Het hoge voorhoofd van Camus

Er komt een leeftijd,’ schreef Camus, ‘dat een mens verantwoordelijk wordt voor zijn eigen gelaatstrekken.’ U moet mij die zin maar niet kwalijk nemen. Ik kom er steeds op terug, misschien omdat ik inmiddels een leeftijd heb bereikt waarop de verantwoordelijkheid inderdaad begint te drukken. Niet op mijn geweten, zoals u wellicht verwacht, maar op mijn gezicht. Als ik ’s morgens in de spiegel kijk, zie ik iemand die kennelijk aan zijn eigen leven voorbij is gegaan zonder daarvoor voldoende rimpels te verzamelen. Dat vind ik jammer. Ik had graag wat meer diepe groeven gehad, liefst van die verticale exemplaren die onmiddellijk duidelijk maken dat men zich langdurig met het bestaan heeft beziggehouden. Op mijn voorhoofd verschijnen nog altijd slechts wat aarzelende lijntjes, waarin ik met enige verbeelding een schaakbord kan herkennen. Maar het blijft een bescheiden schaakbord. Er is nooit een grootmeester achter dat bord verschenen.

Dat was bij Camus wel anders. Kent u de foto op de achterflap van De mens in opstand? Ik zie dat u hem niet kent. Dat geeft niets, u heeft niets gemist, behalve misschien mijn jeugd. Camus kijkt daar iets naar beneden, alsof hij vanaf een balkon neerkijkt op een toneel waarop de mensheid alweer bezig is dezelfde fout te maken. Zijn gezicht wordt van onderen aangelicht door een lichtbron die zich vermoedelijk nergens in de werkelijkheid bevond. Het is geen gewoon licht, maar literair licht. Clair-obscur voor mensen die nog niet wisten wat clair-obscur was. Georges de La Tour had het kunnen schilderen. Camus zag eruit alsof hij zojuist uit de eeuwigheid was teruggekeerd en zich nu afvroeg of het de moeite waard was om opnieuw in de tijd te stappen.

Ik was zeventien en trapte daar natuurlijk met open ogen in. Wat denkt u? Dat ik toen al zo verstandig was om te begrijpen dat een schrijver ook gewoon een man met een mooi gezicht kan zijn? Integendeel. Ik dacht dat die groeven op zijn voorhoofd rechtstreeks door het bestaan waren aangebracht. Daar stond het bewijs van een diep doorleefd leven. Daar zat de wijsheid, de opstand, de tragedie van het bestaan in het aanzien van de dood. Daar zat misschien zelfs God, of in ieder geval het gat in het bestaan dat God had achtergelaten. Ik wilde ook zo’n voorhoofd. Ik wilde eruitzien alsof ik de menselijke conditie persoonlijk had onderzocht. Het enige probleem was dat mijn eigen gezicht daar geen enkele aanleiding toe gaf. Ik was zeventien. Ik had nauwelijks een menselijke conditie, laat staan dat ik iets wat dat aangaat had onderzocht. Ik had alleen dat boek van Camus.

Rond die tijd werd De mens in opstand voor mij een cultboek. Ik sleepte het mee naar Frankrijk, waar ik in de zomer van 1965 voor het laatst met mijn ouders naartoe ging. Mijn vader had daar een heel andere bestemming voor het land dan ik. Frankrijk was voor hem Lourdes, Bernadette en een overzichtelijk aantal historische bezienswaardigheden die volgens een rationeel schema konden worden afgewerkt. Voor mij begon Frankrijk daarentegen steeds meer op een filosofische woestijn te lijken. Wij reden rond in een Fiat 600D, een auto waarin het begrip ruimte nog niet was uitgevonden. Mijn vader zat voorin, mijn moeder daarnaast, en ik achterin met Camus op schoot. U begrijpt wie er in die auto het meeste last had van het absurde.

Mijn vader zei bij het starten graag: ‘Fiat lux!’ Er zij licht! .Ik vond dat toen geestig, zonder te beseffen dat ik daarmee al midden in een godsdienstoorlog zat. Mijn vader bedoelde natuurlijk dat de motor aansloeg. Ik hoorde er een echo in van Genesis. Het licht kwam echter niet van God, maar van de zon die genadeloos door de ruiten van de Fiat naar binnen scheen. Airconditioning was er niet. Comfort evenmin. De achterbank was een soort mobiele martelkamer voor adolescenten die dachten dat ze filosofen waren. Mijn vader wilde naar het volgende monument. Ik wilde weten waarom wij überhaupt bestonden. Hij had een wegenkaart. Ik had Camus. Hij wilde weten waar we waren. Maar vooral: ik wilde weten waarom.

Dat verschil heeft ons waarschijnlijk nooit meer verlaten. Ik moet er achteraf wat om lachen, maar toen was het een ernstige zaak. Ik had mij voorgenomen elke dag één hoofdstuk te lezen. Lucretius ontmoette ik onderweg naar Amiens, Pascal bij Châteauroux, Nietzsche ergens voorbij Béziers en de markies de Sade, heel toepasselijk, in de buurt van Lourdes. Sindsdien kan ik de geschiedenis van de filosofie nog altijd in Franse departementen indelen. Sommige mensen herinneren zich hun eerste kus. Ik herinner mij waar ik voor het eerst over de wil tot macht las. Als ik tegenwoordig op tv een Touretappe zie, herken ik soms een brug en denk ik: daar heb ik ooit een passage over de opstand gelezen. De wielrenner die eroverheen rijdt weet natuurlijk van niets. Dat is maar goed ook. Hij zou anders misschien van zijn fiets vallen, en er zijn al genoeg valpartijen in de Tour.

U moet niet denken dat ik toen al begreep wat ik las. Dat deed ik helemaal niet. Dat is misschien wel de kern van mijn bekentenis. Ik was vooral verliefd op de toon. Op de donkere muziek van de zinnen. Op het gevoel dat achter ieder woord een geheim verborgen lag dat speciaal voor mij bestemd was. Sade bijvoorbeeld wilde de schepping te lijf gaan, de loop van de sterren verstoren, het heelal verpulveren. Ik vond dat prachtig. Ik zag mijzelf op een Franse camping staan met een steen in mijn hand, gereed om de hemel een rotschop te geven. ‘God is dood, verdomme!’ zou ik roepen. Niet omdat ik wist wat dat betekende, maar omdat het heerlijk was om het te roepen. Ik had God nog nooit gesproken, maar voelde me toch al gerechtigd hem ter verantwoording te roepen.

Dat is achteraf misschien mijn eerste vorm van hoogmoed geweest. Ik dacht dat ik op mijn zeventiende de wereld had doorzien, terwijl ik niet eens wist waar de volgende camping was. Mijn vader moest mij vertellen welke afslag we moesten nemen. Ik wist daarentegen dat het bestaan absurd was. Hij wist hoe je een kaart moest lezen. Ik kende het absurde. Hij kende de route. U begrijpt wie van ons beiden uiteindelijk beter voorbereid was op het leven. Toch bleef ik hem in gedachten verwijten dat hij mij niet begreep. Dat is een merkwaardig voorrecht van de adolescent: je kunt iemand verwijten dat hij je niet begrijpt op het moment dat je zelf nog niet weet wat je bedoelt.

En toen was er France Gall. ‘Je suis une poupée de cire, une poupée de son.’ Dat liedje klonk voortdurend op de autoradio. Ik zat achterin de Fiat en luisterde alsof de moderne wereld speciaal voor mij een boodschap had gestuurd. Mijn ouders hoorden waarschijnlijk gewoon een Frans meisje zingen. Ik hoorde de Sirenen. Ik was Odysseus, vastgebonden aan de mast, alleen was er niemand die mijn oren met was had dichtgestopt. Ik zat gevangen tussen Camus en France Gall, tussen de dood van God en deze verleidelijke muziek, tussen Sade en de Michelin-route die met aandacht volgen moest. Ik was zeventien en voelde mij volstrekt alleen op deze godverlaten aardbol. Achteraf moet ik toegeven dat de aardbol daar weinig schuld aan had. Die draaide gewoon door.

Maar Camus werd mijn reisgenoot. Mijn geestelijke gids, mijn persoonlijke ANWB, mijn heilige zonder God. Hij had alles wat een zeventienjarige nodig heeft om verliefd te worden op een dode schrijver: een mooie kop, een tragische dood, een regenjas, een zekere zwijgzaamheid en een theorie waarin het niet begrijpen van de theorie zelf al als bewijs van die theorie kon gelden. Dat laatste was bijzonder handig. Wanneer ik een passage niet begreep, hoefde ik mij niet te schamen. Ik kon gewoon zeggen dat het absurd was. Camus keek mij vanaf de achterflap welwillend aan. Hij leek te zeggen: maak je geen zorgen, jongen, niemand begrijpt het. Ik vermoed nu dat hij dat helemaal niet zei. Maar ik had hem nodig en dus liet ik hem spreken.

Ik hield misschien nog meer van zijn gezicht dan van zijn boeken. Dat zeg ik nu pas omdat het toen onfatsoenlijk zou hebben geklonken. Een schrijver hoorde immers niet aantrekkelijk te zijn. Een schrijver hoorde een vreemdeling te zijn, een man die door de wereld liep alsof hij haar geheim kende maar besloten had daarover niets prijs te geven. Camus keek niet. Hij schouwde. Dat was het verschil. Zijn blik ging over de Middellandse Zee heen, langs de woestijn, door de menselijke ziel en waarschijnlijk rechtstreeks naar mij. Dat dacht ik tenminste. Ik had niet door dat hij helemaal niet naar mij keek. Hij keek vermoedelijk naar iets wat zich buiten de foto bevond.

Ook daarin herkende ik mij later. Wie nog jong is, denkt graag dat grote schrijvers speciaal voor hem dit diepzinnige hebben geschreven. Je leest dan een zin van Camus en denkt: dit gaat over mij. Je leest een tweede zin en denkt: hij kent mij. Bij de derde zin is de zaak beklonken. De schrijver is een persoonlijke vriend geworden die je nooit ontmoet hebt. Zo kun je jarenlang een verhouding onderhouden met iemand die dood is zonder dat hij ooit aanleiding krijgt om je teleur te stellen. Een levende schrijver kan een verkeerde mening hebben. Een dode schrijver heeft alleen nog maar een oeuvre. Dat is een zeer comfortabele vorm van vriendschap.

Het was in Nevers waar ik aan het laatste hoofdstuk van De mens in opstand begon. De camping lag aan de Loire. ’s Avonds kleurde de lucht rood boven de torens van de kathedraal en zag ik de woorden van Camus voor mij oplichten. Tegelijk dacht ik aan Bernadette, wier onbedorven lichaam ik in een glazen sarcofaag had zien liggen in een kapel aan de overkant van de rivier. Zij was voor mij de absolute tegenpool van Camus. Hij stond voor de opstand tegen God. Zij leek eerder het bewijs te leveren dat God nog altijd een zekere macht bezat over het menselijk lichaam, zelfs na de dood. Haar gezicht was bleek maar sereen en ongeschonden. Ze leek op Sneeuwwitje die al duizend jaar lag te wachten op een prins die kennelijk de verkeerde afslag had genomen. Streng verboden te fotograferen, stond er bij de ingang van de kapel. Zelfs een goddelijk wonder kende blijkbaar zijn auteursrecht.

Ik was woedend. Waarop precies wist ik niet. Op God? Op de Kerk? Op Bernadette? Op mijn vader? Op Frankrijk? Misschien vooral op het feit dat niemand mij had verteld hoe absurd het allemaal was. Ik wilde de sterren uit hun baan slaan, zoals Sade dat ooit had willen doen. Ik wilde het heelal aansprakelijk stellen. Ik wilde Bernadette wakker schudden uit haar eeuwige sluimer en vragen wat zij er zelf eigenlijk van vond. Maar zij bleef liggen. Morsdood, als een macabere wassen pop. De gelovigen bleven komen. De auto’s bleven rijden. En ik bleef zeventien. Dat was misschien wel het meest ondraaglijke van alles: dat de wereld onverstoorbaar doorging terwijl ik ondertussen ontdekte dat God dood was. Morsdood, net als Bernadette, gebalsemd voor de eeuwigheid als een goed geconserveerde illusie.

Op de terugweg naar Nederland kwam alles wat ik had gelezen in dat boek van Camus nog eenmaal voorbij. De namen van de filosofen die hij behandelde, de plaatsen onderweg, de bruggen, de kathedralen en de fraaie zinnen van Camus vormden één lange film. Een nouvelle vague film zonder begin of einde. Ik had heimwee naar Frankrijk en tegelijk naar huis. Dat is een nogal onpraktische vorm van verlangen, omdat je dan nergens meer naartoe kunt. Ik verlangde naar een Frankrijk dat ik nog niet had gezien en naar een huis waarvan ik nog niet wist dat ik het binnenkort voorgoed zou verlaten. Ik wilde mijn eigen Frankrijk ontdekken. Lourmarin. Het graf van Camus. Villeblevin. De boom waar de Facel-Vega van Gallimard op 4 januari 1960 tot stilstand was gekomen. Ik wilde op heilige plaatsen staan die ik zelf had uitgekozen.

De laatste zin van De mens in opstand las ik alsof daarmee de wereldgeschiedenis voorlopig kon worden afgesloten. Ik zette mijn laatste potloodstreep. Dat was een plechtig moment. Het boek was uit. Mijn jeugd nog niet. Dat verschil drong toen nog niet ot mij door. Ik sloeg het boek dicht en keek opnieuw naar het hoge voorhoofd op de achterflap. Camus keek nog altijd met een diepzinnige blik in de verte. Hij leek niets van mij te verwachten en in zekere zijn was dat geruststellend. Ik wist toen nog niet dat negen maanden later mijn vader zou overlijden en de Fiat 600D zou worden verkocht. Daarmee verdween het voertuig waarin ik mijn eerste filosofische reis had gemaakt. Camus was al een paar jaar dood. Mijn vader zou hem spoedig volgen. Alleen ik bleef over met een boek vol potloodstrepen.

En nu ben ik inmiddels al weer dertig jaar ouder dan Camus ooit is geworden. Ik heb hem ingehaald. Jarenlang keek ik tegen hem op, totdat ik op een dag ontdekte dat ik veel ouder werd dan mijn idool. Dat voelt niet als een overwinning. Het voelt eerder als een nederlaag. Ik had verwacht dat er op dat moment dat ik hem voorbijging in leeftijd iets zou gebeuren. Een stem uit de hemel, een nieuwe dageraad, een brief van Gallimard misschien. Maar niets. Alleen de spiegel. En daar stond ik dan, verantwoordelijk voor mijn eigen gelaatstrekken. Ik keek goed. Geen schaakbord in het kwadraat op een voorhoofd. Geen diepe sporen van het bestaan. Alleen datzelfde gezicht van vroeger, maar dan ouder, veel ouder.

Toch heeft Camus mij uiteindelijk iets geleerd. Niet dat het leven absurd is; dat wist ik als zeventienjarige al, zonder precies te weten wat dat in wezen betekent. Hij heeft mij geleerd dat je voorzichtig moet zijn met schrijvers die je bewondert. Je kunt ze op een voetstuk zetten, hun hoge voorhoofd tot een filosofisch landschap verklaren en vervolgens vergeten dat ze ook maar gewone mensen zijn geweest. Je kunt zelfs dat hoge voorhoofd verwarren met wijsheid. Ik heb dat allemaal gedaan. En als ik nu in de spiegel kijk, zie ik daarvan nog altijd het bewijs. Mijn eigen voorhoofd is misschien niet diep genoeg gegroefd, maar één ding staat er onmiskenbaar op geschreven: ik heb mijn hele leven geprobeerd Camus te begrijpen, terwijl ik waarschijnlijk vooral probeerde mezelf te begrijpen.

Dat is geen fraaie conclusie, vrees ik. Maar u zult het mij moeten vergeven. Ik ben nu eenmaal niet alleen verantwoordelijk voor mijn eigen gelaatstrekken, maar wel voor mijn bekentenissen die in al die jaren niet zoveel zijn veranderd. Want als ik heel eerlijk ben, ben ik nog altijd die jongen van toen. Zeventien jaar is mijn absolute leeftijd. Ik zit nog altijd achterin die Fiat 600D, met zijn knieën tegen de voorstoel, een potlood in zijn hand en De mens in opstand op schoot. Mijn vader roept dat ik moet opletten bij de volgende afslag. France Gall zingt op de autoradio. Camus kijkt vanaf de achterflap met die eeuweige onbestemde blik naar iets buiten beeld. De weg is lang, de auto klein. En ergens verderop ligt die volgende afslag nog altijd te wachten op mijn vader, mijn moeder en ik… Alsof mijn leven ergens tijdens die lange rondreis door Frankrijk voorgoed is stil blijven staan.