Als mijn moeder zou terugkeren

Het is zomer 1964. Mijn moeder en ik lopen door de straten van Segovia. Ik werd daar nageroepen omdat een jongen van mijn leeftijd met een korte broek eigenlijk niet kon in het Spanje van die tijd. Achter ons mijn vader met het fototoestel. Hij staat er dus niet op, wat symbolisch genoeg is voor vaders van zijn generatie: altijd aanwezig, zelden in beeld. We waren op reis in de Fiat 600 D, zes weken lang, wat achteraf bezien meer een expeditie dan een vakantie was. Spanje onder Franco was stoffig, heet en hobbelig. Wegen verdwenen soms spontaan in ravijnen. Mijn vader reed onverstoorbaar door, mijn moeder keek naar buiten alsof dit allemaal uitstekend geregeld was.

Ik heb mijn moeder nooit horen klagen over ongemak. Dat was een van haar talenten. In moeilijke omstandigheden ontdekte zij steevast een voordeel. Als kind was zij op school een “verwaaid nest” genoemd. Tegenwoordig zou zo’n meester geschorst worden en verplicht op cursus empathisch communiceren gestuurd, maar destijds gold het nog als pedagogiek. En eerlijk gezegd: er zat iets in. Mijn moeder had iets ongrijpbaars. Ze kon een kamer binnenkomen alsof ze er al uren was en weer verdwijnen zonder dat iemand precies wist wat er gebeurd was. Haar humeur was altijd zonnig, haar aandacht mobiel en haar ordegevoel facultatief.

Ze groeide op in Arnhem, in een katholiek milieu waar men het leven nog een uiterst serieuze zaak vond. Dansen was riskant, bioscopen waren poorten naar moreel verval en de charleston vermoedelijk een uitvinding van de Duivel. Mijn moeder trok zich daar weinig van aan. Ze hield van uitgaan, van lachen en vaak hoorde ik dat ze ooit op de tafel had gedanst.

Toen ze mijn vader ontmoette, waarschuwden collega’s haar: “Pas op, het is een afgelikte beer.” Wat dat precies inhield weet ik niet, maar het klonk niet als een aanbeveling. Mijn moeder zette door. Mijn vader werkte bij de PTT, was technisch, degelijk, Fries met ouderwetse zwijgzaamheid. Zij was spontaan, impulsief en had het hart op de tong. Het huwelijk van zulke mensen is altijd een experiment, maar in dit geval met goed resultaat.

Na Den Haag en Amsterdam kwamen er vier dochters. Daarna, in 1947, eindelijk een zoon: ik. Dat ik in het gezin niet als gewone baby werd ontvangen maar als dynastieke gebeurtenis, lijkt achteraf aannemelijk. Mijn vader zag vermoedelijk de familienaam gered, mijn moeder vooral een laat wonder. Ik werd dus gekoesterd, beschermd en waarschijnlijk overmatig bewaakt als een kleine prins.

Toch stonden mijn eerste kinderjaren in het teken van angst. Ik was bang voor water, hoogte, vreemde kinderen en voor de toekomst. Op foto’s kijk ik alsof iemand mij heeft meegedeeld dat het bestaan verplicht is. Mijn moeder deed alles om mij tegen de wereld te beschermen, met als gevolg dat de wereld zo mogelijk nog dreigender werd. Zo werkt moederliefde soms: zij plaatst een glazen stolp over een plantje en vraagt zich later af waarom het niet tegen wind kan.

Wij woonden in de Watergraafsmeer, aan de Johannes van der Waalsstraat. Voor het huis lagen aanvankelijk nog weilanden met koeien en paarden. Vanuit het raam keek mijn moeder op mij neer als ik buiten speelde, of liever: als ik buiten stond te twijfelen of spelen verantwoord was. Wanneer het eten klaar was, tikte ze met haar trouwring tegen het raam. Dat geluid was voor mij wat kerkklokken voor gelovigen zijn: een oproep tot terugkeer.

Ik herinner mij hoe zij mij soms als peuter in mijn kinderstoel aan de slootrand zette, zodat zij vanuit de erker toezicht kon houden. Moderne pedagogen zouden hier bezwaren tegen hebben, maar het werkte efficiënt. Mijn vroegste herinnering is kijken naar koeien vanuit die stoel. Tot een oudere jongen naast mij kwam staan en begon te pesten. Ik kon niets terugdoen behalve huilen. Daar begint vermoedelijk mijn wantrouwen jegens de mensheid.

Maar mijn moeder was niet sentimenteel, maar wel altijd bezorgd. Toen ik later voor het eerst op school in Amsterdam-Zuid tussen de middag vaak alleen tegen een schutting leunde, kwam zij soms vijf kilometer fietsen om te kijken of ik al vriendjes had gemaakt. Zag ze mij daar weer staan als sociaal wrak in wording, dan gebaarde ze streng dat ik mij tussen het spelende gepeupel moest begeven. Liefde was bij haar zelden week. Ze hielp je vooruit door je een flinke zet te geven.

Van haar heb ik meer geërfd dan ik vroeger dacht. Niet haar elegantie helaas. Zij kleedde zich verzorgd en vanzelfsprekend, vooral in haar latere jaren. Ik ben met de jaren meer op een verdwaalde archivaris gaan lijken. Maar mijn handschrift is naar het hare toegegroeid: haastig en moeilijk leesbaar, alsof de letters onderweg hun bestemming kwijtgeraakt zijn. Ook haar slordigheid leeft voort. Men noemt erfelijkheid vaak een zegen, maar dat hangt af van het onderdeel.

Van mijn vader heb ik aanzienlijk minder talenten meegekregen. Hij was technisch, precies en doelmatig. Hij kon een kapot apparaat aankijken en het daarna herstellen uit medelijden. Ik kijk naar een kapot apparaat en wacht tot het vanzelf berouw toont. Mijn vader las nooit boeken, maar bezat wel een zekere wijsheid. Ik lees boeken en het resultaat is wisselend. Zo heeft iedere familie haar eigen verdeling van talenten en misverstanden.

Toen mijn vader in 1966 overleed, was mijn moeder zestig en plotseling vrijer dan men van een weduwe zou verwachten. Ze leek niet zozeer in de rouw als wel op tournee. Ze bezocht familieleden door het hele land. Alsof na jaren van plichtpleging ineens een sluis was opengezet. In de herfst van dat jaar ging ik met haar een dag naar Arnhem. Ze liet mij de plekken van haar jeugd zien: straten, de bakkerij van haar vader, een jeugdvriendin die we opzochten, herinneringen die zij droeg als lichte handbagage.

Bij Musis Sacrum dronken we koffie. In Sonsbeek wandelden we tussen herfstbladeren en beelden. Ik kocht bij De Slegte boeken van Nietzsche en Jung, waarmee ik toen vooral indruk op mijzelf maakte. Mijn moeder liet me begaan, zoals zij dat altijd had gedaan. “Je hebt ook wat van mij,” zei ze dan wanneer ik weer eens somber of zwaarmoedig deed.

Toen zij oud werd, kwam de vergeetachtigheid. Ook daarin bleef iets lichts. De wereld leek voor haar langzaam gewicht te verliezen. Namen dreven weg, gebeurtenissen losten op, verbanden werden poreus. Wat overbleef was een merkwaardige rust. Op het laatst zei ze vaak maar één zin: “We hebben het goed gedaan… we hebben het goed gedaan.” Wie dat “we” precies waren, bleef onduidelijk. Zij en mijn vader? Zij en haar kinderen? De mensheid in het algemeen? Misschien was dat juist de wijsheid ervan: het deed er niet meer toe.

Die woorden hebben me altijd geraakt, ook omdat ze zo onhollands tevreden klinken. Wij zijn een volk dat eerder zegt: het had beter gekund. Mijn moeder trok op het einde een streep onder het geheel en kwam tot een mild eindoordeel. Geen grootspraak, geen schuldbekentenis, geen nodeloze nuance. Gewoon: we hebben het goed gedaan. Menig filosoof zou wensen zo compact te kunnen samenvatten.

Ze stierf in 1989, drieëntachtig jaar oud, nog altijd een Arnhems meisje. Boven haar rouwadvertentie stonden woorden uit Psalm 126: “Als Hij ons thuisbrengt uit onze ballingschap, dat zal een droom zijn.” Soms droom ik over haar. Dan verschijnt ze niet als jonge vrouw of als moeder uit mijn jeugd, maar in een tijdloze gedaante die nergens last van heeft. Ik zie haar lopen door een huis waar alles openstaat, ramen, deuren en ladekasten. Ze zoekt niets en vindt van alles. Ik stel vragen waarop zij geen antwoord geeft, omdat antwoorden haar nooit bijzonder interesseerden. Ze lacht wat, schikt iets op tafel en verdwijnt weer naar een volgende kamer.

Misschien is dat ook wat een goede moeder uiteindelijk wordt: geen persoon meer, maar een warm klimaat waarin je ooit hebt geleefd. Je draagt haar stem mee, haar gebaren of een zin afmaken. Haar  aanwezigheid lost op in je eigen gewoonten. En op een dag merk je dat ook je handschrift op dat van haar lijkt, of dat je in een ongemakkelijke situatie iets zegt wat zij ook gezegd zou kunnen hebben. Dan is er geen ontkomen meer aan.

Mijn moeder was geen heilige en geen vrouw voor standbeelden of biografieën. Ze kon ook gewoon maar zingend door het huis lopen. ‘Zingen is gezond,’  zei ze dan. Juist daarom blijft ze me dierbaar. Grote figuren verdwijnen in hun monumenten. Een lieve moeder nestelt zich geruisloos in je geheugen.

Wat zou ik doen als ze op een dag opeens zou terugkeren? Ik vermoed dat ik haar eerst zou aankijken zoals je een wonder aankijkt dat tegelijk volstrekt gewoon is. Alsof het de normaalste zaak van de wereld was dat ze weer in de keuken stond, half zoekend naar haar bril die al op haar hoofd zat. Ik zou waarschijnlijk iets onnozels zeggen als: “Ben je daar weer?” terwijl ik natuurlijk bedoelde: waar ben je al die tijd gebleven?

Daarna zou ik vooral luisteren, haar laten praten, en niet proberen haar te verbeteren – een gewoonte die kinderen ontwikkelen zodra ze menen volwassen te zijn geworden. Misschien zou ik haar zelfs bedanken voor dingen die vroeger zo vanzelfsprekend leken dat ik ze niet zag. Misschien zou zij daar dan om lachen en zeggen dat ik me niet zo moet aanstellen. En dan zou ik doen wat ik destijds te weinig deed: met haar meelopen door het huis, terwijl zij zingt.