Er is een hardnekkige neiging om bijgeloof weg te zetten als een restant uit een minder verlichte tijd, alsof het rationele denken ons definitief heeft losgemaakt van voortekens, intuïties en verborgen verbanden. Maar wie eerlijk naar zichzelf kijkt, merkt al snel dat die scheidslijn nooit helemaal sluitend is. Ook in een leven dat grotendeels wordt beheerst door analyse, interpretatie en scepsis blijven er momenten bestaan waarop het toeval zich anders lijkt te gedragen dan het “zou moeten”, alsof de werkelijkheid zich even laat lezen als iets met een bedoeling.
Ik betrap mezelf er geregeld op dat ik zulke momenten niet alleen registreer, maar ook onthoud. Niet als bewijs voor een bovennatuurlijke orde, eerder als een kleine verschuiving in de manier waarop de werkelijkheid zich plotseling aandient. Een onverwacht telefoontje, een plotselinge gedachte aan iemand die ik jaren niet heb gezien en die kort daarop overleden blijkt te zijn, een reeks toevalligheden die zich zo dicht rond één gebeurtenis verzamelen dat ze achteraf bijna de contouren van een patroon krijgen. Het zijn geen spectaculaire ervaringen, maar ze laten wel een residu achter, een gevoel dat zich niet volledig laat wegredeneren.
Die gevoeligheid komt vermoedelijk niet uit het niets. Mijn moeder had iets soortgelijks, al ging zij er veel vanzelfsprekender mee om dan ik. Bij haar hoorde het eenvoudigweg bij het leven. Ze kon opeens zeggen dat er “iets niet goed zat”, nog voordat daar enige zichtbare aanleiding voor bestond. Soms bleek later dat er inderdaad iets gebeurd was. Soms ook niet. Maar dat onderscheid leek voor haar minder belangrijk dan de ervaring zelf. Het gevoel had op zichzelf al een zekere geldigheid. Alsof intuïtie een vorm van weten kon zijn die zich nog niet in feiten had vertaald.
Vooral wanneer het over levensgevaar, ziekte of dood ging, leek mijn moeder over een bijna paranormale gevoeligheid te beschikken. De laatste jaren merk ik dat ik daar zelf ook enigszin mee behept ben. Ik zeg nadrukkelijk “mee behept” en niet “mee begiftigd”, want aangenaam is het niet altijd. Het gebeurt mij geregeld dat ik achteraf exact het moment van iemands overlijden kan traceren, omdat ik op datzelfde ogenblik plotseling aan die persoon moest denken, of omdat er iets merkwaardigs gebeurde dat zich achteraf met dat overlijden lijkt te verbinden. Rationalistisch beschouwd is dat waarschijnlijk niets anders dan een retrospectieve constructie van het geheugen. Maar de ervaring zelf laat zich daarmee niet volledig neutraliseren.
Juist dat dubbele perspectief blijft intrigeren. Aan de ene kant is er de behoefte om zulke ervaringen psychologisch te verklaren: als selectief geheugen, als patroonherkenning, als de menselijke neiging om betekenis te projecteren op toevallige samenlopen. Aan de andere kant blijft er een restgevoel bestaan dat zich niet helemaal gewonnen geeft aan die verklaringen. Niet omdat ik werkelijk geloof in geesten, voortekens of voorspellende gaven, maar omdat sommige ervaringen zich blijven gedragen alsof ze méér zijn dan louter toeval.
Dat spanningsveld tussen scepsis en fascinatie heeft me altijd aangetrokken. Misschien juist omdat ik van nature eerder rationalistisch ben ingesteld. Ik geloof niet dat rituelen de loop van gebeurtenissen kunnen beïnvloeden of dat bepaalde getallen ongeluk brengen. Maar ik ben wel gefascineerd door het moment waarop betekenis zich plotseling lijkt te vormen rond iets wat daar strikt genomen geen aanleiding toe geeft. Alsof de werkelijkheid soms even ophoudt volledig neutraal te zijn.
In dat opzicht blijven de grensgebieden tussen psychologie, toeval en het paranormale interessant. Niet omdat ze een verborgen wereld zouden bewijzen, maar omdat ze iets onthullen over de manier waarop bewustzijn werkt. Het begrip synchroniciteit van Carl Gustav Jung is voor mij nooit een sluitende verklaring geweest, eerder een subtiele beschrijving van dat eigenaardige ogenblik waarop twee gebeurtenissen méér met elkaar verbonden lijken dan causaliteit alleen kan verklaren. Je voelt heel even dat er een patroon ontstaat, terwijl je tegelijkertijd weet dat die ervaring misschien niets anders is dan een projectie van betekenis.
Toch is die ervaring oud en hardnekkig. Mensen hebben altijd geprobeerd zulke momenten te begrijpen. In de eerste decennia van de twintigste eeuw bijvoorbeeld waren wetenschap en occultisme nog minder streng van elkaar gescheiden dan tegenwoordig. Juist in de periode waarin de natuurkunde enorme ontdekkingen deed en traditionele opvattingen over ruimte en tijd begonnen te wankelen, ontstond ook een hernieuwde belangstelling voor esoterische theorieën over bewustzijn en tijd.
Een figuur die mij in dat verband altijd heeft gefascineerd, is John William Dunne. Tijdens de Eerste Wereldoorlog was hij hoofdofficier in het Engelse leger en bovendien ontwerper van vernieuwende oorlogsvliegtuigen. Maar naast zijn technische werk hield hij zich intensief bezig met dromen en voorspellende ervaringen. Dunne probeerde een brug te slaan tussen harde wetenschap en speculatieve ideeën over bewustzijn. Dat klinkt tegenwoordig exotisch, maar in die tijd was het minder uitzonderlijk dan wij nu geneigd zijn te denken.
Dunne raakte gefascineerd door de mogelijkheid dat dromen soms voorspellende elementen bevatten. Hij ontwikkelde uiteindelijk een theorie waarin tijd niet lineair was, maar uit meerdere lagen of dimensies bestond. Volgens hem bestaat de mens niet alleen als een wezen dat zich door de tijd beweegt, maar ook als een soort uitgebreidheid in de tijdruimte. Ons gewone bewustzijn neemt slechts een beperkt segment van die werkelijkheid waar. In dromen zouden we soms even toegang krijgen tot andere lagen van tijd, waardoor flarden van toekomstige gebeurtenissen zich kunnen vermengen met herinneringen uit het verleden en indrukken uit het heden.
Het aantrekkelijke van zulke theorieën ligt voor mij niet in hun waarheidsgehalte, maar in hun poging om taal te geven aan ervaringen die zich moeilijk laten reduceren tot mechanische causaliteit. Dromen zijn immers merkwaardige constructies: een chaotische mengeling van herinnering, verlangen, angst en associatie. Waarom zouden daar niet af en toe ook elementen tussen kunnen opduiken die pas later betekenis krijgen? Waarschijnlijk gebeurt dat voortdurend, maar vergeten we de meeste dromen onmiddellijk weer. Alleen de droom die achteraf ergens op lijkt te slaan, blijft hangen.
Dat mechanisme verklaart waarschijnlijk veel. Maar niet alles verdwijnt daarmee uit de beleving. Sommige ervaringen behouden hun vreemdheid, zelfs nadat je ze rationeel hebt ontleed. Misschien omdat de ervaring van betekenis niet hetzelfde is als de waarheid van betekenis. De mens is nu eenmaal een wezen dat voortdurend patronen zoekt. Zonder die neiging zouden we waarschijnlijk überhaupt geen coherent beeld van de werkelijkheid kunnen vormen.
Ik herinner me dat ik eind jaren zestig het boek Spiritisme van professor Wilhelm Tenhaeff las. In diezelfde tijd heb ik samen met mijn zus Cornelie zelfs geëxperimenteerd met een ouijabord. We gebruikten de letters van een scrabblespel die rondom een geïmproviseerd bord waren neergelegd, terwijl een omgekeerd glas als geleider moest dienen voor boodschappen uit het hiernamaals. Ik kan me niet herinneren dat daar ooit een werkelijk overtuigende boodschap uit voortkwam. Vermoedelijk produceerden wij vooral onze eigen onderbewuste associaties.
Toch zegt juist dat soort experimenten iets over de menselijke behoefte om contact te zoeken met wat zich buiten het zichtbare bevindt. Vooral na een verlies kan die behoefte onverwacht sterk worden. In de eerste maanden na het overlijden van mijn eerste vrouw heb ik zelfs nog even overwogen het oude scrabblespel opnieuw uit de kast te halen en contact te zoeken met gene zijde. Alleen al die gedachte vond ik tegelijk beschamend en begrijpelijk. Uiteindelijk heb ik het niet gedaan. Ik ben daarvoor toch te veel rationalist gebleven. Maar dat neemt niet weg dat er momenten zijn waarop je voelt hoe dun de scheidslijn kan worden tussen ongeloof en verlangen.
Wellicht ontstaat juist daar het echte domein van het bijgeloof: niet in vaste overtuigingen, maar in een tijdelijke opschorting van scepsis. Op momenten van verlies, angst of ontregeling wordt de werkelijkheid poreuzer. Kleine toevalligheden krijgen plotseling gewicht. Een droom, een geluid, een onverwachte herinnering — alles kan even de indruk wekken dat de werkelijkheid niet volledig gesloten is.
Tegelijk schuilt daarin ook een gevaar. Wie eenmaal begint overal verborgen verbanden te zien, kan gemakkelijk verstrikt raken in een wereld die volledig uit tekens lijkt te bestaan. Dan verandert de werkelijkheid langzaam in een code die voortdurend geïnterpreteerd moet worden. Mijn moeder bewoog dichter langs die grens dan ik. Voor haar waren zulke indrukken minder problematisch. Ze hoorden eenvoudigweg bij de manier waarop de wereld zich soms kon aandienen. Misschien zat daar minder scepsis in, maar ook minder angst om zich aan een ervaring over te geven.
Bij mij is het altijd een dubbel bewustzijn gebleven. Aan de ene kant het besef dat de wereld grotendeels functioneert volgens wetten die niets met persoonlijke betekenis van doen hebben. Aan de andere kant de ervaring dat diezelfde wereld zich soms even anders voordoet, alsof verleden, heden en toekomst kortstondig in elkaar grijpen. Vooral rond dood en herinnering lijkt de tijd soms minder lineair te worden. Alsof een gebeurtenis zich al even aankondigt voordat zij werkelijk plaatsvindt, niet objectief, maar in de manier waarop wij haar achteraf ervaren.
Later ben ik dat steeds meer gaan zien als een effect van geheugen en interpretatie. Maar verklaren is niet hetzelfde als uitwissen. Sommige ervaringen blijven bestaan als een vorm van aandacht. Niet als overtuiging, maar als een subtiele ontvankelijkheid voor het onverklaarde.
Dat is uiteindelijk wat mij het meest fascineert: niet de vraag óf er werkelijk verborgen verbanden bestaan, maar waarom de mens zo hardnekkig geneigd blijft ze te vermoeden. Zelfs in een tijd waarin alles meetbaar en verklaarbaar lijkt, blijft ergens de behoefte bestaan om te denken dat de werkelijkheid méér is dan een verzameling blinde oorzaken en gevolgen.
Daarom verdwijnen bijgeloof en paranormale intuïtie waarschijnlijk nooit helemaal. Ze veranderen alleen van gedaante. Waar vroeger geesten en voortekens werden gezien, spreken wij nu over intuïtie, synchroniciteit of onderbewuste patroonherkenning. Maar de onderliggende ervaring blijft dezelfde: het gevoel dat de werkelijkheid soms even terugkijkt, alsof zij méér bevat dan wij met ons verstand alleen kunnen bevatten.
