
Gisteren kreeg ik een mailtje van iemand die ik goed ken met de mededeling dat ik eens moest ophouden om altijd maar weer over mezelf te schrijven. Tja, wat moet je daarmee? Dat maak ik zelf wel uit, denk ik dan. Bovendien gaat het de laatste tijd steeds beter met mij, ook al zijn de bezoekerscijfers van mijn blog al enige tijd in een duikvlucht naar beneden beland. Nou en? Met mijzelf gaat het met een duikvlucht naar boven! It’s getting better all the time! Wist u trouwens dat dit liedje van The Beatles gebaseerd is op een beroemde formule van Émile Coué (1857-1926): “Every day, in every way, I’m getting better and better.” McCartney maakte er in 1967 net iets anders, maar het idee was hetzelfde. Als je deze optimistische vorm van autosuggestie maar elke dag bij jezelf blijft herhalen, dan gebeurt het ook vanzelf. Een mooie gedachte, al zit er bij mij inmiddels een merkwaardige kronkel in. Want wat gebeurt er wanneer ik juist probeer om het tegendeel te denken van wat ik denk?
Dat is de ontdekking waar ik de laatste tijd steeds meer door geïntrigeerd raak. Bij vrijwel iedere neiging die zich in mij aandient, zou het misschien verstandig zijn om onmiddellijk de tegenovergestelde intentie te kiezen. En bij iedere gedachte die zich met enige nadruk in mijn hoofd meldt, zou ik het tegendeel kunnen denken. Niet omdat het tegendeel noodzakelijk waar is, maar juist omdat mijn eerste gedachte misschien wel te vanzelfsprekend is. Het zou een soort geestelijke achteruitversnelling kunnen zijn. Zodra ik merk dat ik ergens naartoe wil, ga ik even de andere kant op. Niet om ergens aan te komen, maar om te voorkomen dat ik mezelf onderweg al te ernstig ga nemen.
Misschien begon het wel met dat merkwaardige zinnetje van Coué. Every day, in every way, I’m getting better and better. Het klinkt buitengewoon geruststellend, maar ook een beetje verdacht. Wie zegt dat eigenlijk? En wie controleert het? Er moet kennelijk ergens in mij een kleine inspecteur rondlopen die iedere avond de balans opmaakt. Vandaag weer een beetje beter. Gisteren ook al. Morgen nog beter. Het leven als een permanent voortschrijdend functioneringsgesprek, maar dan met jezelf als werkgever én werknemer. Daar heb je hem weer: de eeuwige dubbelganger. Het lijkt AI wel: Het gaat elke dag beter (ad infinitum). Totdat ook ik als mens mijn verbeterpunt in het oneindige bereik, daar waar niets meer te verbeteren valt. Dat is mijn menselijke singulariteit, mijn post-humane Punt Omega.
Het begon waarschijnlijk met iets heel eenvoudigs. Wanneer ik de neiging kreeg om iets te schrijven, dacht ik: ik moet dit opschrijven. Meteen ontstond er een lichte spanning. Er moest iets gebeuren. De gedachte kreeg het karakter van een opdracht. Vervolgens probeerde ik mezelf te betrappen op de tegenovergestelde beweging: ik moest het juist niet opschrijven. En merkwaardig genoeg kwam de zin dan soms vanzelf. Hetzelfde gebeurde met lezen, wandelen, slapen, nadenken en zelfs met niets doen. Zodra niets doen een activiteit werd die ik moest uitvoeren, was het geen niets doen meer. Ik begon te vermoeden dat de mens voortdurend bezig is zijn eigen bedoelingen te saboteren door ze al te serieus te nemen.
Daarmee kwam ik opnieuw uit bij Émile Coué en zijn merkwaardige ontdekking van la loi de l’effort converti, de wet van de omgekeerde wilsinspanning. Coué had ontdekt dat de bewuste wil het soms verliest van de verbeelding. Wie zichzelf met grote kracht opdraagt om te slapen, blijft wakker. Wie zich beveelt rustig te worden, wordt onrustig. Wie zich voorneemt niet aan iets te denken, heeft daarmee juist het onderwerp van zijn verbod midden in zijn bewustzijn geplant. Het beroemdste voorbeeld is misschien wel de opdracht om niet aan een witte beer te denken. Vanaf dat moment staat die witte beer pontificaal in de kamer. Je kunt hem desnoods een stoel aanbieden. Hij blijft.
Maar mijn recente ontdekking lijkt toch een stap verder te gaan. Coué heeft het vooral over de situatie waarin de wil en de verbeelding met elkaar in conflict komen. Ik begin me af te vragen of hetzelfde mechanisme ook werkzaam is in het gewone denken zelf. Misschien is niet alleen de wil geneigd om zichzelf tegen te werken, maar ook de gedachte. Zodra een gedachte zich met grote vanzelfsprekendheid aandient, zou het verstandig kunnen zijn om haar onmiddellijk van een tegengestelde gedachte te voorzien. Niet om haar te bestrijden, maar om haar haar monopolie te ontnemen. Bij iedere gedachte hoort dan als het ware een schaduwgedachte die zegt: ja, maar het kan ook precies andersom zijn.
Dat klinkt op het eerste gezicht nogal vermoeiend. Je zou de hele dag bezig zijn met het bedenken van tegengestelde gedachten. Iemand zegt dat het regent en je denkt: misschien schijnt de zon. Iemand zegt dat hij gelukkig is en je denkt: misschien is hij juist wel ongelukkig. Je denkt dat je honger hebt en denkt vervolgens dat je eigenlijk helemaal geen honger hebt. Je loopt naar links en denkt dat rechts beter was geweest. Je gaat zitten en vraagt je af of staan niet verstandiger was. Voor je het weet ben je veranderd in een wandelend dialectisch vraagteken dat eeuwig door blijft vragen. Dat kan natuurlijk niet de bedoeling zijn. Er is een verschil tussen twijfel en vrijheid. Het gaat mij niet om een permanente ontkenning van alles, maar om het vermogen om de eerste beweging niet onmiddellijk voor de waarheid aan te zien.
Om die reden klinkt Getting Better mij nu anders in de oren. De zin van McCartney lijkt op het eerste gezicht een bevestiging: het gaat steeds beter. Maar Lennon zit er als een soort ingebouwde tegenstem naast. In hetzelfde lied klinkt immers: “It can’t get no worse.” Daar zit iets in wat wezenlijk is voor dit soort redeneringen De positieve gedachte heeft haar negatieve dubbelganger meteen al in zich. Je hoeft haar niet eens van buitenaf te bestrijden. Ze brengt haar tegendeel mee, as en schaduw die je niet af kunt schudden.
In mijn boek Modernisme in Lourdes, Gerard Reve en de secularisering (2013) was ik de wet van Coué al op het spoor en ontdekte ik dit mechanisme in verwante vorm bij Jung en Reve. De wet van het omgekeerde effect van de doelbewuste wilsinspanning lijkt zich niet alleen in het individu voor te doen, maar ook in de geschiedenis. Wie iets met grote kracht bestrijdt, kan onbedoeld voorwaarden scheppen voor de terugkeer ervan. Wie een geloof uitroeit, kan een nieuwe vorm van geloof voortbrengen. Wie een ideologie absoluut wil ontmaskeren, kan zelf ideologische trekken krijgen. Wie een bepaalde moraal met grote hartstocht afwijst, kan uiteindelijk een even strenge moraal aan de andere kant van het spectrum ontwikkelen. De zoon die zijn vader verwerpt, ontdekt soms op latere leeftijd dat hij toch diens jas heeft aangetrokken zonder het te merken.
Jung gaf aan dit verschijnsel de naam enantiodromie: het doorschieten van iets in zijn tegendeel. Dat woord klinkt alsof het afkomstig is uit een handleiding voor een vergeten Griekse machine, maar het verschijnsel zelf is alledaags. Wie te lang rechtop loopt, verlangt ernaar te liggen. Wie jarenlang gehoorzaam is geweest, kan plotseling opstandig worden. Wie zijn hele leven de rede aanbidt, kan op een dag in astrologie gaan geloven. En wie zijn leven lang alle religie heeft bespot, kan op latere leeftijd plotseling een merkwaardige belangstelling krijgen voor engelen, mystiek of Maria. De geschiedenis heeft kennelijk een gevoel voor humor, maar helaas niet altijd een gevoel voor timing.
Ook mijn eigen generatie vormt wat dat betreft een interessant laboratorium om deze gedachtegang op zijn waarde te schatten. Wij babyboomers hebben ooit geleerd dat alles wat onze ouders geloofden verdacht was. Gezagsgetrouwheid moest worden afgeschaft, seksualiteit bevrijd, religie ontmaskerd, de maatschappij veranderd en het individu bevrijd. Dat was op zichzelf al een indrukwekkend programma. Maar inmiddels zijn velen die destijds tegen het gezag schopten zelf de vertegenwoordigers van een nieuw gezag geworden. De oude zekerheden verdwenen, maar daarvoor kwamen nieuwe zekerheden in de plaats. De kerk verdween uit de huiskamer en maakte ruimte voor andere geloofsaltaren. Misschien was de rebellerende mens helemaal niet zozeer van het geloof verlost als wel van zijn oude god. En goden hebben de neging om telkens weer in andere gedaanteop het tioneel te verschijnen .
Dat doet denken aan wat Gerard Reve de ‘wet van de compensatie’ noemde. Hij zag iets paradoxaals in het streven naar secularisering: hoe krachtiger men het religieuze element bestreed, hoe groter de kans dat het in een andere gedaante terugkeerde. Dat hoeft niet te betekenen dat Reve daarin gelijk had. Het kan ook eenvoudigweg een manier zijn waarop wij achteraf patronen herkennen in een geschiedenis die zich in werkelijkheid veel grilliger heeft voltrokken. Maar juist dat onderscheid vind ik interessant. De menselijke geest lijkt oeen machine die voortdurend patronen produceert, en de grootste vergissing van en mens zou kunne zijn dat die patronen wetten zijn.
Daarom wil ik mijn recente ontdekking ook niet tot een nieuwe wet verheffen. Dat zou namelijk onmiddellijk de eerste toepassing van ‘de wet van het omgekeerde effect’ opleveren. Zodra ik zou zeggen: bij iedere gedachte moet je het tegendeel denken, zou ik mezelf een nieuwe dwang hebben opgelegd. En dan ben ik precies terug waar ik begon. De regel vernietigt zichzelf zodra hij een regel wordt. Het is een soort mentale slang die in zijn eigen staart bijt. In zeker zin is dat zelfs de kern van iedere methode die je te fanatiek toepast, dan verandert di methode prompt in zijn tegendeel.
Ik merk dat ook bij het schrijven. Wanneer ik een goede formulering wil vinden, komt er vaak niets. Ik staar naar het scherm alsof daarachter een ambtenaar zit die weigert het loket te openen. Maar zodra ik besluit dat het niets hoeft te worden, komt er soms ineens een zin. Dat is natuurlijk geen bewijs voor een universele wet. Het kan ook gewoon luiheid zijn. Maar er zit iets vreemds in die ervaring. De zin lijkt niet te ontstaan doordat ik hem beden, maar doordat ik ophoud hem te bedenken. Schrijven is in dat opzicht minder een daad van creatieve verbeelding dan van het verwijdere van obstakels ing. Je haalt die obstakels weg en wacht af wat er in je hoofd komt opdagen.
Dat geldt in wezen voor elke gedachte. Een gedachte die ik koste wat kost wil vasthouden, verandert onmiddellijk van karakter. Ik moet haar onthouden. Ik moet haar begrijpen. Ik moet haar goed formuleren. Ik moet haar later kunnen reproduceren. Daarmee is de gedachte al verdwenen onder een laag van doelbewuste wilsintenties. Maar wanneer ik de gedachte haar eigen gang laat gaan, duikt ze soms uren later op, precies op het moment dat ik haar niet meer nodig heb. Het geheugen heeft blijkbaar een eigen agenda. Proust wist dat al. De herinnering komt niet wanneer je haar ontbiedt, maar wanneer een smaak, een geur, een geluid of een volstrekt onbelangrijk voorwerp haar bij toeval wakker kust.
Zoiets zou ook kunnen gelden voor emoties. Als ik mezelf voorhoud dat ik niet boos mag worden, is de boosheid al bezig zich te organiseren. Als ik besluit dat ik vandaag beslist gelukkig moet zijn, ontstaat er onmiddellijk een klein intern comité dat controleert of het geluk wel voldoende aanwezig is. En zodra dat comité vergadert, is het geluk meestal al vertrokken. Je kunt jezelf niet gelukkig bevelen zonder tegelijkertijd een inspecteur van het geluk aan te stellen.
Daarmee kom ik uiteindelijk weer uit bij iets wat in zen al eeuwenlang op een andere manier wordt beoefend. Zodra je een gedachte probeert weg te krijgen, heb je haar opnieuw in gedachten. Zodra je probeert niets te denken, denk je voortdurend over het niets. Zodra je probeert het ego kwijt te raken, ontstaat er een buitengewoon ijverig ego dat zich bezighoudt met het kwijtraken van zichzelf. Het ego kan daar zelfs trots op worden. “Kijk eens,” zegt het, “ik ben bijna verdwenen.” Het is dan nog nooit zo aanwezig geweest.
Zodra ik mezelf hoor zeggen dat iets noodzakelijk moet gebeuren, kan ik me afvragen wat er gebeurt wanneer het juist níét gebeurt. En zodra ik denk dat ik eindelijk een algemene levenswet heb ontdekt, zou ik misschien onmiddellijk moeten aannemen dat het tegendeel waar is. Dat laatste lijkt me uiteindelijk het veiligste. Want mijn ontdekking is waarschijnlijk helemaal geen ontdekking. Mogelijk is het slechts een nieuwe manier om mezelf voor de gek te houden. Maar ook dat zou weer precies kunnen zijn wat nodig is, voor mij althans. Het gaat elke dag beter, zolang ik maar niet te zeker weet dat het beter wordt. Want zodra ik dat zeker weet, verschijnt het tegendeel alweer aan de horizon. En toch blijf ik het herhalen: It’s getting better all the time…
Et moi, je parle encore de moi.