Onlangs vond ik een oud dagboek terug uit het eind van de jaren zestig. Ik herlas allerlei teksten die ogenschijnlijk weinig met elkaar te maken hadden: jeugdherinneringen aan bioscopen, paters en schoolfeesten enerzijds, en filosofische beschouwingen over ideologie, waanzin en seksualiteit anderzijds. Toch bleek er een verborgen draad doorheen te lopen. Het ging telkens over dezelfde vraag: hoe wordt een mens gevormd door de instellingen die hem zeggen wie hij is, wat hij mag verlangen en waarover hij moet zwijgen?
Ik groeide op in een katholieke wereld waarin het lichaam wel aanwezig was, maar voornamelijk als probleem. Seksualiteit werd niet gezien als iets dat eenvoudigweg bij het leven hoorde, maar als een kracht die voortdurend toezicht vereiste. Je moest jezelf bewaken, je gevoelens controleren en je gedachten zuiveren. De ziel leek een kamer vol verdachte voorwerpen die voortdurend moest worden geïnspecteerd. Pas later begreep ik dat denkers als Michel Foucault precies dit mechanisme hebben beschreven: het christendom maakte van de seksualiteit niet alleen een daad, maar een waarheid over jezelf. Niet wat je deed stond centraal, maar wat je fantaseerde en begeerde. Het geweten werd zo een rechercheur.
Dat alles werd mij niet uitgelegd in filosofische termen, maar door paters jezuïeten die met grote ernst spraken over discipline, karaktervorming en zelfbeheersing. Zij leefden, althans officieel, buiten het bereik van de drift die zij bij ons probeerden te beteugelen. Hun methode kwam neer op een geestelijke fitness: weerstand bieden, volhouden, niet toegeven. Maar juist in de jaren zestig begon die aanpak iets hopeloos anachronistisch te krijgen. De wereld stroomde vol beelden. De bioscoop, tijdschriften, affiches, liedjes: alles wekte nieuwsgierigheid op die geen catechismus meer kon indammen.
Voor mijn generatie was de bioscoopzaal een soort parallel seminarie, maar dan van een heel andere orde. Daar werd geen zondeleer onderwezen, maar verlangen. Films waren streng gekeurd. Je had categorieën voor leeftijden, scènes werden weggeknipt en affiches soms half afgedekt. De ironie daarvan ontging ons niet: wat men wilde verbergen, werd juist onweerstaanbaar. Een afgedekt decolleté werkte sterker dan volledige openbaarheid. De fantasie floreert bij censuur. Alles wat niet getoond mocht worden, groeide in het hoofd uit tot mythische proporties.
Ik herinner mij hoe belangrijk verjaardagen waren waarop je eindelijk toegang kreeg tot een nieuwe filmcategorie. Veertien worden betekende niet alleen ouder worden, maar een nieuwe wereld binnengaan. Achttien worden was bijna een sacrament. De verboden films waren vaak spannender dan de films die je daadwerkelijk zag. Soms bestonden ze voor mij alleen als geruchten, flarden van trailers. Juist die trailers maakten de meeste indruk: korte, suggestieve beelden uit een universum dat nog niet voor mij bestemd was. Een strandscène, een blik, een lach of een silhouet. Meer was niet nodig. De rest deed de verbeelding.
Zo ontstond een wonderlijke spanning tussen de katholieke moraal en de moderne beeldcultuur. Overdag hoorde ik dat kuisheid een deugd was; ’s avonds staarde ik in gedachten naar een scherm waarop de vrouw verscheen als een openbaring. Niet toevallig associeer ik die jaren met Franse namen, chansons en een sfeer van melancholieke elegantie. Frankrijk stond voor iets wat in mijn omgeving ontbrak: lichtzinnigheid zonder platheid, sensualiteit met stijl, sentiment zonder schaamte. Op school leerden wij grammatica en vervoegingen, maar tussen de regels door leerde ik vooral dat taal ook een toegangspoort kon zijn tot een andere manier van leven.
Het Franse chanson hoorde bij zwarte coltruien, sigarettenrook, druipkaarsen en de vage overtuiging dat het leven ergens anders echter werd geleefd dan in het Amsterdam-Zuid waar ik op school zat. Ik verstond lang niet alles, maar juist dat maakte het extra aantrekkelijk. Onbegrip is soms de mooiste vorm van verlangen. De teksten klonken als boodschappen uit een beschaving waar men wist hoe je lief moest hebben, moest lijden en als het moest met waardigheid en elegantie ten onder kon gaan.
Tegelijkertijd begon ik meisjes te ontmoeten, aanvankelijk in zorgvuldig georganiseerde omstandigheden. Gemengde klassenfeesten, danslessen, en beleefde kennismakingen onder het wakend oog van volwassenen. Alles was geregisseerd, alsof spontaniteit alleen in gecontroleerde doses mocht voorkomen. Ik herinner me mijn stunteligheid, de ernstige gesprekken, of het ontbreken van een kus op het juiste moment. De liefde diende zich aan in formats die even strak waren als de schoolregels. Pas later kwam de popmuziek, de lossere omgangsvormen en daarmee de eerste barsten in dat systeem van macht en toezicht.
Zo herinner ik mij de ‘klassenfuif’ waarvoor ik voor het eerst een meisje moest uitnodigen. Zonder meisje kwam je er eenvoudigweg niet in. Ik moest dus wel. Dagenlang liep ik rond alsof ik voor een diplomatieke missie stond. Mijn keuze had ik intussen al gemaakt. Het was een meisje bij mij uit de buurt, wonend in de Balistraat in Amsterdam-Oost, met de veelbelovende achternaam Vonk. Zij zat, evenals ik, op dansles bij James Meijer aan de Apollolaan, een keurige dansschool waar je leerde hoe je op ritmisch correcte wijze diende voort te bewegen op een spiegelgladde parketvloer.
Ik kan me nog goed herinneren dat mijn klasgenoot Jaap de Hoop Scheffer, die destijds nogal klein van stuk was, zijn dansdame, die een kop groter was, compleet vloerde zodat zij tot grote hilariteit onder alle aanwezigen languit met de benen wijd en open petticoat tegen de muur belandde.
Uiteindelijk heb ik de stoute schoenen aangetrokken en mijn beoogde partner voor de klassenfuif gevraagd, direct nadat wij samen de samba hadden gedanst. Maar elk woord waarmee ik mijn verzoek formuleerde, klonk hol en ingestudeerd. Het was alsof ik meespeelde in een film waarvan ik het scenario niet kende en waarin ik bovendien verkeerd gecast was.
Om te laten zien dat het mij ernst was, nodigde ik haar eerst uit om samen naar een toneelstuk in de Stadsschouwburg te gaan, een stuk van Gogol, gespeeld door Henk van Hulsen: Dagboek van een gek. Na afloop hebben we heel serieus nagepraat en ik heb haar keurig naar huis gebracht, zonder een afscheidskus aan de deur natuurlijk. Daarvoor was het nog veel te vroeg. Later nodigde ze me nog uit voor een verjaardagsfeestje, en zo leerde ik haar familie kennen. Haar oudere broer zat bij het toneel, als regisseur.
Overigens werd die eerste gemengde klassenfuif een crime. Vooral het converseren liet te wensen over. Ik vroeg mij serieus af of daar geen cursussen voor bestonden: Hoe praat ik met een meisje? Bij mijn zwager had ik eens een boek in de kast zien staan, De kunst om een meisje te trouwen, met op het omslag die beroemde foto van Robert Doisneau waarop een jongeman in het voorbijgaan een vrouw op straat kust. Daar stonden vast hele praktische tips in. En anders moest ik toch maar eens wat meer naar de bioscoop, want zo ging het niet langer.
Wanneer ik nu terugdenk aan die schooltijd bij de jezuïeten, voel ik geen rancune maar verbazing. Ze wisten veel: over God, logica, klassieke talen en de wereldgeschiedenis. Maar van ontluikende seksualiteit leken zij nauwelijks iets te begrijpen. Dat proces voltrok zich elders, in stilte, in slaapkamers, in bioscopen en in heimelijke dagboeken. Het speelde zich af op een planeet waar zij geen kaarten van bezaten.
Die spanning tussen leer en leven zag ik later terug in de levens van filosofen die ik als student las. Neem Louis Althusser, hij stelde dat ons denken doordrenkt is van ideologie en dat instellingen ons vormen zonder dat wij het merken. Het gezin, de school, de kerk, de staat: zij produceren gehoorzame subjecten. Dat klonk toen revolutionair. Maar achter die theorie school een diep ontregeld leven. Althusser was psychisch kwetsbaar, worstelde met schuld, afhankelijkheid en seksualiteit, en doodde uiteindelijk zijn vrouw in een psychotische crisis.
Bij hem werd pijnlijk zichtbaar dat de abstracte theorie soms een persoonlijke oorsprong heeft. Zijn strenge katholieke jeugd, zijn problematische verhouding tot zijn lichaam en zijn latere overstap naar het communisme lijken minder een ideologische reis geweest dan een verschuiving van geloofsvormen. De oude biechtstoel werd ingeruild voor de partijleer. Maar de behoefte aan verlossing bleef.
Daarom fascineert mij ook de ontmoeting tussen Althusser en Foucault. Twee Franse denkers, beiden scherpzinnig en beschadigd, beiden gefascineerd door macht en subjectiviteit. Foucault onderzocht hoe in het christendom de seksualiteit verbonden raakte met waarheidsplicht: men moest zichzelf onderzoeken, bekennen en ontleden. Niet de relatie tot de ander stond centraal, maar de innerlijke opwinding en de misstappen in eenzaamheid. Seks werd iets dat zich vooral in het hoofd afspeelde.
Wie katholiek is opgevoed, zal dit wellicht herkennen. De grootste zonden gebeurden vaak zonder getuigen en soms zelfs zonder enige verboden handeling. Een gedachte alleen al kon een drama zijn. Teveel fantasie kon zomaar eindigen in een zondeval. ‘Masturbi et mastorbi‘, zou Gerard Reve zeggen. Hoe dan ook, de innerlijke wereld werd zwaarder belast dan de uiterlijke. Dat verklaart misschien waarom zoveel katholieken tijdens het ‘Rijke Roomse Leven’ zo preuts waren en tegelijk geobsedeerd door seks.
Later kwamen de onthullingen over misbruik in kerkelijke instellingen. Wat lang als incidenten gold, bleek een patroon in de tijd zijn. Dat was schokkend, maar ook niet geheel onbegrijpelijk. Waar natuurlijke affectie verdacht wordt gemaakt, waar vriendschap onder toezicht staat, waar vrouwen worden uitgesloten en verlangen uitsluitend als een gevaar wordt gezien, ontstaan vroeg of laat ernstige deformaties. Repressie maakt de ziel niet zuiver; zij zoekt achterdeuren voor de ontucht.
Ik zeg dit niet triomfantelijk, alsof de secularisatie inmiddels alle problemen heeft opgelost. Ook de hedendaagse wereld kent nog altijd uitbuiting en seksuele eenzaamheid. Maar zij heeft tenminste één verdienste: zij maakt zichtbaar wat vroeger in een soort heilige mist leek te verdwijnen. Wat toen in sacristieën, internaten of biechtkamers kon schuilgaan, wordt nu sneller openlijk benoemd. Maar dat is dan ook alles.
Ontsporingen als sextortion laten zien hoe de seksualiteit in onze tijd niet langer alleen een kwestie van verlangen of moraal is, maar steeds vaker een instrument van macht en manipulatie. Niet de erotiek staat centraal, maar het verdienmodel dat gebruik maakt van schaamte. Angst en reputatieschade worden ingezet als chantagemiddel. Daarmee onthult dit fenomeen ook onze groeiende afhankelijkheid van het digitale zelfbeeld. Wat vroeger door kerk, familie of gemeenschap werd bewaakt, gebeurt nu via screenshots, dreigmails en online vernedering. Seks wordt niet meer zozeer onderdrukt als wel geëxploiteerd.
Als ik nu terugkijk zie ik hoe mijn eigen jeugd zich heeft afspeeld op de grenslijn tussen twee tijdperken. Achter mij lag een gesloten katholieke cultuur van gezag en schaamte; vóór mij opende zich een wereld van popmuziek, film, experiment en individuele vrijheid. Ik stond met één voet in de Latijnse verbuigingen en met de andere in het free at last van de rock-’n-roll. Misschien verklaart dat mijn blijvende fascinatie voor de jaren zestig. Niet omdat alles toen beter was, maar omdat alles tegelijk bestond: discipline en verlangen, dogma en bevrijding, biecht en bioscoop.
Soms denk ik dat ik meer over de mens heb geleerd in een donkere filmzaal dan in een klaslokaal. Niet door wat er letterlijk op het scherm gebeurde, maar door de nieuwsgierigheid en de verboden verwachtingen. Daar begreep ik intuïtief wat filosofen later ingewikkeld formuleerden: een mens wordt niet alleen bestuurd door wetten en regels, maar ook door beelden, verlangens en vooral door alles wat hem onthouden wordt. Ik vrees dat dit nog steeds zo is. Iedere tijd heeft zijn eigen misstanden, zijn eigen censuur en vooral zijn eigen schermen van verlangen.



