Kom, zing eens een ander lied

We zijn hard op weg naar een Big Brother-samenleving. Camera’s in het publieke domein zijn al heel normaal geworden. Niemand die zich daar nog over opwindt. Databestanden kunnen heel makkelijk gekoppeld worden, zodat je hele hebben en houden voor Jan en alleman toegankelijk is of gehackt kan worden. De digitalisering van de communicatie heeft een enorme transparantie teweeg gebracht. Er is weinig dat nog verborgen blijft. Wie zich werkelijk aan dit soort ontwikkelingen wil onttrekken zal zich als een wereldvreemde Walter de Rochebrune in een tuinhuisje moeten verschansen zonder computer of telefoon. Zo is de techniek stilaan dan toch de vijand van de mens aan het worden. Het is de tijd van de paranoïde angsten. Vluchten kan niet meer. Big Brother ziet alles, weet alles en onthoudt alles. Er lijkt zoiets te bestaan als een duister verlangen naar totale zichtbaarheid.

Wanneer is dit duistere verlangen naar totale zichtbaarheid ontstaan? In het Utopia van Thomas More leek al iets door te schemeren van het wonderlijke verlangen naar een samenleving waarin alles zichtbaar, ordelijk en controleerbaar is. Daarachter ligt een veel ouder beeld, dat van het alziende oog van God, voor wie niets verborgen blijft. In de moderne tijd verdwijnt God geleidelijk uit beeld, maar het verlangen dat hij belichaamde lijkt niet te verdwijnen. Integendeel, het kreeg een seculiere gedaante in het panopticum van Jeremy Bentham, de koepelgevangenis waarin de gevangene nooit weet wanneer hij wordt bekeken en zich daardoor voortdurend gedraagt alsof hij wordt gezien. Foucault zag hierin het model van een bredere machtsstructuur van de moderne maatschappij. Tegen die achtergrond is het opmerkelijk dat juist in nieuwe totalitaire staatsstructuren het idee het panopticum in verhevigde vorm lijkt op te duiken: niet meer als het alziende oog van God of het concept voor een gevangenis, maar als het alziende oog van de staat.

Hoe kom ik hier op? Er is de laatste tijd iets vreemds met mij aan de hand. Ik begin door te krijgen dat niet alleen nogal op mezelf gericht ben, maar ook op een verlangen naar totale zichtbaarheid. Wie mijn weblog een beetje kent, zal vermoedelijk denken: daar kom je dan wel erg laat achter. Toch is het merkwaardig om na twintig jaar dagelijks schrijven opeens te ontdekken dat het ‘ik’ en ‘het gezien worden’ in wezen mijn wereldbeeld bepalen. Esse est percipi – zijn is gezien worden -, dat lijkt ook het motto van het bestaan van mijn eigen ego. Ik schrijf over de wereld, maar meestal blijkt die wereld uiteindelijk een omweg te zijn om weer bij mezelf uit te komen. Zelfs als ik over de Beatles schrijf, gaat het na enige tijd over mij. Als ik over het einde van het narcisme schrijf, moet ik oppassen dat ik niet eindig met een uitvoerige beschouwing over mijn eigen narcisme.

Welaan, laat ik het daar vandaag dan maar weer eens over hebben. We leven immers al een paar decennia lang ik het zogeheten ik-tijdperk. De mensen klagen tegenwoordig over een ‘onvermogen tot voelen’, zo luidde de diagnose in het profetische boek van Christopher Lasch The Culture of Narcissism (1979). Het ik, zo stelde hij, krimpt ineen tot een passieve oerstatus, waarbij de wereld ongeschapen en ongevormd blijft. Het ‘keizerlijke ik’ dat zo ziekelijk egoïstisch was en ervaringen verslond, maakt een regressie door en verandert in een infantiel leeg ik. Nou ja, ga d’r maar aan staan. En toch, daar zit natuurlijk een merkwaardige logica in waarin ik wel iets herken.

De narcistische mens zou steeds meer in zichzelf opgesloten zijn geraakt. Hij kijkt naar de wereld en ziet uiteindelijk vooral zichzelf. Narcissus keek in het water en zag zijn eigen spiegelbeeld. Ik kijk op mijn computerscherm en zie elke dag mijn eigen naam boven een tekst staan. Het verschil is vooral dat ik voor die spiegel niet hoef te sterven. Ik kan er iedere ochtend opnieuw voor gaan zitten. Dat is misschien zelfs het probleem. Narcissus had nog een bron. Ik heb internet. En internet heeft geen oever. Het is oeverloos. Alsof er elke dag honderd vensters op jou gericht staan.

Foucault zag het net even anders, maar zijn gedachten over het panopticum sloten hier mooi op aan. Het panopticum is volgens hem een systeem waarin je voortdurend het gevoel hebt bekeken te worden, ook als je niet weet of er daadwerkelijk iemand kijkt. Dat idee heeft inmiddels een merkwaardige wending genomen. Ik hoef niet meer bang te zijn dat een soort Big Brother mij in de gaten houdt. Ik houd mezelf namelijk al uitstekend in de gaten. Ik weet precies wat ik gisteren op mijn blog geschreven heb, hoeveel mensen het gelezen hebben en soms zelfs hoeveel mensen erop hebben geklikt. Ik ben toezichthouder, gevangene, bewaker en directie tegelijk. Mijn eigen panopticum heeft bovendien een knop waarop ‘publiceren’ staat. Kortom, ik ben het zelf die mezelf gevangen houdt.

Maar ben ik daarin uniek? Ik vrees van niet.

De hedendaagse ‘ik-gerichtheid’ en het verlangen naar totale zichtbaarheid hebben iets merkwaardigs. Eerst moest je nog een spiegel hebben om naar jezelf te kijken. Daarna kwam de fotografie. Vervolgens de televisie. Toen de video. Daarna Facebook, Instagram en de rest van de digitale familie. Inmiddels hoeft er nauwelijks nog een aanleiding te zijn. Het leven zelf is één grote spiegel geworden. Je kunt tegenwoordig een wandeling maken en onderweg een foto van jezelf maken terwijl je wandelt. Je kunt vervolgens die foto publiceren om te bewijzen dat je gewandeld hebt. Anders heb je niet echt gewandeld.

Het is een wonderlijke ontwikkeling: vroeger deed je iets en daarna vertelde je erover. Nu vertel je dat je iets doet en vervolgens moet het vaak nog gebeuren. Alles wordt een gebeurtenis waarover geschreven kan worden. En als er niets meer te schrijven valt, dan ga je dood. En de dood is tegenwoordig een hot item om over te schijven. Vrijwel alle kranten hadden van de week het overlijden van Paulien Cornelisse op de voorpagina, om maar te zwijgen over het eindeloos geouwehoer op de pagina’s daarna. Sterven in stilte kan niet meer. Big Brother is watching you…. tot de laatste snik , zeker als je vroegtijdig het loodje legt.

Mijn weblog is in dat opzicht misschien wel het meest extreme voorbeeld. Ik schrijf dagelijks over wat ik denk, wat ik me herinner, wat ik gelezen heb, wat mij opvalt, wat mij irriteert en soms zelfs over het feit dat ik niets weet te bedenken waarover ik zou kunnen schrijven. Ook dat laatste wordt dan weer een onderwerp. Er is dus eigenlijk niets wat buiten het bereik van mijn ‘ik’ valt. Mijn gebrek aan inspiratie is nog steeds mijn gebrek aan inspiratie. Mijn twijfel is mijn twijfel. Mijn zwijgen is mijn zwijgen. Zelfs mijn poging om minder over mezelf te schrijven zou uiteindelijk een verhaal over mezelf worden. Het ‘ik’ is een bijzonder hardnekkig beestje geworden. Je kunt het niet wegsturen, want het loopt gewoon achter je aan.

Hoe je het ook wendt of keert, ik ben een narcist in optima forma. Ik bedoel niet dat ik voortdurend verliefd naar mijn spiegelbeeld zit te staren. Daarvoor is mijn spiegelbeeld mij inmiddels te vertrouwd. Nee, het gaat mij om iets anders: de merkwaardige gewoonte om de eigen ervaringen steeds als uitgangspunt te nemen voor het begrijpen van de wereld. Alsof mijn leven een klein laboratorium is waarin alle grote vragen van het bestaan toevallig onderzocht moeten worden. Liefde, dood, ouder worden, kunst, waanzin, politiek, religie, AI, de Beatles: ik leg ze allemaal even op mijn eigen onderzoekstafel en liefst met een soort pseudo-geleerdheid waar je u tegen kunt zeggen. Daarna kijk ik wat ze met mij te maken hebben.

Het zijn ook rare tijden. Ik moet mezelf begrijpen, mezelf ontwikkelen, mezelf verbeteren, mezelf analyseren, mezelf uitvinden en, als het even kan, mezelf ook nog een beetje gelukkig maken. Het is nogal een baan. Je moet alles zelf doen. Je moet je eigen identiteit bewaken, je eigen verleden reconstrueren, je eigen toekomst plannen en ondertussen goed in de gaten houden of het allemaal nog wel authentiek is. Zelfs authenticiteit is inmiddels een opdracht geworden. Je moet jezelf zijn. Maar welk zelf precies? En wie controleert dat? Juist: ikzelf. Telkens weer ikzelf.

Ik ben het centrum geworden van mijn eigen wereld, maar ik weet niet helemaal zeker of ik wel besta zoals ik denk dat ik besta. Ik schrijf een tekst en vraag me af wie er eigenlijk aan het woord is. Ik herken mezelf in wat ik geschreven heb, maar soms ook niet. Er staat mijn naam onder, dus juridisch is het duidelijk. Filosofisch wordt het al ingewikkelder. Misschien is het ‘ik’ dat schrijft slechts een personage dat toevallig dezelfde naam draagt als degene die achter het toetsenbord zit. Dat is vooral bij een weblog een merkwaardig verschijnsel. Ik kan mijzelf iedere dag opnieuw uitvinden.

Gisteren was ik iemand die zich zorgen maakte over zijn ouderdom. Vandaag ben ik iemand die daar ironisch over doet. Morgen ben ik misschien iemand die beweert dat ouderdom helemaal niet bestaat, zolang je maar voldoende woorden hebt om het tegendeel te bewijzen. Zo ontstaat er langzaam een tweede ik. Of misschien wel een derde. Mijn lezers kennen mij uitsluitend via de teksten die ik schrijf. Ik ken mezelf via diezelfde teksten, maar dan met het voordeel dat ik ook degene ben die ze geschreven heeft. Dat geeft een zekere voorsprong, al weet ik niet precies waarop. Het voelt alsof ik een wielrenner die ontsnapt is uit het peleton, maar die niet meer weet waar het peloton zich bevindt. Voor mij, of achter mij, of misschien heeft iedereen wel de strijd gestaakt, behalve ik. Jazeker, altijd weer ik.

Het vreemde is bovendien dat ik mijzelf met behulp van die blogteksten voortdurend observeer. Ik ben dus ook mijn eigen panopticum. Ik schrijf iets en kijk vervolgens naar mezelf terwijl ik het geschreven heb. Soms vind ik dat goed. Soms vind ik het te lang. Soms te glad. Soms te geleerd. Soms te veel ‘ik’. Dat laatste is lastig, want hoe minder ik over mezelf wil schrijven, hoe meer ik daarover moet schrijven. Het ik heeft zich inmiddels ontwikkeld tot een soort ambtenaar die bezwaar maakt tegen zijn eigen aanwezigheid. Het is een gesloten systeem. Narcissus kijkt in het water en ziet zichzelf. Ik kijk in mijn tekst en zie iemand die naar zichzelf kijkt. Vervolgens schrijf ik daar een beschouwing over. Het water is inmiddels behoorlijk diep.

Toch zit er een klein verschil tussen narcisme en zelfonderzoek. Narcissus zag alleen zichzelf. Maar als je schrijft over jezelf ontdek je dat je jezelf vaak helemaal niet begrijpt. Je begint met een gedachte en eindigt heel ergens anders. Je schrijft over iets vertrouwds en onderweg verschijnt er ineens iemand anders in de tekst. Een herinnering die je vergeten was. Een gedachte waarvan je niet wist dat je haar had. Een zin die je eigenlijk niet van plan was te schrijven. Op zulke momenten wordt het ‘ik’ even minder belangrijk. Het schrijven zelf neemt het over. Misschien is dat wel de enige vorm van ontsnapping die mij nog ter beschikking staat: jezelf zo lang bekijken dat je uiteindelijk uit zicht verdwijnt.

In feite ben ik voortdurend bezig mijzelf groter te maken dat ik ben, maar zelfs dat doe ik zelf. Ik wantrouw mijn eigen ik en daarmee geef ik het opnieuw alle aandacht. Ik probeer minder ik-gericht te zijn en schrijf daar vervolgens vijftienhonderd woorden over. Het is een nogal omslachtige vorm van bescheidenheid. Je komt nooit helemaal van jezelf af. Zelfs als je besluit om jezelf los te laten, moet je dat nog altijd zelf doen.

Hoe dan ook, ik ben mijn eigen Big Brother, mijn eigen panopticum, maar ook mijn eigen Narcissus en vermoedelijk ook mijn eigen oppositiepartij. Ik controleer mezelf, bekritiseer mezelf en publiceer vervolgens de notulen. Dat lijkt me voorlopig voldoende zelfkennis. Meer hoeft een mens misschien ook niet van zichzelf te verlangen. Morgen begin ik opnieuw. Met een nieuw blog en een ander onderwerp natuurlijk. Maar niet heus. Kom, zeg ik dan tegen mezelf, zing eens aan ander lied. En dan begint dat ouwe liedje weer van voren af aan.