‘Zo weten we vanuit de theorie van radicalisering dat deradicalisering zelden of nooit een eenvoudig proces is. Het is sowieso niet het terugdraaien van de klok; net zomin als radicalisering een lineair verloop kent, kunnen we deradicalisering beschouwen als het terugspoelen van een radicaliseringsband. Ook weten we nog te weinig over processen van massaradicalisering, dus wanneer niet één individu (zoals een terrorist à la Anders Breivik) of één organisatie (zoals Al Qaida), maar een heel collectief in de fuik van radicalisering is gezwommen. Het is daarom nuttig om inzichten uit de sociale psychologie en de geschiedenis van radicalisering (van individuen en organisaties) te verbinden aan de geschiedenis van de opkomst en ondergang van autoritaire en dictatoriale systemen.’
Zo luidt een cruciale passage uit het onlangs verschenen boek Poetins tsaristische droom. Geschiedenis als wapen in de Russische politiek van Beatrice de Graaf en Niels Drost. Zij beschrijven hoe radicaliseringsproces van Poetin is verlopen sinds zijn aantreden in 2000. Dat doen zij op basis van een minutieuze bestudering van al zijn redevoeringen die hij sindsdien heeft gehouden. Voor het befrip ‘radicalisering’ hanteren zij een heel specifieke definitie.
Radicalisering begint volgens hen op het moment dat iemand anderen gaan bekijken vanuit een gevoel van morele verhevenheid. Wie niet tot de eigen groep behoort, wordt dan gezien als minderwaardig en daarmee als iemand die onderdrukt, buitengesloten of zelfs vernietigd mag worden. Tegelijk benadrukken zij dat radicalisering nooit een eenvoudig of eenduidig proces is. Het wordt mede gevoed door persoonlijke en existentiële gevoelens van onzekerheid, ervaren onrecht, morele verontwaardiging, schuldgevoelens en gekrenkte eigenwaan. Zo kan een ontwikkeling ontstaan die uitmondt in een ultranationalistische, bijna apocalyptische demonisering van andersdenkenden: tegenstanders veranderen in vijanden, en vijanden in figuren die men meent te moeten uitschakelen.
Bij lezing van dit boek dringen zich bij mij enkele gedachten op. Allereerst: is de conclusie niet enigszins mosterd na de maaltijd? Dat processen van radicalisering en ontsporing grillig verlopen, en zich niet eenvoudig laten terugdraaien, had men ook zonder recente academische inzichten kunnen vermoeden. Bovendien rijst de vraag waarom in de laatste zin van de hierboven geciteerde passage zo behoedzaam om de historische hete brij heen wordt gelopen. Er wordt gesproken over autoritaire en dictatoriale systemen, maar de naam van Adolf Hitler wordt zorgvuldig vermeden. Alsof de auteurs bang zijn voor de reductio ad Hitlerum of voor de beruchte wet van Godwin. In dit geval lijkt die schroom mij niet terecht. Soms is een historische vergelijking gratuit, maar soms ook heel verhelderend.
Zelf heb ik mij de afgelopen jaren uitvoerig met het onderwerp van radicalisering beziggehouden. Eerst in Jihad of verstandsverbijstering (2017), waarin ik de problematiek van terrorisme -individueel en collectief – mede vanuit psychiatrisch perspectief onderzocht. Vervolgens in Het algoritme van de waan (2023), waarin niet alleen complottheorieën aan bod kwamen, maar vooral ook de paranoïde denkstructuren van het nationaalsocialisme en de figuur van Hitler zelf. In beide gevallen koos ik voor een multidisciplinaire benadering, waarin geschiedenis, filosofie, psychologie en psychiatrie elkaar aanvulden.
Juist daarom valt het op dat de auteurs van dit boek over Poetin wel pleiten voor een brede benadering, maar het perspectief van de psychiatrie vrijwel geheel buiten beschouwing laten. Hoe komt dat? Vermoedelijk omdat de psychiatrie in dit domein een ongemakkelijke positie inneemt. Zodra men politieke leiders, massabewegingen of ideologische ontsporingen psychiatrisch duidt, dreigt al snel het verwijt van medicalisering: men zou politieke en historische fenomenen reduceren tot individuele stoornissen. Bovendien kent de psychiatrie haar grenzen. Zij kan geen diagnose stellen op afstand, laat staan over complete volkeren of tijdperken.
Toch schuilt daarin ook een vorm van intellectuele lafheid. Want wie de psychiatrie principieel buiten de deur houdt, miskent dat paranoia, narcisme, grootheidswaan, ressentiment en collectieve projectie wel degelijk een rol kunnen spelen in de geschiedenis. Niet als alles-verklarende sleutel, maar als noodzakelijke aanvulling. Geschiedenis zonder psychiatrie wordt al snel een opsomming van feiten; psychiatrie zonder geschiedenis een speculatief spel. Wie radicalisering werkelijk wil begrijpen, zal beide met elkaar moeten verbinden.
In The Dangerous Case of Donald Trump ( zie mijn blog van 11 april j.l.) spreken psychiaters zich openlijk uit over het gedrag van Trump. Wat hun bijdragen bindt, is minder een gedeelde diagnose dan een gedeelde ongerustheid. Impulsiviteit, een onverzadigbare behoefte aan bevestiging en een opvallend gebrek aan empathie worden daar niet opgevoerd als losse karaktertrekken, maar als elementen van een patroon dat, in combinatie met de macht van het presidentschap, potentieel ontwrichtend kan zijn. Daarmee verschuift het perspectief: niet langer staat de vraag centraal of iemand “geestelijk ziek” is, maar of zichtbaar gedrag met publieke gevolgen een collectieve verantwoordelijkheid oproept om daarover in het openbaar te spreken.
Die verschuiving raakt aan een fundamenteel dilemma van de psychiatrie. De zogeheten Goldwater Rule verbiedt het stellen van diagnoses op afstand, juist om het vak te beschermen tegen politieke instrumentalisering en gratuite speculatie. De auteurs van het boek over Trump erkennen die norm, maar menen dat uitzonderlijke omstandigheden een heroverweging rechtvaardigen. Hun beroep op een duty to warn maakt duidelijk dat zwijgen niet altijd gelijkstaat aan neutraliteit, maar soms ook een vorm van nalatigheid kan zijn.
Vanuit dat perspectief bezien krijgt ook het boek over Poetin een merkwaardige lacune. Natuurlijk valt Rusland niet te begrijpen vanuit de psyche van één man alleen. Geschiedenis, imperiale tradities, ressentiment na de val van de Sovjet-Unie, oligarchische machtsstructuren en geopolitieke factoren spelen allemaal een rol. Maar evenmin valt te ontkennen dat in autocratische systemen de persoonlijkheidsstructuur van de leider buitenproportioneel gewicht kan krijgen. Wanneer macht zich concentreert in één persoon, worden diens wantrouwen, grootheidsfantasieën, rancunes en obsessies al snel historische factoren. Wat bij een particulier karaktergebrek heet, kan op staatsniveau uitgroeien tot een catastrofe.
Waarom schrikken zoveel hedendaagse analyses voor dit perspectief terug? Uit angst voor simplificatie, vermoed ik. Men vreest dat psychiatrische duidingen de geschiedenis reduceren tot een klinisch dossier. Die vrees is begrijpelijk, maar niet doorslaggevend. Het alternatief — een benadering die de psychische dimensie principieel uitsluit — is minstens zo reductionistisch. Dan ontstaat een steriele wetenschap die structuren analyseert, maar blind blijft voor de mens die eraan de knoppen zit.
De conclusie kan daarom slechts luiden dat een serieuze analyse van radicalisering, dictatuur en politieke ontsporing drie registers moet bespelen: geschiedenis, sociale psychologie en psychiatrie. Geen van die drie volstaat op zichzelf, maar zonder de derde ontbreekt juist datgene wat in persoonscultussen en autocratieën beslissend kan worden: de pathologie van de macht. Wie dat niet onder ogen wil zien, loopt het risico de waanzin keurig te beschrijven, terwijl zij intussen gewoon doorgaat.
Waar is de tijd gebleven dat mensen massaal de straat opgingen om te protesteren tegen een waanzinnige oorlog aan de andere kant van de wereld? De tijd dat studenten veroordeeld werden omdat ze een spandoek uit hun raam hingen met “Johnson moordenaar”? Tijden veranderen, maar ook de macht verandert. Het begrip “de arrogantie van de macht” werd in 1966 wereldwijd bekend door J. William Fulbright, die het gebruikte als titel van zijn boek The Arrogance of Power.
Misschien wordt het tijd voor een vervolg op Fulbright: niet langer de arrogantie van de macht, maar de pathologie van de macht. Macht corrumpeert niet alleen, zij kan iemand ook geestelijk ziek maken – althans bij wie de macht ongecontroleerd uitoefent in een waanzinnige tijd. Wie Poetin of Trump bestudeert, ziet van zo’n ziekte de eerste symptomen. Maar als je gaat nadenken waar zo’n ziekte in eindigt, moet je vooral niet aan Hitler gaan denken. Dat was een geval apart – maar niet heus.
Je kunt hooguit zeggen dat er bij Poetin niet sprake lijkt van een duidelijk breukmoment waarop de radicalisering begon. Bij Hitler was dat mogelijk de verblinding door gifgas in een van de loopgraven de van de Eerste Wereldoorlog, een zeer dramatische ervaring die bij hem een geestelijke desoriëntatie teweegbracht, met daarop een wonderlijke psychiatrische behandeling die het radicalseringsproces onbedoeld in gang zette.
Hoe dan ook, ontluisterend is de analyse van Beatrice de Graaf en Niels Drost over de hypocriete wijze waarop Poetin het christendom en het verhaal van de Antichrist inzet om zijn machtsmanipulatie te legitimeren en te versterken. Ook hier dringt zich een parallel met Hitler op, hoe ongemakkelijk zulke vergelijkingen ook zijn. In 1934 bezocht Hitler de Passiespelen in Oberammergau, vermoedelijk om zich in de gunst te werken bij het christelijke deel van de Duitse bevolking. Dat gedramatiseerde verlossingsverhaal had hem kunnen leren dat niet alleen het verhaal van Jezus uitloopt op lijden en ondergang, maar dat vrijwel elke politieke reddingsoperatie die de wereld wil verlossen uiteindelijk in een fiasco eindigt. Mogelijk zag Hitler in de figuur van de Antichrist zelfs de glansrol van zijn eigen waan. Hoe dan ook: ook Poetin schuwt dit misbruik van religie allerminst.
Tot slot nog dit. De Graaf en Drost spelen in hun boek met de gedachte dat Poetin niet louter verstrikt is geraakt in een voortschrijdend proces van radicalisering – een ontwikkeling die uiteindelijk zelfs fatale gevolgen kan hebben wanneer hij, om zijn tsaristische droom overeind te houden, naar kernwapens zou grijpen. Overigens schetsen zij meerdere scenario’s voor een mogelijk eindspel, waaronder ook minder catastrofale varianten. Tegelijkertijd houden zij de mogelijkheid open dat Poetin niet slechts gelóóft in het narratief van zijn historische roeping, maar er ook bewust mee speelt. Zijn tsaristische droom zou dan ten dele een geënsceneerde waan kunnen zijn: een ideologisch decorstuk, dienstbaar gemaakt aan zijn honger naar macht.
Eenzelfde dubbelzinnigheid lijkt ook zichtbaar bij Donald Trump. Ook daar dringt zich de vraag op waar overtuiging eindigt en de berekening in een gespeelde rol begint. In hoeverre gelooft iemand werkelijk in zijn eigen mythe, en in hoeverre wordt die mythe strategisch ingezet om volgers te mobiliseren en macht te behouden?
Die wederkerigheid tussen waan en ‘het spelen met de waan’ roept onwillekeurig het spel van Hamlet in herinnering. Hamlet veinsde immers krankzinnigheid niet om zijn macht uit te breiden, maar om via die schijn een valstrik te zetten en het geweten van de koning te ontmaskeren. Jammer genoeg werken De Graaf en Drost deze intrigerende mogelijkheid niet verder uit. Een nadere historische verkenning – met voorbeelden van leiders die ideologie zowel geloofden als bespeelden – en een scherpere vergelijking tussen Trump en Poetin, maar ook met Hitler, had hun analyse nog aan kracht en diepgang kunnen winnen.

