Stilstaan bij het passeren van tijd

Daar ik onmogelijk kan weten wanneer mijn laatste uur zal slaan, en daar op zekere leeftijd de resterende ogenblikken niet meer als bezit maar als bruikleen worden verstrekt, lijkt het verstandig sommige zaken alsnog op papier te zetten. Niet uit ijdelheid, al zal die ook wel meespelen, maar uit vrees voor het onverhoedse verdwijnen dat elk verhaal onvoltooid laat. Schrijven is in zulke gevallen een uitgestelde vorm van spreken: men richt zich tot lezers die men niet kent, vanuit een tijd die men misschien niet meer zal meemaken. Het is een gesprek over de rand van het graf heen.

Wat mij altijd heeft beziggehouden, is de vraag wat tijd eigenlijk is. Niet de tijd van klokken, agenda’s en dienstregelingen, maar de beleefde tijd: de stroom waarin verleden, heden en toekomst zich tot een leefbare orde voegen. Ik heb vaak vermoed dat die orde minder vanzelfsprekend is dan wij denken. Misschien is tijd geen objectieve bedding waarin wij ons voortbewegen, maar een constructie van het brein, een gewoonte van het bewustzijn. Wij leren de dagen rangschikken, gebeurtenissen te plaatsen, oorzaken en gevolgen te verbinden. Zo ontstaat de indruk van continuïteit. Maar zodra die innerlijke ordening ontregeld raakt, blijkt hoe broos zij is.

In een psychotische toestand kan juist dat gebeuren. De vertrouwde sequentie van vroeger, nu en straks valt uiteen. Gebeurtenissen verliezen hun vaste plaats en beginnen door elkaar heen te lopen. Getallen, woorden, data en tekens krijgen nieuwe, vaak dwingende betekenissen. Toeval bestaat niet meer; alles verwijst naar alles. Het heden wordt overbelast met betekenis, terwijl verleden en toekomst zich er als schaduwen doorheen bewegen. Men leeft niet langer in de tijd, maar in een tijdstorm.

Dat heeft niet alleen een psychiatrische, maar ook een filosofische betekenis. Want als de tijd in uitzonderlijke bewustzijnstoestanden zo radicaal kan veranderen, dan rijst de vraag of tijd überhaupt wel een vaste eigenschap van de werkelijkheid is. Misschien is zij eerder een vorm waarin wij de werkelijkheid ontvangen. Wat wij gewoonlijk voor vanzelfsprekend houden, blijkt dan een mentale prestatie. Zodra die prestatie hapert, opent zich een andere wereld.

Ik draag de herinnering aan zo’n andere wereld al decennia met mij mee. Niet als een doctrine, ook niet als een romantische verheerlijking van de waanzin, maar als een ervaring die niet geheel oplost in medische verklaringen. Natuurlijk, men spreekt terecht over neuro-chemische ontregeling, dopamine, stress, erfelijkheid en kwetsbaarheid. Daar valt veel voor te zeggen. Maar wie ooit van binnenuit heeft meegemaakt hoe de werkelijkheid ingrijpend van structuur kan veranderen, weet dat zulke verklaringen niet het hele verhaal vertellen. Zij beschrijven mechanismen, niet de ervaring zelf.

Wat mij vooral is bijgebleven, is het gevoel dat er twee tijden naast elkaar bestonden. Enerzijds was er de gewone tijd: de klok, de dagindeling, de opeenvolging der dingen. Anderzijds was er een geladen tijd, een tijd waarin elk ogenblik beslissend leek. Alsof achter de gewone minuten een tweede ritme klopte. De oude Grieken maakten onderscheid tussen chronos, de meetbare tijd, en kairos, het beslissende ogenblik. In psychotische ervaring kan die kairos zich opdringen met een intensiteit die zowel verheffend als vernietigend is. Men meent dat er iets staat te gebeuren, dat een verborgen patroon zich onthult, dat de geschiedenis zelf op een kantelpunt staat.

Dat hoeft niets bovennatuurlijks te betekenen. Het kan eenvoudigweg een extreme vorm zijn van menselijke betekenisdrang. Wij willen dat ons leven ergens op uitloopt, dat losse feiten samenhang krijgen, dat lijden niet zinloos is. In gewone omstandigheden houden wij die verlangens binnen de grenzen van redelijkheid. In een psychose verdwijnen die grenzen. Dan wordt alles teken, boodschap, opdracht.

Ook het schrijven kan daarin een rol spelen. Ik herinner mij een toestand waarin taal niet langer een middel was om gedachten uit te drukken, maar een kracht die zelf dacht. Zinnen kwamen op gang zonder plan maar ook zonder enige remming. Schrijven werd een gebeurtenis in plaats van een handeling. Het was niet alsof ik stemmen hoorde, maar alsof de taal zich van mij ging bedienen. Ik werd geschreven  Achteraf kun je dit duiden als: associatieve ontremming, grootheidsideeën, verlies van kritisch vermogen. Dat zal waar zijn. Maar op het moment zelf ervaar je het als een openbaring.

En juist daarin schuilt het gevaar. Wie meent rechtstreeks toegang te hebben tot de waarheid, verliest de corrigerende weerstand van de twijfel. En twijfel is vaak gezonder dan een goddelijke vorm van inspiratie. Zonder twijfel wordt je de profeet van je eigen mentale ontregeling. Je kunt je dan geroepen voelen de wereld te redden, terwijl je nauwelijks nog jezelf bijeen kunt houden. De grens tussen religie en psychiatrie is soms vager dan je denkt. Extreme religieuze ervaringen brengen je in het klooster, op het slagveld of in het gekkenhuis. Deze ervaringen hebben religies van start doen gaan, maar ook bloedige oorlogen ontketend.

Na afloop volgt dan de reconstructie. Wat is er werkelijk gebeurd? Welke inzichten waren waardevol, en welke waren een waan? Wat kwam voort uit een ontregeld brein, en wat uit reële existentiële vragen die door de ontregeling slechts werden uitvergroot? Zulke vragen laten zich zelden definitief beantwoorden. Herinneringen vervormen, verhalen herschrijven zichzelf. Toch blijft de poging tot reconstructie nodig, al was het maar om niet geheel opgesloten te raken in het medische dossier of in de mythe van het genie.

Mijn eigen waanervaring als jonge man heeft altijd dubbelzinnig gevoeld. Mogelijk voorkwam zij ernstige ongelukken zowel bij mijzelf als met anderen. Mogelijk bood zij bescherming in een gezin dat onder zware spanning stond door de terminale ziekte van mijn vader, mijn naderende eindexamen en allerlei onderhuidse conflicten die al langer speelden. Maar tegelijk brak de psychose pas echt door binnen de muren van het gesticht, waar medicijnen en isolatie een nieuwe werkelijkheid creëerden. Wat genezing was en wat vervreemding, is achteraf moeilijk te scheiden. De psychiatrie van toen handelde vaak doortastend, maar niet altijd fijnzinnig.

Als ik mijn medisch dossier nu nog eens doorlees, zie ik niet mijzelf  terug, maar het beeld dat anderen van mij maakten. Gesprekken met familieleden, observaties van artsen, notities in een haastig handschrift: het vormt een portret waarin feiten, interpretaties en tijdgebonden aannames behoorlijk door elkaar lopen. Zo verschijnt een katholiek gezin met nogal oudeouders, een zwijgzame vader, een beschermende moeder, zeer mondige zusters, een een overgevoelige jongste zoon. Er zal veel van kloppen. Toch is een mens samen niet samen te vatten  in een casusbeschrijving.

Misschien verklaart juist die gezinssituatie iets van mijn latere fascinatie voor het mysterie van de tijd. Ik groeide op in een wereld die al aan het verdwijnen was: het naoorlogse katholicisme, de vanzelfsprekende hiërarchieën, en het geloof in vaste waarheden. Terwijl buiten de secularisering razendsnel op gang kwam, leefde binnenhuis nog een ouder ritme voort. Ik stond met één been in een uitdovende orde en met het andere in een nieuwe, onzekere wereld. Zo’n snelle overgang maakt je ontvankelijk voor een breuk in de ervaring van tijd.

Ook de moderne natuurkunde voedt zulke gedachten. Zij leert ons dat ruimte en tijd minder solide zijn dan het gezond verstand vermoedt. Op kosmische schaal kromt ruimte, op kwantumniveau vervagen klassieke zekerheden. Sommige theorieën speculeren zelfs over meerdere werelden of parallelle toestanden. Je moet voorzichtig zijn zulke ideeën niet goedkoop te verbinden met de psychotische ervaring. Een waan is geen natuurkundige hypothese. Toch is het opmerkelijk dat ook de wetenschap ons dwingt het alledaagse wereldbeeld anders te zien dan zoals wij het ervaren.

Wij doen graag alsof de werkelijkheid éénduidig, stabiel en transparant is. Maar misschien is zij veel gelaagder, vreemder en afhankelijker van het perspectief van waaruit je kijkt. Een psychose toont daarvan een ontspoorde variant: geen diepere waarheid, maar een excessieve ontregeling van je vermogen om waarheden te ordenen. Zij is niet heilig en niet heroïsch, maar ook niet louter betekenisloos. Zij onthult indirect hoeveel arbeid het kost om normaal te zijn. Ooit een gek mens gezien? Ik hou van gekke mensen.

Wat blijft er dan over van zo’n ervaring van waanzinnig zijn? Geen boodschap voor de mensheid. Geen geheim kosmisch inzicht. Eerder een besef van kwetsbaarheid. Het bewustzijn, dat wij zo achteloos als vanzelfsprekend gebruiken, is in wezen een fragiel instrument. Tijd, identiteit, werkelijkheid: het zijn geen betonnen fundamenten, maar dynamische constructies die zomaar kunnen gaan scheuren. Pats, en je bent in de hemel. Poets, en je bent in de hel.

En toch schuilt in die ongewisheid ook iets bevrijdends. Wie eenmaal heeft ervaren dat de alledaagse orde niet absoluut is, kijkt milder naar zichzelf en anderen. Je begrijpt beter hoe dun de wand is tussen redelijkheid en verdwalen, tussen zekerheid en verwarring, tussen God en de Duivel. Je leert inzien dat mensen soms niet dwaas zijn omdat zij te weinig denken, maar omdat zij te veel betekenis in zich op moeten nemen. Als de hersenpan overkookt, zie je het schuim der aarde.

Schrijven blijft voor mij de manier om dat soort ervaringen een vorm te geven zonder eraan ten onder te gaan. Op papier kan de chaos voortdurend worden herschikt, zonder dat zij geheel in het niet verdwijnt. Dat is misschien ook alles wat het schrijven van een blog met je kan doen: geen waarheden vastleggen, maar een leefbare afstand scheppen tot wat ooit te nabij kwam.

Het enige wat overblijft is een spoor van woorden dat nog even doorloopt nadat de schrijver verdwenen is. Niet te lang, want schrijven is slechts uitstel van executie. Ook wie schrijft is niets meer dan een passant in de tijd. Maar wel een passent die de tijd neemt om even stil te staan bij het passeren van de tijd. Onderwijl neemt ook de tijd zijn tijd.

.