
Gisteren wilde ik me iets herinneren wat lang geleden gebeurd was. Het was geen belangrijke gebeurtenis. Juist daarom verbaasde het me dat ik er zo zeker van was dat het precies zo was gegaan. Dat voelde ongemakkelijk omdat ik merkte hoe gemakkelijk een herinnering zich tot een feit kan verharden. Je ziet iets telkens op dezelfde manier voor je en op een gegeven moment vergeet je dat je het alleen maar zo ziet.
Dat geldt niet alleen voor herinneringen. Het grootste deel van wat wij over de wereld weten, hebben we niet zelf gezien. We lezen het, horen het, krijgen het doorgestuurd of zien er een beeld van. Dat is altijd zo geweest. Alleen is de hoeveelheid verhalen die dagelijks op ons afkomt enorm toegenomen. Nog voor je ’s morgens bent opgestaan, heb je al kennisgenomen van gebeurtenissen aan de andere kant van de wereld. Een oorlog, een verkiezing, een schandaal, een wetenschappelijk onderzoek, een filmpje van iemand die iets beweert. En daaronder volgen de reacties. Iedereen heeft er iets van gevonden voordat je zelf goed en wel hebt kunnen bedenken wat je ervan vindt.
Zo ontstaat een eigenaardige situatie. We beschikken over meer informatie dan ooit en toch wordt het steeds moeilijker om te weten wat we moeten geloven. Niet omdat alles onwaar is, maar omdat bijna alles onmiddellijk in een verhaal wordt geplaatst. Een gebeurtenis is niet zomaar een gebeurtenis. Ze krijgt een oorzaak, een schuldige, een betekenis en meestal ook een morele beoordeling. Dat is niet nieuw. Mensen vertellen elkaar al duizenden jaren verhalen om de wereld begrijpelijk te maken. Het nieuwe is vooral de snelheid waarmee die verhalen zich verspreiden en elkaar verdringen. Een bericht dat ’s morgens de wereld rondgaat, kan ’s avonds alweer vergeten zijn. Intussen zijn er tientallen verklaringen voor in de plaats gekomen.
Mensen handelen uit verschillende motieven en vaak begrijpen ze zelf niet helemaal waarom ze iets doen. Gebeurtenissen hebben meerdere oorzaken. Toeval speelt een grotere rol dan we prettig vinden. Soms gebeurt iets gewoon. Daar zit geen bedoeling achter en niemand heeft het van tevoren bedacht. Zoiets is moeilijk te verdragen. Daarom zijn complottheorieën zo aantrekkelijk. Ze maken de wereld overzichtelijk. Een toevalligheid wordt een aanwijzing. Een detail krijgt betekenis. Het ontbreken van bewijs wordt verdacht. En als iemand het verhaal niet gelooft, kan dat zelfs worden uitgelegd als bewijs dat hij erbij betrokken is. Zo ontstaat een gesloten systeem waarin eigenlijk niets meer hoeft te worden gecontroleerd.
Hetzelfde kan op een heel andere manier gebeuren met cijfers. Tijdens de coronacrisis werd de werkelijkheid dagelijks in grafieken en percentages aangeboden. Besmettingen, ziekenhuisopnames, sterftecijfers. De wereld leek opeens meetbaar geworden. Alsof we met voldoende getallen eindelijk konden zien wat er werkelijk gebeurde. Maar een getal is nooit de werkelijkheid zelf. Het is een selectie uit de werkelijkheid. Er wordt bepaald wat wordt geteld, hoe het wordt geteld en wat buiten beeld blijft. Dat betekent niet dat cijfers onbetrouwbaar zijn. Het betekent alleen dat ook cijfers onderdeel worden van een verhaal zodra ze worden gebruikt om iets te bewijzen.
We gebruiken feiten bovendien niet alleen om onze mening te vormen. We gebruiken ze ook om onze mening achteraf te bevestigen. Dat gebeurt niet alleen bij grote maatschappelijke kwesties. Het kan zich ook heel stilletjes in een mensenhoofd afspelen. Iemand doet ooit iets en jaren later herinner je je vooral dat ene voorval. Vervolgens wordt het een karaktertrek: hij was nu eenmaal zo. Eén gebeurtenis wordt een patroon, een patroon wordt een oordeel en uiteindelijk wordt het oordeel een waarheid.
Het internet heeft dat proces alleen nog maar versneld. Wie ergens van overtuigd is, hoeft nauwelijks nog informatie tegen te komen die hem tegenspreekt. Een paar zoekopdrachten zijn voldoende om gelijkgestemden te vinden. Daarna zorgt het algoritme ervoor dat er steeds meer van hetzelfde verschijnt. Voor je het weet, lijkt een opvatting die gisteren nog marginaal was volkomen vanzelfsprekend. Het verschil met vroeger is niet dat mensen toen altijd de waarheid spraken en tegenwoordig voortdurend liegen. Mensen hebben altijd gelogen. Het verschil is dat we nu veel gemakkelijker terechtkomen in een omgeving waarin onze eigen overtuigingen voortdurend worden bevestigd.
Om die reden probeer ik mezelf af en toe bewust tegen te spreken. Niet omdat ik denk dat mijn mening daarom verkeerd is, maar omdat ik wil weten of ze bestand is tegen iets wat ik liever niet hoor. Dat is lastig. Het is veel prettiger om iets te lezen waarvan je denkt: precies, dat wist ik al. Twijfel heeft weinig glamour. Je kunt er niemand mee overtuigen en je krijgt er geen grote achterban door. Toch is twijfel soms het enige dat voorkomt dat een gedachte dichtklapt.
En daarmee kom ik terug bij die kleine herinnering die ik gesteren probeerde opnieuw voor ogen te krijgen. Want wat ik daar ontdekte, was eigenlijk precies hetzelfde, maar dan op zakformaat. Ik had een beeld van het verleden dat zo vaak in dezelfde vorm in mijn hoofd was teruggekeerd dat ik het niet langer als een beeld herkende. Het was een feit geworden. Pas toen ik probeerde na te gaan wat er vóór en ná dat ene moment was gebeurd, begon het beeld te rafelen.
Ik heb die herinnering daarna nog een paar keer geprobeerd terug te halen. Steeds zag ik ongeveer hetzelfde verhaal voor me. Maar hoe langer ik zocht, hoe minder zeker ik werd van de details eromheen. Wat ik zeker dacht te weten, bleek vooral dat ene beeld te zijn. De rest was gaandeweg verdwenen, aangevuld of misschien zelfs onbewust verzonnen. Dat is het vreemde van een herinnering: je bewaart niet noodzakelijk wat er gebeurd is, maar vooral de versie die je ervan bent blijven vertellen.
Het ging om een lange reis die ik met mijn ouders maakte, en waarvan ik het eind van de eerste étappe in een kleine tekening had vastgelegd. We reisden in de Fiat 600D van mijn vader. De keuze voor Chartres als eerste reisdoel was mede ingegeven door de verhalen van mijn oudste zus Mariet. Zij had mij als kind de liefde voor Frankrijk bijgebracht door wat ze vertelde over voettochten naar de beroemde kathedraal. Dat weet ik vrij zeker. Maar ook hier begint het geheugen al snel zijn eigen werk te doen. Wat zij precies vertelde, wanneer zij dat vertelde en hoe ik daar toen naar luisterde, weet ik niet meer. Wat overbleef is een beeld: de kathedraal van Chartres die boven het landschap oprijst. Dat is mogelijk het enige wat een herinnering nodig heeft. Ze hoeft niet te bewaren wat er precies gebeurde, zolang ze maar iets bewaart wat van waarde is.