Het onlangs verschenen boek The Dangerous Case of Donald Trump laat zich lezen als een uitzonderlijke interventie in een uitzonderlijke tijd: een poging van psychiaters om het gedrag van Donald Trump niet alleen politiek, maar ook psychologisch te duiden. Wat heeft de psychiatrie met de geestelijke gezondheid wereldleiders van doen? Die bemoeienis is niet nieuw. De gedachte, dat het verwrongen wereldbeeld van Poetin mogelijk mede veroorzaakt wordt door een psychische stoornis, kwam eerder al naar voren in een rapport van het Pentagon uit 2008. Daarmee komt een parallel in beeld met het rapport dat in 1943 door Amerikaanse psychiaters werd opgesteld over de psychische gesteldheid van Adolf Hitler.
Wat de bijdragen van psychiaters in dit boek over Trump bindt, is minder een gedeelde diagnose dan een gedeelde ongerustheid. Impulsiviteit, een onverzadigbare behoefte aan bevestiging en een opvallend gebrek aan empathie worden in dit boek niet opgevoerd als losse kenmerken, maar als elementen van een patroon dat – in combinatie met de macht van het presidentschap – potentieel ontwrichtend kan zijn. Daarmee verschuift het perspectief: niet langer staat de vraag centraal of een individu “ziek” is, maar of zichtbaar gedrag, wanneer het publieke gevolgen heeft, een collectieve verantwoordelijkheid oproept om hierover in het openbaar te spreken.
Die verschuiving raakt aan een fundamenteel dilemma van de psychiatrie. De zogeheten Goldwater Rule verbiedt het stellen van diagnoses op afstand, juist om de integriteit van het vak te beschermen tegen politieke instrumentalisering en speculatie. De auteurs van het boek erkennen deze norm, maar stellen dat de uitzonderlijke omstandigheden – een president wiens gedrag zich onafgebroken in het volle daglicht afspeelt en directe geopolitieke consequenties heeft – een heroverweging rechtvaardigen. Hun beroep op een “duty to warn” suggereert dat zwijgen in dit geval geen neutraliteit is, maar een vorm van nalatigheid. Wanneer gevaar zich publiekelijk manifesteert, zo luidt de impliciete redenering, kan de verplichting om te waarschuwen zwaarder wegen dan de verplichting tot terughoudendheid.
Maar precies daar begint de onzekerheid die het boek, misschien onbedoeld, blootlegt. Want wat als die plicht tot spreken niet alleen wordt ingegeven door een professionele zorg, maar ook door een politieke overtuiging? Critici hebben erop gewezen dat de grens tussen analyse en stellingname in deze context moeilijk te bewaken is. Zonder direct onderzoek, en zonder een klinische context en zonder wederhoor wordt elke interpretatie onvermijdelijk speculatief. Wat gepresenteerd wordt als een patroon, kan evenzeer gelezen worden als een projectie. In plaats van helderheid te scheppen, dreigt zo een vorm van kennis te ontstaan die zich aan haar eigen toetsbaarheid onttrekt. De psychiatrie begeeft zich dan op een terrein waar haar autoriteit tegelijk wordt ingeroepen en ondermijnd.
Deze paradox — spreken als plicht en spreken als overschrijding — krijgt een onverwachte verdieping wanneer we het gedrag van Trump niet alleen klinisch, maar ook dramaturgisch gaan beschouwen. Het is verleidelijk, en misschien ook wel verhelderend, om hem te zien door de ogen van Luigi Pirandello en diens toneelstuk Hendrik IV. In dat stuk wordt een man opgevoerd die na een val van zijn paard in de waan verkeert dat hij de middeleeuwse keizer Hendrik IV is. Hij leeft in een zorgvuldig geënsceneerd hof, omringd door mensen die zijn illusie in stand houden. Wat begint als een ziekte, wordt gaandeweg een rol – een identiteit die niet langer eenvoudig kan worden afgelegd, omdat zij de hoofdpersoon bescherming biedt tegen een grote leegte die zou ontstaan als hij zich ‘normaal’ zou gaan gedragen.
De parallellen die zich aandienen met ‘het geval Trump’ zijn ongemakkelijk omdat zij niet eenduidig zijn. Ook hier zien we een figuur die een werkelijkheid naar zijn hand lijkt te zetten, die feiten herschrijft alsof het verhaallijnen zijn en die zich omringt met een hofhouding van ja-knikkers. Loyaliteit en afhankelijkheid raken verstrengeld, en wat aanvankelijk nog als spel kan worden opgevat, krijgt gaandeweg de ernst van een sluitend systeem. De grens tussen fictie en werkelijkheid vervaagt, niet alleen voor degene die de rol speelt, maar ook voor degenen die haar bevestigen. In die zin is de vraag of Trump “gelooft” wat hij zegt misschien minder relevant dan de constatering dat zijn uitspraken functioneren als waarheid binnen de ruimte die hij zelf heeft gecreëerd.
Waar de psychiaters in het boek The Dangerous Case of Donald Trump deze dynamiek proberen te vangen in termen van persoonlijkheidsstructuren en gedragskenmerken, biedt Pirandello een ander vocabulaire: dat van rol, maskerade en zelfbedrog. Zijn Hendrik IV is niet eenvoudig krankzinnig; hij is iemand die zich bewust wordt van de leegte achter zijn identiteit en ervoor kiest die leegte te maskeren met een rol die absolute betekenis suggereert. Die keuze is tegelijk een vlucht en een strategie. Zij maakt hem onaantastbaar, maar ook een gevangene van zijn eigen spel. Wie hem confronteert met de werkelijkheid, bedreigt niet alleen zijn illusie, maar ook zijn bestaan als zodanig. Wie het toch probeert, krijgt de volle laag. De waan duldt geen tegenspraak, ook de gespeelde waan duldt dat niet.
Als we deze dramaturgische logica toepassen op de politieke werkelijkheid, ontstaat een ongemakkelijke gedachte: dat de “waan” waarover gesproken wordt niet uitsluitend in het individu besloten ligt, maar mede wordt geproduceerd door de omgeving die haar mogelijk maakt. De hofhouding van adviseurs, mediafiguren en volgelingen is geen toevallige entourage, maar een constitutief onderdeel van het geheel. Zonder hun bevestiging zou de rol instorten; met hun bevestiging wordt zij werkelijkheid. In dat opzicht verschuift de vraag opnieuw: niet alleen wat er met Trump aan de hand is, maar wat er met de samenleving aan de hand is die hem voortbrengt en ondersteunt.
Hier raken de twee perspectieven – het psychiatrische en het dramaturgische – elkaar. Beide proberen grip te krijgen op een fenomeen dat zich onttrekt aan eenvoudige categorieën. Beide lopen daarbij tegen grenzen aan: de ene tegen de grenzen van professionele ethiek en empirische toetsbaarheid, de andere tegen de grenzen tussen fictie en werkelijkheid. En beide suggereren – zij het op verschillende manieren, – dat de kern van het probleem niet volledig kan worden gelokaliseerd in één persoon. Er is sprake van een veld van samenwerkende krachten, een netwerk van verwachtingen, verlangens en projecties waarin individu en collectief elkaar wederzijds versterken.
Daarin ligt mogelijk ook de reden waarom de controverse rond dit boek over de geestelijke conditie van Trump zo hardnekkig is. Het gaat niet alleen om de vraag of de analyses wel kloppen, maar om de implicaties van deze vorm van spreken over een publiek persoon. Wie Trump psychologisch duidt, positioneert zich niet alleen als expert, maar ook als deelnemer aan een strijd om betekenis. Tegelijkertijd kan de correcte weigering om te duiden worden opgevat als een vorm van medeplichtigheid aan een werkelijkheid die zich steeds verder loszingt van toetsbare feiten. Tussen die twee posities — spreken of zwijgen — gaapt een ruimte waarin elke vorm van zekerheid ontbreekt.
Die onzekerheid wordt nog vergroot wanneer we erkennen dat de aantrekkingskracht van de “rol” die Trump speelt niet losstaat van bredere politieke en maatschappelijke structuren. In een wereld waarin politiek en entertainment steeds meer in elkaar overlopen, waarin sociale media functioneren als permanente podia, en waarin identiteit voortdurend wordt geënsceneerd, is de figuur van de leider die zijn eigen werkelijkheid creëert minder uitzonderlijk dan hij lijkt. Hij is, in zekere zin, een extreme manifestatie van tendensen die al langer aanwezig zijn. De illusie is niet alleen de zijne; zij is ingebed in een collectieve behoefte aan eenvoudige verhalen, duidelijke vijanden en een gevoel van controle over een werkelijkheid die steeds ongrijpbaarder wordt.
Daarmee keert de vraag in een andere gedaante terug. Is Trump een anomalie die om een uitzonderlijke reactie vraagt, zoals de auteurs van het boek suggereren? Of is hij eerder een symptoom van een bredere verschuiving, een spiegel waarin een samenleving haar eigen neiging tot zelfbedrog herkent? In het eerste geval ligt de nadruk op correctie en waarschuwing; in het tweede op reflectie en zelfonderzoek. Maar beide perspectieven sluiten elkaar niet uit. Integendeel, zij versterken de ambiguïteit van de huidige situatie. We leven steeds meer in een wereld waarin nite aleen de werkelijkheid, maar zelfs de waarheid een theatraal karakter krijgt.
Wat uiteindelijk overblijft, is geen sluitend oordeel, maar een reeks ingewikkelde vragen. Wanneer wordt expertise een vorm van activisme, en wanneer is activisme een noodzakelijke uitbreiding van expertise? Wanneer wordt een rol zo dominant dat zij de werkelijkheid begint te vervangen, en wie is er dan nog in staat haar te doorbreken? En misschien de meest ongemakkelijke vraag: in hoeverre zijn wij zelf betrokken bij het in stand houden van de illusies die wij menen te bekritiseren?
In die zin is de meest intrigerende bijdrage van The Dangerous Case of Donald Trump niet zozeer de impliciete diagnose die het suggereert, maar de onzekerheid die het blootlegt. Het laat zien hoe fragiel de grenzen zijn tussen kennis en interpretatie, maar ook tussen werkelijkheid en verbeelding. En het confronteert ons met de mogelijkheid dat wat wij als een afwijking beschouwen, ook een uitvergroting kan zijn van iets waar wij zelf deel van uitmaken. Zoals bij Pirandello’s keizer blijft de vraag hangen of de waanzin zich bevindt in degene die de rol speelt, of in de wereld die hem die rol laat spelen, en nodig heeft om haar eigen leegte niet onder ogen te hoeven zien.
