Er bestaan mensen die geloven dat zij zichzelf kunnen terugvinden door een weekend lang te zwijgen in een voormalig klooster waar vroeger monniken baden voor het zielenheil van de mensheid en waar nu biologisch bananenbrood wordt geserveerd tussen de mindfulness-sessies door. Voor vierhonderd euro krijgt men er een matje, een stilte-badge en de geruststellende mededeling dat men “niets hoeft”. Daarna begint onmiddellijk een strak dagschema waarin men verplicht leert ontspannen onder supervisie van iemand met linnen kleding en een uitzonderlijk beheerste stem.
Het vreemde is dat een mens juist op het moment dat hij zijn hoofd wil leegmaken ontdekt dat het bewustzijn een illegale marktplaats is waar permanent van alles wordt gedumpt. Nauwelijks heeft men de ogen gesloten of er ontstaat een opstopping van herinneringen, angsten en volstrekt nutteloze associaties. Eerst denkt men aan de hypotheek, dan aan een jeugdvriend met eczeem, daarna aan de geur van natte vloerbedekking in een zwembad uit 1987 en uiteindelijk bijna altijd aan een kip in een regenjas die zwijgend over een parkeerterrein loopt. Niemand weet waarom. Mogelijk heeft het universum een zwak voor pluimvee.
Toch blijven mensen geloven dat ergens diep onder al die mentale rommel een authentiek zelf verborgen ligt. Alsof de mens een soort spirituele avocado is: je moet eerst de schil van stress, consumptie en LinkedIn verwijderen voordat je eindelijk bij de heilige pit van je ware wezen aankomt. Dat idee heeft iets ontroerends, maar ook iets tragisch naïefs. Men verwacht kennelijk dat er diep vanbinnen een serene Tibetaanse monnik woont, terwijl men bij nader onderzoek meestal slechts een nerveuze boekhouder aantreft die voortdurend lijstjes maakt.
Ik heb zelf ooit gedacht dat Zen de sleutel tot het bestaan bevatte. Ik las boeken waarin Japanse meesters jarenlang oefenden om een pijl af te schieten zonder hem af te schieten, thee dronken zonder thee te drinken en antwoorden gaven die uitsluitend bestonden uit het woord “Mu”, wat ongeveer betekent: “ga ergens anders lastig doen.” Dat maakte diepe indruk op mij, vermoedelijk omdat ik er niets van begreep. In Zen geldt onbegrijpelijkheid namelijk als kwaliteitskeurmerk. Hoe minder men snapt, hoe dichter men blijkbaar bij de waarheid komt. Een helder inzicht wordt onmiddellijk gewantrouwd. Mystificatie daarentegen geldt als een teken van diepgang.
Ik herinner mij dat ik ooit urenlang naar een stofdeeltje in het zonlicht zat te kijken omdat ik dacht dat ik langzaam één werd met het universum. Achteraf vermoed ik dat ik gewoon te weinig had geslapen en een tekort aan ijzer had. Maar in spirituele kringen wordt lichamelijke uitputting vaak aangezien voor transcendentie. Een mens hoeft maar drie nachten slecht te slapen of hij begint patronen in gordijnen te herkennen en noemt dat vervolgens kosmisch bewustzijn.
Mijn geloof in Zen begon pas te wankelen toen ik ontdekte dat verlichting in de praktijk grotendeels bestaat uit rugpijn, verveling en Japanse mannen die je om half vijf ’s morgens met een stok slaan omdat je verkeerd zit te ademen. Dat bleek een belangrijke openbaring. Ineens begon ik te vermoeden dat veel religieuze ervaringen eenvoudigweg cultureel georganiseerde uitputtingsverschijnselen zijn. Geef iemand slaaptekort, monotone rituelen en rijstsoep, en vroeg of laat ziet hij vanzelf de eeuwigheid opduiken tussen twee bamboestruiken.
Toch bleef Japan mij fascineren, vooral de obsessie met miniaturen. Japanners zijn waarschijnlijk de enige mensen ter wereld die een complete bergketen kunnen reduceren tot een schaalmodel ter grootte van een dienblad en daar vervolgens dieper door ontroerd raken dan door de echte berg zelf. Dat is een wonderlijke gedachte. In het Westen gaat men er meestal vanuit dat het origineel superieur is aan de kopie. Maar misschien is het precies andersom. Misschien is de werkelijkheid eenvoudigweg te groot, te rommelig en te luidruchtig om rechtstreeks te verdragen.
Een miniatuurwereld daarentegen is overzichtelijk. Een bonsaiboom loopt nooit uit de hand. Een Japanse rotstuin veroorzaakt geen overstromingen. Een schaalmodel van een stad ruikt niet naar urine en belastingstress. Misschien houdt de mens daarom zo van verkleiningen: omdat de werkelijkheid pas hanteerbaar wordt zodra zij op een tafel past.
Dat verklaart vermoedelijk ook het succes van internet. Het internet is niets anders dan een gigantische miniatuurversie van de wereld. Alles is erin aanwezig, maar dan zonder gewicht. Oorlogen verschijnen naast recepten voor risotto. Existentiële wanhoop staat drie centimeter verwijderd van een filmpje waarin een mopshond piano speelt. Geboorte, dood, liefde, genocide, bananenbrood en geopolitiek passen probleemloos naast elkaar op hetzelfde scherm. De mens veegt met zijn duim langs de totale geschiedenis van de beschaving terwijl hij wacht op de bus.
Zelfs ons eigen bestaan hebben wij inmiddels verkleind tot notificaties. De hedendaagse mens leeft grotendeels als digitaal spookbeeld van zichzelf. Hij bestaat uit profielfoto’s, wachtwoorden en slecht geformuleerde meningen onder nieuwsartikelen. Er is een ik dat leeft, een ik dat online verschijnt en een ik dat midden in een gesprek plotseling denkt: dit zou een goede post zijn. Op den duur weet niemand meer welke versie de officiële is. Mogelijk omdat er nooit een officiële versie bestaan heeft.
Dat vermoeden wordt nog versterkt door de neurologie, die steeds nadrukkelijker beweert dat het bewustzijn nauwelijks iets te zeggen heeft. Volgens sommige hersenwetenschappers nemen onze hersenen beslissingen lang voordat wij denken dat wij ze nemen. Het bewustzijn is slechts de woordvoerder van processen die elders al geregeld zijn. De mens lijkt daardoor steeds minder op een vrij handelend wezen en steeds meer op een bedrijf waar de directie pas na afloop ontdekt wat de fabriek geproduceerd heeft.
Dat is een schokkende gedachte. Want wie schrijft dan eigenlijk deze zin? Wie besloot plotseling aan een tramongeluk, een gokkast of Jean-Paul Sartre in zwembroek te denken? Waarom verschijnt midden in een redenering opeens een herinnering aan een natte dinsdagmiddag in februari 1969? Het bewustzijn gedraagt zich soms als een verlopen theater waar voortdurend onbekende figuranten het podium oplopen zonder script.
Soms stel ik mij letterlijk een klein mannetje in het brein voor dat gedachten produceert door knikkers van een trap te gooien. Sommige knikkers verdwijnen onmiddellijk in een afvoerputje. Andere botsen tegen elkaar en vormen een religie, een weblog of een mislukte liefdesbrief. Alleen ontstaat meteen een nieuw probleem: wie bestuurt het mannetje? Zit er soms nóg een kleiner mannetje in dat mannetje? Uiteindelijk kom je uit bij een homunculus ter grootte van een cashewnoot die in paniek aan miniatuurhendeltjes trekt terwijl ergens alarmbellen afgaan.
Dat is het punt waarop filosofie ongemerkt slapstick wordt. Eigenlijk eindigen alle grote denksystemen vroeg of laat als een soort kosmische poppenkast. Eerst probeert men de werkelijkheid te verklaren en daarna ontdekt men dat men verdwaald is geraakt in een doolhof van theorieën die elkaar voortdurend uitleggen. De ene filosoof beweert dat alles materie is, de andere dat alles geest is en een derde concludeert uiteindelijk dat de werkelijkheid waarschijnlijk veroorzaakt wordt door trillende snaartjes in een multidimensionale soep. Nog even en men ontdekt dat het universum bestuurd wordt door een licht nerveuze pudding.
Toch blijft de mens zoeken naar “het echte leven”. Dat verlangen naar authenticiteit is inmiddels uitgegroeid tot een complete industrie. Mensen wandelen door bossen, bakken zuurdesembrood, kopen handgemaakte zeep en luisteren naar podcasts waarin iemand met een zachte stem uitlegt hoe je weer “bij jezelf” kunt komen. Alsof het zelf een verloren fietssleutel is die ergens achter de bank ligt. Maar misschien bestaat dat authentieke zelf helemaal niet. In wezen is een mens niets anders dan een verzameling verhalen, reflexen, herinneringen en toevallige neurale kortsluitingen die zichzelf voortdurend van commentaar voorzien. Een biologisch apparaat dat panisch betekenis produceert om niet te hoeven erkennen dat alles misschien volstrekt willekeurig is.
En toch schuilt daar een vreemde vorm van hoop in. Want ondanks alle chaos blijft een mens miniaturen bouwen. Hij blijft verhalen vertellen, weblogs schrijven, rituelen verzinnen, bonsai-boompjes snoeien en met ernstige gezichten praten over innerlijke rust terwijl ergens in zijn hoofd een kip in een regenjas over een parkeerterrein loopt. Mogelijk is dat uiteindelijk de diepste waarheid: niet dat de mens ooit verlichting bereikt, maar dat hij eindeloos betekenis blijft fabriceren terwijl hij langzaam begrijpt dat niemand precies weet wat er aan de hand is.
Zelfs het universum zou zo in elkaar kunnen zitten. Het draait op goed geluk. Mogelijk draait ergens tussen de sterren een gigantische kosmische machine die voortdurend probeert te begrijpen waarom zij bestaat, terwijl zij intussen achteloos nieuwe melkwegstelsels produceert zoals een verwarde ambtenaar formulieren afstempelt. Ook het bewustzijn is uiteindelijk niets anders dan dat: een licht defect administratief proces in een oneindig groot kantoor zonder directie. De directie-kamer is leeg. Op de deur staat en bordje met daarop: Niets. Zen-meesters weten dat als geen ander. Zij verstaan de kunst van het ouwehoeren. Nu is nu is nu … en dat is alles wat er is. Eindeloos dat nu.
