Gerard Reve, Friesland & de Friese taal 

Op 8 april j.l. was het twintig jaar geleden dat Gerard Reve op 82-jarige leeftijd in een Belgisch verpleeghuis overleed. In die tijd mocht ik meewerken aan een driedelige documentaire die door Gryt van Duinen werd samengesteld voor Omrop Fryslân. ‘Meelezer’, zo werd ik genoemd in de aftiteling. Gryt had mij gevraagd om in de boeken van Reve passages te verzamelen die van pas zouden kunnen komen in haar documentaire-reeks. Zo werd ik gedwongen het oeuvre van Reve te herlezen vanuit de blik van een documentairemaker. Twee jaar daarvoor had ik samen met Gryt een plan ontwikkeld voor een het Frysk Festival van 2005 dat nooit is doorgegaan. ‘Reve yn Fryslân’, zo heette dat project. Voor dat doel was ik in april 2004 samen met haa nog op bezoek geweest bij Antoine Bodar, in zijn woning in de Kerkstraat in Amsterdam . Bodar was nauw bevriend geweest met Reve.

Bodar zou ook geïnterviewd worden bij de Reve-herdenking op 14 december 2006 in de Sint Vituskerk in Blauwhuis, maar omdat hij verhinderd was, moest ik op het laatste moment invallen en werd ik geïnterviewd door Geart de Vries. De was kerk stampvol. Bijna vierhonderd belangstellenden waren op deze bijeenkomst afgekomen. Niet alleen Willem Bruno van Albada en Henk van Manen gaven acte de présence, maar ook tal van Friese dichters en schrijvers. Ook Wim Hazeu haalde bij die gelegenheid herinneringen op

Bij het begin van deze herdenking werd op een groot scherm de scène vertoond, waarop het muziekkorps de Allerheiligste Hartkerk binnentreedt en de hymne Nader tot U ten gehore brengt. Even later trad het korps Eengezindheid uit Tjerkwerd de kerk in Blauwhuis binnen. Heden en verleden vloeiden naadloos in elkaar over. ‘Gerard is hier met ons het gelukkigst geweest,’ verklaarde Teigetje na afloop tegenover Karen van Santen van de Leeuwarder Courant:  ‘Het zou me niet verbazen als Gerard is gestorven met zijn geest in Greonterp.’ Een en ander had tot gevolg dat ik in de jaren daarop druk met Reve in de weer ben geweest, wat uiteindelijk leidde tot mijn boek Modernisme in Lourdes, Gerard Reve en de secularisering, dat ik in december 2013 mocht aanbieden aan Bram Peper, wederom bij een Reve-herdenking in de Sint Vituskerk in Blauwhuis.

Afkeer van de Friese nuchterheid

Reve was een Amsterdammer die zonder veel voorkennis in Friesland was beland. De cultuurshock die dat met zich meebracht, is mij niet helemaal vreemd. Zes jaar nadat hij uit deze contreien vertrok, belandde ik hier zelf, terwijl ik geboren en getogen ben op een steenworp afstand van het Betondorp waar hij is opgegroeid. Reve’s verhouding tot Friesland en tot de Friese taal was ook nooit eenvoudig. Dat hij tussen 1964 en 1971 in Greonterp woonde, lijkt op het eerste gezicht een episode van rust en afzondering: een schrijver die zich terugtrekt in een uithoek van het land om te werken, te schrijven en uiteindelijk ook te bidden. Maar juist in Friesland kwamen de spanningen aan het licht die Reve’s schrijverschap en zijn bestaan structureerden. Hier botsten taal en stilte, mystiek en nuchterheid, verlangen naar God en angst voor de leegte. De Friese volksaard speelde daarin een marginale rol, maar fungeerde wel als een spiegel waarin Reve iets zag wat hij niet verdragen kon.

Dat blijkt al uit zijn vaak geciteerde uitspraak uit 1969, waarin hij de Friezen alle goeds gunt, maar zegt niet tegen hun nuchterheid te kunnen, omdat die het demonische en de schaduwzijde van het bestaan zou ontkennen. Het demonische was voor Reve geen bijkomstigheid, maar een bestaansvoorwaarde. Zoals Slauerhoff werd gekweld door de rusteloze zwerversgeest, zo zocht Reve zijn geluk altijd elders dan waar hij zich bevond. Voor Slauerhoff bleef Friesland een zwakke plek, een bron van melancholie; voor Reve verloor het die aantrekkingskracht zodra het geen projectiemogelijkheden meer bood voor zijn innerlijke strijd. Friesland confronteerde hem niet met het verscheurde, maar juist met een wereld die zich leek te schikken in orde, regelmaat en mienskip.  Reve zocht altijd naar de  waanzin die zich schuilhoudt onder het alledaagse, maar wat moet je daarmee in een land waar voor velen als levensmotto geldt: doe maar gewoon dan doe je gek genoeg.

Zijn vlucht uit de grote stand moet worden begrepen tegen de achtergrond van een bredere cultuurkritiek. In het interbellum was al een verband gelegd tussen verstedelijking en goddeloosheid. Jung sprak van atheïsme als de ziekte van de grote stad, een gedachte die Reve gretig overnam. Amsterdam stond voor hem gelijk aan doorgeschoten secularisering, ontworteling en geestelijke leegte. Friesland leek in dit opzicht een toevluchtsoord, een plek waar de cyclische tijd van het agrarische leven nog standhield, waar dagen en seizoenen elkaar herhaalden in een orde die ouder was dan de moderne kloktijd. De Friese zegswijze “de tiid hâldt gjin skoft” benoemt die Friese tijdservaring op eigen wijze: de tijd staat ook hier nooit stil, maar keert wel steeds terug, onverbiddelijk en zonder belofte van verlossing.

Juist die tijdservaring was voor Reve ambivalent. In zijn Friese gedichten en brieven registreert hij genadeloos het licht, de ruimte en de trage beweging van de dag. In het gedicht ‘Friesland’ straalt over het land een “onmeetlijk, ongeschapen Licht”, terwijl de ganzen door de dunne lucht schuiven. Maar onder die schoonheid ligt ook een dreiging: de tijd kruipt onontkoombaar voort naar het einde. Het is nooit vijf voor twaalf, maar voor altijd één minuut voor drie. De stilstand waarop hij hoopte – “Als er een God bestond, zou Hij de dood van de dood zijn” – blijft uit. Ook ’s nachts staat de tijd niet stil, zeker niet wanneer hij wakker ligt en de klok halfvier aanwijst: “De dag verheft zich, en ik zie Uw gruwelijke Majesteit.”

In Friesland zocht Reve stilte, weg van het rumoer van de stad. Die stilte maakte echter niet alleen gebed mogelijk, maar soms ook een panische angst. In brieven uit Greonterp beschrijft hij momenten van overweldigende leegte, waarin de ruimte zelf bedreigend werd. Tegelijk waren het juist deze ervaringen die leidden tot zijn intense godservaringen. In de “suizende stilte” van een dakkamertje voelde hij zich ineens opgetild en meegevoerd, zonder vrees. Hier, in dit kale landschap, voltrok zich ook zijn bekering. God openbaarde zich niet in woorden, maar in weidsheid, in licht, in een schoonheid die elke beschrijving te boven ging.

Voor Reve waren huis, ziel en taal nauw met elkaar verbonden. Het huis waarin hij woonde was een symbool van de ziel; de taal was dat evenzeer. De gevelstenen die hij aanbracht op Huize Het Gras waren geen zuivere decoratie, maar rituele tekens. “Pati et contemni” – lijden en veracht worden – verbond zijn bestaan met een mystieke traditie die terugging op Johannes van het Kruis. Toevallig viel Reve’s verjaardag – 14 december – samen met de feestdag van Johannes van het Kruis, de mysticus van de donkere nacht van de ziel.

Taal speelde in dit alles een paradoxale rol. Voor Reve was taal nooit vanzelfsprekend. Zij kon een een bezwering zijn en tegelijk een tekort, extase en leegte. Schrijven was voor hem zoiets als een magische handeling: iets van de geest wordt naar buiten geworpen, de wereld wordt met woorden bezworen. Maar God, het hoogste woord, blijft onbenaderbaar. Ook in de mystieke trance, op een Friese zolderkamer, ontsnapte God uiteindelijk aan de taal. De mystieke eenwording is niet in woorden te vatten. Juist daarom werd de taal bij Reve zoiets als een vorm van liturgie, maar tegelijk ook theater, ironie en overdaad. Zijn Nederlands is barok, archaïsch en sacraal tegelijk. Kortom, alles behalve Fries. 

De Friese taal als keelziekte 

Tegen die achtergrond wordt zijn problematische verhouding tot het Fries wellicht wat meer begrijpelijk. Het Fries was geen artificiële constructie, geen liturgische taal, maar een levende omgangstaal, verbonden met de grond, het lichaam en de mienskip. Waar Reve taal tot performance maakte, leek het Fries zijn weg te vinden in vanzelfsprekendheid. Dat maakte het voor hem een beetje verdacht. De Friese taal confronteerde hem met een continuïteit die hij zelf had verloren of opgegeven. Voor een Fries is de taal het huis van de ziel. Reve zocht een huis voor zijn ziel, maar vond dat zeker niet in het Fries. 

Het Fries, met zijn eigenzinnige verhouding tussen klank en betekenis, moet in Reves gehoor hebben geklonken als iets fundamenteel anders, bijna exotisch. Het openbaarde zich aan hem als een gevoelstaal waarin emoties niet via ironische omwegen of semantische gelaagdheid worden overgebracht, maar rechtstreeks in klank, ritme en subtiele fonetische verschuivingen. In zo’n taal wordt weinig verhuld; zij zegt wat zij zegt, en zegt het hardop. Juist die onmiddellijke emotionaliteit botste vermoedelijk met Reves schrijverschap, dat drijft op afstand, omkering en het zorgvuldig gecultiveerde spel tussen ernst en spot. Ironie, en zeker de groteske vormen van overstatement waarin Reve zijn theologische en existentiële obsessies uitvergrootte, vragen om een taal die zichzelf kan wantrouwen en parodiëren. Zo bezien bleef het Het voor hem te zeer verbonden met klank en affect om zich ooit tot drager van dat dubbelzinnige spel te laten maken.

Aanvankelijk kon hij zich in deze contreien nog thuisvoelen. In Greonterp was God nog niet verdwenen. Reve observeerde het avondgebed van zijn buurvrouw, knielend bij de stoel, en sprak met Bibeb over de lieve mensen van het dorp. Maar naarmate de jaren zestig ten einde liepen, veranderde de stemming. Bewondering en overgave sloegen om in een kater. Het Koninkrijk Gods dat even in aantocht leek, verdween weer snel achter de weidse horizon. De katholieke gemeenschap seculariseerde ook hier, de symbolen werden leeg,. Die irritatie vond in zijn beleving ook zijn belichaming in de taal. De Friese taal werd letterlijk een “keelziekte”, zoals hij het noemde. 

‘En ze krijsen zo verschrikkelijk, de Friezen,’ schreef hij 27 januari 1970 aan Sijtsma. Het openbaar vervoer werd steeds minder en de open ruimte die eerst aanleiding was tot mystieke ervaringen, ervoer hij nu als een beklemming. Er is geen boom geen bossage, geen laan, niets, dat veiligheid biedt.’ (Brieven aan Josine M., 5 februari 1971). Overal kwam je elkaar tegen en iedereen moest je groeten, terwijl je niemand iets persoonlijks of oorspronkelijks hoorde zeggen. De stilte was opeens weg. Alleen de knalpot van een opgevoerde bromfietsmotor deed hem nog aan het visioen van Jeremia denken. Agnus Dei, qui tollis peccata mundi, dona nobis silentium. 

Terugkijkend vanuit Veenendaal schreef hij op 1 januari 1972 aan Bernard Sijtsma: ‘Weet je dat we in Friesland eigenlijk nooit met iemand echt intiem zijn geworden? Gesprekken over God en de Kunst, daar verlang ik erg naar.’ Het Friesland, dat hij had opgezocht voor de stilte en de ruimte, had hij nu ver achter zich gelaten. De bekering sloeg om in een tegenbekering. Tegen de tijdgeest in had Reve zich tot God gekeerd, maar nu keerde de tijdgeest zich om.

Reve projecteerde uiteindelijk ook hier al het kwaad op zijn directe omgeving. Eerst was het de grote stad, later ook het seculariserende Friesland. Uiteindelijk vond hij in de Franse campagne wat hij in Friesland niet meer kon vinden: een premoderne omgang met dood, ritueel en tijd. Daar wisten boeren nog wat  Allerzielen betekende, en Parijs was nog altijd “Babylon, de grote hoer”. Friesland was toen al lang een gepasseerd station.

Toch blijft de Friese episode cruciaal voor het begrip van Reve. In die eerste koude winterdagen van 1966 schreef hij zijn korte lofzang “God in Friesland”, waarin gewone Friese namen worden opgenomen in een liturgische formule. Het is een moment van verzoening, bijna van dankbaarheid. Maar het is ook veelzeggend dat dit gedicht uiteindelijk niet werd opgenomen in Nader tot U. Het bleef een randtekst, een herinnering aan een mogelijkheid die niet kon worden vastgehouden.

Zo bezien zegt Reve’s problematische verhouding tot de Friese taal uiteindelijk minder over Friesland dan over de historische situatie waarin hij schreef. In een cultuur waarin de band tussen taal, geloof en gemeenschap is doorgesneden, wordt elke levende taal een probleem. Het Fries hield iets vast wat Reve al had opgegeven: een vanzelfsprekendheid van spreken en zwijgen. En juist daarom kon hij het uiteindelijk niet verdragen. De Friese taal bleef voor hem hoorbaar, maar niet bewoonbaar, een vreemde nabijheid die herinnerde aan een thuis dat niet meer bestond.

Reve en Sneek

‘Laatst nam ik deel aan een of ander mal forum, in Sneek, je weet wel, over literatuur, moraal en religie. Na afloop gingen we nazitten bij de dominee, in een riant huis; met een man of vijfendertig, veertig, verdeeld over twee zeer grote kamers. Toen ik mij van de ene kamer naar de andere begaf om mijn tonic bij te schenken, en daar, al babbelend, even bleef zitten, kwamen van lieverlede de mensen uit de kamer waar ik eerst was achter mij aan, om geleidelijk opnieuw een kring om mij heen te vormen. Zoiets maakt mij bang. Ik dacht: er komt gauw oorlog. Het zou mij niet eens verbaasd hebben, als ze met hardnekkige zweren of slecht helende wonden bij me gekomen waren om ze te laten belezen.’

Gerard Reve schreef dit op 25 november 1966 aan C.J.B.J. Trimbos. Het forum waar hij op doelt vond plaats op 18 november van dat jaar, in Sneek, in De Meerpaal. Een interkerkelijke werkgroep had het georganiseerd. Fedde Schurer had geweigerd om eraan deel te nemen, een detail dat in de biografie van Fedde Schurer, die Johanneke Liemburg schreef, onbesproken blijft, terwijl het conflict tussen Reve en Schurer daar überhaupt nogal schraal in voorkomt. Dat is opmerkelijk, want Pieter de Groot had in 1999 in de Leeuwarder Courant uitvoerig beschreven hoe het er destijds in Sneek aan toe was gegaan. 

Ook Hendrik Algra was uitgenodigd, maar weigerde, evenals Jacob Noordmans, net benoemd tot hoofdredacteur van dezelfde krant. In het forum zaten onder anderen Douwe Tamminga, Ger Jonkmans en Klaas de Wit. Volgens Tamminga ontaardde de discussie in chaos, al valt dat uit het verslag van de Leeuwarder Courant niet direct op te maken. Feit is dat Reve zich na afloop ongemakkelijk voelde. Hij had in die tijd vaker last van angstaanvallen.

Wat had Reve eigenlijk met Sneek? Misschien de kinderrijke, katholieke familie Silvius, die in Sneek in hoog aanzien stond. Nico Silvius had een radiozaak aan het Grootzand, nummer 34 . Yke Silvius uit Woudsend — niet Sneek — zou, als we Nop Maas mogen geloven, de inspiratiebron zijn geweest voor de Jongen die ik eenzaam zag te Woudsend en daarna, / nog op dezelfde dag, in een kafee te Heeg. Maar Sneek was de plek waar dit alles samenkwam. 

Reve kwam er vaker.  Voor het ziekenhuis bijvoorbeeld.  Voor Teigetje, die in de nacht van 11 op 12 februari 1965 met spoed naar de eerste hulp van het Antonius-ziekenhuis moest wegens een acute aanval van angina, nadat de huisartsen in Blauwhuis en Folsgeare niet thuis hadden gegeven. Hij schreef erover in Brief in de Nacht geschreven, opgenomen in Nader tot U. Op zomermiddagen deed hij boodschappen bij Simon de Wit. In 1971 gaf hij opnieuw een lezing in De Meerpaal, ditmaal over Vier Pleidooien. Dat jaar haalde hij zijn rijbewijs in Sneek. Hij had zich eindelijk laten overschrijven in het bevolkingsregister als inwoner van Greonterp; anders had hij zijn rijexamen in Amsterdam moeten doen. Zo werd Reve, heel even, een echte Fries. Was dat eerder gebeurd, dan had het Ezelproces in Leeuwarden plaatsgevonden en niet in Amsterdam.

Sneek was verkeersluw genoeg om eindelijk te slagen voor zijn rij-examen waarvoor hij twee keer eerder was gezakt. In Sneek woonde ook Anne Wadman, lid van de jury die Reve in 1968 de P.C. Hooftprijs toekende. Het moet in de jaren zestig een wat suffig plaatsje zijn geweest, ook al stond het op de nominatie om een ‘magisch centrum’ te worden voor de Provobeweging, een besluit van het Provo-concilie in Borgharen in 1967, waarvan niemand meer weet wie het ooit heeft bedacht. Sneek leefde van de watersport. Ikzelf logeerde er in de zomer van 1969 op een camping in een parkje rond een vijver, niet ver van het centrum, dat toen geheel vergeven was van Sneekweek-toeristen. In zo’n stad wil je niet dood gevonden worden. 

O dood die waarheid zijt .. . Maar wat had Reve in godsnaam met Sneek? Ik vrees hetzelfde wat Friesland uiteindelijk voor hem worden zou: een land waar men te dichtbij kwam, te goed luisterde, en waar hij uiteindelijk wist dat hij hier voorgoed moest verdwijnen.

Tot slot

De Friese taal bleef voor Reve een onbewoonbare nabijheid; iets vergelijkbaars geldt, merkwaardig genoeg, voor de manier waarop Friesland achteraf met zijn aanwezigheid is omgegaan. Wat innerlijk niet kon worden vastgehouden, werd uiterlijk nooit werkelijk gemarkeerd. Behalve een obligate poëzie-steen bij de Oldehove is er in Friesland geen Reve-monument en dat zou toch zeer op zijn plaats zijn. Zelfs in het Vlaamse Machelen heeft men het gedicht Credo op een muur laten zetten, met daarin – naar later bleek -een klein foutje. Maar dat werd later weer hersteld. Geart de Vries heeft ooit voorgesteld om in het kader van Simmer 2000 een Reve-monument op te richten naar aanleiding van het gedicht Nader tot U waar het gelijknamige boek van Reve mee eindigt. De toenmalige organisatie vond dat toen geen goed idee.

Ook het definitieve boek over de Friese jaren van Gerard Reve moet nog altijd geschreven worden. Een Friese pendant van het fraaie boek De koninklijke jaren over de Weerter periode van Reve bestaat nog steeds niet. Ook de driedelige biografie van Maas laat veel uit de Friese tijd onbesproken. Hij heeft een aantal nieuwe bronnen weten aan te boren, naast de Leeuwarder Courant, waaruit hij veelvuldig citeert. Toch liet hij ook voor hand liggend materiaal links liggen, zoals de tientallen videobanden met documentaire-materiaal die bij Omrop Fryslân liggen opgeslagen. 

Op dat provinciaal niveau wilde Maas als biograaf het leven van Reve niet beschrijven, zo liet hij na afloop weten, net zo min als veel anekdotes uit de Weerter periode niet in het boek zijn opgenomen. Al met al ontstaat zo het beeld dat de tijd in Greonterp, mede door de ongelukkige afloop van burenruzies en gemekker op de Friezen, niet echt een gelukkige tijd voor Reve is geweest. Gelukkige jaren waren het zeker niet, maar ‘bijna gelukkig’ was Reve soms wel. Juist hier en misschien wel uitsluitend in Greonterp.