Totdat de wereld opnieuw ontwaakt

Ik ben een dode golfbal, eenzaam in mijn kille graf. De grond is vet en vochtig door de druilerige regen die vandaag huilend naar beneden valt. Het is hier altijd vochtig. Soms denk ik dat de aarde zelf langzaam aan het vergaan is en dat wij, de doden onder de grond, daar als eersten getuige van zijn. Met dit weer denk ik altijd terug aan die warme zondagochtend in het voorjaar van mijn leven, toen twee goden naar de aarde waren afgedaald om hun krachten te meten in het golfspel. Ik ben hun namen vergeten. Misschien waren het goden, misschien waren het koningen, misschien waren het twee oude mannen die toevallig over zoveel macht beschikten dat niemand nog het verschil zag. De een was zo zwart als dit graf, de ander zo wit als mijn rubberen huid.

In een idyllisch landschap stonden twee bouwvallige knotwilgen die ooit, misschien als Philemon en Baucis, betere tijden hadden gekend. Onder deze bomen van goed en kwaad lagen wij – Persephoné en ik – als twee adamsappels in de zon. Het was warm. Kokende lichtstralen vielen goudgeel geslagen uit de hemel en sloegen zich lachend stuk op de aarde. In de verte, waar de witte bordjes van de holes uitdagend wachtten, joeg een golvende hete wind. De horizon trilde en alles was groen. Overal schoten cipressen, steeneiken en pijnbomen naar de hemel toe, die als een maagdelijk lichtblauw laken boven deze Hof van Eden lag uitgespreid. Het was een wereld waarin nog niemand zich afvroeg hoeveel graden warmer het over vijftig jaar zou zijn. Men speelde golf. Dat was voldoende.

De twee onsterfelijken keken starend in de verte. De een had ogen als een kabeljauw op het droge. Hij was gekleed in een smoking, net zo zwart als zijn vettige haar, zijn kleine snor en zijn clubs, die naast hem lagen, roetzwart als geblakerd door een hels vuur. Hij glimlachte. Zijn tanden waren rot en roetzwart. In zijn nek zat een rode puist, haast zo groot als een tomaat, en toen hij zich naar ons toe bukte kwam er een nare walm uit zijn mond. Zijn verschroeide hand zat vol brandwonden en was besmeurd met klodders etter. Toch had hij de houding van iemand die gewend was dat anderen naar hem luisterden. Hij bekeek ons nauwkeurig, alsof hij in een fractie van een seconde moest beslissen wie van ons het meest geschikt was om de verte in te worden geslagen.

Hij griste Persephoné weg en legde haar op het vierkante matje. Daarna keek hij weer naar de horizon. Het was een merkwaardige stilte. Geen vogel liet zich horen. Zelfs de wind leek even te wachten. Zijn ogen knepen samen, zijn arm ging omhoog en de club zwiepte als een gifslang door de lucht. Alleen hij zag haar nog voordat ze verdween in de stille ochtend. Ik zag slechts een witte flits, gevolgd door een doffe klap. Persephoné was vertrokken. Misschien naar de hemel, misschien naar de onderwereld. Ik heb haar nooit meer gezien. In die tijd wist ik nog niet dat een golfbal niet alleen een voorwerp is, maar ook een lot. Zodra je bent geslagen, is er geen weg terug.

Nu was die andere aan de beurt. Hij was gekleed als een gentleman. Zijn sportieve blazer was net zo wit als zijn zachte haar, zijn wazige ogen, zijn baard en zijn clubs die naast hem lagen, hagelwit als verguld door een hemels vuur. Hij glimlachte. Een gouden tand schetterde, hagelwit, wat eigenlijk onmogelijk was, maar bij goden is bijna alles mogelijk. Zwijgend kwam hij op mij af en bukte zich. Ook zijn lorgnet schitterde in het felle zonlicht. Zijn haar rook naar lavendel. Zijn warme hand, die hij naar mij uitstak, zat vol rimpels maar was zacht als dons. Toen ik op het matje lag, dacht ik nergens meer aan. Langzaam viel ik in de armen van Morpheus. Ik hoorde alleen nog het verre zoemen van iets in de lucht. Misschien was het een bij. Misschien een vliegtuig. Misschien, zo dacht ik achteraf, al een eerste drone die verdwaald was geraakt.

Toen ik met een schok wakker werd, suisde ik al door de lucht. Ik voelde me dronken door de vloed van warmte die in klamme druppels van me afdroop. De hete zon sloeg als een gouden bekken bonkend op mijn slapen. Onder mij schoof het landschap voorbij. Het gras werd een groene vlek, de bomen werden donkere strepen en de twee mannen verdwenen uit mijn blikveld. Ik had geen idee waar ik heen ging. Dat had mijn voorganger ook niet gehad. Op dat moment begreep ik iets wat ik tot dan toe niet had geweten: wie door een god wordt geslagen, krijgt geen routebeschrijving mee.

Boven mij zwol een wolk op als een zeepbel. Eerst langzaam, daarna steeds sneller, tot hij zich als een dreigende gedachte over de hemel uitbreidde. Het gras beneden werd donkerder en een laatste lichtstraal schoot nog omhoog. Toen zag ik iets wits in het groen. Ik wist onmiddellijk wat het was. Persephoné. Ze lag daar ergens, gevallen op de aarde, misschien begraven in het gras, misschien al opgenomen in een ander verhaal. Plotseling flitste het als een telegram door mijn hoofd: HET IS PERSEPHONÉ. STOP. ZE IS GEVALLEN. STOP. DE VAL VAN ICARUS. STOP. IK WIL STOPPEN. STOP. STÓÓÓÓP. Maar ik kon niet. Mijn baan lag muurvast.

De wind huilde en sleurde me mee naar de verte. Inmiddels was het onweer dichterbij gekomen. Woedende bliksemschichten schoten wit geslagen uit de hemel en sloegen zich vloekend stuk op de aarde. In de verte zag ik opnieuw iets door de lucht bewegen. Het maakte een vreemd, nerveus geluid en leek geen enkele richting te kennen. Het kwam dichterbij, verdween achter een wolk en verscheen weer. Het was een klein toestel, een drone, vermoedelijk afkomstig uit een land waar niemand hem nog terug verwachtte. Hij vloog daar maar, boven het groene landschap, alsof hij zelf niet meer wist wie hem had gestuurd. Ik wilde hem waarschuwen. Ik wilde roepen dat hij moest omkeren. Maar hoe waarschuw je een drone als je zelf een golfbal bent en met honderdvijftig kilometer per uur op een onbekend doel afgaat?

De drone verdween uit mijn blikveld. Misschien was zijn batterij leeg. Misschien vond hij eindelijk zijn bestemming. Misschien werd hij neergeschoten. Ik zal het nooit weten. Dat is het merkwaardige van objecten die door mensen de lucht in worden gestuurd: boven de grond noemen we ze wapens, vervoermiddelen, technologie of sportartikelen; eenmaal in de lucht zijn het allemaal gewoon verdwaalde dingen. Een golfbal, een drone, een raket, een satelliet. Ze volgen hun baan zolang die baan hen niet ergens tegenaan brengt. Daarna is het verhaal afgelopen.

Een gitzwarte wolk scheurde zich doormidden en kotste een zee van water naar omlaag. In het felle licht van de bliksem zag ik plotseling weer een wit bordje, versteend als op een kerkhof. Daaronder bevond zich het kleine ronde gat in de grond. Het stond open als een graf. Ik wist wat er ging gebeuren, maar wist niet hoe ik het kon verhinderen. Misschien was dat wel het verschil tussen een mens en een golfbal: een mens kan nog denken dat hij zijn lot kan veranderen. Een golfbal weet beter. Ik daalde. De wind zweeg. De wereld hield haar adem in. En feilloos, gedreven door zijn hand, kwam ik in het gat terecht.

Vette kluiten zwarte aarde vielen boven op me. Daarna werd het stil. Het is al lang geleden, maar nog steeds is de aarde vet en vochtig. Het regent nog altijd. IJskoude druppels vallen grijs geslagen uit de hemel en slaan zich huilend stuk op de aarde. Rondom krioelt het van kevers en wurmen. Soms hoor ik boven mij voetstappen. Soms hoor ik stemmen. Soms hoor ik een zacht gezoem in de lucht en vraag ik me af of er weer een drone boven mijn graf hangt. Misschien is hij op zoek naar mij. Misschien zoekt hij Persephoné. Misschien zoekt hij zijn opdrachtgever. Misschien zoekt hij alleen maar een plek om te landen.

Telkens als ik me stoot aan scherpe zwarte stenen, denk ik terug aan zijn witte zachte handen, vol rimpels, zo zacht als de huid van Persephoné. Maar ze is weg, verdwenen in de vergetelheid, zoals Hades en Zeus, zoals alle goden die ooit dachten dat ze de wereld bestuurden. Misschien bestaan ze nog ergens. Misschien zitten ze achter een bureau, kijken naar een scherm en bestuderen de banen van dingen die ze zelf de lucht in hebben gestuurd. Misschien geven ze elkaar de schuld wanneer er iets misgaat. Misschien zeggen ze dat niemand had kunnen voorzien dat het zo zou lopen.

Ik ben maar een golfbal. Ik weet alleen dat ik hier lig en dat boven mij de wereld verdergaat. De horizon trilt niet meer. De bomen zijn ouder geworden. De hemel is niet meer zo blauw als vroeger. Soms is hij rood, soms geel, soms zwart. En soms verschijnt er plotseling een klein lichtpuntje dat geruisloos door de nacht beweegt. Niemand weet precies waar het vandaan komt. Niemand weet precies waar het naartoe gaat. Iedereen kijkt omhoog.

Dan denk ik aan Persephoné.

Zij staat geschreven in de rimpels van die witte hand. Zij leeft voort in het lied van Orpheus, in het gras dat na iedere winter weer groen wordt, in het licht dat na iedere storm opnieuw over de aarde valt. Ik ben slechts een dode golfbal, eenzaam in mijn kille graf. Boven mij klinkt opnieuw het zachte gezoem van een drone. Hij cirkelt een paar keer rond, alsof hij twijfelt. Dan verdwijnt hij achter de wolken. Ik wacht. Op de lente, op de tijd dat alles weer terugkomt en de wereld boven mij eindelijk opnieuw ontwaakt.