Er zijn van die gevangenissen waar je vrijwillig in gaat wonen. Er staat een bed, er is eten, iemand maakt je op tijd wakker en vertelt je wat goed en kwaad is. Er zijn regels en er is toezicht. Je hoeft zelf eigenlijk niet zoveel te bedenken. Dat heeft ook voordelen. Zeker als je nog een kind bent. Een kind wil helemaal niet voortdurend vrij zijn. Het wil vooral weten waar het aan toe is. Vrijheid is voor een kind een nogal overschat begrip. Het liefst weet het precies wat wel en niet mag, wanneer het naar bed moet en of het morgenmiddag buiten mag spelen. Pas later begint het te vermoeden dat al die duidelijkheid misschien niet uitsluitend in zijn eigen belang is geweest.
Zelf ben ik opgegroeid in de katholieke wereld van de jaren vijftig en het begin van de jaren zestig. Achteraf bezien was dat een behoorlijk gesloten wereld, maar destijds merkte ik daar niet zoveel van. Het was gewoon de wereld. Er was God, er waren engelen, duivels, heiligen, zonden, biechten, missen, processies, priesters en een hel die zich ergens onder de oppervlakte bevond. Je kon er maar beter rekening mee houden. Tegelijk was het een wereld waarin veel voor je werd geregeld. Er bestond een antwoord op vrijwel iedere vraag, ook op vragen die je nog nooit had gesteld. Dat was wel zo gemakkelijk.
Ik denk dat je pas merkt dat je op een bepaalde wijze bent opgevoed wanneer je ergens tegenin begint te gaan. Daarvoor heet het gewoon ‘leven’. Je leert wat hoort, hoe je je moet gedragen en wat je beter kunt laten. Je neemt die regels eerst over omdat iedereen ze om je heen ook volgt. Later ontdek je dat sommige mensen ze alleen maar volgen omdat iedereen ze om zich heen volgt. Nog later kom je er misschien achter dat je zelf jarenlang hetzelfde hebt gedaan. Op dat moment begint de verwarring. Je weet niet meer precies waar de opvoeding ophoudt en waar jijzelf begint. Je hebt inmiddels zo goed geleerd om iemand anders te zijn dat je daar ook een beetje jezelf in bent kwijtgeraakt.
Dat klinkt zwaarder dan het misschien is. Het leven bestaat nu eenmaal voor een groot deel uit aanpassen. Wie dat niet doet, wordt al snel als lastig ervaren. Een kind dat voortdurend vraagt waarom iets eigenlijk moet, is in theorie misschien interessant, maar in de praktijk vooral vermoeiend. Ouders hebben ook maar beperkte tijd. Die moeten werken, boodschappen doen, eten koken en ondertussen proberen van hun kinderen fatsoenlijke mensen te maken. Dat laatste is de grootste vergissing die ouders kunnen maken, omdat het dit leerproces niet zelden uitmondt in het tegendeel.
Toch kan er iets merkwaardigs gebeuren wanneer de regels waarmee je bent opgegroeid steeds minder vanzelfsprekend worden. Je kunt dan twee kanten op. Je kunt je ertegen afzetten en alles wat vroeger belangrijk was bij het grofvuil zetten. Of je kunt proberen te begrijpen waarom het ooit zo belangrijk voor je was. Het eerste is eenvoudiger. Je hoeft alleen maar nee te zeggen. Het tweede duurt meestal wat langer. Je ontdekt dan dat je niet alleen tegen iets in opstand komt, maar ook tegen een deel van jezelf. Dat maakt een opstand ingewikkelder. Je kunt moeilijk je eigen verleden aangeven bij de politie.
Bij mij heeft dat proces zich niet bepaald geruisloos voltrokken. De overgang van een sterk religieuze jeugd naar een wereld waarin ik steeds meer zelf wilde bepalen wat waar was en wat niet, ging gepaard met behoorlijk wat innerlijke turbulentie. Op mijn achttiende liep het behoorlijk uit de hand. Ik kreeg een psychose en belandde in een psychiatrische inrichting. Achteraf kun je daar allerlei verklaringen voor bedenken. Dat heb ik in het verleden ook wel gedaan. Een mens die iets heeft meegemaakt waar hij niets van begrijpt, begint vanzelf verklaringen te produceren. Daar is hij opmerkelijk goed in. Soms schrijft hij daar boeken over. Maar wil dat zeggen dat alles ook klopt wat hijzelf aan verklaringen heeft bedacht?
Mijn probleem is niet dat ik te weinig regels had, maar dat ik de regels te serieus nam. Dat is een mogelijkheid die me achteraf steeds meer is gaan interesseren. Een kind kan zich zo grondig aanpassen aan wat er van hem wordt verwacht dat het op een gegeven moment niet meer weet wat er overblijft wanneer die verwachtingen wegvallen. Dan ontstaat er een merkwaardige leegte. Wie ben ik eigenlijk als ik niet meer hoef te zijn wie ik behoor te zijn? Dat lijkt een eenvoudige vraag. In de praktijk kan het een opdracht worden waarmee je levenslang bezig zult blijven. Als kind kon ik urenlang spelen in mijn eigen fanataswiewereld. ‘We hebben geen kind aan hem,’ hoorde ik mijn ouders wel eens zeggen. Ik was een modelkind dat uiteindelijk de weg zou kwijtraken omdat zijn innerlijk kompas onderontwikkeld bleef.
Religie speelt daarin een vreemde rol. Je kunt er uiteindelijk mee breken en er toch jarenlang door achtervolgd worden. God kan verdwijnen, terwijl de manier waarop je ooit over God hebt leren denken gewoon blijft zitten. Het is dan niet meer de religie zelf die je achtervolgt, maar de grammatica ervan. Goed en kwaad. Schuld en vergeving. Zuiverheid en zonde. Beloning en straf.… Het zijn tamelijk hardnekkige begrippen. Zelfs wanneer je besluit dat je er niet meer in gelooft, blijken ze ergens in een achterkamer van je hoofd nog gewoon aanwezig te zijn. Ze betalen geen huur, maar vertrekken ook nooit. Het zijn de krakers in tijden van psychische woningnood. Krijg ze er maar eens uit.
Ik heb me daarom vaak afgevraagd of het tegenovergestelde van een orthodox religieuze opvoeding automatisch beter is. Ik geloof dat steeds minder. Ook een wereld zonder enige ruimte voor het onverklaarbare kan benauwend zijn. Een kind dat iets ervaart wat niet in het wereldbeeld van zijn omgeving past, kan daar net zo goed van in de war raken. Je kunt iemand immers niet alleen opsluiten door hem te vertellen wat hij moet geloven. Je kunt hem ook opsluiten door hem te vertellen wat hij niet mág ervaren. In beide gevallen ontstaat een gevangenis waarvan de muren vooral uit overtuigingen bestaan.
Daarmee ben ik uiteindelijk terechtgekomen bij het idee van de gevangenis van het onechte. Niet als psychiatrische diagnose, maar als een tamelijk alledaagse menselijke toestand. Je doet wat er van je verwacht wordt. Je wordt daar zelfs goed in. Mensen prijzen je ervoor. Je krijgt misschien complimenten omdat je verstandig bent, gevoelig bent, beleefd bent, hard werkt of je verantwoordelijkheid neemt. Niemand merkt dat jijzelf ondertussen een beetje aan het verdwijnen bent. Dat is het verraderlijke aan zo’n gevangenis: van buiten ziet hij eruit als een geslaagd leven.
De laatste tijd ben ik daarom bezig met een roman. Dat is op zichzelf al een enigszins verdachte onderneming voor iemand die een groot deel van zijn leven beschouwingen en blogs heeft geschreven. In een blog kun je immers op ieder moment van onderwerp veranderen. Je kunt midden in een redenering besluiten dat je eigenlijk iets heel anders wilde vertellen. Niemand die je tegenhoudt. Een roman is wat minder soepel. Die verlangt opeens dat er ergens een begin en een einde aan zitten. Dat vind ik persoonlijk nogal onredelijk.
De titel heb ik al: De gevangenis van het onechte. Daar ben ik dus al behoorlijk ver mee. Het verhaal gaat over een kind dat opgroeit in een sterk religieus milieu en later in opstand komt tegen het kwaad. Hij ervaart dat als ene opstand tegen God, terwijl hij juist besloten had om niet meer. In zo’n God te gelevenn. Hoe kun je in godsnaam stenen gooien naar een lege hemel? Die opstand eindigt in een psychose. Dat is meteen ook de kern van het probleem heb, want ik weet natuurlijk al hoe het ongeveer afloopt. Alleen moet ik nu nog bedenken wat er tussen het begin en het einde gebeurt. Dat is een beetje alsof je een reisgids schrijft terwijl je zelf nog op het station staat.
Vooral de verteller houdt mij bezig. Wie vertelt het verhaal eigenlijk? Het kind zelf? De volwassen man die erop terugkijkt? Een verteller die alles weet? Of iemand die juist helemaal niet begrijpt wat er aan de hand is? Ik heb gemerkt dat je bij het schrijven van een roman met dat soort vragen niet eindeloos kunt wachten. Op een gegeven moment moet er iemand aan het woord komen. Maar wie? Misschien is dat precies mijn probleem. Ik weet nog niet wie er gevangen zit en wie er naar de gevangenis terugkijkt.
Een deel van het verhaal speelt zich af in mijn eigen jeugd. Dat maakt het tegelijkertijd eenvoudiger en ingewikkelder. Ik hoef sommige dingen niet te verzinnen. Ik weet hoe de straten eruitzagen, hoe een katholiek gezin functioneerde, hoe de kerk rook en hoe vanzelfsprekend bepaalde dingen waren. Maar herinneringen zijn geen archiefstukken. Ze veranderen voortdurend. Iedere keer dat je je iets herinnert, maak je er opnieuw iets van. Het verleden is merkwaardig elastisch. Je kunt er jarenlang aan trekken en toch blijft het op sommige plaatsen onbereikbaar.
Dat geldt ook voor een psychose. Ik kan beschrijven wat er gebeurd is, maar daarmee weet ik nog niet wat het betekende. Misschien heeft betekenis überhaupt niets met feiten te maken. Je kunt een gebeurtenis haar hele leven meenemen zonder ooit precies te begrijpen wat ze was. Dat lijkt me trouwens een redelijk betrouwbare definitie van het menselijk bestaan. We zijn allemaal bezig met een dossier waarvan de belangrijkste stukken ontbreken.
Soms denk ik wel eens dat ik daarom ook zoveel schrijf. Niet om iets definitief uit te leggen, maar om het nog een keer te bekijken. Een leven bestaat uiteindelijk uit een verzameling van verschillende versies van hetzelfde oerpatroon van jezelf.. Eerst beleef je iets. Daarna herinner je het je. Vervolgens schrijf je erover. Dan leest iemand anders het en vertelt je wat het volgens hem betekent. Daarna schrijf je er opnieuw over. Op die manier kun je een heel leven bezig blijven zonder ook maar één centimeter dichter bij de waarheid te komen. Het is een nogal inefficiënte methode, maar ik ben er inmiddels redelij aan gewend.
Hoe dan ook, ik wil in die roman niet simpelweg een verhaal vertellen over een goed bedoelde opvoeding en een kind dat daar niettemin een slachtoffer van wordt. Dat zou te gemakkelijk zijn. Het kwaad waartegen mijn hoofdpersoon op de drempel vn zijn adolescentie in opstand komt, is daarom ook niet alleen iets buiten hem. Het zit ergens tussen de regels die hij heeft geleerd en de wereld die zich daar niets van aantrekt. Hij wil het goede doen, maar ontdekt dat het goede zich niet zo eenvoudig laat uitvoeren. Wie de wereld absoluut zuiver wil maken, moet vroeg of laat beslissen wat er met het onzuivere moet gebeuren. Daar begint meestal de ellende. De geschiedenis staat er vol mee en toch blijven we het iedere generatie opnieuw proberen.
Volwassen worden is uiteindelijk niets anders dan leren leven met het feit dat de wereld niet aan je morele verwachtingen voldoet. Dat klinkt nogal banaal, maar het is een van de moeilijkste lessen die je te leren hebt. Als kind denk je dat goed en kwaad overzichtelijk zijn. Later ontdek je dat mensen die goede dingen doen ook vervelend kunnen zijn en dat mensen die slechte dingen doen soms heel aardig zijn. Dat is geen geruststellende ontdekking. Het maakt de wereld een stuk ingewikkelder. En zo kom ik weer bij de problematiek van mijn roman terecht.
Ik ben op zoek naar een vertelstem omdat ik nog steeds probeer uit te vinden wie ik zelf ben in dat verhaal. Het kind? De volwassene? De schrijver? De toeschouwer die met een zaklamp door zijn eigen verleden loopt en zich ondertussen afvraagt waarom daar niemand thuis is? Het kan allemaal. Misschien zijn het wel verschillende personen die toevallig hetzelfde lichaam bewonen.
Voorlopig houd ik het daarom maar eenvoudig. Een kind groeit op. Het krijgt te horen wat goed en kwaad is. Het probeert daaraan te voldoen. Vervolgens ontdekt het dat de wereld zich niet aan die regels houdt. Daarna gaat het mis. Dat is eigenlijk al voldoende drama voor een heel leven. De rest moet ik er nog bij verzinnen. De titel heb ik tenminste. De gevangenis van het onechte. Nu de roman nog. En hopelijk ook de sleutel om aan zo’n gevangenis te ontsnappen.
