
Mijn commentaar op de laatste uitzending van Zomergasten met Jim van Os is inmiddels alleen al via LinkedIn door 7011 mensen bekeken. Zoveel belangstelling voor een blogtekst heb ik niet eerder meegemaakt. Niemand hoeft mij dus nog wijs te maken dat er geen belangstelling bestaat voor de grote vragen rond psychiatrie, psychose en de soms nauwelijks te trekken grens tussen waan en werkelijkheid.
En toch heb ik moeten besluiten mijn lezing over mijn boek De waan van het schrijven – Harry Mulisch en de creatieve psychose, die op 9 september in Tresoar zou plaatsvinden, af te zeggen. Het aantal aanmeldingen bleef te beperkt. Bovendien haakte een aantal mensen die zich aanvankelijk hadden opgegeven alsnog af, onder meer vanwege de aangekondigde OV-staking, maar ook om andere redenen. Uiteindelijk bleven er te weinig mensen over van wie ik redelijkerwijs kon aannemen dat zij daadwerkelijk zouden komen. In ieder geval te weinig voor een lezing waarvoor niet alleen ikzelf, maar ook Tresoar de nodige voorbereidingen had getroffen.
Hoe jammer ik het ook vind, op een gegeven moment moet je erkennen dat een zaal niet vanzelf voller wordt. Ik had mij de afgelopen tijd intensief op de lezing voorbereid en behoorlijk wat energie in de publiciteit gestoken. Dagelijks verscheen er een bericht op mijn blog, ik verstuurde bijna tweehonderd persoonlijke uitnodigingen, schreef onderwijsinstellingen aan en stuurde aankondigingen naar verschillende media. Kortom: ik heb er alles aan gedaan om de lezing onder de aandacht te brengen. Maar kennelijk is belangstelling op internet iets anders dan de bereidheid om op een bepaalde avond daadwerkelijk naar een zaal te komen.
Misschien is dat wel een merkwaardig verschijnsel van deze tijd. Een tekst kan duizenden mensen bereiken zonder dat er één stoel voor hoeft te worden vrijgemaakt. Een gedachte kan zich razendsnel verspreiden terwijl een zaal leeg blijft. We zijn gewend geraakt aan een vorm van aanwezigheid waarvoor fysieke aanwezigheid niet langer noodzakelijk is. Je leest iets, je klikt, je kijkt even, misschien reageer je – en vervolgens verdwijn je weer in de stroom van andere berichten. Die digitale belangstelling is ongetwijfeld echt, maar zij heeft een andere maatvoering dan de belangstelling die nodig is om op een woensdagavond naar Tresoar te komen.
Daarmee wil ik overigens niets afdoen aan de mensen die wél hadden willen komen en mij persoonlijk hun belangstelling hebben laten blijken, ook nadat zij hoorden dat de lezing was afgelast. Ik wil de 7011 lezers van mijn commentaar op Jim van Os dan ook niet tegenover de handvol bezoekers plaatsen die uiteindelijk voor mijn lezing zou zijn overgebleven. Integendeel. Die grote belangstelling op mijn blog is voor mij juist een aanwijzing dat het onderwerp leeft. Misschien zelfs sterker dan ik had gedacht.
Want de vragen die in de uitzending met Jim van Os aan de orde kwamen, zijn allerminst verdwenen. Wat is een psychose? Waar begint de waan? Wat gebeurt er met onze werkelijkheid wanneer de ratio tijdelijk haar greep verliest? En welke rol kan verbeelding daarin spelen? Het zijn vragen die niet alleen de psychiatrie aangaan, maar uiteindelijk ook iets zeggen over ons mensbeeld.
Dat mijn commentaar op de uitzending zoveel lezers bereikte, is in dat opzicht veelzeggend. Het verhaal van Jim van Os raakte aan een onderwerp waarover de psychiatrie en de samenleving nog altijd met elkaar in gesprek zijn. Wat vroeger al snel als afwijking of ziekte werd weggestopt, wordt tegenwoordig ook onderzocht als een menselijke ervaring die iets kan onthullen over de werking van de geest en over de manier waarop wij onze werkelijkheid construeren. Precies daar ligt ook de verbinding met de vragen die mij bij Harry Mulisch zo lang hebben beziggehouden.
Ook Mulisch heeft de waan nooit uitsluitend als een medische aangelegenheid beschouwd. In zijn werk wordt de waan een grensgebied waarin de werkelijkheid geleidelijk haar vanzelfsprekendheid verliest. De schrijver wordt daar iemand die, na een psychotische ervaring in zijn vroege jaren, nieuwe werkelijkheden in de literatuur probeert te scheppen. Vandaar mijn begrip van de ‘creatieve psychose’: niet als romantisering van psychische ontregeling, maar als een poging te begrijpen wat er gebeurt wanneer de gewone ordening van de werkelijkheid tijdelijk openbreekt en er ruimte ontstaat voor een andere manier van kijken.
Wie weet komt mijn lezing er daarom ooit alsnog. Niet op 9 september, niet voor een zaal die met veel moeite gevuld moet worden, maar op een moment waarop de omstandigheden gunstiger zijn. Het verhaal is immers nog lang niet verteld. Misschien is het ook helemaal niet zo erg dat een lezing soms niet doorgaat. Elk nadeel heeft zijn voordeel. Ook een vrijwel lege zaal kan iets te zeggen hebben, al weet ik op dit moment nog niet precies wat.
Voorlopig houd ik mij maar vast aan die 7011 lezers van dat ene blog over Jim van Os. Niet als bewijs dat ik gelijk heb, maar als een klein teken dat de vragen waarover ik had willen spreken nog altijd ergens rondzingen. Misschien wacht De waan van het schrijven gewoon op een ander moment.
Voorbij, voorbij… maar niet voorgoed voorbij.
Hoe dan ook: ik heb het AI-programma Gemini Notebook gevraagd om op basis van de PowerPointpresentatie die ik voor mijn lezing had voorbereid een filmpje van ruim één minuut te maken over wat ik nu eigenlijk had willen vertellen. Eerlijk gezegd keek ik zelf nogal op van het resultaat. Het filmpje veralgemeniseert mijn betoog op een manier die ik zelf nog niet zo expliciet had bedacht. Misschien heeft deze afgelaste lezing daarmee toch nog een onverwachte bestemming gekregen.
Het AI-filmpje volgt direct na deze tekst. En tot slot natuurlijk de gebruikelijke passende muziek, waarmee ik mijn blogteksten pleeg af te sluiten.