De steden van de verbeelding

Een gebouw dat nooit is gebouwd, een straat die nooit is aangelegd, een plein dat alleen op een tekentafel heeft bestaan: op het eerste gezicht zijn het mislukkingen, voetnoten in de geschiedenis. Het plan is afgewezen, het geld ontbrak, de politiek veranderde van koers of de tijd bleek er eenvoudigweg niet rijp voor. Daarna bleef er niets anders over dan een tekening, een maquette of een vergeeld dossier. En toch is dat niet hetzelfde als verdwijnen. Wat nooit werkelijkheid is geworden, kan als mogelijkheid blijven voortbestaan al was het maar in de verbeelding. Het nestelt zich in ons geheugen, en in ons vaak onuitgesproken besef van wat een stad of een land ook had kunnen zijn. Dat is een merkwaardige eigenschap van een vervlogen droom: hij verdwijnt uit de werkelijkheid, maar niet noodzakelijk uit de wijze waarop wij ons de werkelijkheid voorstellen. Kortom, de realiteit is meer dan wat wij met onze eigen ogen dagelijks om ons heen kunnen zien.

Dat is de centrale gedachte die Cees Nooteboom ontvouwde in het boek Nooit gebouwd Nederland (1980/1999). Daarin schrijft hij in wezen een geschiedenis van Nederland vanuit datgene wat Nederland níét is geworden. Dat is een merkwaardige omkering. Gewoonlijk wordt de geschiedenis verteld aan de hand van wat er werkelijk is gebeurd. Je leest beschrijvingen van de gebouwen die ooit zijn gebouwd, de wegen die zijn aangelegd en de stadswijken die in het verleden zijn ontstaan. Nooteboom kijkt juist naar de imaginaire kant van die werkelijkheid. Hij verzamelt ontwerpen die nooit zijn uitgevoerd en laat daarmee zien dat ook daarin een geschiedenis verborgen ligt. Het gaat daarbij om concrete plannen, gemaakt door architecten die hun ideeën soms tot in het kleinste detail hebben uitgewerkt. Het zijn dus geen pure fantasieën. Deze plannen hebben werkelijk bestaan als mogelijkheid. Het gebouw is er niet gekomen, maar het idee van het gebouw heeft wel degelijk bestaan. In die zin is het aanwezig en afwezig tegelijk. Het is niet echt maar ook niet denkbeeldig.

Daarmee ontstaat een soort parallel Nederland: het land van vijftien miljoen mensen zoals het ook had kunnen zijn. Juist dat woordje ‘had’ is in deze context belangrijk. Want in ieder nooit uitgevoerd ontwerp schuilt de mogelijkheid een andere toekomst. Alsof het heden zich voortdurend splitst in meerdere mogelijkheden. Overigens is dat in de hedendaagse kwantumfysica een van de mogelijkheden waar serieus rekening mee wordt gehouden, maar dat is een ander verhaal.

Wat zou er zijn gebeurd als dit gebouw wél was gebouwd? Hoe zou een stad eruit hebben gezien als die weg wél was aangelegd? Welke andere routes zouden mensen hebben genomen naar hun werk? Welke andere herinneringen zouden zich in dat geval hebben opgehoopt in het collectieve geheugen? Het niet-gerealiseerde opent vanuit het verleden telkens weer een alternatieve toekomst. Pas achteraf lijkt het of de werkelijkheid zich onvermijdelijk tot het heden. In werkelijkheid hebben er allerlei alterernieve routes bestaan die nog ergens kunnen rondspoken, al was het maar in onze verbeelding.

Tussen droom en daad staan – zoals het gezegde luidt – inderdaad ‘wetten en praktische bezwaren’. Geld, techniek, politiek, bureaucratie, smaak, macht en veranderende inzichten bepalen uiteindelijk welke droom een kans krijgt en welke droom wordt afgewezen. Dat maakt het nooit gebouwde ook politiek en maatschappelijk interessant. Het vertelt niet alleen iets over architectuur, maar ook over de samenleving die bepaalde plannen mogelijk maakt en andere tegenhoudt. Iedere stad is daarom ook een monument van keuzes die ooit zijn gemaakt. Maar achter die zichtbare keuzes bevindt zich een veel grotere hoeveelheid mogelijkheden die nooit werkelijkheid zijn geworden. Het gebouwde is slechts het topje van een ijsberg. Onder het oppervlak bevindt zich een heel landschap van alternatieven. Dat geldt voor een stad, maar ook voor ieder mensenleven.

Het essay van Cees Nooteboom overt het nooit gebouwde Nederland leest niet makkelijk. Het lijkt alsof hij zich op een voor hem vreemd terrein begeeft, en om dat te verhullen zijn toevlucht neemt tot een overdaad aan historische voorbeelden. In zijn boek De onzichtbare steden (1972) bewandelt Italo Calvino een heel ander weg. Marco Polo vertelt aan de Mongoolse keizer Kublai Khan over steden die hij tijdens zijn reizen zou hebben bezocht. Maar hoe verder hij gaat met zijn vertelling, hoe duidelijker het wordt dat deze steden niet op een gewone geografische kaart te vinden zijn. Ze bestaan uit herinneringen, verlangens, angsten, dromen en vluchtige indrukken. Calvino beschrijft geen steden zoals een stadsplanner of een historicus dat zou doen. Hij beschrijft steden zoals ze in het bewustzijn van een mens kunnen bestaan. De ene stad is opgebouwd uit herinneringen, de andere uit verlangens; weer een andere lijkt te bestaan uit tekens, uit doden, uit dromen of uit eindeloze herhalingen.

Juist doordat die steden niet werkelijk bestaan, kunnen ze iets zichtbaar maken van wat in de werkelijke stad vaak verborgen blijft. Calvino draait de verhouding tussen werkelijkheid en verbeelding om. Nooteboom begint bij bestaande architectuurtekeningen en vraagt welke werkelijkheid daaruit had kunnen voortkomen. Calvino begint bij steden die alleen in de verbeelding bestaan en vraagt wat zij ons kunnen vertellen over de werkelijkheid waarin wij leven. Bij Nooteboom ontdek je zo het onwerkelijke in het werkelijke; bij Calvino ontdek je daarentegen het werkelijke in het onwerkelijke. Dat is een wonderlijke verbinding tussen de verschillende betogen van deze beide schrijvers.

Een van de meest intrigerende gedachten in Calvino’s De onzichtbare steden is dat Marco Polo, wanneer hij al die wonderlijke steden beschrijft, uiteindelijk steeds opnieuw over Venetië lijkt te spreken. De verre steden zijn variaties op zijn eigen stad, dat wil zeggen: op zijn eigen manier van kijken zoals die ooit is ontstaan in een gebouwde omgeving die hem vertrouwd is. Hij reist de wereld rond, maar keert in zijn verhalen steeds terug naar dezelfde plek. Daarmee zegt Calvino iets wezenlijks over iedere stad: een stad is niet alleen wat je ziet. Een stad is ook wat je erin denkt te zien. Twee mensen kunnen door dezelfde straat lopen en toch in een andere stad leven. De een ziet gewoon gebouwen, de andervooral herinneringen. De een ziet verkeer en stenen, de ander een jeugd die allang voorbij is. Een stad bestaat dus niet alleen uit baksteen, asfalt en beton, maar ook uit alles wat mensen zich daarbij voorstellen.

Daarmee wordt de stad bij Calvino een soort geheugenmachine. De stenen bewaren niet alleen hun eigen verleden, maar ook de herinneringen van degenen die er wonen of hebben gewoond. Dat geldt op een wonderlijke manier ook voor de architectuurtekeningen waar Nooteboom over schrijft. Die tekeningen bewaren een toekomst die nooit heeft plaatsgevonden. Ze zijn herinneringen aan iets wat nooit is gebeurd. Dat lijkt een paradox, maar misschien is het juist daarom zo fascinerend. Calvino bewaart het verleden in steden die nooit hebben bestaan. Nooteboom bewaart de toekomst in gebouwen die nooit zijn gebouwd. In beide gevallen wordt iets wat niet werkelijk heeft plaatsgevonden toch onderdeel van ons collectieve geheugen.

Dat zou een reden kunnen zijn om anders te kijken naar wat wij doorgaans een mislukking noemen. Een plan dat niet doorgaat, is niet noodzakelijk een plan dat niets heeft betekend. Een architect die zijn ontwerp nooit gerealiseerd ziet, heeft niet per definitie vergeefs gewerkt. Zijn tekening kan jaren later nog altijd iets zichtbaar maken van de tijd waarin het idee ontstond. Het laat iets zien van wat men toen dacht en welke toekomst men voor ogen had. De waarde van zo’n ontwerp ligt dan niet uitsluitend in zijn praktische bruikbaarheid. Het kan ook een document zijn van een voorbijgegaan verlangen.

Ook Friesland en Leeuwarden hebben ooit verlangens gekend die voorbij zijn gegaan. Want als je deze gedachtegang voor deze contreien gaat toepassen, verandert daarmee ook de manier waarop je naar je eigen omgeving kijkt. Je kunt je afvragen hoe Leeuwarden eruitziet, maar een interessantere vraag lijkt mij: hoe had Leeuwarden eruit kúnnen zien? Welke gebouwen zijn nooit gebouwd? Welke straten zijn nooit aangelegd? Welke plannen zijn ooit gemaakt maar verdwenen in allerlei laden en archieven? Wat vertellen juist die afgewezen mogelijkheden over de stad die uiteindelijk wél is ontstaan?

Dan blijkt dat ook Leeuwarden een zichtbare en een onzichtbare geschiedenis heeft. De zichtbare geschiedenis bestaat uit de straten, pleinen, grachten en gebouwen die we dagelijks passeren. De onzichtbare geschiedenis bestaat uit alles wat daarachter ligt: plannen, verwachtingen, mislukte ontwerpen, dromen en alternatieven. De stad die wij kennen is dus maar één van de vele steden die ooit mogelijk waren. Onder de zichtbare stad liggen andere steden begraven, niet als archeologische resten, maar als mogelijkheden. Het zijn de denkbeeldige steden die nooit zijn gerealiseerd, maar die door een tentoonstelling of een verhaal opnieuw zichtbaar gemaakt kunnen woorden.

Dat is ook de reden waarom een tentoonstelling als Nooit gebouwd Leeuwarden meer kan zijn dan een verzameling oude plannen en architectonische curiositeiten. De tekeningen die hier worden getoond, vormen samen een soort alternatieve stadskaart. Ze laten niet alleen zien wat er niét is gekomen, maar ook wat mensen ooit voor mogelijk hielden. En daarmee vertellen ze iets over de verbeeldingskracht van een stad. Die stad wordt mede gevormd door alles wat zij ooit heeft gedroomd. Sommige dromen zijn werkelijkheid geworden, andere zijn vervlogen, maar beide behoren tot de geschiedenis.

Daar zit voor mij ook de betekenis van het woord ‘vervlogen’. Een vervlogen droom is niet hetzelfde als een verdwenen droom. Vervlogen betekent dat de droom uit de werkelijkheid is weggevlogen. Ook jouw droom die niet uitkomt, kan nog altijd vertellen waar je ooit naartoe wilde. Soms wordt juistin een vervlogen droom zichtbaar hoe anders de toekomst had kunnen verlopen. Dat zou ook een overeenkomst kunnen zijn tussen Nooteboom en Calvino. Beiden laten zien dat de werkelijkheid groter is dan wat zich direct voor je ogen bevindt. Achter iedere zichtbare stad schuilt een onzichtbare stad. Achter ieder gebouwd huis bevinden zich de huizen die nooit zijn gebouwd. De werkelijkheid is daardoor altijd omgeven door een schaduw van mogelijkheden. Wat niet is gebeurd, blijft als een soort tegenwoordige afwezigheid aanwezig in het heden.

En zo kan een oude architectuurtekening opeens een deur openen naar een steden die niet bestaan, maar die wij ons toch kunnen herinneren: het zijn de steden van de verbeelding. Zoals bij Calvino de onzichtbare steden achter de zichtbare wereld blijven oplichten, zo kunnen in Leeuwarden de nooit gebouwde gebouwen opnieuw voor ons geestesoog verschijnen, als was het maar om ons eraan te herinneren dat de werkelijkheid ooit een open horizon had. Zolang een stad kan dromen over wat zij had kunnen worden, valt zij nooit helemaal samen met wat zij geworden is. De steden van de verbeelding infiltreren voortdurend de stad waarin wij leven.

Zondag 20 september – Mijn lezing over: Vervlogen dromen in Friesland. Plaats: HCL. Start: 14.00 uur. Toegang: gratis. Opgave zie: de site van HCL.