
Ik ben tussen vrouwen geboren, maar al mijn zussen zijn nooit in Lourdes geweest, behalve mijn jongste zus Trees, in 1958 samen met mijn drie ongetrouwde tantes uit Huissen, uit dankbaarheid aan Onze Lieve Vrouwe van Lourdes voor de geslaagde hersenoperatie die Trees op jonge leeftijd had moeten ondergaan.
Mijn ouders gingen vaak naar Lourdes. Mijn moeder misschien wel tien keer. Al in de jaren twintig reisde zij als ziekenverzorgster mee met de bedevaarttrein, waar ze mijn vader leerde kennen. Voor hen werd Lourdes een vaste bestemming, een mengeling van devotie en vakantie. In 1956 waren mijn ouders 25 jaar getrouwd en gingen zij opnieuw samen naar Lourdes met de touringcar van Jacques van Dijk uit Eindhoven.
In de zomer van 1962 kwam ik zelf voor het eerst in Lourdes, samen met mijn ouders natuurlijk. Ik was toen 14 jaar. Nadien zou ik daar er samen met hen nog drie keer komen, in 1965 voor het laatst. Ik was nog jong en kwam uit een wereld waarin God nog gewoon deel uitmaakte van het dagelijks leven. Hij hoefde zich niet te bewijzen. Hij was er, net als de pastoor, de bakker en de kolenboer. Alleen had God natuurlijk aanzienlijk meer macht. In Lourdes was dat geloof tot een complete infrastructuur uitgegroeid. Er waren basilieken, hotels, ziekenwagens, kaarsen, winkels, souvenirs, processies en fonteinen. Voor iedere geestelijke behoefte was er wel een gebouw en voor iedere lichamelijke kwaal een flesje water. De hemel had hier kennelijk niet alleen een adres, maar ook een uitstekend georganiseerde toeristische dienst.
Ik vond dat destijds niet vreemd. Dat is misschien wel het merkwaardige eraan. De wereld van mijn roomse jeugd was zo vanzelfsprekend dat je haar niet van buitenaf kon bekijken. God, Maria, de engelen en de heiligen behoorden tot de werkelijkheid zoals bomen, auto’s en familieleden dat deden. Alleen hun woonplaats was iets moeilijker vast te stellen. Maria zat in ieder geval goed. Zij was overal. Op medailles, schilderijen, prentjes en beeldjes keek zij met dezelfde moederlijke ernst de wereld in. Zij was de vrouw die namens ons een goed woordje kon doen bij God. Een kind begrijpt zulke verhoudingen onmiddellijk. God was almachtig, maar Maria kende hem persoonlijk.
Mijn herinneringen aan die tijd zitten dan ook minder in grote geloofswaarheden dan in kleine handelingen. Ik zie mezelf weer zitten in de kerk, op een harde houten bank, met mijn benen nog net niet lang genoeg om gemakkelijk met mijn voeten bij de grond te komen. Voor ons stond het altaar, ver weg en toch nadrukkelijk aanwezig. De priester droeg zijn gewaden, de kaarsen brandden en ergens rook de wierook. Je wist dat je stil moest zijn. Dat was niet moeilijk omdat je zo vroom was, maar omdat de kerk een omgeving was waarin zelfs een kuchje een overtreding leek. Als ik even naar achteren keek, hoefde ik maar de blik van mijn moeder te ontmoeten om te weten dat ik weer naar voren moest kijken. Het geloof werd mij niet alleen uitgelegd; het werd mij ook aangeleerd als een houding van het lichaam.
Op school gebeurde iets dergelijks. Er was catechismus en er waren vragen waarop een antwoord bestond dat je uit je hoofd moest kennen. Soms wist ik het antwoord, soms niet. Het eigenaardige was dat het onthouden van die antwoorden niet betekende dat ik begreep wat ze betekenden. Ik kon iets correct zeggen zonder te weten waarom het waar zou zijn. Misschien was dat wel een eerste, onbewuste kennismaking met het instituut dat Kerk heette: eerst het antwoord, daarna eventueel de vraag. God werd zo een beetje zoals de tafels van vermenigvuldiging. Je hoefde niet te begrijpen waarom zeven maal acht zesenvijftig was; je moest het gewoon weten.
Ik herinner mij ook het biechten. Niet zozeer wat ik vertelde, maar de aanloop ernaartoe. Je zat te wachten op je beurt en probeerde ondertussen te bedenken wat je ook alweer had misdaan. Als kind had je daar merkwaardig weinig materiaal voor. Je had gelogen, ruzie gemaakt, ongehoorzaam geweest, misschien iets afgepakt of een ander kind uitgelachen. Dat moest dan allemaal worden opgebiecht. Het had iets administratiefs: zonden verzamelen, opnoemen, absolutie ontvangen en weer naar buiten. De ziel was tijdelijk opgeschoond. Buiten wachtte de wereld gewoon op je en meestal begon je binnen een paar uur alweer opnieuw.
De zondag had zijn eigen ritme. Eerst de kerk, dan naar huis. De zondagse kleren mochten niet meteen achteloos worden uitgetrokken. De geur van kerk en natte jassen hing nog in de hal. Thuis werd koffie gezet. Ik herinner mij hoe groot het verschil kon zijn tussen de kerk en de huiskamer. In de kerk was alles gericht op de eeuwigheid; thuis lag de krant op tafel, iemand sneed brood en er werd gevraagd of ik mijn schoenen wel had uitgedaan. God verdween niet helemaal, maar hij moest het daar opnemen tegen het gewone leven. Dat gewone leven was tamelijk overtuigend.
Er waren ook de heiligenbeelden. Als kind kon ik daar lang naar kijken. Sommige waren vriendelijk, andere streng, en sommige hadden een uitdrukking waarvan ik niet goed wist of ze verdrietig waren of gewoon van steen. Jezus hing aan het kruis, Maria keek naar hem, Jozef stond erbij. De hele familie van het geloof leek permanent bezig met een probleem dat nooit werd opgelost. Op school stonden heiligen-prentjes tussen de boeken. Soms kreeg je er een mee naar huis. Ik bewaarde ze een tijdlang in een la, naast dingen die niets met geloof te maken hadden. Dat vond ik toen niet vreemd. Een prentje van Maria kon blijkbaar zonder bezwaar naast een knikker, een stukje touw of een kapotte pen liggen.
En dan waren er de gebeden. Het Onze Vader kende ik uit mijn hoofd. Het Weesgegroet ook, de oefening van berouw, het credo Je kon al die woorden opzeggen zonder er nog werkelijk bij na te denken. Dat gebeurde waarschijnlijk vaker dan ik toen besefte. Het gebed was niet altijd een gesprek met God; soms was het gewoon een reeks woorden die je kende. Toch hadden ze een merkwaardige kracht. Ze hoorden bij bepaalde momenten: voor het eten, in de kerk, bij een begrafenis, misschien voor het slapen gaan. Later, toen ik niet meer geloofde, bleven sommige zinnen nog jarenlang in mijn geheugen zitten. Het hoofd bleek trouwer dan het geloof.
Lourdes maakte die katholieke logica bijna potsierlijk zichtbaar, al zou ik dat woord toen natuurlijk niet hebben gebruikt. Maria was hier niet alleen vereerd, maar ook gelokaliseerd. Zij had in 1858 precies kunnen aangeven waar zij stond en waar de bron moest komen. Sindsdien was het terrein zorgvuldig ingericht om toekomstige generaties pelgrims ervan te verzekeren dat zij inderdaad op de juiste plek stonden. De bovennatuurlijke wereld had hier iets merkwaardig administratiefs gekregen. Er was een grot, een bron en een indrukwekkende hoeveelheid bewijs dat men hier terecht was. Zelfs het wonder had een plattegrond.
Dat paste bij het katholicisme waarin ik opgroeide. Het geloof was lichamelijk en praktisch. Je knielde op een bepaalde plaats, maakte een kruisteken, stak een kaars aan en sprak een gebed uit. Zonde kon worden opgebiecht en vergeving kon vervolgens worden toegediend. Wijwater kon worden meegenomen. Een medaille kon bescherming bieden. De grens tussen het zichtbare en het onzichtbare was niet zozeer verdwenen als wel voorzien van een loket. Dat had iets geruststellends. Voor bijna ieder probleem bestond een ritueel. En als een ritueel niet hielp, kon je altijd nog een noveen proberen.
De Kerk was in die jaren bezig aan een merkwaardige overgang. Het oude katholicisme begon te verdwijnen op het moment dat het eindelijk modern wilde worden. Het Tweede Vaticaans Concilie had de ramen opengezet. De liturgie werd begrijpelijker, het Latijn verdween, de priester kwam met zijn gezicht naar de gelovigen te staan en de Kerk ontdekte dat de moderne mens misschien helemaal niet zat te wachten op een Latijnse formule die hij niet begreep. Het was een moedige poging tot aanpassing. Alleen was er één probleem: de wereld waarin wij inmiddels leefden, had niet gewacht op de Kerk.
Voor mijn generatie was dat verwarrend. Wij kregen te horen dat het geloof bij de tijd moest worden gebracht, terwijl juist de oude geloofswereld onder onze voeten verdween. Wat eerst eeuwig en onveranderlijk heette, bleek plotseling aan een verbouwing toe. De priester veranderde, de mis veranderde, de kerk veranderde en uiteindelijk veranderden ook de gelovigen. Veel van hen verlieten de Kerk. De modernisering was dus buitengewoon succesvol. De Kerk werd aangepast aan de moderne wereld en de moderne wereld maakte vervolgens van die gelegenheid gebruik om te vertrekken.
Lourdes heeft die omwenteling merkwaardig genoeg overleefd. Dat werd mij pas duidelijk toen ik er in 2012 na al die jaren weer terugkwam, in de aanloop van mijn boek Modernisme in Lourdes, Gerard Reve en de secularisering (2013). Buiten Lourdes was de wereld inmiddels digitaal, seculier en gehaast geworden. Binnen het heiligdom brandden nog altijd de kaarsen. De processies gingen door. Maria stond er nog. Het Ave Maria werd in allerlei talen gezongen, zodat ook de internationalisering van het geloof probleemloos kon worden gevierd. De wereld was veranderd, maar het decor had zich daar weinig van aangetrokken. Lourdes was een soort tijdmachine waarin de bezoeker zelf ouder werd, terwijl de omgeving koppig dezelfde leeftijd hield.
’s Avonds, tijdens de lichtprocessie, werd dat bijna surrealistisch. Duizenden mensen liepen met brandende kaarsen over de esplanade. Bij ieder refrein gingen de kaarsen omhoog. Van een afstand zag je één grote bewegende massa van licht. Het was indrukwekkend, maar ook een beetje alsof een heel continent tegelijk had besloten zich als één persoon te gedragen. De moderne individualist, die overal zijn eigen mening moet hebben, verdween hier voor een uur in een menigte die precies wist wanneer de kaars omhoog moest.
Toch zou het goedkoop zijn om daar alleen maar de spot mee te drijven. Mensen komen niet naar Lourdes omdat zij niets beters te doen hebben. Ze brengen hun zieken mee. Ze komen met verdriet, angst, schuld en hoop. Sommigen zijn wanhopig. Anderen geloven eenvoudigweg dat Maria kan helpen. En wie zijn wij om daar al te gemakkelijk om te lachen? De moderne mens heeft tenslotte ook zijn bedevaartplaatsen. Alleen heten ze nu ziekenhuis, wellnessresort, psycholoog, sportschool of vliegveld. Ook daar wordt veel hoop geïnvesteerd in een betere versie van het lichaam en het leven. Het verschil is vooral dat wij onze wonderen tegenwoordig graag wetenschappelijk verantwoord noemen.
Daarin zit iets merkwaardigs. De moderne wereld heeft het bovennatuurlijke afgeschaft, maar niet het verlangen ernaar. Wij geloven niet meer in wonderen, behalve wanneer ze zich voordoen in de vorm van een medische doorbraak, een technologische revolutie of een uitzonderlijk geslaagd zelfhulpboek. De heilige genezer is vervangen door de specialist, de bedevaart door de gezondheidsreis en het wijwater door een voedingssupplement. Alleen Maria heeft voorlopig nog het voordeel dat zij niet beweert dat zij alles wetenschappelijk kan verklaren.
Juist daarom vind ik Lourdes interessanter dan het op het eerste gezicht lijkt. Het is niet alleen een overblijfsel van een verdwenen religie. Het is een plaats waar zichtbaar wordt hoeveel moeite mensen hebben met de eindigheid van het bestaan. Ziekte en dood zijn niet verdwenen omdat wij ze rationeler zijn gaan benaderen. Wij hebben alleen betere woorden gevonden om onze machteloosheid te verbergen. Een arts kan veel meer dan een pastoor uit mijn jeugd ooit kon, maar ook de arts staat uiteindelijk naast een bed waar niets meer te doen valt. Op zulke momenten blijkt hoe dun de scheidslijn is tussen de moderne mens en de pelgrim die een kaars aansteekt.
Misschien is dat ook waarom mijn herinneringen aan mijn roomse jeugd zo hardnekkig zijn. Ik verlang niet terug naar de oude geloofswaarheden. Ik heb geen behoefte om opnieuw te geloven dat Maria in Lourdes werkelijk in die grot is verschenen. Maar ik herinner mij wel een wereld waarin voor de dood nog een plaats was gereserveerd. Niet opgelost, wel ingekaderd. Er was een hemel, een hel, een oordeel, een hiernamaals en alles wat daarbij hoorde. Dat alles maakte het leven overzichtelijker, zij het niet noodzakelijk prettiger. Je wist tenminste waar je aan toe was. Zelfs de eeuwigheid had een bestemmingsplan.
Daar is iets voor in de plaats gekomen wat wij vooruitgang noemen. Dat woord heeft een geruststellende klank, alsof de geschiedenis vanzelf weet waar zij heen moet. Mijn eigen leven heeft mij daar inmiddels wat wantrouwiger tegenover gemaakt. Ik heb meegemaakt hoe een wereld die beweerde eeuwig te zijn in enkele jaren kon verdwijnen. Ik heb gezien hoe een kerk die eeuwenlang dezelfde woorden gebruikte opeens nieuwe woorden nodig had. En ik heb ervaren dat een mens ook zonder geloof heel goed kan blijven verlangen naar betekenis. Alleen moet hij die betekenis voortaan zelf produceren, wat misschien de meest arbeidsintensieve religie is die ooit is uitgevonden.
Toen ik terugkwam in Lourdes, merkte ik dat mijn verhouding tot die oude wereld dubbel was geworden. Ik kon haar niet meer geloven, maar ik kon haar ook niet eenvoudig afwijzen. Daarvoor had zij te veel met mijn vorming te maken gehad. Ik herkende de gebaren, de beelden en de taal nog steeds. Alleen werkte het mechanisme niet meer. Ik kon nog altijd een Mariabeeld herkennen, maar ik wist niet meer wat ik ermee moest. Het was alsof je na jaren een oude sleutel terugvindt waarvan je je herinnert dat hij ooit een deur opende, maar niet meer weet welke deur.
Dat is misschien de eigenaardigste vorm van nostalgie: niet verlangen naar wat er was, maar beseffen dat je nog steeds de afmetingen kent van een kamer waarin je niet meer woont. In Lourdes kwam ik die kamer opnieuw binnen. Alles stond er nog. De grot, de kaarsen, de beelden, de processies. Alleen de bewoner was veranderd. Dat was ik.
Ik vond daar dus niet mijn geloof terug, maar wel de ironie van mijn eigen verleden. Als jongen geloofde ik dat Lourdes een plaats was waar de hemel de aarde had aangeraakt. Later begreep ik dat het ook een plaats was waar mensen hun verlangens, angsten en ziekten naartoe brachten. Misschien zijn die twee dingen minder verschillend dan ik vroeger dacht. De hemel is immers altijd ergens waar mensen hem nodig hebben. In Lourdes had men daar een bijzonder overtuigend adres voor gevonden.
En misschien is dat wel het echte wonder van Lourdes: niet dat water zieken geneest, maar dat mensen al anderhalve eeuw naar dezelfde grot blijven komen in de hoop dat het leven iets anders in elkaar zit dan het zich dagelijks voordoet. De moderne mens heeft de wonderen afgeschaft en vervolgens een enorme industrie gebouwd om dezelfde hoop op een andere manier in stand te houden. Lourdes heeft tenminste de eerlijkheid om er kaarsen bij te zetten.
Als ik aan mijn eerste bezoek in 1962 terugdenk, zie ik daarom niet alleen een jonge jongen tussen de bedevaartgangers. Ik zie een wereld die toen nog geloofde dat het onzichtbare ergens aanwezig kon zijn. Die wereld is verdwenen, maar haar decor staat er nog. Misschien is dat waarom Lourdes mij blijft intrigeren. Het is een plaats waar het verleden niet alleen wordt herinnerd, maar dagelijks opnieuw wordt opgevoerd. De hemel is er nooit definitief gearriveerd en de moderniteit is er evenmin volledig aangekomen. Tussen die twee mislukkingen staat Maria daar nog altijd op haar plaats.
Ik hoef niet meer in haar te geloven om haar te herkennen. Voor iemand met een roomse jeugd is dat wellicht het meest verrassende wat er van het geloof kan overblijven: niet de zekerheid dat de hemel bestaat, maar de herinnering aan een tijd waarin je dacht dat je als mens stemmen uit de hemel kon horen. Toen in de winter van 1966 dat soort stemmen ook in mijn eigen hoofd opdook, was het Rijke Roomse Leven voor mij voorbij, en o voorgoed voorbij.