
Mijn onlangs verschenen boek ‘De waan van het schrijven. Harry Mulisch en de creatieve psychose‘ begeeft zich op het grensgebied van autobiografie, literatuurkritiek, filosofie en psychopathologie. Het is geen wetenschappelijke studie, maar ook geen autobiografie. Juist op dat grensvlak van ervaring en analyse probeert het iets zichtbaar te maken wat binnen één discipline gemakkelijk verloren gaat. Het probleem van het boek is dat het geen gerichte doelgroep heeft, of het zou de jury van de Van Helsdingenprijs moeten zijn, voor wie het in feite is geschreven.
Bij de uitreiking van de Van Helsdingenprijs in september 2025 prees de jury het manuscript om zijn oorspronkelijkheid, maar constateerde tegelijk dat het zich moeilijk liet classificeren. In feite werd er een nieuw kader bedacht waarbinnen de prijs kon worden toegekend. Letterlijk voor ‘het beste creatieve-literaire werk’. Met andere woorden: geen filosofie, geen literatuurkritiek, geen wetenschap, maar wat dan wel? Het is ook geen boek voor een breed publiek, maar ook niet voor een selecte doelgroep. Maar voor wie dan wel? In feite is het een essay, een poging, maar een poging waartoe?
Ook mijn pogingen om een artikel over het boek bij enkele literaire tijdschriften gepubliceerd te krijgen liepen achtereenvolgens op niets uit. Misschien was ook daar het probleem dat niemand goed wist in welk hokje het stuk thuishoorde. En een tekst die voortdurend van hokje verandert, maakt het de redactie ook niet gemakkelijk.
Daarom heb ik een klein experiment uitgevoerd. Ik heb AI gevraagd om op basis van mijn boek een meer wetenschappelijk georiënteerd artikel te schrijven, geschikt voor een tijdschrift over psychiatrie en/of psychotherapie. Want mijn boek gaat niet alleen over Mulisch en mijzelf, maar ook over de merkwaardige verhouding tussen psychose en creativiteit en het daarmee samenhangend mogelijk positief langetermijneffect.
Ik ben overigens niet van plan dit AI-artikel onder mijn eigen naam naar een wetenschappelijk tijdschrift te sturen. Ik heb deze afgeleide variant tenslotte niet zelf geschreven. De door AI bijgeleverde literatuurlijst heb ik ook niet op juistheid gecheckt. Wel vond ik het resultaat interessant genoeg om het hier op mijn blog te publiceren. Misschien vormt deze kunstmatige poging tot wetenschappelijkheid zelfs een aardige spiegel voor het boek. Wat gebeurt er wanneer een betoog dat zich niet gemakkelijk laat classificeren door een machine wordt teruggebracht tot een discours waarin alles keurig op zijn plaats lijkt te vallen?
Misschien is ook dat een lichte vorm van waan. De waan van de wetenschap.
De waan als kiemcel van creativiteit
Van psychotische desintegratie naar creatieve integratie: Harry Mulisch als modelcasus
Een psychose wordt in de psychiatrie begrijpelijkerwijs vooral beschreven vanuit wat er misgaat. Wanen, hallucinaties, desorganisatie en een ernstige verstoring van het dagelijks functioneren vormen de klassieke kenmerken van een toestand waarin de vanzelfsprekendheid van de gedeelde werkelijkheid verloren kan gaan. Ook het herstel wordt vaak in termen van risicoreductie beschreven: het verminderen van symptomen, het voorkomen van terugval, het herstellen van functioneren en het beperken van cognitieve en sociale schade. Dat perspectief is noodzakelijk. Maar het roept ook een andere vraag op: wat gebeurt er met iemand nadat de psychose voorbij is? Niet alleen in termen van symptomen en functioneren, maar in termen van identiteit, levensverhaal, betekenisgeving en persoonlijke ontwikkeling?
Die vraag is van belang omdat een psychose geen geïsoleerd psychiatrisch feit is. Zij vindt plaats in een mensenleven en kan daarin een breuk veroorzaken die nog lang na het verdwijnen van de acute symptomen doorwerkt. Vooral een eerste psychose tijdens de adolescentie of vroege volwassenheid kan ingrijpen in een periode waarin identiteit, relaties, opleiding, beroep en wereldbeeld nog volop in ontwikkeling zijn. Het is voorstelbaar dat zo’n ervaring de ontwikkeling langdurig kan belemmeren. Maar het is eveneens denkbaar dat iemand de ervaring later in een nieuw levensverhaal opneemt en daardoor andere vormen van identiteit, betekenisgeving of creativiteit ontwikkelt. Daarmee wordt niet beweerd dat een psychose positief is. Het gaat om de veel beperktere vraag of een ingrijpende psychotische ervaring, eenmaal voorbij, onderdeel kan worden van een ontwikkeling die door de betrokkene zelf als betekenisvol of zelfs positief wordt ervaren.
In onderzoek naar herstel na een eerste psychose is voor deze mogelijkheid inmiddels enige aandacht ontstaan. Studies naar posttraumatic growth en persoonlijke herstelprocessen laten zien dat sommige mensen na een psychotische episode veranderingen rapporteren in hun zelfbeeld, relaties, levensdoelen en waardering van het leven. Ook betekenisgeving aan de psychotische ervaring lijkt daarbij een rol te spelen. Dit betekent niet dat psychose als trauma moet worden beschouwd, en evenmin dat positieve verandering door de psychose wordt veroorzaakt. De term posttraumatic growth beschrijft in de eerste plaats een door betrokkenen ervaren verandering na een ingrijpende gebeurtenis. De causaliteit blijft complex. Behandeling, sociale omstandigheden, normale ontwikkeling, persoonlijkheidskenmerken en de wijze waarop iemand de ervaring achteraf interpreteert kunnen allemaal een rol spelen.
Deze problematiek kwam bij mij naar voren tijdens het onderzoek naar de jonge Harry Mulisch en het ontstaan van zijn eerste roman, archibald strohalm. Tussen juni 1949 en mei 1950 beschreef Mulisch een periode waarin hij naar eigen zeggen werd overvallen door een ‘vulkanische uitbarsting’ van openbaringen, visioenen en inzichten. Hij sprak later over een ‘sterrenregen’, een ‘ideeëncataract’ en een periode waarin hij ‘alles wist’ en ‘alles begreep’. In een ander verband noemde hij deze ideeënstroom ‘rijkelijk psychotisch’. Hij verbond deze ervaring bovendien rechtstreeks met het ontstaan van archibald strohalm, zijn debuutroman uit 1951. Het is op grond van deze retrospectieve gegevens niet mogelijk om met zekerheid een hedendaagse psychiatrische diagnose te stellen. Toch is de casus interessant, juist omdat Mulisch zelf zijn ervaring herhaaldelijk in termen van psychose, waanzin en ontregeling beschreef.
Het opvallende is wat er vervolgens met deze ervaring gebeurde. Mulisch raakte niet alleen overspoeld door ideeën; hij ging die ideeën schrijven. Hij herschreef zijn roman vanuit de geestestoestand van zijn hoofdpersoon Archibald Strohalm. Later zei hij hierover: ‘Waar Strohalm faalde, slaagde ikzelf.’ In een ander interview stelde hij dat Strohalm zijn ‘kruis op zich had genomen’. De fictieve figuur werd daarmee de drager van een ervaring die tegelijk met Mulisch zelf verbonden was en daarvan werd afgescheiden. Wat bij de auteur mogelijk een ontregeling van het denken was geweest, werd in de roman een psychische toestand die kon worden beschreven, vormgegeven en uiteindelijk door een lezer van buitenaf worden waargenomen.
Juist daarin ligt de mogelijke psychiatrische betekenis van deze casus. De psychose zelf kan worden opgevat als een ernstige verstoring van de verhouding tussen subject en werkelijkheid. Een gedachte krijgt de status van een feit, toevallige gebeurtenissen worden betekenisvol, grenzen tussen binnen- en buitenwereld vervagen en het eigen denken kan een dwingend karakter krijgen. Bij het schrijven ontstaat iets anders. Ook daar kan een gedachte zich aanvankelijk bijna autonoom aandienen, maar de schrijver kan haar vervolgens als materiaal behandelen. Hij kan een zin veranderen, een personage van gedachten laten veranderen, een passage schrappen of een scène opnieuw schrijven. Wat in de psychose werkelijkheid was, kan in het schrijven representatie worden. Daarmee ontstaat afstand zonder dat de ervaring noodzakelijk wordt ontkend.
Voor deze ontwikkeling gebruik ik het begrip ‘integrerend desintegratieproces’. Dit is geen diagnostisch begrip en evenmin een bewezen psychologisch mechanisme. Het is een poging om een temporele paradox te benoemen. Een psychose kan op korte termijn een desintegratie van het bestaande zelfbeeld veroorzaken, terwijl de verwerking ervan op langere termijn kan bijdragen aan de vorming van een nieuw en meer samenhangend levensverhaal. De psychose zelf ‘integreert’ niets. De integratie kan pas achteraf ontstaan, wanneer iemand probeert te begrijpen wat er is gebeurd, er woorden voor vindt en de ervaring verbindt met de verdere levensloop. Daarmee verschuift het perspectief van de psychose als episode naar de psychose als gebeurtenis binnen een biografische ontwikkeling.
De casus-Mulisch maakt zichtbaar hoe zo’n proces in een uitzonderlijke vorm kan verlopen. De psychotische ervaring, of wat daar in ieder geval sterk op lijkt, wordt niet alleen herinnerd maar opgenomen in een beroepsidentiteit. Mulisch ontwikkelde zich tot schrijver, en het thema van de verhouding tussen werkelijkheid en verbeelding, waan en ratio, schepper en schepsel bleef gedurende zijn hele oeuvre aanwezig. Zijn latere begrip ‘autocreatie’ is in dit verband veelzeggend. Daarmee bedoelde hij het proces waarbij de schrijver zichzelf als het ware in de retort van zijn eigen verhaal schept. De schrijver maakt een personage, maar het personage gaat vervolgens ook de schrijver beïnvloeden. Subject en object wisselen voortdurend van plaats.
Dit kan vanuit literair oogpunt worden beschouwd als een poëtica. Vanuit psychologisch perspectief kan het echter ook worden gezien als een bijzondere vorm van externalisering. De schrijver maakt iets van zichzelf buiten zichzelf zichtbaar. Het personage wordt een dubbelganger die gedachten en gevoelens kan dragen die de auteur niet langer uitsluitend zelf hoeft te dragen. Daarmee ontstaat een derde positie tussen ervaring en observatie. De persoon die schrijft is niet meer volledig degene die de ervaring ondergaat, maar ook nog niet uitsluitend degene die haar van buitenaf beschouwt. Het schrijven vormt een overgangsgebied waarin beide posities tijdelijk naast elkaar kunnen bestaan.
De taal speelt daarin een centrale rol. In archibald strohalm wordt de psychische ontregeling van de hoofdpersoon niet alleen als onderwerp beschreven; zij dringt ook door in het taalgebruik. Naarmate Strohalm verder ontregeld raakt, valt de taal uiteen in herhalingen, klankverschuivingen en associatieve verbindingen. Aan het slot ontstaat een passage waarin woorden zich bijna losmaken van hun gebruikelijke betekenis en zichzelf lijken voort te brengen. Vanuit psychiatrisch perspectief kan men daarin kenmerken herkennen die doen denken aan formele denkstoornissen. Vanuit literair perspectief is het tegelijk een bewust geconstrueerde tekstpassage. Juist deze dubbelheid maakt de roman interessant.
Hier ligt een belangrijke grens. Psychotische taal en experimentele literatuur kunnen oppervlakkig op elkaar lijken, maar zij zijn niet hetzelfde. In een psychose kan de taal haar gedeelde referentiële functie verliezen omdat de persoon de woorden en verbanden op een andere manier beleeft. In literatuur kan een schrijver doelbewust dezelfde middelen gebruiken, terwijl hij tegelijk weet dat hij een tekst maakt. Het onderscheid ligt dus niet uitsluitend in de uiterlijke vorm van de taal. Context, intentie, controleerbaarheid en de mogelijkheid om naar een gedeelde werkelijkheid terug te keren zijn minstens zo belangrijk.
Deze kwestie is ook relevant voor het debat over creativiteit en psychose. Het idee dat waanzin en genialiteit nauw met elkaar verbonden zouden zijn, heeft een lange geschiedenis. Toch is er weinig reden om daaruit een eenvoudig causaal verband af te leiden. Psychose maakt iemand niet automatisch creatief, en creativiteit is geen verborgen symptoom van psychose. Onderzoek naar verbanden tussen creativiteit, schizotypische kenmerken en psychotische kwetsbaarheid laat wel zien dat sommige eigenschappen in beide domeinen kunnen voorkomen, bijvoorbeeld een sterke associatieve gerichtheid, een verhoogde gevoeligheid voor betekenis of het vermogen ongebruikelijke verbanden te leggen. Maar dezelfde eigenschappen kunnen zowel tot desorganisatie als tot vernieuwing leiden.
Het verschil wordt mogelijk gemaakt door vormgeving. Associatieve overvloed is nog geen creativiteit. Er moeten keuzes worden gemaakt. Materiaal moet worden geselecteerd, geordend en begrensd. Een psychotische gedachte kan zich eindeloos uitbreiden; een roman moet eindigen. Juist het opleggen van vorm kan daarom een belangrijk verschil vormen tussen psychotische ervaring en creatieve productie. De schrijver die uit een toestand van ontregeling terugkeert, kan zijn vroegere ervaring opnieuw benaderen, maar nu onder omstandigheden waarin hij haar kan herschrijven. Dat betekent niet dat schrijven een behandeling is. Het betekent wel dat schrijven een bijzondere manier kan zijn om de verhouding tot een eerdere ervaring te veranderen.
In het geval van Mulisch valt bovendien op dat hij zijn ervaring niet eenvoudigweg wilde vergeten. Integendeel, hij bleef er zijn leven lang op terugkomen. In Voer voor psychologen beschreef hij de periode rond 1949 als een ‘sterrenregen’ waarin zijn hoofd gevuld was met ‘Bengaalse vuren’. Hij schreef dat zijn bestaan honderden dagen achtereen werd overspoeld door inzichten, visioenen en euforisaties. In een later nawoord sprak hij over de ‘rijkelijk psychotische ideeëncataract’ die hem in 1949 had overvallen. Daarmee is niet bewezen dat de ervaring volgens hedendaagse criteria een psychose was. Wel blijkt dat hij zelf de ervaring retrospectief als een fundamentele breuk in zijn bestaan beschouwde.
Ook zijn ontmoeting met de Amsterdamse profeet Willem Exel lijkt in dit verband relevant. Mulisch raakte in 1947 onder invloed van Exels esoterische ideeën en beschreef diens omgeving later als een wereld van extase, openbaringen en groteske spektakels. Daarnaast las hij in korte tijd het werk van P.D. Ouspensky, waarin afwijkende bewustzijnstoestanden niet uitsluitend als pathologisch werden beschouwd, maar ook als mogelijke toegang tot vormen van kennis die in het gewone bewustzijn ontoegankelijk zouden zijn. Voor de jonge Mulisch vormde dit vermoedelijk een intellectueel kader waarin zijn eigen ervaringen niet uitsluitend als ziekte hoefden te worden begrepen.
Dat gegeven is psychiatrisch relevant omdat het laat zien hoe de interpretatie van een psychotische ervaring mede wordt bepaald door de culturele context waarin zij plaatsvindt. Een ervaring van bijzondere betekenis kan door de ene persoon als symptoom worden geïnterpreteerd, door een ander als religieuze openbaring en door een derde als artistieke inspiratie. De ervaring zelf en de interpretatie ervan zijn niet identiek. Voor herstel kan juist het onderscheid tussen beide van belang zijn. Iemand kan erkennen dat een ervaring destijds werkelijk en overweldigend was, zonder de overtuigingen die ermee gepaard gingen in het heden letterlijk te blijven onderschrijven.
Bij Mulisch lijkt zich iets dergelijks te hebben voorgedaan. De oorspronkelijke overtuiging dat hij ‘alles begreep’ werd geen blijvend wereldbeeld dat hij als zodanig aan anderen moest opleggen. Zij werd materiaal voor literatuur. In plaats van de wereld definitief te verklaren, bleef Mulisch haar opnieuw verbeelden. Zijn oeuvre werd daardoor geen sluitend systeem, maar een voortdurende poging om de grens tussen werkelijkheid en verbeelding opnieuw te onderzoeken. De desintegratie van een oud werkelijkheidsbeeld kon zo paradoxaal genoeg leiden tot een langdurige intellectuele en artistieke activiteit.
Daarmee komt ook het begrip ‘herstel’ in een ander licht te staan. Herstel hoeft niet noodzakelijk te betekenen dat iemand terugkeert naar precies de toestand van vóór de psychose. Zeker wanneer de episode plaatsvindt tijdens een cruciale ontwikkelingsfase, kan die toestand niet eenvoudig worden teruggewonnen. De persoon is intussen veranderd. Een herstelproces kan daarom ook bestaan uit het ontwikkelen van een nieuw evenwicht waarin de psychotische ervaring een plaats heeft gekregen zonder het verdere leven te bepalen. De vraag is dan niet alleen of de waan verdwenen is, maar ook wat ervoor in de plaats is gekomen.
Dit sluit aan bij narratieve benaderingen van herstel. Een mens leeft niet alleen met symptomen, maar ook met verhalen over zichzelf. Na een psychose kan het oorspronkelijke levensverhaal zijn geloofwaardigheid verliezen: ‘wie ik dacht dat ik was’ en ‘wat ik dacht dat de werkelijkheid was’ blijken niet meer vanzelfsprekend. Vervolgens moet een nieuw verhaal worden opgebouwd. Dat verhaal hoeft niet volledig consistent te zijn. Het kan juist bestaan uit verschillende perspectieven op dezelfde gebeurtenis. De psychose wordt dan niet ontkend, maar krijgt een andere status binnen het geheel van de biografie.
Het schrijven van Mulisch laat zien hoe ver zo’n proces kan reiken. Zijn roman archibald strohalm werd geen psychiatrisch verslag van een episode. Het werd een zelfstandig literair werk. Dat onderscheid is belangrijk. Zodra de roman alleen als symptoom van zijn vermeende psychose wordt gelezen, wordt de literatuur gereduceerd tot psychopathologie. Maar het omgekeerde is eveneens problematisch: wanneer men uitsluitend naar de literaire constructie kijkt, kan men voorbijgaan aan de psychische ervaring die voor de schrijver zelf een beslissende betekenis had. De interessante positie bevindt zich tussen beide reducties in.
Juist daar kan een ontmoeting tussen psychiatrie en literatuur vruchtbaar zijn. De psychiatrie beschikt over begrippen om ontregeling, herstel en psychotische ervaringen te beschrijven. Literatuur kan laten zien hoe zulke ervaringen in een leven worden beleefd en hoe moeilijk het onderscheid tussen werkelijkheid, interpretatie en herinnering soms is. Een roman is geen klinisch dossier en kan dat ook nooit vervangen. Maar literatuur kan wel fenomenologische vragen zichtbaar maken die in een classificerend vocabulaire gemakkelijk verloren gaan.
Het geval Mulisch suggereert bijvoorbeeld dat het tijdsperspectief sterker in psychiatrisch onderzoek zou kunnen worden betrokken. De acute psychose duurt misschien weken of maanden, maar de betekenis ervan kan tientallen jaren veranderen. Wat iemand tijdens de episode dacht, kan later anders worden geïnterpreteerd. Een ervaring die aanvankelijk uitsluitend als catastrofe werd beleefd, kan later onderdeel worden van een beroepskeuze, een levensbeschouwing of een creatieve praktijk. Omgekeerd kan een aanvankelijk positieve interpretatie later ook problematische kanten krijgen. Betekenisgeving is geen eindpunt maar een dynamisch proces.
Dat maakt longitudinaal onderzoek naar herstel bijzonder relevant. Niet alleen zouden symptomen, functioneren en terugval moeten worden gevolgd, maar ook identiteit, narratieve samenhang, levensdoelen, sociale rollen en creatieve ontwikkeling. Daarbij zou men voorzichtig kunnen onderzoeken of mensen na een eerste psychose veranderingen in creatieve productie ervaren en welke factoren daarmee samenhangen. De vraag moet niet zijn of psychose mensen creatiever maakt. Veel interessanter is de vraag waarom sommige mensen een ontwrichtende ervaring later weten te verbinden met nieuwe vormen van betekenisgeving of expressie en anderen niet.
Ook schrijven zelf zou onderwerp van onderzoek kunnen zijn. Daarbij is onderscheid nodig tussen schrijven tijdens een acute psychose, schrijven tijdens het vroege herstel en schrijven vele jaren later. Deze drie situaties kunnen psychologisch sterk van elkaar verschillen. Tijdens een psychose kan schrijven deel uitmaken van de ontregeling en zelfs overtuigingen versterken. In de periode daarna kan schrijven een manier worden om greep te krijgen op de ervaring. Jaren later kan het schrijven vooral een vorm van autobiografische reconstructie zijn. Het zou interessant zijn om te onderzoeken of deze verschillende vormen van schrijven verschillende gevolgen hebben voor herstel en identiteit.
Voor de klinische praktijk betekent dit vooral dat er ruimte kan zijn voor vragen die verder gaan dan de gebruikelijke inventarisatie van symptomen. Wat betekende de ervaring voor de patiënt? Wat is er sinds die tijd veranderd? Welke overtuigingen zijn verdwenen en welke zijn gebleven? Heeft de patiënt nieuwe interesses, relaties of levensdoelen ontwikkeld? Is er een verhaal ontstaan waarmee de gebeurtenis een plaats heeft gekregen? Zulke vragen impliceren niet dat de psychose positief moet worden geduid. Zij maken slechts zichtbaar dat herstel ook een ontwikkelingsdimensie kan hebben.
Daarbij is behoedzaamheid essentieel. Het gevaar van romantisering ligt voortdurend op de loer. Wie de psychose als mogelijke bron van creativiteit beschouwt, kan gemakkelijk de ernst van het lijden onderschatten. De meeste mensen met een psychotische aandoening zijn geen kunstenaars en hoeven dat ook niet te worden. Evenmin moet het ontwikkelen van betekenis worden verward met het bevestigen van een waan. Een behandeling die iemand helpt om een ervaring in een levensverhaal op te nemen, kan juist betekenen dat de letterlijke waarheid van de vroegere overtuiging wordt losgelaten.
Het begrip ‘integrerend desintegratieproces’ moet daarom vooral worden opgevat als een uitnodiging tot onderzoek. Het beschrijft geen universeel patroon en zeker geen verborgen positieve functie van psychose. Het verwijst naar de mogelijkheid dat een psychotische episode in sommige levenslopen een breukpunt vormt waaruit later een nieuw zelfverhaal ontstaat. Bij Mulisch kreeg dat proces een uitzonderlijke culturele vorm. Zijn vermeende psychose werd geen diagnose in zijn biografie, maar een bron van een blijvende fascinatie voor de verhouding tussen waan en werkelijkheid, schepper en schepsel, ratio en irrationaliteit.
Daarmee blijft de belangrijkste vraag uiteindelijk niet of Harry Mulisch in 1949 volgens hedendaagse criteria ‘echt’ psychotisch was. Zo’n retrospectieve diagnose zou methodologisch onzeker blijven. Interessanter is dat Mulisch zelf zijn ervaring herhaaldelijk beschreef met woorden die rechtstreeks raken aan het psychiatrische vocabulaire, en dat hij vervolgens een opmerkelijke ontwikkeling doormaakte waarin deze ervaring werd opgenomen in zijn schrijverschap. Zijn geval maakt zichtbaar hoe een ontwrichtende ervaring binnen een levensloop van betekenis kan veranderen.
De psychiatrie zou daarom naast de vraag hoe herstellen mensen van een psychose? ook de vraag kunnen stellen: wie worden mensen nadat zij een psychose hebben doorgemaakt? Dat is geen cosmetische toevoeging aan het bestaande herstelbegrip. Het verschuift het perspectief van de episode naar de levensloop, van symptoom naar betekenis en van uitsluitend verlies naar de mogelijkheid van ontwikkeling. Niet iedere patiënt zal deze ontwikkeling doormaken, en niemand mag daartoe worden aangespoord. Maar het is denkbaar dat een deel van het herstel juist bestaat uit het ontwikkelen van een nieuwe verhouding tot wat ooit als een totale ontregeling werd ervaren.
Bij de schrijver wordt deze verhouding zichtbaar in taal. Wat ooit als werkelijkheid werd beleefd, kan later verhaal worden. Wat eerst uitsluitend van binnenuit kon worden ervaren, kan vervolgens van buitenaf worden bekeken. Een gedachte die tijdens een psychose absolute geldigheid leek te hebben, kan later materiaal worden voor een roman, een schilderij, een herinnering of een gesprek. Daarmee wordt de ervaring niet ongedaan gemaakt. Haar status verandert.
Misschien ligt daar de meest interessante betekenis van de Mulisch-casus. Niet dat de psychose literatuur heeft veroorzaakt, maar dat schrijven een ruimte kan scheppen waarin de verhouding tussen de vroegere waan en de huidige werkelijkheid opnieuw kan worden onderzocht. De psychose wordt dan geen verborgen talent en ook geen noodzakelijk stadium van creativiteit. Zij wordt een gebeurtenis waar iemand zich in de loop van zijn verdere leven toe moet leren verhouden.
Wat in het acute moment als desintegratie verschijnt, kan daardoor later onderdeel worden van een nieuw verband. Niet omdat de psychose zelf een verborgen bedoeling had, maar omdat een mens achteraf betekenis kan geven aan wat hem is overkomen. In die zin is ‘integrerend desintegratieproces’ vooral een naam voor een paradox van herstel: het doel is niet noodzakelijk terugkeren naar wie men vóór de psychose was, maar een manier vinden om verder te leven met wat daarna niet meer vergeten kan worden.
Literatuur
