
“Hebt u de vertaling van Fabryk van Trinus Riemersma al gelezen?” – “Nee gelezen heb ik hem niet, verdomme, dat is een schandaal, want ik heb die hier liggen. Ik moet het eigenlijk lezen, zeker nu mijn kunstbroeder zo is aangevallen in zijn dorpje.” – “Wat was uw indruk van Riemersma?” – “Nou, ik vond hem aardig, ik vond hem erg integer, erg hartelijk. Hij is wel een beetje zwaar op de hand, dacht ik. Ik vond hem een beetje een tobber…”
Dat zei Gerard Reve in 1967 in een interview met Jaap de Boer en Hermyn Joustra voor het tijdschrift Catheder. Het zijn woorden die achteraf bezien een merkwaardige intimiteit verraden. Reve herkende in Trinus Riemersma kennelijk onmiddellijk iets van zichzelf: de melancholie, de existentiële zwaarte, het tobben op de rand van geloof en wanhoop. Niet voor niets noemde hij hem zijn “kunstbroeder”. Beide schrijvers beleefden Fresland vanuit een diep gevoel van vervreemding, alsof juist het Friese land – met zijn vlakke verten, zijn zwijgzame dorpen en zijn protestantse ernst – een geschikte voedingsbodem bood voor een gevecht met God.
Riemersma was ooit op zijn brommertje helemaal vanuit Gau naar Greonterp gereden om Reve te bezoeken in Huize Het Gras. Reve had later verteld dat hij wat “skiterich” had opengedaan, omdat de bezoeker zich niet had aangekondigd. Dat detail alleen al is veelzeggend. Achter de publieke pose van de volksschrijver school altijd een schuwe man, iemand die de wereld op afstand hield met ironie, drank en retoriek. Toch verliep de ontmoeting hartelijk. Waarschijnlijk had Riemersma een exemplaar van Fabryk bij zich, het boek dat Reve toen nog ongelezen op tafel had liggen. Misschien heeft Reve het nooit werkelijk gelezen. Maar dat doet er nauwelijks toe. Wat hij onmiddellijk herkende was de geestverwantschap: de worsteling met de God van het Friese christendom, de botsing tussen literatuur en dorpsmoraal, tussen genade en vernedering.
Want de affaire rond Riemersma speelde zich af in hetzelfde Friesland waarin Reve enkele jaren eerder zijn eigen conflicten met orthodoxe gelovigen had beleefd. Tijdens de nieuwjaarsnacht van 1967 werd het huis van Riemersma in Gau met mest besmeurd. Op het eerste gezicht leek het een dorpsgrap, zo’n ruwe oudejaarstraditie die in Friese dorpen vaker voorkwam. Maar onder de oppervlakte gistte iets anders. Riemersma was geen buitenstaander; hij was onderwijzer op de plaatselijke school, woonde er in alle rust en maakte deel uit van de gemeenschap. Toch begon men hem te zien als iemand die een grens had overschreden.
Die grens lag niet in de politiek of de moraal, maar in de taal waarmee hij over God had geschreven. In Minskrotten-Rotminsken had hij een traumatische gebeurtenis verwerkt: een meisje uit zijn klas was onder een tankwagen terechtgekomen en verongelukt. Dat ongeluk had hem existentieel geraakt. Zijn reactie was geen vrome berusting, maar een woedende aanklacht. Hij vervloekte God, dezelfde God die volgens de orthodoxe traditie almachtig en barmhartig zou zijn. Voor de omgeving was dat blasfemie. Voor Riemersma zelf was het eerder een ultieme uiting van een geloofscrisis: alleen wie ooit werkelijk in God heeft geloofd, kan Hem zo hartstochtelijk verwijten maken.
Daarin lag ook de diepe verwantschap met Reve. Want ook Reve vocht voortdurend met een God die tegelijk werd begeerd en bestreden. In zijn Friese jaren kreeg dat gevecht een bijna tastbare vorm. Het landschap van Greonterp, Blauwhuis en de omliggende dorpen werd bij hem het decor van een religieuze tragedie die tegelijk grotesk en mystiek was. Zijn beroemde “ezel-proces” draaide uiteindelijk om dezelfde vraag als die van Riemersma: mag een mens God aanspreken in de taal van de van de wanhoop, van de woede? Of moet God opgesloten blijven in de keurige taal van de catechismus?
Reve had in zijn gedicht Graf te Blauwhuis eveneens geschreven over een kind dat uit het leven was weggerukt. “Een kind nog, dag lieve jongen.” Achter die enkele woorden schuilt dezelfde ontzetting die Riemersma ervoer bij het ongeluk van zijn leerlinge. Misschien hebben zij daarover gesproken in Greonterp, twee schrijvers aan een Friese tafel, beiden gevangen tussen verlangen naar God en afschuw over Zijn afwezigheid. Want wat betekent geloof nog wanneer een kind sterft onder een tankwagen? Wat blijft er over van voorzienigheid wanneer de rampspoed zo blind en zinloos toeslaat?
In feite draaide heel het Friese literaire klimaat van de jaren zestig om die vraag. Friesland was toen nog sterk doordrongen van de protestantse moraal en het daarbij behorende gemeenschapsdenken. Juist daarom konden schrijvers als Reve en Riemersma hier zulke heftige reacties oproepen. Hun werk tastte niet alleen de religieuze zekerheden aan, maar ook de sociale orde van het dorp. In een kleine gemeenschap blijft niets abstract. Een roman gaat al snel over echte mensen. Een godslastering raakt niet alleen een dogma, maar ook de buren, de school, de familie en het kerkenbestuur.
Toen de ouders van het verongelukte meisje een gesproken recensie van Riemersma’s boek op de radio aanhoorden, voelden zij zich diep gekwetst. De affaire escaleerde en uiteindelijk werd Riemersma ontslagen als onderwijzer. Het conflict ging allang niet meer alleen over literatuur. Het ging over de vraag hoeveel waarheid een gemeenschap verdragen kan. Fokke Sierksma sprak in dat verband over een “land van mest, mist en mythe”. Dat was Friesland inderdaad: een landschap waarin archaïsche gevoelens onder het oppervlak bleven voortleven, zelfs midden in de moderniteit van de jaren zestig.
Voor Reve moet dit alles uiterst herkenbaar zijn geweest. Ook hij werd in Friesland geconfronteerd met de benauwende orthodoxie, belichaamd door figuren als Hendrik Algra en de mannenbroeders van de gereformeerde wereld. Maar Reve koos een andere strategie dan Riemersma. Waar Riemersma steeds verder afgleed naar de vertwijfeling, bleef Reve de paradox van het geloof omarmen. Hij kon God tegelijkertijd bespotten en aanbidden. Hij kon zeggen dat hij nergens in geloofde en toch dagelijks blijven bidden. Juist in die innerlijke tegenspraak vond hij een eigen vorm van mystiek.
Riemersma had bewondering daarvoor. Hij bewonderde vooral de manier waarop Reve, ondanks alle vernederingen en processen, toch een authentieke godsbeleving wist vast te houden. Dat was voor hemzelf veel moeilijker. Zijn romans uit de jaren zestig draaien steeds opnieuw om dezelfde pijnlijke vraag: hoe kan een mens nog geloven na de ervaring van een radicaal en zinloos lijden? In zijn roman Fabryk had hij dat al geformuleerd in een woedende passage waarin hij fantaseert over een kanon dat God uit de hemel zou moeten schieten om Hem te dwingen eindelijk eens te kijken naar de ellende van de mensen. Het is een schreeuw die tegelijk godslasterlijk en religieus is. Want wie werkelijk denkt dat God niet bestaat, verspilt geen woede meer aan Hem.
Dat maakt Riemersma uiteindelijk tot een typisch Friese variant van wat je ‘de religieuze moderniteit’ kunt noemen. Zijn strijd met God was niet abstract filosofisch, maar concreet en existentieel. Het ging om echte doden en echte vernederingen. In die zin verschilt hij van veel naoorlogse Nederlandse schrijvers voor wie de secularisering vooral een intellectueel proces was. Bij Riemersma en Reve bleef God lichamelijk aanwezig, zelfs in Zijn afwezigheid.
Na zijn bezoek aan Greonterp schreef Riemersma De Hite Simmer (1968), wellicht zijn meest “Reviaanse” boek. Het werd een afrekening met de Friese dorpsmentaliteit, maar tegelijk ook zijn laatste werkelijk christelijke roman. Net als Reve in Nader tot U eindigt hij in een reeks lyrische, bijna gebed-achtige teksten. Daarin klinkt geen triomf van ongeloof, maar een uitgeput verlangen naar een God die niet blijkt te bestaan en toch gemist wordt.
De beroemde regels uit het derde fers behoren tot het aangrijpendste dat in de Friese literatuur is geschreven:
Jo dy’t net besteane God
Ik haw langst nei Jo
frou en bern sliepe
mar ik haw langst nei Jo
ik bin mêd God
ik haw myn krûd fersketten
en ik haw forlern.
Daar, in die eenvoudige woorden, raken Reve en Riemersma elkaar. Niet in hun stijl, niet in hun publieke optreden, maar in hun intense ervaring van het geloof dat aan de verliezende hand is. Beiden bleven verlangen naar een God die zich had teruggetrokken uit de moderne wereld. Beiden bleven spreken tegen een hemel die zweeg. En het was het juist Friesland – met zijn stille kerktorens en zijn harde gemeenschapsmoraal – dat je dit godsverlangen zo scherp kon doen voelen.
Want Friesland was voor Reve nooit alleen een toevluchtsoord. Het was ook een geestelijk strijdtoneel. En voor Riemersma gold in wezen hetzelfde. Hun ontmoeting in Greonterp krijgt bij nader inzien iets symbolisch: twee schrijvers op het Friese platteland, beiden verwond door hun godsverlangen, beiden op zoek naar genade in een wereld waarin de hemel was leeggelopen en God zo dood was als een pier.
In zijn chanson Le dernier repas uit 1964 voert Jacques Brel een provocerende, bijna religieuze afscheidsmaaltijd op. Nog één keer roept hij: ‘God is dood !’, terwijl hij tegelijk de symboliek van het Laatste Avondmaal oproept. Tussen miswijn, priesters en doodsangst verschijnt Brel als een moderne Christusfiguur: opstandig en tegelijk ook vol verlangen naar een verloren geloof. Het chanson werd daarmee een seculiere variant van het christelijke lijdensverhaal.
Die mengeling van religieus verlangen, blasfemische provocatie en existentiële angst was typerend voor de jaren zestig. Ook Gerard Reve en Trinus Riemersma bewogen zich in diezelfde overgangstijd. Reve zocht juist in de katholieke rituelen een nieuw houvast tegen de leegte van de moderne wereld, terwijl Riemersma in zijn Friese romans de afbrokkeling van geloof en traditie zichtbaar maakte. Bij alle drie klinkt het besef door dat God dan verdwenen mag zijn, maar dat het verlangen naar verlossing en mystiek daarmee nog niet uit de wereld verdwijnt.