This is nowhere. I love it!

Hoe kun je gelukkig leven als je weet dat het leven geen zin heeft? Ik weet het niet. Dat lijkt me eerlijk gezegd een uitstekend beginpunt voor elke beschouwing over levenskunst. Wie beweert te weten hoe je gelukkig moet leven, heeft waarschijnlijk al te lang naar zichzelf geluisterd. Of naar een podcast. Tegenwoordig is dat ongeveer hetzelfde. Zelf heb ik inmiddels de leeftijd bereikt waarop je over levenskunst kunt schrijven zonder nog de indruk te wekken dat je er iets van begrijpt. Dat heeft ook voordelen. Je hoeft niet meer te doen alsof je onderweg bent naar een inzicht. Je kunt gewoon ergens beginnen en zien waar je uitkomt. Dat is misschien wel de enige levenskunst die ik nog vertrouw.

Vroeger was dat anders. Toen had het leven een richting. Je kwam ergens vandaan en ging ergens naartoe. Er was een begin, een einde en daartussenin een verhaal. God zat er bovenop. Hij keek mee, althans volgens de traditionele geloofsleer. Dat gaf een zekere orde aan de chaos. Als er iets verschrikkelijks gebeurde, kon je altijd nog zeggen: Gods wegen zijn duister en ondoorgrondelijk. Dat was geen verklaring, maar het had wel de vorm van een verklaring. Je kon er een gezicht bij tekenen. Nu God voor veel mensen uit beeld is verdwenen, hebben we een merkwaardig probleem gekregen. We weten nog steeds dat er iets niet klopt, maar we weten niet meer tegen wie we ons moeten beklagen. Je kunt moeilijk een brief aan de hemel sturen als het adres niet meer bestaat.

Dat geldt niet alleen voor oorlogen, rampen en ongelukken. Het geldt vooral voor het gewone leven. Waarom zou ik eigenlijk een goed mens moeten zijn? Dat is een vervelende vraag. Je kunt natuurlijk antwoorden dat het beter is voor de samenleving, dat anderen daar baat bij hebben en dat een beetje fatsoen de wereld leefbaar houdt. Allemaal waar. Maar daaronder zit een andere vraag: waarom zou ik mij daar iets van aantrekken? Als er geen laatste oordeel is, geen hemel, geen hel en geen God die uiteindelijk de balans opmaakt, waarom zou ik dan niet gewoon doen waar ik zin in heb? Ieder voor zich. En God voor niemand. Het is een tamelijk beroerde levensregel, maar hij is wel overzichtelijk. Het neoliberalisme heeft daar vervolgens een hele economie omheen gebouwd. Je bent vrij. Je bent verantwoordelijk. Je moet jezelf ontplooien. Je moet vooral niet vergeten dat alles je eigen schuld is.

Misschien is dat ook de reden waarom ik zo’n hekel heb aan het woord levenskunst. Het klinkt altijd alsof er ergens een handleiding bestaat die ik nog niet heb gevonden. Alsof het leven een ambacht is dat je met voldoende oefening onder de knie kunt krijgen. Maar ik heb inmiddels genoeg geoefend om te weten dat het niet werkt. Je wordt ouder, je leert wat bij, je vergeet weer wat, je maakt dezelfde fouten in een iets andere verpakking en uiteindelijk zit je toch weer met een kop koffie achter je computer te denken: wat was ik ook alweer van plan? Het leven zelf zou dan de leerschool moeten zijn. Maar dat is een merkwaardige gedachte. Dan leer je het leven van het leven. De slager leert slachten bij de slager. De bakker leert bakken bij de bakker. En de mens leert leven door te leven. Daar kunnen we het voorlopig mee doen.

Plato zou daar waarschijnlijk niet tevreden mee zijn geweest. Voor hem was filosofie liefde tot de waarheid. Dat vind ik nog altijd een mooie gedachte. De waarheid was niet iets wat je toevallig aantrof tussen twee reclameblokken. De mens moest ernaar verlangen. Liefde en waarheid hoorden bij elkaar. Je keek door de verschijnselen heen naar iets wat daarachter lag. Ik heb daar vroeger ook wel iets in gezien. Misschien omdat ik nog jong was. Op die leeftijd denk je nog dat er achter de wereld een andere wereld zit. Later ontdek je dat er achter de wereld meestal nog een wereld ligt, maar dat die bestaat uit leidingen, kabels, verzekeringspapieren en een slecht onderhouden ventilatiesysteem. De transcendentie blijkt vaak gewoon de achterkant van het decor.

Toch blijft er iets van die oude gedachte hangen. Liefde begint bij jezelf. Dat is onvermijdelijk. Je moet jezelf op de een of andere manier verdragen voordat je een ander kunt verdragen. Het christendom had daar een ingewikkelde maar elegante oplossing voor  De liefhebbende God garandeerde in feite de ruimte voor de amor sui, de liefde voor zichzelf. Bernardus van Clairvaux onderscheidde vier lagen van de liefde. De eerste was de zelf-liefde, daarna kwam de liefde tot God en de medemens omwille van zichzelf, als derde: de liefde tot God omwille van God, en tenslotte: de zelf-liefde omwille van God. Dankzij God kreeg de liefde dus het recht om zich terug te buigen tot zichzelf. Het primaire narcisme was niet alleen de bestaansvoorwaarde voor de liefde als zodanig, maar ook haar eindbestemming vanuit het perspectief van God. Dat goddelijke perspectief kon de mens zich toe-eigenen in de staat van liefde die onvoorwaardelijk en grenzeloos wordt.

Maar toen ging God dood. Althans, dat zei Nietzsche. Sindsdien rijden we nog steeds rond op die rotonde, maar het verkeersbord is verdwenen. Dat is misschien wel het probleem van de moderne mens. We zijn nog steeds op zoek naar een richting, maar niemand weet meer waar de pijl naartoe wijst. Daarom kijken we naar elkaar. Dat is veel gemakkelijker. Als iedereen naar dezelfde kant kijkt, moet die kant wel belangrijk zijn. Zo is de zichtbaarheid ontstaan als nieuwe vorm van betekenis. Je bestaat als je wordt gezien. Esse est percipi. Zijn is waargenomen worden. Een mooie gedachte, totdat je hem op internet toepast. Dan blijkt dat je blijkbaar vooral bestaat als iemand op je klikt.

Ik moest daaraan denken toen ik ooit in een film Warren Beatty tegen Madonna hoorde zeggen: ‘Jij gaat pas leven als de camera loopt.’ Dat was geen slecht getroffen typering. Madonna leek het leven pas echt te vinden wanneer het werd geregistreerd. Zodra de camera uitging, was er kennelijk iets anders aan de hand. Ik herken daar iets van. Niet bij Madonna, maar bij mezelf. Ik schrijf nu immers ook omdat iemand het misschien gaat lezen. Als niemand ooit iets zou lezen wat ik schrijf, zou ik waarschijnlijk toch doorgaan. Dat zeg ik nu. Maar ik weet het niet. Misschien zou ik na drie dagen zwijgend naar het scherm zitten kijken. Misschien zou ik dan eindelijk eens dat boek lezen dat al twintig jaar naast mijn bed ligt.

Dat is het vreemde van internet. Je schrijft iets en laat het los. Een fles in zee. Alleen zit er geen zee omheen maar een server ergens in een onbekend land, waarschijnlijk in een gebouw waar het altijd 19 graden is. Ik schrijf een zin en druk op publiceren. Weg is hij. Daarna kijk ik naar de bezoekersaantallen. Dat is het moment waarop de filosofie ophoudt en de boekhouding begint. Honderd bezoekers. Vierhonderd. Tweeënveertig. Drie. Vooral dat laatste getal kan een schrijver tot diepe bespiegelingen brengen. Wie waren die drie? Waarom waren zij daar? Hebben ze de tekst gelezen? Waren ze verdwaald? Was één van hen misschien ikzelf, die per ongeluk mijn eigen website had geopend?

Daar zit iets narcistisch in. Dat weet ik ook wel. Je schrijft over jezelf en vervolgens hoop je dat anderen dat interessant vinden. Het is een vreemde bezigheid. Je kunt het kunst noemen, journalistiek, literatuur of levenskunst, maar uiteindelijk zit er iemand achter een computer die denkt dat wat er in zijn hoofd gebeurt misschien ook voor een ander van belang is. Dat is nogal wat. Misschien is het zelfs een vorm van hoogmoed. Maar zonder een beetje hoogmoed zou er vermoedelijk weinig geschreven worden. De schrijver moet ergens denken: dit moet gezegd worden. De lezer mag daarna besluiten dat het helemaal niet gezegd hoefde te worden.

Toch heeft schrijven ook iets tegengestelds aan narcisme. Zodra ik iets opschrijf, raak ik het kwijt. Een gedachte die alleen in mijn hoofd bestaat, blijft van mij. Een gedachte die op internet staat, is dat niet meer. Die wordt publiek bezit. Soms lees ik een oude tekst van mezelf en denk ik: heb ik dat geschreven? Ja, blijkbaar. Maar ik herken die man nauwelijks meer. Hij heeft dezelfde naam als ik, woont vermoedelijk in hetzelfde lichaam, maar verder is het een vreemde. Mijn oude teksten zijn mijn dubbelgangers. Ze lopen ergens rond zonder mij. Dat is misschien het dichtste dat ik ooit bij de dood zal komen zonder werkelijk dood te gaan.

Ik weet niet of ik van schrijven gelukkig kan worden. Geluk lijkt me trouwens ook zo’n woord waar je voorzichtig mee moet zijn. Het komt meestal langs op momenten waarop je het niet verwacht. Een onverwachte herinnering. Een gezicht op straat. Een liedje dat je vijftig jaar niet hebt gehoord. De geur van koffie. Een zin die ineens klopt. Je kunt het niet organiseren. Zodra je het probeert, verdwijnt het. Geluk laat zich niet optimaliseren. Dat is misschien zijn enige goede eigenschap. Het trekt zich niets aan van de plannen die je maakt.

Dat is  uiteindelijk het meest absurde van dit alles. Ik schrijf een tekst over het feit dat het leven geen zin heeft en hoop ondertussen dat iemand hem leest. Ik beweer dat zichtbaarheid geen levensdoel kan zijn en kijk daarna toch even naar mijn bezoekersaantallen. Ik schrijf over het loslaten van het ego en zet er mijn naam onder. Ik schrijf over de dood van God en controleer daarna of mijn website het nog doet. Veel consequenter kan een mens zichzelf nauwelijks tegenspreken.

Maar dat is het leven. Geen sluitend systeem, geen mooie cirkel, geen ladder naar boven, maar een verzameling tegenstrijdigheden die om onduidelijke redenen dezelfde persoon bewonen. Ik ben degene die schrijft en degene die daarna kijkt wat hij heeft geschreven. Ik ben degene die de fles in zee gooit en vervolgens aan de kant blijft staan om te zien of iemand hem vindt. De woorden drijven weg. Ik weet niet waarheen. Misschien worden ze gelezen. Misschien ook niet.

Dat doet me denken aan ‘Nowhere Man’ van The Beatles. John Lennon schreef het nummer nadat hij urenlang vergeefs had geprobeerd iets zinnigs te bedenken. Toen hij het opgaf en besefte dat hij zo eigenlijk nergens op uit kwam, ontstond ineens het lied. De ‘Nowhere Man’ is daarmee niet alleen iemand zonder bestemming, maar ook iemand die zichzelf even van een afstand bekijkt. Het mooie is de paradox: juist toen Lennon nergens meer heen ging, kwam hij ergens uit. Met schrijven gaat dat wel vaker zo: pas als je ophoudt ergens te willen komen, ontstaat er iets.

Om alles nog eens kort samen te vatten. Ik ben nergens, kom nergens vandaan en ga nergens heen. Kortom, ik ben een nergensmens zonder handleiding. Veel verder hoef ik daar niet over na te denken, want voor ik het weet heb ik alweer een beschouwing geschreven over de filosofische betekenis van het nergens-zijn. Daar zit niemand op te wachten, vermoed ik. Dus druk ik maar op de knop ‘publiceren’. Dit is wat het is. Morgen is er weer een dag, met weer een onderwerp dat waarschijnlijk ook nergens toe leidt. En daarna weer een dag. Het houdt niet op. Gelukkig maar. Want zelfs nergens blijkt bij nader inzien nog genoeg stof op te leveren. This is nowhere. I love it!