
Ik ontmoette je vanochtend bij het reinigen van mijn tanden. Met je onnozele koeienogen staarde je me aan vanuit een andere wereld, een wereld van witte tandpasta en glanzend porselein, met de stilte van een Spaans hospitaal achter muren van spiegelglas. Ik bleef even naar je kijken, terwijl het water uit de kraan liep en het schuim zich als sneeuw rond mijn mond verzamelde. Toen ik mijn tanden had uitgespoeld en de badkamer verliet, dacht ik dat ik je had achtergelaten. Maar dat was niet zo. Je volgde me die dag. Overal zag ik je silhouet, gegrift in muren en winkelruiten, soms even zichtbaar tussen de mensen op straat. Maar het waren vooral die ogen die me bleven achtervolgen. Rond, vochtig en onnozel, maar met iets dreigends erin. Alsof je me vanuit een andere wereld in de gaten hield.
Tegen de avond lag je weer voor me. Ik zag je ogen in de kreukels van mijn laken en in de lijnen van het plafond. Ze leken groter te worden naarmate de kamer donkerder werd. Rood waren ze nu, rood als de ogen van een hongerige stier. Toen herinnerde ik me het aanplakbiljet dat ik die middag ergens had zien hangen: SEIS HERMANOS Y BRAVOS TOROS. Zes broers en dappere stieren. Ik had er lang naar gekeken zonder te begrijpen waarom die woorden me zo troffen. Nu zag ik opnieuw het zand van de arena, rond en goudgeel, als een schotel waarin de zon stond te branden. Het was het spiegelbeeld van een andere wereld, een wereld van hitte, bloed en stof, met het gekerm van een Spaanse stier achter muren van trillend licht. Ik draaide me om, trok het laken over mijn schouders en viel in slaap.
Ik had een plaats vooraan op de barrera, zo dicht bij de arena dat ik het zand kon ruiken. De zon stond hoog boven mijn hoofd en priemde met haar scherpe stralen als banderilla’s in mijn huid. De hitte kroop langzaam door mijn lichaam, terwijl de torero’s hun rondgang maakten en het koper van de pasodoble schel door de arena schalde. Alles schitterde: de gouden pakken van de matadors en het zand dat bij iedere beweging opstoof. Ik voelde hoe de zon steeds groter werd. Eerst was het alleen een felle schijf boven de tribunes, daarna leek zij de hele hemel te vullen. Plotseling hield de muziek op. Ik hoorde alleen nog het pompen van mijn hart en het gejoel van de menigte. Het geluid zwol aan totdat het me overspoelde als een nachtmerrie. Ik kneep mijn ogen dicht en alles werd zwart. Alleen de zon bleef zichtbaar, een zon uit een andere wereld vol hitte en vuur, achter muren van trillend neonlicht. Toen gebeurde er iets vreemds. Ik voelde de grond onder mijn voeten verdwijnen en tegelijk werd mijn lichaam zwaar en log.
Snuffelend huppel ik de arena binnen. Mijn hoeven zakken een beetje weg in het warme zand en ik ruik de paarden, het zweet en ergens daaronder de scherpe geur van bloed. De tribunes zitten vol mensen die naar me wijzen en me uitlachen. Ik begrijp niet waarom. Voor me staat een strompelende hoop matrassen op vier poten, opgevuld met paardenvlees. Pas wanneer hij zijn lans opheft, begrijp ik dat het een ruiter is. De picador buigt zich naar voren en steekt. Ik voel het staal in mijn behaarde rug dringen en spring met een schok opzij. Er stroomt iets warms langs mijn flank. De menigte juicht. Ik draai me om en zie de matador staan. Zijn rode capa beweegt zachtjes in de hitte en zijn gouden kleren lijken op te lossen in het felle zonlicht. Hij kijkt me aan met een glimlach die ik als een belediging ervaar. Even zak ik door mijn poten en dan spring ik op hem af. Hij zwaait het rode doek omhoog. “Olééé!” brult de menigte. De banderilla’s rillen in mijn rug. Mijn bloed kookt en het schuim slaat uit mijn bek.
Weer gaat de capa omhoog, maar ditmaal ben ik sneller. Mijn horens grijpen het rode doek en rukken het uit zijn handen. Het scheurt met een scherp geluid. De glimlach verdwijnt van zijn gezicht. Voor het eerst zie ik angst in zijn ogen. Hij draait zich om en rent weg, terwijl het publiek begint te joelen. Ik volg hem tot aan een van de burladero’s, waar hij zich achter verschuilt. “Lafaard!” wil ik roepen, maar uit mijn bek komt alleen een rauw gebrul. Ik blijf staan en voel hoe mijn bloed op het zand valt. Druppel voor druppel loop ik leeg. De menigte kijkt toe alsof het bloed voor hen bedoeld is. Alsof het een deel van de voorstelling is. De zon beukt op mijn kop en steekt in mijn rug, waar het bloed inmiddels in mijn haren is opgedroogd. Het zit daar als menie, de grondverf van de dood. Ik wil verder lopen, maar mijn poten worden zwaar. Het zand draait onder me weg. De arena begint te kantelen en het gejoel van de menigte verandert in een vreemd, wegstervend geruis.
Toen opende ik mijn ogen en was alles wit. Het plafond, de muren, het laken over mijn lichaam: alles leek door een verblindend licht te zijn opgeslokt. Ik probeerde overeind te komen, maar mijn rug deed verschrikkelijk zeer. “Er zit een dolk in mijn rug!” riep ik. De verpleegster die naast mijn bed stond, keek me rustig aan. “Maak je niet zo druk,” zei ze. “Het was maar een zonnesteek.” Ik voelde aan mijn gezicht en zag dat mijn vingers rood waren. “Maar er zit bloed in mijn gezicht!” De verpleegster pakte vlug een spiegel van het nachtkastje en hield die voor me. Ik keek en zag onmiddellijk dezelfde ogen als vanmorgen. De onnozele koeienogen staarden me opnieuw aan, alsof er niets was veranderd. Achter die ogen zag ik weer de arena, het brandende zand en de zon die steeds groter werd. “Zie je het dan niet?” vroeg ik. De verpleegster antwoordde niet.
Ik bleef naar mezelf kijken in de spiegel. Langzaam verdween de kamer om me heen en kwamen de muren van het Spaanse hospitaal weer tevoorschijn. De stilte werd dieper en het licht werd witter. Ergens achter het spiegelglas hoorde ik opnieuw het gejoel van de menigte. Met je onnozele koeienogen keek je me aan vanuit een andere wereld, een wereld vol waanzin en verbeelding. Ik wilde de spiegel wegduwen, maar mijn hand bleef stil liggen op het laken. Toen zag ik het bloed weer. Een kleine rode vlek, precies midden op mijn borst. Ik keek naar de verpleegster. Zij keek naar mij. En in de spiegel keek de stier terug. Mijn hart, dacht ik, wat is er met mijn hart!