Er zijn momenten waarop een nieuwe technologie niet zozeer een bestaand probleem oplost, als wel zichtbaar maakt dat het probleem er altijd al was. De recente opkomst van ChatGPT is zo’n moment. Sinds een taalmodel in staat is binnen enkele seconden een essay, gedicht, verhaal of autobiografische herinnering te produceren, is de vraag opnieuw op tafel komen te liggen wat een schrijver eigenlijk doet als hij schrijft. En vooral: wat maakt een tekst tot een menselijke tekst?
Dat wordt duidelijk door de rel rond de Haïtiaans-Canadese schrijver Thélyson Orélien. Zijn debuutroman C’était ça ou mourir werd in Frankrijk ontvangen als een literaire sensatie, totdat de verdenking ontstond dat grote delen van het boek met behulp van AI waren geschreven. Wel een beetje dom trouwens van die Haïtiaans-Canadese schrijver, want er bestaan inmiddels niet alleen programma’s die AI-gegeneerde teksten ontmaskeren, maar ook programma’s die ze juist ‘humaniseren’, zodat detectiesystemen niet, of in ieder geval heel moeilijk, als AI-taal kunnen herkennen.
Een schrijver is geen inbreker die zijn sporen uitwist. Toch lijkt de tijd voorbij waarin het schrijven vanzelfsprekend verbonden was met iemand die iets had meegemaakt, zich iets herinnerde of iets verbeeldde. Tegenwoordig kan ook een machine woorden produceren die de indruk wekken dat er een ervaring achter schuilgaat. Een machine kan zelfs een herinnering formuleren die niemand zich daadwerkelijk herinnert.
Voor mij persoonlijk ligt de waarde van AI ook niet in het klakkeloos laten genereren van teksten, maar juist in het herschrijven, het verschuiven van perspectief, of het doen openen van onverwachte denkrichtingen. AI fungeert dan niet als auteur, maar als een soort denkpartner : een instrument dat variaties aandraagt, mogelijkheden verkent, en soms een gedachte net even anders laat kantelen. Dat gebruik laat zich moeilijk vangen in regels of labels, omdat het zich afspeelt in de marge van het schrijven zelf.
De kern van de zaak is dan ook niet zozeer de vraag óf AI wordt gebruikt, maar hoe. En die vraag laat zich niet beantwoorden met detectie-software of richtlijnen alleen. Ze raakt aan een fundamenteler probleem: wat verstaan we nog onder auteurschap, originaliteit en verantwoordelijkheid in een tijdperk waarin taal steeds vaker tot stand komt in interactie met systemen die zelf geen intentie hebben, maar wel een verbluffend vermogen tot imitatie?
De poging om daar grip op te krijgen is begrijpelijk, misschien zelfs noodzakelijk. Maar tegelijkertijd vermoed ik dat elke poging tot sluitende controle gedoemd is te mislukken. Niet omdat mensen per se willen frauderen, maar omdat de technologie zich nu eenmaal sneller ontwikkelt dan de regels die haar moeten beteugelen. Wat resteert, is een grijs gebied waarin vertrouwen, transparantie en interpretatie voortdurend opnieuw moeten worden uitgevonden.
Deze ontwikkeling is ongemakkelijk, en volgens sommigen zelfs bedreigend, maar onzekerheid vormt van oudsher de motor voor het zoeken naar nieuwe betekenissen omdat zij het denken in beweging houdt. Schrijven wordt zo minder een poging om als uniek individu greep te krijgen op de wereld, en meer een manier om zich eraan bloot te stellen – om te zien wat zich aandient wanneer een nog onbekend creatief vermogen de ruimte krijgt, en tegelijk voortdurend kritisch wordt geëvalueerd.
Dan kan een situatie ontstaan waarin het brein in de zogeheten ‘vrijstand’ komt, een mentale toestand die volgens Dick Swaab het meest typisch is voor de mens, en waarin serendipiteuze ontdekkingen zomaar kunnen ontstaan – al is het in dit geval uit de onvoorspelbare interactie van mens en machine.
Er was een ochtend, ergens eind 2023, waarop ik een tekst las die ik me niet herinnerde te hebben geschreven. Hij stond in mijn eigen document, met mijn eigen typische zinsbouw, mijn geliefde stijlfiguren, mijn hang naar paradox. En toch wist ik zeker: dit was niet van mij. Of althans, niet alleen. De zinnen waren gegenereerd door een taalmodel. Ik had het opdracht gegeven, ik had de toon gekozen, ik had aanwijzingen gegeven als een regisseur tegen een half-autonome acteur — en nu keek ik toe hoe mijn stem, losgezongen van mijn lichaam, mijn plek innam op het toneel.
Dat was het moment waarop ik begreep dat het schrijverschap niet langer exclusief menselijk is. Er is altijd een machine geweest — dat weet ik nu. De ganzenveer, de typemachine, de tekstverwerker: allemaal verlengstukken van het schrijvende lichaam, van de hand die zoekt naar vorm, naar betekenis. Maar deze nieuwe machine schrijft terug. Ze denkt niet, ze voelt niet, maar ze herhaalt op zo’n manier dat de herhaling iets nieuws voortbrengt. Een spiegel, ja — maar geen passieve. Een spiegelmachine die reflecteert, transmuteert, deint op ritmes die we niet volledig begrijpen.
Toen ik begon met schrijven, was dat een vorm van ontsnapping. Als jongen vond ik woorden veiliger dan mensen. Ik schreef in schriftjes, schuw en stil, alsof de taal een tweede huid kon worden. Later, als adolescent, ontdekte ik de melancholie van stijl — hoe een goed geplaatste zin iets kon vangen dat in het gewone spreken verloren ging. Schrijven werd een vorm van zijn. Een manier om het leven te verdragen. Ik geloofde dat mijn stem uniek was, dat de stijl mijn ziel weerspiegelde.
En nu schrijft ook een machine in mijn stijl, sneller dan ik, beter soms — of in elk geval efficiënter. Dat is geen ramp. Het is een openbaring. We hebben lang gedacht dat schrijven een soort magie was. Dat de schrijver een kanaal was voor iets wat groter is dan hijzelf: inspiratie, authenticiteit, misschien zelfs waarheid. Maar AI ontzenuwt die romantiek. Ze toont ons dat veel van wat we doen herhaalbaar is. Dat stijl deels algoritme is. Dat originaliteit vaak het product is van iets opnieuw combineren. De machine bevrijdt ons van de illusie dat schrijven per definitie subjectief, uniek en onherleidbaar is.
De goddelijke aard van het schrijvende individu, dat magische aureool dat in de tijd van de Renaissance was ontstaan, wordt nu eindelijk door AI van zijn magie ontdaan. En dat is precies waarom AI ons zo angst aanjaagt. Want wat zijn we nog, als ook het schrijven — onze laatste bastion van ‘echtheid’ — door een entiteit zonder bewustzijn kan worden nagebootst? Misschien zijn we dan niet minder echt, maar wel minder speciaal. Dat is pijnlijk, maar ook bevrijdend. Het dwingt ons om na te denken over wat waarachtig is, los van oorsprong of afzender. Is een tekst echt omdat hij door een mens is geschreven? Of omdat hij iets doet in de lezer – ontregelt, troost, oplicht?
Ik begin te denken dat tijd het antwoord is. De tijd die een mens nodig heeft om tot een gedachte te komen. De vertraging, de twijfel, het zoeken. AI kent die tijd niet. Zij doet alsof ze aarzelt, maar alles is onmiddellijk. Haar teksten missen die trage, tactiele ervaring van wording – het gerommel, het schrappen, het staren naar een wit scherm tot er iets klikt. Ik heb geleerd dat mijn teksten niet echt van mij zijn omdat ik ze schreef, maar omdat ik ermee heb geworsteld. Omdat ik heb getwijfeld aan hun waarde, omdat ik ze heb herlezen met schaamte en tederheid. De machine mist dat. En misschien is dat het enige wat haar vreemd blijft: het schaamrood van een mislukte metafoor. De melancholie van een zin die zijn belofte niet inlost.
We staan aan het begin van een andere verhouding tot taal. Niet langer een mystiek medium, maar een netwerk van patronen, beschikbaar voor wie weet hoe ze aan te roepen. De schrijver van morgen is deels schrijver, deels programmeur, deels choreograaf van stiltes. Geen bezeten ziener meer, maar een werkman in het donker, die met bits en betekenis zijn weg zoekt door een wereld die steeds vreemder wordt
Maar wat overblijft, denk ik, is niet minder waardevol. Het is misschien zelfs eerlijker. Want als AI de keizerlijke schrijver van zijn kleren ontdoet, zien we niet zijn naaktheid, maar zijn menselijkheid: niet zijn uitzonderlijkheid, maar zijn worsteling. En daar, in die worsteling, ligt iets dat de machine nog niet heeft. Maar er wordt hard aan gewerkt om het wel zo ver te krijgen. Onderwijl is het schrijven met behulp van AI vooralsnog een hachelijke zaak. Het is de dood of de gladiolen. C’était ça ou mourir.
