
“Het boek The Sexuality of Christ heeft de manier veranderd waarop wij naar bepaalde kunstwerken kijken. De ‘moderne vergetelheid’ uit Steinbergs ondertitel duidde juist daarop : eeuwen waarin het centrale gegeven van Christus’ fallus op honderden renaissanceschilderijen over het hoofd werd gezien, ontkend of soms zelfs netjes weggepoetst. Steinberg noemt verschillende voorbeelden waarbij Christus’ geslachtsdelen zijn overschilderd of bijgewerkt zodat ze slechts als een vage waas zichtbaar bleven. In één geval maakten de gebroeders Alinari, beroemd om hun fotografische reproducties van schilderijen, waarschijnlijk in het midden of einde van de negentiende eeuw de penis van het Christuskind zwart op hun foto van een vijftiende-eeuwse Madonna met Kind van Giovanni Bellini. Zulke censuur was volgens Steinberg bedoeld om de aandacht af te leiden van een ongemakkelijke theologische premisse: een verontrustende verbinding tussen goddelijkheid en seksualiteit.”
Aldus schreef Lee Siegel in zijn artikel Pope Francis and the naked Christ, dat enkele jaren geleden verscheen in The New Yorker. En inderdaad: hoe zat het eigenlijk met de seksuele geaardheid van de Verlosser? Een vraag waarvan men in nette kring meestal doet alsof zij niet bestaat, om haar vervolgens des te vuriger achter gesloten deuren te bespreken.
Persoonlijk ben ik minder geïnteresseerd in de vraag op wie Christus eventueel een erectie had kunnen krijgen – dan in de historische onderdrukking van seksualiteit door de Kerk. Maar toch blijft er een hardnekkig probleem knagen. Als God werkelijk mens is geworden, dan moet Hij ook deel hebben gehad aan de ongemakken en verrassingen van het mens-zijn. Dus ja: ook aan lichamelijke reacties waar catechismussen zelden uitvoerig op ingaan. Zonder lichamelijkheid geen incarnatie; hooguit een keurige administratieve versie ervan.
Dat Christus een lichaam had, valt op menig renaissanceschilderij met eigen ogen waar te nemen. Al zijn sommige details later zorgvuldig verstopt achter strategisch geplaatste doekjes, wolkjes of een penseelstreek van postume kuisheid. Men kan zich afvragen: waarom al die preutsheid ? Een almachtige God die hemel en aarde schiep, maar bezwijkt voor anatomische correctheid – dat blijft een merkwaardige zaak.
Seks en spiritualiteit zijn in de eerste eeuwen van het christendom gaandeweg elkaars tegenpolen geworden, terwijl dat oorspronkelijk allerminst vanzelfsprekend was. Niet alleen de Kerk als instituut draagt daarvoor verantwoordelijkheid; de hele late oudheid kende een diep wantrouwen jegens het lichaam en de seksualiteit. Peter Brown heeft dat overtuigend laten zien in zijn studie The Body and Society. De vervolmaking van het hart werd gekocht met de afschrijving van het lichaam. Alsof liefde zich zou kunnen ontwikkelen zonder erotiek met al zijn lichamelijke consequenties.
Die oude verblinding werpt nog altijd schaduwen over het katholicisme: de moeizame omgang met homoseksualiteit, geboorteregeling en condooms spreekt boekdelen. Het lichaam blijft verdacht, alsof het permanent op heterdaad kan worden betrapt. Alleen via seksuele onthouding zou het hart echt zuiver kunnen worden. Het is een idee dat al in het Oude Testament opduikt, waar de profeet Ezechiël spreekt over een nieuw hart en een nieuwe geest. Mooie woorden, al blijft het opvallend dat een hart van steen kennelijk eenvoudiger te vervangen is dan een erkenning van de lichamelijke aantrekkingskracht. Die kracht is blijkbaar polair aan de zuigkracht van het bovennatuurlijke.
Hoe dan ook, toen God mens werd, ontstond een praktisch-theologisch dilemma. In 1983 veroorzaakte kunsthistoricus Leo Steinberg behoorlijke opschudding met zijn boek The Sexuality of Christ and Modern Oblivion. Hij wees erop dat Christus op tal van renaissanceschilderijen nadrukkelijk lichamelijk wordt weergegeven. Bij Maarten van Heemskerck bijvoorbeeld verschijnen meerdere Ecce Homo’s waarin de lichamelijke realiteit moeilijk te missen valt. Een erectie is een erectie, daar helpt geen lieve moeder aan, zelfs Maria niet.
Steinberg sprak van het ostentatio genitalium: het openlijk tonen van Christus’ geslacht als bewijs van zijn volledige menswording. Kunsthistorici hadden daar eeuwenlang omheen gekeken. De eigenlijke vraag was theologisch van aard: was de mens geworden Christus ook vrij van de erfzonde? Anders gezegd: moest zijn lichaam worden voorgesteld in een staat vóór of ná de zondeval? Volgens Augustinus kende Adam in het paradijs nog de volledige beheersing over zijn drift. Het lichaam gehoorzaamde de wil. Een erectie was dus ondenkbaar in het Paradijs. Na de zondeval werd het lichaam zelfstandig ondernemer.
Daarmee ontstond ook de schaamte. Adam en Eva grepen naar het vijgenblad, dat sindsdien een glanzende carrière in de kunstgeschiedenis heeft doorgemaakt. Wat eerst natuurlijk was, werd ineens problematisch. Men zou kunnen zeggen: de mens verloor het paradijs en won de preutsheid.
Er speelde nog iets mee. Het was bekend dat gehangenen en gekruisigden soms een erectie kregen vlak voor de dood. Dat gegeven botste frontaal met de christelijke overtuiging dat Christus’ lijden juist het toppunt van zuiverheid en verlossing vertegenwoordigde. De vraag of men op een kruisiging een erectie mocht afbeelden was dus niet louter een pikante curiositeit, maar een serieus punt van debat voor geleerde mannendie vermoedelijk meenden met hogere zaken bezig te moeten zijn.
In onze seculiere tijd lijken zulke kwesties absurd en ver weg. Toch is de onderliggende problematiek verrassend actueel. Ook nu blijft menselijk lijden een onweerstaanbaar schouwspel. Rampen, aanslagen en oorlogen worden eindeloos bekeken, gedeeld en herhaald. Het kruis is vervangen door het scherm, maar het kijken is gebleven. Susan Sontag wees daar scherp op in Kijken naar de pijn van anderen. In de moderne wereld verbinden wij lijden eerder met toeval, ongeluk en noodlot dan met zoiets als verlossing. Maar de fascinatie is niet verdwenen. Zij heeft slechts nieuwe kledij aangetrokken.
Met het verdwijnen van de christelijke lijdensmystiek is de cultivering van pijn verhuisd naar sport, fitness, lifestyle, tatoeages, piercings en cosmetische chirurgie. Men geselt zichzelf tegenwoordig vrijwillig, zij het ongemerkt door op de sportschool zichzelf te folteren totaan de pijngrens Daarnaast is er de overvloed aan geweld in films, series en games. De behoefte aan gruwelijke beelden van pijn blijkt onverwoestbaar; alleen de verpakking wordt steeds luxer.
Toch blijft de lijdende Christus misschien wel het ultieme beeld van pijn en extase. De kunst van de Contrareformatie dreef de theatrale kruisiging tot grote hoogten. Elke moderne verbeelding van Golgotha citeert onvermijdelijk tweeduizend jaar beeldtraditie, of men dat nu wil of niet. Dat geldt zeker voor The Passion of the Christ van Mel Gibson. De film presenteerde het lijden als een ultiem spektakel, in feite een barok schilderij in bewegend beeld. Maar in een spektakelmaatschappij verandert religie haast vanzelf in entertainment. Zelfs devotie krijgt tegenwoordig trailers. Binnen kort in dit theater: de laatste overschrijding van de pijngrens.
In de Barok vlamde het christendom op in een fantasmagorie van geweld, genot, pijn en martelaarschap. Dat vuur is inmiddels verspreid over de hele cultuur. De seksualiteit van Christus is opgelost in onze algemene obsessie met kreunende lichamen. Zoals Manuel Castells zei: wij zijn in de media en de media zijn in ons. Dat kun je vertalen in: wij zijn in de pijn en de pijn zit in ons.
Zo bezien zit ook die oude, zorgvuldig weggepoetste erectie nog altijd ergens in ons collectieve bewustzijn. Niet als dogma, maar als symptoom. Het Woord is vlees geworden, en wij kijken nog steeds of dat ook werkelijk waar is. Soms devoot, soms gegeneerd, maar meestal nieuwsgierig. En altijd met de vaste overtuiging dat wij zélf natuurlijk boven zulke dingen staan. Dat is misschien wel de grootste illusie die de religie als erfenis heeft nagelaten in het spektakel van de pijn.