Totdat de muur valt

Alfred Schmidt, 9 november, ets, 1989.

Teksten, die ik ooit geschreven heb, roepen bij het herlezen bij mij herinneringen op die met alle fijnheid zoals de feiten waren de werkelijkheid doen herleven. Deze tekst schreef ik ooit eerder, maar door hem te herlezen komen de feiten pregnanter dan ooit in mijn geheugen terug. Herinneren is letterlijk wat het woord zegt. Het verleden wordt ‘inniger’ als het terugkeert in het heden. Op 9 november 1989 viel de Berlijnse Muur. Dat gebeuren heb ik nauwelijks beleefd, hoewel ik me de negende november van 1989 nog goed kan herinneren. Die datum staat nog altijd op een kleine ets die ik in 1991 kreeg  van Alfred Schmidt in Potsdam, een kunstenaar wiens huis zich dichtbij ‘Der Mauer’ bevond. Sinds de oprichting van de Muur in 1961 had hij elke dag een etsje gemaakt van de Muur, met een datum erop. Daar was hij mee doorgegaan totdat de Muur viel. Ik kreeg er een mee van hem, samen met een stukje prikkeldraad en beton van de Muur. Dat stukje prikkeldraad ligt nu nog altijd bij mij in de vensterbank.

Op 9 november 1989 was ik zelf een dagje in Amsterdam, omdat de instelling waar ik destijds werkzaam was – De Fryske Kultuerried – een personeelsreisje naar Amsterdam had georganiseerd. Zo kon het gebeuren dat ik pas de volgende dag het nieuws uit Berlijn hoorde. Voor mij was die negende november in alle opzichten een perfecte dag. Ik heb rondgedwaald door Amsterdam. ’s Middags bezocht ik nog even mijn schoonvader in het bejaardentehuis in de Roeterstraat, waar later Ramses Shaffy terecht zou komen.

Ik kocht een boek bij De Slegte in de Kalverstraat. Het was een splinternieuw boek en het verbaasde mij dat het hier al bij De Slegte lag. De titel: The Donstruction of Time en het was geschreven door een zekere David Wood die als senior lector verbonden was aan de universiteit van Warwick. Het boek ging over de tijd bij Husserl, Heidegger en Derrida. Die avond gingen we met zijn allen naar Carré, waar Freek de Jonge optrad met zijn nieuwe onemanshow. De running gag van zijn optreden was een liedje dat steeds weer op het toneel gedraaid werd: Perfect Day van Lou Reed. Ook Freek wist niet dat die avond in Berlijn de Muur zou vallen.

Ik heb het boek The Deconstruction of Time daarna gelezen, maar dat was geen gemakkelijk opgave. Het thema fascineerde mij omdat het iets te maken had met mijn dagelijkse obsessie: schrijven. Al decennia lang ben ik elke dag aan het schrijven, en sinds 12.5 jaar op internet. Zoals de kunstenaar Alfred Schmidt in Postdam elke dag een ets van de Berlijnse muur maakte, met een datum erin, zo schrijf ik nu elke dag een blog. Bloggen is voor mij een manier om de demonen uit te drijven. Elke dag plaats ik een eindige tekst in een denkbeeldige ruimte zonder begin of eind.

Ooit ben ik met bloggen begonnen omdat in mijn brein de balans tussen de input en de output van woorden verstoord was geraakt. Het is een kwestie van spijsvertering. Wat erin komt moet er ook weer uit, zij het in een andere vorm. Zo niet, dan krijg je verstopping en dat moeten we niet hebben. Lang heb ik gedacht dat je iets op moet schrijven, als je het wilt onthouden. Veel mensen denken nog altijd dat dit zo is. Zo maken ze aantekeningen van alles en nog wat. Sommigen houden zelfs een dagboek bij om te voorkomen dat ze vergeten wat ze meegemaakt hebben.

Zelf heb ik ook jarenlang een dagboek bijgehouden, maar bij het teruglezen merkte ik dat ik vrijwel alles vergeten was, juist omdat ik het had opgeschreven. Ik durf dan ook met een gerust hart de stelling te poneren, dat mensen dingen niet opschrijven om te onthouden, maar om te vergeten. Zodra iets op papier staat, wordt de inhoud van het genoteerde uit het geheugen gewist. Schrijven is primair een ontlasting van het brein. Letterlijk zelfs. Wie schrijft is aan de schijterij. Door te schrijven worden de mentale ingewanden gereinigd. Wat resteert is het opgeluchte gevoel dat ook een goede stoelgang teweeg kan brengen.

Soms denk ik wel eens dat het schrijven door de mens is uitgevonden vanuit een behoefte om te vergeten. Het geheugen heeft zich niet geformeerd bij de geboorte van het schrift, maar omgekeerd: de eerste schrifttekens waren rituele markeringen die bedoeld waren om een geestelijke inhoud uit het brein te verdrijven. Het schrift is ontstaan uit een diep gevoelde drang om de ‘demonen van de geest’ uit te drijven. Het schrift is dus in wezen een excorcistisch ritueel. Deze magische oorsprong van het schrift lijkt door sommige antropologische ontdekkingen bevestigd te worden. De eerste tekens stonden in dienst van de tovenarij. Het teken zuigt iets van de geest in zich op om een ‘betekenis’ te kunnen worden en als zodanig aan het brein te ontsnappen.

Taal zit in ons brein. Het is een mentaal gebeuren. Dat wil zeggen, dat taal in onze cultuur verbonden met is met wat je ‘mentalisme’ zou kunnen noemen, een manier van denken die we hebben geërfd van de oude kerkvader Augustinus. Mentalisme houdt in dat alle uitdrukkingen van de taal een verwijzende functie hebben, maar tegelijk dat dit verwijzen een proces is dat zich afspeelt in de geest. Taal is voor een groot deel geestelijk. Of beter gezegd, onze geest is taal. Door de taal hebben we een binnenkant. Maar ook natuurlijk een buitenkant. Woorden staan voor dingen in de werkelijkheid. En als je woorden aan elkaar plakt krijg je volzinnen die staan voor situaties opgebouwd uit allerlei dingen uit de werkelijkheid.

Voordat het eerste teken kon gaan ‘betekenen’, moest er een brug geslagen worden tussen de binnenwereld van de mens en iets dat zich daarbuiten zou bevinden. Of beter gezegd, met iets dat door het betekenen van het teken een ‘buiten’ werd. Een teken slaat geen brug tussen de geest ‘binnen’ en het betekende ‘buiten’, maar de brug zelf is gedeeltelijk ook geest. Het proces van het betekenen is in oorsprong magisch. In het teken wordt iets van de geest naar buiten geworpen. De act van de taal is een ‘extasis’. Het teken steekt uit in de wereld. De geest komt uit de fles.Tekenen is betekenen, dat wil zeggen: het beheksen van de wereld met taal.

In dit licht bezien wordt elke gedachte die ik opschrijf een ontsnappings
poging uit mijn eigen brein. De binnenwereld van mijn brein is even werkelijk als de 
buitenwereld, maar toch blijven het twee gescheiden continenten die niet met woorden, die in de taal hun eigen werkelijkheid hebben, 
overbrugd kunnen worden. Alleen een gedachte, die in taal wordt verwoord, zou een brug te 
kunnen slaan, hoewel geen enkele gedachte tot nog toe de pijlers van die brug tussen binnen en buiten in beeld heeft kunnen brengen. Ook vandaag de dag weet niemand wat er 
werkelijk in ons brein gebeurt bij het verwoorden van een gedachte. Laat staan, bij het verwoorden van een nieuwe gedachte, iets wat nog nooit eerder gedacht is.

Ik ben geboren in een tijd waarin men dacht dat alles nieuw en echt moest zijn. Sterker nog, het nieuwe viel samen met de tijd zelf. Het nieuwe was een voortdurend proces van presentatie. Met het postmodernisme kwam de grote ommekeer: het nieuwe werd opeens het besef dat juist de herhaling altijd weer iets nieuws oplevert. Het nieuwe werd dus voortaan de re-presentatie. Evenals de Barok was het postmodernisme in diepste wezen een fase van rouw om een verdwenen samenhang, een eindeloos proces van recycling van fragmenten en brokstukken.

De nostalgie, zo ontdekte men, is een ideale drijfveer om die brokstukken samen te voegen tot een nieuw verband, ook al is er niets veranderd. Ook het woord van Prediker krijgt voor mij dus een nieuwe betekenis: ‘Hetgeen er geweest is, hetzelve zal er zijn, en hetgeen er gedaan is, hetzelve zal er gedaan worden; zodat er niets nieuws is onder de zon.’ Die woorden betekenen voor mij zoiets als het volgende: Ruimte open laten voor een gevoel van verwondering dat er toch iets nieuws onder de zon is. Iets dat er altijd al was, maar juist in de herhaling voor een moment niet verklaard en nauwelijks beschreven kan worden.

In las in die tijd, zo rond 1990, ingewikkelde boeken over kwantummechanica en het differentie-denken van Derrida en ik probeerde mij te verdiepen in zulke ongrijpbare zaken als ‘zelf-referentie in taal en teken’ en ‘de onvolledigheidstelling van Gödel’. Ik dacht dat die twee iets met elkaar van doen hadden. En om het helemaal ingewikkeld te maken (want ik hield in die tijd van ingewikkelde dingen): Ik verkeerde in de veronderstelling dat bij het zoeken naar God de wiskunde meer zekerheid kan bieden dan welke religie dan ook. Maar laat ik bij het begin beginnen.

In 1991, het jaar waarin ik Alfred Schmidt in Potsdam ontmoette, nam ik deel aan een essay-prijsvraag die was uitgeschreven door het ECI. Het thema was: ‘De lezer tussen woord en beeld.’ Ik vond dat een intrigerend gegeven. Wat gebeurt als de lezer leest? Het lezen van een tekst kost een zekere tijd. De tijd verstrijkt, terwijl je leest. Terwijl u deze tekst leest, tikken de seconden weg. Elk woord is weer een fractie van een seconde en zo kruipt de tijd door de taal. Of beter gezegd, zonder de tijd zou de taal niet kunnen bestaan.

De tijd is een uitbreiding van de geest, waardoor we de taal kunnen spreken en consumeren. Een tekst is daarom en loper van woorden, die in de tijd is uitgerold. Vanuit die gedachte begon ik schema’s en formules te tekenen voor mijn essay. De inzendtermijn was 15 januari 1991. Die datum kan ik me nog goed herinneren, omdat de dag daarop de Eerste Golfoorlog uitbrak. Het ultimatum aan Saddam Husssein om Koeweit te verlaten was verlopen en de eerste kruisraketten vlogen richting Bagdad. Er kwamen ook nog een paar Scud-raketten op Tel Aviv terecht, maar dat was uitstel van executie.

De weken daarvoor was ik druk aan het schrijven geweest. Ik had een nogal ingewikkeld verhaal op papier gezet, uitgaande van de gedachte dat alles er al is. Alle teksten, die je kunt bedenken, zijn al geschreven. Bovendien bestaat er niet zoiets raadselachtigs als ‘tijd’. Tijd wordt door het bewustzijn zelf geconstitueerd en specifiek door toedoen van de representatieve functie die in ‘taal’ aanwezig is. Taal en tijd zijn dus intrinsiek met elkaar verweven. Daarover ging mijn verhaal.

Ik wilde die verwevenheid zichtbaar maken en vervolgens elimineren. Kortom, ik wilde een tekst schrijven die zich verplaatst als een een golf in een reeds bestaand ‘taal-zwembad’. Dat wil zeggen: een vertoog zonder ‘uitstel’ en ‘verschil’, de basiskenmerken van de representatie. Een tekst ook zonder tijd en zonder ruimte. Een tekst die een leegte zichtbaar maakt. Een vertoog dat tegelijk analyseert en vertelt. Deze tekst zou moeten variëren op iets wat er al is, en tegelijk een herhaling zijn van iets wat er al was. Maakt u geen zorgen, als u dit alles niet begrijpt. Ik vraag me nu af, of ik het zelf destijds wel begreep.

Hoe dan ook, bij deze procedurele manier van schrijven kwamen de woorden als vanzelf. Ik werd mij ervan bewust, dat er altijd een denkbeeldig oog is dat naar mij kijkt op het moment dat ik iets schrijf. Je zou dit ‘het oog van de cycloop’ kunnen noemen. Het verhaal ging over het ontstaan van het verhaal, en dat was het verhaal. Ik verzon een list om aan de cycloop te kunnen ontsnappen. Om aan de representatie te ontsnappen. Om te ontsnappen aan de tijd die in de taal zelf aanwezig is. Ik zocht naar ‘a concept of time that theoreticaly embraces the necessarily intrusion of representation.’ Ik weet niet meer van wie die zin is, maar ik denk dat ik hem gelezen had in het boek The deconstruction of time van David Wood.

Dat boek gaf mij een uitgebreid overzicht van het postmoderne denken over taal en tijd, voortkomend uit de fenomenologie van Husserl, het existentie-denken van Heidegger en uitmondend in het deconstructie-denken van Derrida. Maar wat ik werkelijk gehoopt had, bleef uit. De auteur legde geen enkel verband tussen het denken van deze filosofen en de bevindingen over het fenomeen ‘tijd’ in de hedendaagse natuurkunde. Alle natuurkundige theorieën over tijd deed hij al in de inleiding af als zijnde irrelevant. Dat waren ‘verruimtelijkingen’ van de tijd. Tijd is geen ruimte, zo beweerde hij. Tijd is een proces van verschijnen en verdwijnen dat zich voortdurend in je bewustzijn voltrekt. Dat is het ware kenmerk van de tijd. Tijd zit dus tussen je oren.

Daarom begon ik te fantaseren. De tijd is een glijbaan naar de dood, zo bedacht ik bij mezelf. Taal is een vluchtpoging om aan die glijbaan te ontsnappen. De taal creëert een schijnbaar permanente ruimte van aanwezigheid door de werking van het teken dat het ‘nu’ herhaalbaar maakt. Taal stelt de dood telkens weer uit door het opschorten van een verdwijnende aanwezigheid. Zo ontstaat een voortdurende, ideale schijn-situatie, waarin de dood wordt ontkend.

De aanwezigheid is de grondtrek van het Zijn. Sinds Aristoteles is deze grondtrek van het Zijn gecorrumpeerd. In zijn denken over Zijn en tijd probeerde Heidegger de authenticiteit van het Zijn te redden door middel van de existentie, maar is het wel mogelijk om de representatie, die voortdurend in de taal werkzaam is, uit te sluiten?  De late Heidegger vatte het Zijn op in termen van een gebeuren: ‘Es gibt Ereignis.’ Maar de taal is doorboord met afwezigheid, zo beweert Derrida. De tegenwoordigheid van het tegenwoordige komt voort uit een voortdurende herhaling – het verglijden van de tijd – en niet omgekeerd.

Tegenwoordigheid ontstaat bij de gratie van het voortdurend wegglijden in het verleden. De taal drukt uit en wijst aan, maar volgens Derrrida is er geen verschil tussen expressie en indicatie. Er is geen authentieke oorsprong in de taal. Geen ‘ik’ als zuivere bron, waar de zinnen uit opborrelen. Het ‘ik’ is een schijn-constructie. Het wordt voortdurend gegenereerd door de relatie tussen het uitstel – dat in het teken werkzaam is – en de dood.

Het spoor, dat de tekens nalaten, is een effect zonder oorzaak. Derrida is voortdurend op zijn hoede om niet terug te vallen in de metafysica. De taal is in zijn optiek als een vloeistof zonder fles, maar je hebt wel een fles nodig om over de vloeistof te kunnen vatten. De metafysica is als een oplosmiddel dat ook de fles oplost, waar de vloeistof in zit. De grootse angst, die met een psychose gepaard gaat, wordt door de filosofie van Derrida bevestigd. Er is geen ‘ik’. Er is alleen ‘leegte’. Elke vorm van kennis is zoiets als het zien van je eigen voetsporen die je telkens weer tegenkomt als je in cirkels rondloopt.

Slide02-e1295524189410-41

Ik heb de ECI-prijs in 1991 niet gewonnen, mede omdat mijn inzending niet aan de criteria van de prijsvraag voldeed. Eigenlijk was het helemaal geen essay, dat ik geschreven had, maar iets tussen een verhaal en een beschouwing in. Daarna ben ik er opnieuw aan gaan schaven. Van de week vond ik een notitieboekje terug met allemaal schema’s die ik destijds getekend heb, voordat ik met schrijven begon.

Het verhaal is uiteindelijk wèl gepubliceerd, zij het in een wat uitzonderlijk vorm, in het nulnummer van het periodiek Praktikabel, podium per post, dat in juli 1992 verscheen. De titel werd uiteindelijk De taalmachine van Tinguely. Gerard Groenewoud had de tekst vormgegeven op de wijze waarop Willem Sandberg dat zou hebben gedaan. Het werd afgedrukt op bruin pakpapier met een foto van de tentoonstelling Bewogen beweging op een transparant inlegvel.

Met het verschijnen van deze tekst was een traditie in gang gezet. Veel van mijn teksten verschenen sindsdien niet in de vorm waarvoor ze ooit waren bedoeld.  Als een tekst in een ander medium – of zelfs in aan ander format of een ander lettertype verschijnt – dan kan er iets nieuws aan het licht komen, iets dat eerder niet in de tekst aanwezig was. De inhoud van een tekst is nooit statisch, maar altijd veranderlijk al naar gelang de veranderende context. Elke tekst evolueert in de tijd en keert telkens weer terug in een andere gedaante, in een andere laag van verbanden, waarin de wereld die er ooit was opeens een andere werkelijkheid wordt. Zo komt niet alleen in het proces van de herinnering, maar ook in dat van jet sxchrijven telkens weer een eenheid tot stand tussen binnen en buiten, heden en verleden.

De creatio ex nihilo is een illusie. Elke scheppingsdaad komt voort uit een laag van herinneringen waardoor voortdurend nieuwe interacties ontstaan, niet alleen tussen het brein en de werkelijkheid, maar ook tussen toen en nu, tussen toen en toen, tussen ooit en nooit. Tot op zekere hoogte is het schrijven nooit anders dan een proces van herinnering dat niet als herinneren wordt herkend. Scheppen is een vorm van cryptomnesie. De tekst die zich als nieuw aandient, was altijd al ergens aanwezig, anders kan het brein zich hem letterlijk niet ‘her-inneren’. Schrijven gaat ‘als vanzelf’. Schrijven is her-schrijven, tot je er bij neervalt.

Zo verschijnen mijn teksten vaak opnieuw en soms ook in een andere vorm. Dat wordt dan een vorm waarvoor ze oorspronkelijk niet bedoeld waren. Ook deze tekst van vandaag is herschreven en zo ‘als vanzelf’ ontstaan. Dat geldt overigens voor vrijwel al mijn blogs. De meeste daarvan zijn bewerkingen van eerdere teksten. Ze zijn herschreven, in een andere context geplaatst, ontdaan van overbodigheden of aangevuld met nieuwe gezichtspunten. Schrijven is herschrijven en dit weblog is één totaaltekst in een voortdurende staat van wording.

Op weg naar het einde…

En tegelijk draai ik in cirkels rond. Er gaat iets rondtollen, rondtollen, rondtollen….tollen…. ollen…..0….0….0…..Ω….Ω….Ω…. Nu ik me daarvan steeds meer bewust word, kom ik telkens weer terug bij af. Dat wil zeggen, bij de gedachte dat alles er al is. Ik wil niets meer publiceren, want alles is al gepubliceerd. Om iets nieuws te creëren hoef ik het bestaande alleen maar te herordenen door een golfbeweging in het water te laten ontstaan. Ik beweeg mijn vinger door het water en schrijf: ‘Ik beweeg mijn vinger door het water en schrijf.’

Ik schrijf niet. Ik word geschreven. Ik verzamel gedachten, niet alleen van mezelf maar ook van anderen die ik citeer. Dit is een eindeloze, onzinnige onderneming die 
tegelijk zin en einde heeft. Immers de complete verzameling van alle 
gedachten is zelf een gedachte en kan dus nooit een 
complete verzameling zijn. Hier wringt iets. Gödel niet op Derida. Er moet één gedachte zijn die niet past in de complete 
verzameling van alle gedachten. Maar alle 
gedachten zitten in potentie binnen in mijn brein.

Waar zit dan die ene gedachte die niet past binnen die complete verzameling van alle gedachten? Binnen, buiten, in beide of geen van beide? Wellicht zou 
die ene gedachte de pijlers van de brug tussen binnen en buiten in beeld kunnen brengen. Onderwijl blijf ik voortbloggen als een koorddanser op het slappe koord. Telkens weer bezwerend. Alsof ik uit wil breken. Weg van deze wereld. Weg van de demonen van de geest. Op weg naar een wereld die volmaakt is, een wereld zonder muren. Op weg naar een perfecte dag waarop de muur uiteindelijk valt.

Laat een reactie achter

(verplicht)

(verplicht, wordt nooit weergegeven)