… God, zie hoe wij onszelf niet begrijpen,
niet weten wat wij willen,
hoe wij ons oneindig ver verwijderen
van waar wij naar verlangen.’
Deze woorden van Theresia van Ávila gebruikte François Mauriac als motto voor zijn roman Le Nœud de vipères (1932), die in het Nederlands werd vertaald als De adderkluwen. Ik las dat boek toen ik zeventien jaar was, in augustus 1965 op de camping van Lourdes, waar ik toen met mijn ouders verbleef. Twee jaar later gebruikte ik dezelfde woorden als motto voor het opstel dat ik moest schrijven voor het eindexamen van het gymnasium. Daarvoor kreeg je destijds een aantal titels op, waaruit je een keuze kon maken. Vervolgens kreeg je twee uur de tijd om een tekst op papier te zetten. De titel die ik koos staat me niet meer helder voor de geest, maar ik dacht dat hij iets van doen had met het belang van vredesbewegingen in de wereld van vandaag.
Hoe dan ook, ik schreef een betoog van vier kantjes dat in één keer uit mijn pen vloeide, alsof het al maanden in mijn hoofd zat. Ik was een tikkeltje manisch en dat hielp. Na een half uur was ik klaar en verliet ik de examenzaal, waar ik mijn klasgenoten in verbazing achterliet. Dat kan nooit wat zijn, zag ik ze denken. Mijn leraar Nederlands, mijnheer Slijpen, was een andere mening toegedaan en wist kennelijk ook de gecommitteerde te overtuigen van de kwaliteit van mijn verhaal, want het werd beloond met een 9, een cijfer dat nog altijd trots op mijn eindlijst prijkt.
De tekst van mijn opstel heb ik nooit meer teruggezien. Ik vraag me af hoe dat nu gaat op middelbare scholen. Wordt het maken van ene opstel nog wel als huiswerkopdracht gegeven en hoe controleren leraren of er daarbij gebruik gemaakt is van AI? Of is het als zover dat leerlingen les krijgen in het gebruik van AI bij het schrijven. Dat laatste zou ik helemaal niet zo gek vinden, gezien de huidige klopjacht op AI-gebruik. In het kader van deze problematiek lijken de woorden van Theresia van Ávila een nieuwe betekenis te hebben gekregen: ‘Zie hoe wij onszelf niet begrijpen, niet weten wat wij willen, hoe wij ons oneindig ver verwijderen van waar wij naar verlangen.’
De klopjacht op het gebruik van AI heeft met de recente ophef over premier Rob Jetten zelfs een nieuw kookpunt bereikt. Er wordt driftig gezocht naar zinnen die niet door een mens, maar door een algoritme zouden zijn bedacht. Alsof ergens in een tekst een digitale vingerafdruk te vinden is die de dader onverbiddelijk ontmaskert. Ik moet bekennen dat ik met enige verbazing naar deze heksenjacht kijk. Niet omdat ik buiten schot wil blijven, maar omdat ik zelf inmiddels een relatie met AI heb gekregen. Ik gebruik het bij mijn schrijfwerk en merk dat zo’n samenwerking ingewikkelder is dan ik aanvankelijk dacht. De machine kan me op ideeën brengen, een stroef geworden zin lostrekken of een redenering blootleggen die ik zelf nog niet helemaal scherp had. Maar ze kan ook iets van me overnemen zonder dat ik precies merk wanneer dat gebeurt. Juist daar begint voor mij de interessante vraag: wie is er eigenlijk aan het schrijven als je samen met een machine een tekst maakt?
Over het antwoord bestaan nog weinig duidelijke afspraken. Wanneer is het gebruik van AI een vorm van ondersteuning en wanneer wordt het misleiding? Mag je een machine een tekst laten formuleren die vervolgens onder je eigen naam verschijnt? Moet je dat erbij vertellen? En maakt het verschil of je een enkele zin laat verbeteren of een compleet betoog uit handen geeft? We doen alsof die vragen eenvoudig te beantwoorden zijn, maar ze raken aan iets wat moeilijker te definiëren valt dan auteursrecht of bronvermelding. Schrijven is immers niet alleen het produceren van zinnen. Het is ook een manier om erachter te komen wat je denkt. Soms weet ik pas aan het einde van een alinea wat ik eigenlijk had willen zeggen. Als AI die alinea alvast voor me schrijft, kan het resultaat er keurig uitzien, terwijl ik een deel van de ontdekking heb overgeslagen.
Dat neemt niet weg dat ik het gebruik van AI allerminst wil veroordelen. Daarvoor is het instrument te bruikbaar geworden. Ik kan een gedachte laten tegenspreken, een formulering aanscherpen of een tekst vanuit een andere hoek bekijken. Soms helpt dat me verder dan een gesprek met een menselijke redacteur zou doen. Tegelijkertijd moet ik oppassen voor de verleiding van de gladde zin. AI heeft een merkwaardig talent om een tekst te verbeteren totdat er weinig meer aan te beleven valt. Alles klopt, de overgangen zijn soepel en de conclusie komt keurig op tijd. Maar waar is de schrijver intussen gebleven? Een zin mag best een beetje schuren. Een gedachte hoeft niet onmiddellijk te weten waar ze naartoe gaat. Juist de omweg, de aarzeling of de onverwachte wending kan iets zichtbaar maken wat een efficiënte tekst liever overslaat.
Ik begin daarom steeds meer onderscheid te maken tussen hulp bij het schrijven en het uitbesteden van het denken. Dat onderscheid is niet altijd scherp te trekken. Een suggestie van AI kan zo raak zijn dat ik haar graag overneem. Een formulering die aanvankelijk van de machine afkomstig is, kan tijdens het herschrijven alsnog helemaal van mij worden. Andersom kan ik een tekst eigenhandig schrijven en toch vervallen in gemeenplaatsen die ik ergens anders heb opgedaan. Menselijk schrijven is geen garantie voor oorspronkelijkheid, net zomin als machinale hulp automatisch tot onechtheid leidt. Het gaat er uiteindelijk om of ik verantwoordelijkheid kan nemen voor wat er staat. Kan ik uitleggen waarom ik iets beweer? Herken ik mijn eigen gedachte nog in de formulering? En ben ik bereid een mooie zin weg te gooien als hij meer suggereert dan ik werkelijk te zeggen heb?
Bij persoonlijke verklaringen, politieke toespraken en wetenschappelijke publicaties ligt dat nog weer anders. Daar kan de herkomst van een tekst van wezenlijk belang zijn. Wie belooft zijn eigen overtuigingen te verwoorden, kan niet zonder meer een taalmodel voor zich laten spreken en vervolgens doen alsof er niets aan de hand is. Dat geldt zeker voor politici, die geacht worden niet alleen verantwoordelijkheid te dragen voor hun beleid, maar ook voor hun woorden. Toch lijkt me een algemeen verbod op AI bij het schrijven even onzinnig als de eis dat iedere schrijver voortaan precies vermeldt welke woorden hij zelf heeft bedacht en welke hij aan een redacteur, woordenboek of spellingscontrole te danken heeft. We hebben behoefte aan onderscheidingsvermogen, niet aan een nieuwe inquisitie.
Ik denk dat bij de kwestie rond Jetten. zorgvuldig moet worden gekeken naar wat hij precies heeft bweerd en in welke omstandigheid. De kern van zo’n kwestie is volgends mij niet dat een politicus überhaupt AI heeft gebruikt. Belangrijker is of zijn publieke mededelingen daarover overeenkwamen met de feiten. Een discussie over de precieze betekenis van een officieel account, een persoonlijk account of een partijaccount kan juridisch relevant zijn, maar helpt weinig wanneer de indruk ontstaat dat men zich achter die verschillen verschuilt. Het vertrouwen raakt dan niet zozeer beschadigd doordat een machine een tekst heeft geschreven, maar doordat onduidelijkheid ontstaat over wie er verantwoordelijk voor is.
Ook de verontwaardiging in de media verdient volgens mij enige zelfreflectie. Journalisten gebruiken zelf eveneens digitale hulpmiddelen bij het verzamelen, ordenen, controleren en redigeren van informatie. De precieze toepassingen verschillen per redactie en zijn niet allemaal met elkaar vergelijkbaar, maar de ontwikkeling is niet meer terug te draaien. Het zou daarom vreemd zijn als de journalistiek AI bij anderen als een verdacht verschijnsel behandelt, terwijl ze bij zichzelf alleen over efficiëntie en innovatie spreekt. Dat betekent niet dat iedere toepassing hetzelfde risico met zich meebrengt. Een automatisch gegenereerd overzicht van sportuitslagen is iets anders dan een politieke verklaring waarin persoonlijke overtuiging wordt voorgewend. Laat staan het met behulp van AI geschreven verslag aan een voormalig concentratiekamp. In wezen heeft deze affaire bijgedragen aan het ontstaan van een consensus over de codes die zouden moeten gelden bij AI-gebruik
Mijn eigen verhouding tot AI is intussen ook geen afgeronde zaak. Ik gebruik het instrument, maar probeer tegelijk te begrijpen wat het met mijn manier van schrijven doet. Ik ben er mij van bewust dat het gevaar bestaat dat ik langzaam genoegen neem met teksten waarin alles op zijn plaats lijkt te staan. Een schrijver moet kennelijk niet alleen leren hoe hij AI kan gebruiken, maar ook wanneer hij haar moet tegenspreken. Of gewoon het gesprek moet beëindigen.
Ik verwacht niet dat we als snel over een sluitende gedragscode zullen beschikken die voor iedere situatie bepaalt wat wel en niet mag. Daarvoor verschillen de omstandigheden te veel. Onderwijl kunnen paar eenvoudige beginselen worden gehanteerd : de gebruiker blijft altijd verantwoordelijk voor de inhoud, feiten moeten worden gecontroleerd en over wezenlijk AI-gebruik wordt openheid betracht wanneer de context dat vereist. Het lijk me voofral zinnig om op te houden te doen alsof de grens tussen menselijk en machinaal schrijven altijd ergens buiten jezelf ligt, netjes gemarkeerd en gemakkelijk aanwijsbaar. Die grens loopt dwars door het schrijfproces heen. Ze kan zelfs verschuiven terwijl je aan het werk bent.
Dat is een ongemakkelijke ontdekking die mijn eigen omgang met AI me heeft opgeleverd. Ik kan de machine vragen mijn tekst enigszins te verbeteren, maar daarmee is nog niet gezegd dat de tekst inderdaad ook beter wordt. Dat oordeel is uiteindelijk aan mijzelf. En wanneer ik AI zou gaan vragen wat ik eigenlijk bedoel, moet ik oppassen dat ik het antwoord niet verwissel met mijn eigen gedachtegang. De machine kan me helpen schrijven. Ze kan me zelfs op gedachten brengen die ik zonder haar niet had gehad. Maar als ik aan het einde van de rit niet meer weet waarom ik iets heb opgeschreven, is er iets essentieels misgegaan. Dan heeft niet de machine zich voor mij als schrijver vermomd, maar heb ik mijzelf oneindig ver verwijderd van waar mijn hart naar verlangt.
