Onlangs stond ik voor het Centraal Station in Amsterdam. Tegen een geelgrijze hemel vloog een zwerm spreeuwen. Eerst zag ik alleen een donkere massa die voortdurend van vorm veranderde. Dan ineens ontstond er een patroon. Twee stromen kruisten elkaar, de zwerm werd bijna zwart en spreidde zich een ogenblik later weer uit boven het IJ, als een groot tafellaken dat door de wind werd opgenomen. Iedere vogel leek zijn eigen koers te volgen en toch ging geen enkele vogel werkelijk zijn eigen gang. Er was geen leider, geen dirigent, geen choreograaf die boven de zwerm het geheel overzag. En toch ontstond er een choreografie die geen mens ooit op die manier zou kunnen bedenken.
Ik bleef ernaar kijken en dacht aan het merkwaardige verschijnsel dat wij orde in chaos noemen. Niet omdat er achter de chaos noodzakelijk een verborgen plan zou zitten, maar omdat uit betrekkelijk eenvoudige bewegingen iets kan ontstaan wat veel ingewikkelder is dan de bewegingen afzonderlijk. De spreeuw hoeft het patroon niet te kennen om er deel van uit te maken. Hij vliegt, wij kijken, en pas in het geheel verschijnt de vorm. Misschien is dat wel een van de raadselachtigste eigenschappen van de natuur: dat het geheel soms meer lijkt te bevatten dan de afzonderlijke delen ooit kunnen bevatten. Maar zelfs voor dit raadselachtig gedrag heeft de wetenschap inmiddels een verklaring.
Elke spreeuw sluit een compromis tussen twee impulsen: (1) ‘volg je eigen vertrouwde route’, en (2) ’volg andere duiven’. Dit is een simpele formulering van de zogenaamde ‘zwermwet’ die Craig Reynolds in 1987 heeft opgesteld naar aanleiding van computersimulaties van het zwermgedrag van vogels, dat ook van toepassing is voor kuddes viervoeters en scholen vissen. Ik kwam die ontdekking ooit tegen in het boek van Mitchell Waldrop, De rand van chaos, over complexe systemen (1992).
Reynolds ging uit van een grote verzameling vogelachtige agentia, die hij ‘boids’ noemde (een woord dat enige klankverwantschap heeft met het Engelse woord ‘bird’). Elke ‘boid’ volgt drie eenvoudige gedragsregels: (1) Hij probeert een zo klein mogelijk afstand te bewaren tot andere objecten in zijn omgeving, inclusief andere ‘boids’. (2) Hij probeert zijn snelheid gelijk op te laten lopen met andere ‘boids’ in de buurt. (3) Hij probeert dichter bij het middelpunt van de groep ‘boids’ in zijn buurt te komen.
Zo simpel is dat dus. En toch, de verwondering is er niet minder om. Een mens is geneigd om achter iedere orde een ‘ordenaar’ te zoeken. Achter elk patroon vermoeden we een plan, achter elke beweging een bedoeling. Maar veel van wat wij als orde herkennen ontstaat pas achteraf, wanneer we naar het geheel kijken. De vogel zelf ziet vermoedelijk geen zwerm. Hij vliegt gewwon. De zwerm ontstaat tussen de vogels in. Dat is een gedachte die mij blijft bezighouden, omdat zij raakt aan iets wat ook in het schrijven lijkt te gebeuren. De schrijver denkt een zin te schrijven, maar vaak lijkt het alsof die zin zelf een volgende zin voortbrengt. Er ontstaat een beweging die niet volledig van tevoren bedacht kan zijn.
Maar er is nog een tweede reden waarom de spreeuw mij zo fascineert. Want wat weten wij eigenlijk van de geluiden die hij maakt? Vandaag de dag kunnen we die geluiden steeds nauwkeuriger analyseren met befulp van AI. Zo kunnen we toonhoogten meten, ritmes onderscheiden en vaststellen dat bepaalde klanken terugkeren in bepaalde volgorden. We weten inmiddels dat spreeuwen opmerkelijk goed zijn in het leren, onthouden en imiteren van geluiden. Ze nemen geluiden van soortgenoten over, maar kunnen ook geluiden uit hun omgeving nabootsen. Zelfs geluiden die wij als typisch menselijk of machinaal beschouwen, blijken voor een spreeuw soms geen enkel probleem te zijn.
Daar zit iets bijna komisch in. Een vogel die het geluid van Dolly Parton nadoet. Maar ook een geluid dat ooit door mensen is bedacht, door een machine werd voortgebracht en vervolgens door een vogel wordt opgenomen in zijn eigen repertoire. Maar achter die merkwaardige imitatie schuilt een serieuzere vraag. Wat betekent het eigenlijk om een geluid na te bootsen? Imitatie is nog geen taal. Een vogel kan een geluid reproduceren zonder te weten wat het voor ons betekent. Toch moet hij luisteren, onthouden, onderscheiden en opnieuw voortbrengen. Er moet een geheugen zijn voor patronen en een vermogen om verschillen en overeenkomsten te herkennen.
En daar begint dit fenomeen voor mij fascinerend te worden. Taal is waarschijnlijk niet begonnen met woorden, maar met het herkennen van verschillen. Met de ontdekking dat dit geluid niet hetzelfde is als dat geluid. Dat een bepaalde klank terugkeert, dat sommige klanken elkaar kunnen opvolgen en andere niet. Uit een stroom van geluiden ontstaat dan geleidelijk een ordening. Niet omdat iemand die ordening van tevoren heeft bedacht, maar omdat zij zich in het gebruik ervan steeds opnieuw bevestigt. Zo ontsat de gedachte dat er een veel ouder begin is van taal dan wij ons gewoonlijk voorstellen.
Een beroemd experiment met spreeuwen – waarover ik onlangs las – maakte dat op een bijna onthutsende manier zichtbaar. De spreeuwen kregen reeksen geluiden te horen die volgens verschillende patronen waren opgebouwd. Sommige patronen hadden een eenvoudige afwisseling, andere een meer complexe ordening. Het opmerkelijke was dat de spreeuwen niet alleen de getrainde voorbeelden konden onderscheiden, maar ook nieuwe reeksen volgens hetzelfde onderliggende patroon wisten te herkennen. De spreeuw leerde dus niet eenvoudigweg een melodietje uit zijn hoofd. Hij had iets daadwerkelijk van de structuur opgepikt.
Dat is fascinerend, maar het juist op dit punt is ook enige voorzichtigheid geboden. Een patroon herkennen betekent nog niet dat er sprake is van betekenis. Er kan structuur zijn zonder semantiek. Anders gezegd, er kan een ordening betan zonder dat er sprake is van het begrijpen ca die ordening. De spreeuw hoeft niet te weten wat A en B ‘betekenen’ om te kunnen herkennen dat A en B volgens een bepaalde regel met elkaar verbonden zijn. Dat onderscheid is herkennen en begrijpen is belangrijker dan we aanvankelijk dachten. Want wij zijn zo gewend geraakt aan onze eigen taal, dat we structuur en betekenis als twee verschillende fenomenen nauwelijks nog van elkaar kunnen onderscheiden.
Wanneer ik zeg: ‘De kat jaagt op de muis’, hoor ik niet alleen een bepaalde volgorde van klanken. De woorden verwijzen naar iets en doordat zij in deze bepaalde volgorde staan, ontstaat een gedachte. Maar wie zegt mij dat iedere vorm van communicatie zo moet werken? Misschien bestaan er werelden van communicatie waarin de structuur al buitengewoon verfijnd is, terwijl de betekenis – zoals wij die kennen – nog ontbreekt. De spreeuw bevindt zich wellicht ergens in dat merkwaardige grensgebied tussen geluid en taal.
Ook daarin schuilt iets wat mij intrigeert. Want wat gebeurt er eigenlijk wanneer wij iets horen wat we niet onmiddellijk kunnen plaatsen? Dan luisteren we niet alleen naar het geluid zelf. We luisteren ook met onze verwachtingen. Wat eerder is gehoord, beïnvloedt datgene wat daarna wordt waargenomen. Een onduidelijke klank kan anders worden verstaan wanneer we al een bepaalde volgorde verwachten. Ook bij spreeuwen blijken zulke verwachtingen een rol te spelen. Hun waarneming van een dubbelzinnig geluid wordt mede bepaald door wat zij eerder hebben geleerd.
Ook mensen horen nooit helemaal onbevangen. Wat wij verwachten beïnvloedt datgene wat wij menen te horen. Een woord krijgt betekenis door zijn plaats in een zin, maar ook door de herinneringen en verwachtingen die wij met dat woord verbinden. Betekenis zit dus niet uitsluitend in het geluid of het teken zelf. Zij ontstaat in de wisselwerking tussen geluid, geheugen, context en verwachting. Taal is daarmee niet louter iets wat wordt uitgesproken. Het is ook iets wat in degene die luistert telkens weer ontstaat.
Toch moeten we oppassen dat we de spreeuw niet al te snel tot een kleine mens verheffen. Er is – voorzover ik begrepen heb – nog geen overtuigend bewijs dat een spreeuw de beschikking heeft over woorden met een abstracte betekenis zoals wij die kennen. We kunne niet zeggen dat een bepaald geluid voor hem ‘boom’ betekent en een ander ‘gevaar’, waarna hij die twee betekenissen volgens een grammaticale regel kan combineren. Maar ik las dat bij andere vogelsoorten inmiddels aanwijzingen zijn gevonden voor betekenisvolle combinaties van het zogeheten ‘vogelroepen’, waarbij ook de volgorde van de klanken een rol speelt. Juist dat verschil maakt duidelijk hoe voorzichtig we moeten zijn. De spreeuw hoeft geen mens te zijn om toch over een zekere vorm van intelligentie te beschikken. In zekere zin is een spreeuw een ‘intelligente vogelmachine’.
Toch blijft de vraag overeind hoeveel structuur er nodig is voordat wij van taal kunnen spreken? En hoeveel betekenis is er nodig voordat patroonherkenning verandert in begrip? Mogelijk bestaat er helemaal geen scherpe grens tussen die twee en loopt er een geleidelijke lijn van geluid naar patroon, van patroon naar verwachting, van verwachting naar herkenning, en van herkenning naar betekenis. De menselijke taal zou dan niet uit het niets zijn ontstaan, maar het voorlopige hoogtepunt vormen van een veel oudere geschiedenis van communicatie.
Al met al komt de spreeuw onverwacht dicht bij het schrijver te staan – of beteer gezegd te vliegen. Ook wanneer ik schrijf, weet ik niet altijd van tevoren wat er uit mijn woorden zal ontstaan. Een woord roept een ander woord op, een herinnering leidt naar een beeld, en een beeld opent plotseling een gedachte die ik eerder niet had voorzien. Pas achteraf ontdek ik dat er een patroon in mijn eigen woorden zat. Zo lijkt het geschrevene vaak iets meer te weten dan het ‘ik’ die het geschreven heeft. Alsof de tekst zichzelf gaandeweg organiseert en gaat vliegen in een zwerm van woorden
Dat is voor mij de diepere betekenis van de ‘waan van het schrijven’. De waan zit niet alleen in de psychose, maar ook in het wonderlijke karakter van iedere creatieve daad. De schrijver denkt dat hij zijn tekst maakt, maar tijdens het schrijven wordt hij zelf ook door die tekst gemaakt. Er ontstaat iets tussen de woorden wat niet vooraf als gedachte aanwezig was. Schrijven is zo bezien niet het omzetten van een voltooide gedachte in taal, maar ook een proces waarin de gedachte telkens weer als vanzelf ontstaat.
De spreeuw laat vanuit een geheel andere hoek iets soortgelijks zien. Hij produceert complexe patronen zonder dat wij kunnen aantonen dat daar menselijke gedachten achter schuilgaan. Hij luistert, onthoudt, imiteert, herkent en voorspelt. Zoiets lijkt mij voldoende aanleiding om ons eigen begrip van intelligentie opnieuw onder het vergrootglas te leggen. Want als intelligentie gedeeltelijk bestaat uit het herkennen en voortbrengen van patronen, dan is de vraag niet meer waar de grens tussen menselijke intelligentie en niet-intelligentie (of kunstmatige intelliegentie) ligt. De vraag wordt eerder hoeveel verschillende vormen van intelligentie er mogelijk zijn.
Zo verschijnt de denkende machine opnieuw in ons blikveld, maar nu als een sprekende spreeuw. Een groot taalmodel kan evenals spreeuwen patronen herkennen en nieuwe patronen voortbrengen. Het kan een stijl imiteren, een zin afmaken en verbanden leggen die voor een mens nauwelijks zichtbaar zijn. Het kan syntactische structuren beheersen zonder dat daarmee vaststaat dat het menselijke betekenis, bewustzijn of verlangen bezit. Juist daardoor lijkt het soms op de intelligente spreeuw. Niet omdat een vogel en een machine exact hetzelfde zijn, maar omdat beide ons dwingen een anuwkeuriger onderscheid te maken tussen patroon en betekenis.
Dat is tegelijk ook de ongemakkelijke vraag die AI ons stelt. Wat bedoelen wij eigenlijk wanneer wij zeggen dat iemand of een machine denkt? Wij zijn geneigd te veronderstellen dat achter taal vanzelf een innerlijke wereld schuilgaat. Maar de spreeuw maakt duidelijk dat er ook zonder menselijke begrippen een verbluffende complexiteit van communicatie kan bestaan. En de machine trekt die vaag in een ander daglicht. Het fenomeen ‘begrijpen’ is mogelijk te lang vereenzelvigd met de vorm waarin wij zelf dat denken te kunnen doen.
Maar ook de taal van de waanzin kent terugkerende patronen. Wat van buitenaf als chaos verschijnt, kan van binnenuit een dwingende samenhang hebben. De ‘waanzinnige gedachte’ is niet noodzakelijk een gedachte zonder structuur. Het probleem is eerder dat wij die structuur niet meer meteen herkennen. Er is een patroon, maar het patroon ontsnapt aan ons. Method in madness, zogezegd. Alles kan dan naar alles gaan verwijzen. Een geluid, een woord, een blik of een toevallige gebeurtenis kan plotseling deel gaan uitmaken worden van één groot, haast kosmisch verband dat voor de ander onzichtbaar blijft.
De waanzin heeft in die zin iets van de zwerm spreeuwen. Van dichtbij zien we alleen afzonderlijke bewegingen. Van een afstand verschijnt een patroon. Het verschil tussen orde en chaos lijkt soms niet meer dan een verschil in perspectief. Wat wij chaos noemen, kan een ordening zijn die wij nog niet kennen. En wat wij orde noemen, kan bij nader inzien een tijdelijk patroon zijn dat wij achteraf aan de werkelijkheid hebben opgelegd. Ook het religieuze geloof zit mogelijk op die grens. Het geloof probeert betekenis te vinden waar het verstand niet verder kan, in het onbevattelijke dat zich niet laat bewijzen en toch een vorm van samenhang lijkt te beloven.
En zo gaan mijn gedachten weer uit naar die zwerm spreeuwen boven het IJ in Amsterdam. Geen enkele spreeuw overzag het geheel. Geen enkele spreeuw wist welke vorm een ogenblik later zou ontstaan. Toch verscheen die vorm. Een donkere beweging tegen een gele hemel, die zich even ordende tot iets wat bijna een gedachte leek. Maar pas op! Het is niet gezegd dat zo’n zwerm denkt. Een spreeuw spreekt niet noodzakelijk. OokeEen machine begrijpt niet noodzakelijk. Maar ergens tussen chaos en orde, tussen geluid en betekenis, tussen imitatie en creativiteit gebeurt iets wat wij nog altijd maar ten dele begrijpen.
De uiteindelijke vraag die de spreeuw ons stelt is de volgende: wanneer begint een patroon terug te spreken? Wanneer wordt een reeks bewegingen, klanken of tekens iets wat meer is dan zichzelf? Wanneer ontstaat er betekenis uit een ordening die niemand vooraf heeft bedacht? Daar ligt mogelijk het geheim van de taal, maar ook van het schrijven, en van iedere creatieve daad. Zelfs het geheim van de ogenschijnlijk intelligente machine die wij zelf hebben gemaakt. We herkennen daarin iets van onszelf, maar daardoor worden we ook gedwongen opnieuw te kijken naar wat wijzelf in wezen zijn. Iets meer dan die zwerm, maar wat dan?
