die zich gevangen voelen in een vermeend wereldcomplot, laat zien hoe dun de scheidslijn kan zijn tussen kritische analyse en paranoïde interpretatie. Aanvankelijk voelde hij nog mededogen voor wie zich opgesloten weet in zo’n denkwereld, maar dat slaat om in afschuw wanneer oude vijandbeelden opnieuw worden opgeroepen. Daarmee raakt hij aan een historische continuïteit: van de waanwereld van het nationaalsocialisme, via de mythologieën rond Illuminati en QAnon, totaan de corona-ontkenners. Steeds weer duikt hetzelfde dualistische schema op, waarin de werkelijkheid wordt opgeknipt in een strijd tussen licht en duister, goed en kwaad.

Dat schema is ouder dan de moderne politiek.Van Duijn wees onder meer de manicheïsche traditie, waarin de mens zich gevangen voelt in een kosmische strijd. In zo’n wereldbeeld krijgt elke gebeurtenis betekenis als onderdeel van een verborgen plan. Het biedt houvast, maar tegen de prijs van een radicale versimpeling van de werkelijkheid. De aantrekkingskracht ervan is begrijpelijk, zeker in tijden van onzekerheid, maar het leidt onvermijdelijk tot vijanddenken en uitsluiting. Juist daarom is het van belang om het onderscheid te blijven zien tussen reële machtsstructuren en imaginaire complotten.

Toch is Van Duijn zelf niet vrij van een zekere neiging tot grootse interpretaties. want het blijft de vraag of zijn retoriek — met termen als “Derde Wereldoorlog” — niet opnieuw het risico loopt de werkelijkheid te dramatiseren. Die spanning tussen inzicht en overdrijving loopt als een rode draad door zijn denken, en misschien zelfs door zijn levensloop.

Als voormalige provo behoort Van Duijn tot een generatie die experimenteerde met nieuwe vormen van politiek en bewustzijn. De provobeweging wordt vaak herinnerd als speels en geweldloos, maar die voorstelling is slechts ten dele juist. Ook daar werd nagedacht over sabotage en confrontatie, zij het vaak vanuit een strategisch perspectief. Wat de provo’s vooral kenmerkte, was hun poging om de ervaring van tijd en werkelijkheid zelf te veranderen. Tegenover de lineaire, instrumentele tijd van de moderniteit stelden zij een intens beleefd heden, een cyclische tijd waarin het moment zijn eigen volheid terugkrijgt.

Dat verlangen naar een andere tijdservaring had iets utopisch, maar ook iets subversiefs. Wie de tijd naar zich toe trekt, onttrekt zich aan de logica van productie en controle. In die zin was de provobeweging niet alleen een politieke, maar ook een existentiële revolte. Het verklaart misschien waarom zij zo nauw verbonden was met artistieke en religieuze experimenten. De figuur van de Messias speelde daarin een merkwaardige rol. Van Duijn beschouwde de messiaanse houding als zowel inspirerend als gevaarlijk. Hij verwierp de idee van één verlosser, maar stelde daar een paradoxaal alternatief tegenover: een vorm van “pan-messianisme”, waarin ieder mens zijn eigen Messias wordt.

Dat idee sluit aan bij bredere tendensen in de jaren zestig. Kunstenaars en denkers verkondigden dat iedereen kunstenaar kon zijn, dat ieder individu toegang had tot creatieve en spirituele mogelijkheden die voorheen aan een elite waren voorbehouden. Het was een radicale democratisering van het uitzonderlijke. Maar zoals critici al snel opmerkten, dreigt zo’n beweging haar eigen tegendeel te worden: als iedereen uitzonderlijk is, verliest het uitzonderlijke zijn betekenis. Het utopische hoogtepunt slaat om in een vorm van nivellering.

Tegelijkertijd had deze periode een uitgesproken religieuze ondertoon, ondanks — of misschien juist dankzij — de voortschrijdende secularisatie. Nieuwe vormen van spiritualiteit en bewustzijnsverruiming werden verkend, vaak buiten de gevestigde religies om. Binnen de psychiatrie ontstonden zelfs stromingen die waanervaringen niet langer uitsluitend als pathologisch beschouwden, maar ook als mogelijke bronnen van inzicht. De grens tussen religie, kunst en waanzin werd poreuzer.

In dat licht bezien is het niet zo vreemd dat Van Duijn geïnteresseerd is in het complotdenken. Ook dat is immers een manier om betekenis te geven aan een complexe en vaak chaotische werkelijkheid. Het verschil is dat waar de tegencultuur van de jaren zestig gericht was op bevrijding en verbeelding, het hedendaagse complotdenken vaak uitmondt in angst en vijanddenken. De utopie van toen is in sommige opzichten omgeslagen in een dystopie.

In zijn Panies Dagboek (1971) schreef  Van Duijn: ‘Ik ben het alleen, ik ben de eenling. Dat verafschuw ik gelijkelijk in Jezus Christus, Jan van Leyden, Hitler, Mao-tse-toeng en Lou de Palingboer, om aan aantal van de meest uiteenlopende Messiassen te noemen.’  De Messiasfiguur  noemde hij ‘waanzinnig inspirerend’. Toch zag Van Duijn zichzelf niet as als een nieuwe Messias. Evenals Robert Jasper Grootveld ging zijn voorkeur uit naar de rol van Johannes de Doper die de komst van Verlosser aankondigt.

Maar waarom zouden we niet allemaal Messias zijn? Waarom zouden we deze heerlijke rol laten monopoliseren door iemand die onderwerping vraagt? Van Duijn bepleitte zelfs voor een nieuwe soort ‘pan-messianisme’. Iedereen wordt zijn eigen Messias. Het zou de ideale synthese worden tussen het toppunt van democratisering en het hoogste wat een mens kan bereiken: mens zijn en God tegelijk. Daarmee was het christendom opeens een voltooid verleden tijd, die nu in het heden werkelijkheid was geworden. 

Maar er was nog iets anders aan de hand met dat aloude christendom. In wezen was het christendom niet alleen een religie van de mateloze liefde, die ooit in de Bergrede werd gepredikt, maar ook van de verovering van de wereld om zo Gods Koninkrijk ook bij de inboorlingen van ‘de derde wereld’ van start te laten gaan. Ook de vredelievende Jezus van Nazareth liet uiteindelijk weten, dat hij niet gekomen was om vrede te brengen, maar het zwaard. In het evangelie van Mattheus staat deze boodschap overduidelijk te lezen…

“ Ik ben niet gekomen om vrede te brengen, maar strijd. Ik kom strijd brengen tussen vader en zoon, tussen moeder en dochter, en tussen een vrouw en haar schoonmoeder. De mensen met wie je in één huis woont, zullen je vijanden zijn. “

Misschien ligt de kern van de problematiek van Van Duijn in dezelfde messiaanse verleiding die hij ooit opnieuw probeerde te formuleren zonder de gevaarlijke dwang om een ander te bekeren. De neiging om de wereld te begrijpen als een strijd tussen absolute krachten, en om daarin zelf een beslissende rol te willen spelen, is diep menselijk. Maar zij kan zowel tot bevrijding als tot verblinding leiden, en niet zelden tot geweld. 

In die zin is het wellicht niet voldoende om de hedendaagse complottheorieën simpelweg als irrationeel af te wijzen. Ze kunnen ook begrepen worden als symptomen van een dieper verlangen naar betekenis en samenhang. Tegelijkertijd vraagt dat begrip om een kritische grens: het besef dat niet elke samenhang werkelijk bestaat, en dat de verleiding van het alles-verklarende verhaal gevaarlijk kan zijn. In dat spanningsveld beweegt zich het denken van Roel van Duijn – soms scherpzinnig, soms over de rand – maar altijd gedreven door de poging om greep te krijgen op een werkelijkheid die zich niet eenvoudig laat ordenen.