Onderstaande tekst is een kleine geschiedenis van mijzelf in Friesland. Ik publiceer haar met enige gêne, omdat al snel de indruk kan ontstaan dat hier iemand aan het woord is die trots terugblikt op een indrukwekkend spoor van daden en inzichten. Niets is minder waar. Eerder gaat het om een dossier van botsingen, misverstanden en hardnekkigheid. Al schrijvend ontdekte ik een patroon dat mij eerder blijkbaar was ontgaan, wat op zichzelf ook weer veel zegt. Noem het eigengereidheid, noem het een talent om zich nét niet aan te passen aan de omgeving, of simpelweg een karakterfout met doorzettingsvermogen. Misschien zit het in mijn genen. Misschien is het zelfs een beetje Fries. Mijn vader was tenslotte een Fries. Mijn moeder moest weer weinig van Friezen hebben, zodat ik genetisch ongeveer als een binnenlands oedipusconflict ter wereld ben gekomen. Het zal allemaal wel. Het is wat het is: geen heldenepos, geen schuldbekentenis, hooguit het verslag van iemand die ergens terechtkwam en daar vervolgens jarenlang wellicht net iets te nadrukkelijk zichzelf wilde blijven.
***
Op 23 augustus 1977 verhuisde ik van Amsterdam naar Leeuwarden. Dat klinkt overzichtelijk, bijna administratief, maar in werkelijkheid voltrok zich een kleine existentiële operatie. Ik zat achterin de verhuiswagen, in de pikdonkere laadruimte, tussen dozen, stoelen, boeken en een rieten mand met drie doodsbange katten op schoot. Ik wilde ze niet alleen laten en voorin was geen plaats meer. Zo reed ik mijn toekomst tegemoet als een clandestiene passagier in mijn eigen leven.
Na een uur merkte ik dat de wagen geen bochten meer maakte. Dat kon maar één ding betekenen: de Afsluitdijk. Voorin stond de radio aan. Door het hout en het metaal heen hoorde ik vaag de nummer-één-hit van dat moment: Go Your Own Way van Fleetwood Mac. Ik had de plaat Rumours net gekocht en beschouwde dit als een gunstig teken van hogerhand, al was het hogerhand vermoedelijk gewoon Veronica. Ik bonkte op de wand en riep: “Harder, harder!” De chauffeur gaf onmiddellijk gehoor. Opeens galmde Fleetwood Mac over de Afsluitdijk, terwijl ik in het donker uit volle borst meezong. De katten, die tot dan toe onafgebroken hadden geklaagd, werden stil. Soms heeft kunst onmiddellijk effect.
Vier weken later, op 19 september 1977, zat ik om kwart over acht ’s morgens als enige passagier in de bus op de eindhalte Aldlân-Oost. Het was mijn eerste werkdag. Niet zomaar een eerste werkdag, maar de allereerste vaste baan van mijn leven. Ik was net afgestudeerd, had gesolliciteerd en was meteen aangenomen. In die tijd kon dat nog. Tegenwoordig moet men eerst drie stages, twee burn-outs en een persoonlijk ontwikkeltraject doorlopen alvorens een sleutelhanger te krijgen.
Ik woonde inmiddels in een veel te groot huurhuis in een nieuwe buitenwijk waar nog niets af was. Wij waren de eerste bewoners in de straat. Er was leegte, wind en een soort planologische melancholie. De buschauffeur zette de motor uit, want het was nog te vroeg om te vertrekken. Toen viel er een stilte die ik nooit vergeten ben. Niet zomaar stilte, maar een stilte met gewicht. Een stilte die zei: welkom in Friesland.
Van kunst in Friesland wist ik vrijwel niets. Ik kende een paar namen, zoals men in verre landen ook slechts enkele hoofdsteden kent. Aan gene zijde van de Afsluitdijk leefde in Amsterdam het idee dat Friesland vooral bestond uit koeien, kaatsen en een taal die men sprak alsof men voortdurend een geheim deelde. Maar juist in de jaren zeventig trokken kunstenaars massaal naar het noorden. Friesland was hot, al gebruikte men dat woord toen nog zonder ironie.
Zij kwamen uit de Randstad, uit Duitsland, uit overal. Ze streken neer in gammele huisjes aan de Oudebildtdijk, in Pingjum, Hogebeintum, Hallum en andere plaatsnamen die klonken alsof ze door dichters waren verzonnen. Ze zochten ruimte, stilte, goedkope huizen en een horizon die nog niet was dichtgetimmerd door beleid. Ze wilden weg uit de stad, waar cultuur zich inmiddels als een verkeersopstopping begon te gedragen.
Friesland zelf zat niet per se op hen te wachten. De nieuwkomers hadden vaak baarden, meningen en waren goed in subsidieaanvragen. Ze wisten alles beter en zaten binnen de kortste keren in commissies. Dat is een talent dat men niet op academies leert, maar dat sommige mensen van nature bezitten.
Toch brachten zij iets mee: energie, bravoure en experiment. Grafici, schilders, beeldhouwers, conceptuelen, romantici, theoretici en praktische fantasten. Een wonderlijk allegaartje van excentrieke zonderlingen en eigenzinnige avonturiers. Achteraf bezien vormden zij misschien wel de ware export van de Randstad: mensen die de Randstad niet meer uithielden.
Velen kwamen ook in het voetspoor van Gerard Reve, die zich eerder in Greonterp had gevestigd. Reve had ontdekt wat later duizenden stedelingen zouden ontdekken: dat stilte uitstekend werkt zolang zij geleverd wordt met voldoende ironische distantie. Friesland bood gras, ruimte en een zekere onaangeraaktheid. Het gras was hier niet zomaar gras. Het was metafysisch gras. Sommige kunstenaars schilderden het sprietje voor sprietje, alsof zij het land zelf wilden ontcijferen.
Er hing in die jaren een mythe in de lucht: dat hier nog iets authentieks te vinden was. Een oorsprong. Een eenvoud. Een mens die nog niet verpest was door marketing. Dat bleek overdreven, maar zulke misverstanden zijn vaak productief.
De eerste tijd was een crime. Ik werd meerde keren depressief, raakte maandenlang uit de roulatie en wilde het liefst op mijn knieën terugkruipen naar waar ik vandaan kwam. Maar ik bleef. Dertig jaar lang werkte ik uiteindelijk in die merkwaardige biotoop van kunst, instellingen, idealen, vergaderingen en gekrenkte ego’s. Wie denkt dat de kunstwereld een verheven domein is, heeft nog nooit een subsidievergadering overleefd.
Toch gebeurde er van alles. Er werd gewerkt, gedacht, overlegd en natuurlijk geruzied, zoals het een levende sector betaamt. Reorganisaties volgden elkaar op – haast met de regelmaat van de seizoenen. De instelling wisselde zo vaak van naam dat je soms vermoedde dat zij zichzelf steeds opnieuw probeerde uit te vinden. Directeuren kwamen binnen met grootse visies en vertrokken weer met verhuisdozen.
Ook ik solliciteerde wel eens op deze vacature van directeur, met goede moed en zonder resultaat. Maar ik werkte er inmiddels al zo lang dat menigeen dacht dat ik zelf directeur was. Ik werd ook wel ‘een vrije ondernemer in loondienst’ genoemd. Hoe het ook zij, ook al mijn pogingen om elders onderdak te vinden liepen al even vruchteloos af. Maar wat bleef, ondanks alles, was de kunst. En vooral: de kunstenaars.
Mijn verhouding tot Friesland bleef onderwijl wat tweeslachtig. Wiebe Penewaard vatte dat goed samen in een interview in de Leeuwarder Courant in 2002.
En eerlijk gezegd heb ik mij zelf ook niet altijd als toonbeeld van beschaving gedragen. Zodra er ergens een conflict opdook, voelde ik zelden de behoefte om mij neutraal op te stellen. Integendeel: ik had een feilloos instinct om precies daar te gaan staan waar het al rommelde. Sommige mensen vermijden ruzie alsof het tocht is; ik beschouwde het eerder als een uitnodiging tot deelname. In 1993 had Pieter de Groot mij in de LC al eens “Een kunstrat in een blinde steeg” genoemd. LC-journalisten waren ook niet altijd even fijnzinnig in hun woordkeus, al klonk het in het Fries wat fraaier.
Met de komst van het internet vielen bovendien ineens allerlei barrières weg: afstand, terughoudendheid, fatsoenlijke aarzeling, de tijd die nodig is om eerst nog eens na te denken. Wat vroeger beperkt bleef tot de wandelgangen, de borreltafel of een wat pissig ingezonden stuk, kon nu ogenblikkelijk de wereld in worden geslingerd. Een zegen voor de vrije meningsuiting, althans in theorie.
Voor Sietze de Vries van de Leeuwarder Courant werd dat in 2005 kennelijk iets te veel van het goede. Hij zag vermoedelijk met lede ogen aan hoe ik mij dankzij het digitale tijdperk ontwikkelde van een lokaal lastpak tot iemand met onbeperkt bereik.
Overigens was 2005 toch al een roerig jaar — of preciezer gezegd: een volstrekt K.U.T.-jaar. Op de voorpagina van de LC schreef ik een referendum uit over de vraag of het K.U.T.-billboard van Alfred H. Stucki bij de Infirmerie – dat op last van mijn directeur verwijderd was – alsnog mocht hangen. Democratie op haar zuiverst: het volk mocht zich uitspreken over een groot doek met één krachtig woord erop. Mijn gevoel voor democratie werd overigens niet gewaardeerd door mijn directeur, wat leidde tot mijn eerste schriftelijke waarschuwing.
Geert Dales zou de K.U.T.-tentoonstelling openen in De Infirmerie. Ik kende hem nog uit mijn commissie-tijd bij het Fonds BKVB, waar hij voorzitter was. Maar toen het werkelijk spannend werd, ontdekte hij vermoedelijk dringende verplichtingen elders en zegde op het laatste moment af.
De bevolking liet zich minder kennen en sprak zich duidelijk uit: een ruime meerderheid wilde dat het doek gewoon hing. Toen ik Dales dat meldde, adviseerde hij staatsrechtelijk scherpzinnig dat Stucki maar een vergunning moest aanvragen. Zo kwam het K.U.T.-billboard er uiteindelijk toch terug, zij het met enige moeite omhoog.
Op 4 november 2004 – 2 dagen na de moord op Van Gogh – had ik nog een uitgebreid gesprek met Dales, dat als interview later dat jaar verscheen in De Moanne. Na de moord op Van Gogh ging er een andere wind waaien, ook in Friesland. Mensen werden steeds correcter, en een scherpe mening werd een zeldzaamheid. Het was een ontwikkeling waar ik niet blij van werd, en dat liet ik ook weten, zoals in 2007 in een openbare discussie tijdens het Bevrijdingsfestival.
De moord op Theo van Gogh heeft destijds mijn denken veranderd. Een proces van radicalisering kun je dit niet noemen, maar ik had daar wel iets van opgestoken. In een artikel in de Moanne verwoordde ik het als volgt:
Hoe word ik een grijze muis? Les één, neem de kleur van je omgeving aan. Die kleur is een onbestemde, vaal grijze tint, die als een grauwsluier over het culturele leven van de Friese hoofdstad hangt. Dit klinkt misschien wat overdreven, maar voor wie die grijstint eenmaal heeft gezien, verliest deze zintuiglijke gewaarwording veel van zijn beklemmend effect en verandert stilaan in het natuurlijke decor, waarin de muis zich optimaal kan verschansen.
Jaren later koos ik voor een artistiek-politieke interventie — ditmaal niet met doek en touw, maar met een waterpistool. Tijdens een debat in Leeuwarden besloot ik de internationale persvrijheid te verdedigen met dit wapen van de lafhartigen. Doelwit was CH2018-directeur Tjeerd van Bekkum, die liever cultureel neutraal bleef over de moord op een Maltese journaliste. Ik noemde het ludiek protest, maar filosoof Afshin Ellian zag er vooral “straattuig” in. Volgens hem had ik beter een tekening kunnen maken, een lied kunnen zingen of een revolutie op Twitter kunnen beginnen – kortom: alles, behalve iemand natspuiten.
Eerder al, in 2008, zat mijn werkzame leven er op. In april van dat jaar opende in het Fries Museum de tentoonstelling De Kleur van Friesland, gebaseerd op een boek waar ik een jaar aan had gewerkt. Dat jaar was mede mogelijk gemaakt door een onhoudbare werksfeer. Soms is een conflict de beste mecenas. Ik had al twee schriftelijke waarschuwingen op zak; een derde zou ontslag betekenen. In plaats daarvan schreef ik een boek, waarvoor ik alle ruimte kreeg om thuis te werken. Ook dat is een vorm van arbeidsbemiddeling.
Daarmee trad ook een wonderlijk mechanisme in werking. Je wint uiteindelijk onverwacht de hoofdprijs doordat je een conflict bent aangegaan, waardoor je ogenschijnlijk alles verstierd leek te hebben. Dat mechanisme heb ik in Friesland leren kennen. Je lijkt een outcast te worden, maar op den duur eet men uit je hand. Soms word je uiteindelijk zelfs gelauwerd. Je zou dit mechanisme kunnen benoemen als: “De zegeningen van een dwarsknuppel”.
Maar terug naar die tentoonstelling in het Fries Museum. De opening werd een reünie. Kunstenaars die elkaar jaren niet gezien hadden, troffen elkaar tussen hun eigen werk en dat van oude rivalen. Josse de Haan hield een prachtig verhaal. En verder waren er bloemen, televisiecamera’s en bestuurders die eruitzagen alsof zij een incident verwachtten. Mijn directeur was afwezig wegens ‘griep’, een ziekte die zich opvallend vaak aandient op symbolische momenten. Zelf hield ik het kort. Dat is altijd verstandig wanneer anderen hopen op een schandaal.
Sommigen deden alsof ik niet gewoon vertrok, maar meteen ook het tijdelijke voor het eeuwige verruilde. Ik liep rond met het curieuze gevoel aanwezig te zijn op mijn eigen begrafenis: zonder kist weliswaar, maar verder was de sfeer compleet. Het blijft een wonderlijk verschijnsel dat mensen je vaak pas volop gaan waarderen zodra ze vermoeden dat je definitief uit beeld verdwijnt.
Mocht het ooit nog eens tot een echte uitvaart komen, dan graag eenvoudig: een grenenhouten kist, liefst in besloten kring en vooral geen toespraken van mensen die je ineens altijd al bewonderd blijken hebben, maar toch ook begrip hebben voor het feit dat het in je leven nooit echt wat geworden is. En vooral veel stilte, er is tijdens mijn leven al meer dan genoeg geluid geproduceerd.
Onlangs vroeg ik aan AI om een samenvatting van dat boek De kleur van Friesland te maken. Tot mijn verbazing begreep het apparaat de strekking beter dan sommige recensenten destijds. Het schreef dat “de kleur van Friesland” niet werkelijk bestaat, maar een projectie is: een veranderlijke mythe, telkens opnieuw uitgevonden door wie ernaar zoekt. Ik kon daar moeilijk tegenin gaan, want dat had ik zelf ook beweerd, zij het in aanzienlijk meer woorden.
Dat was misschien altijd de kern van het verhaal. Niet dat Friesland een essentie heeft, maar dat men blijft verlangen dat die er is. Niet dat er een typisch Friese kunst bestaat, maar dat men hardnekkig blijft zoeken naar kenmerken, eigenschappen, een ziel met een eigen taal. Men wil kleur bekennen waar vooral licht en lucht zijn.
Juist daarin school de vrijheid. De open horizon, de leegte en het ontbreken van vanzelfsprekendheden: ze dwongen je een eigen weg te zoeken. Geen centrum dat dicteerde wat belangrijk was. Geen mode die onmiddellijk verplichtte. En vooral, je kon mislukken in alle rust. Tijdenlang depressief zijn, en toch weer overeind klauteren. Ook dat is een onderschat privilege dat Friesland te bieden heeft.
Daarom hoorde ik destijds op de Afsluitdijk ook precies het juiste lied. You can go your own way. Ik dacht toen dat het over verhuizen ging, over afstand, over een nieuwe baan en drie zwijgende katten. Nu begrijp ik dat het ook ging over iets anders: over een leven zonder routekaart, werken zonder garantie en je thuis voelen op een plek die nooit helemaal de jouwe wordt. En eerlijk gezegd is dat misschien de beste definitie van vrijheid die ik ken.
En voor de echte liefhebbers….






